21 augustus 2005
[Ontschroevingswerkzaamheden]
Het patiëntje spelen in een ziekenhuis gaat me nog altijd niet erg goed af. Ik help liever mensen dan dat ik zelf geholpen word, zodoende liep ik tot vlak voordat ik afgevoerd werd naar de operatiekamer nog kreupele mensen te helpen. Zelfs in de uitslaapzaal kregen ze me in de eerste instantie niet plat omdat naast me een oude vrouw met een enkelfractuur lag die als de dood was voor de ruggenprik die ze zou krijgen. De operatieassistente kreeg haar met geen mogelijkheid rustig dus ik voelde me geroepen het arme mens op haar gemak te stellen, wat nog lukte ook.
Ineens stond de chirurg aan mijn voeteneind en moest ik stil liggen. Hij nam plaats aan mijn linkerzijde en ik moest mijn been buiten de dekens steken, wat ik braaf deed, alleen niet aan de kant die de chirurg verwachtte. Hij fronste, wierp een boze blik naar de operatieassistente, stond op en krabbelde wat op het formulier dat aan mijn bed vast geplakt zat. "Hadden we toch bijna de verkeerde voet te pakken gehad!"
De chirurg duwde op het litteken en zette met een markeerstift een grote zwarte stip op de plaats waar hij dadelijk zou moeten snijden. Vervolgens haalde hij een van de twee verdovingspuiten uit zijn borstzak en stak deze boven in mijn voorvoet. Ik telde tot tien en verbaasde me over het feit dat de felle pijn slechts zo kort duurde, het leek veel langer. De tweede spuit kreeg ik in de onderkant van mijn voorvoet, wat zo mogelijk nog meer pijn deed, maar ik bleef vriendelijk lachen. De operatieassistente weigerde, ondanks het verzoek van de chirurg, mijn hand vast te houden. Blij toe, ik was toch niet van plan die muts in haar hand te knijpen.
Vijf minuten later werd ik de operatiekamer binnengereden. Een van de assistenten rolde me in een verwarmd dekentje en een andere assistent smeerde jodium op mijn voet. Een derde assistent vroeg me of ik mee wilde kijken, waarop ik enigszins vertwijfeld knikte. De chirurg zette zijn scalpel in mijn voet en van schrik schopte ik de beste man bijna in zijn gezicht.
"Aaauuuww!"
Dat deed pijn.
De chirurg stopte met snijden en fronste wederom. Ik had al zo mijn twijfels over de verdoving, aangezien ik nog vrolijk met mijn tenen kon wiebelen en precies kon voelen wat ze met mijn voet uitspookten voordat het mes erin gezet werd. Aan de andere kant dacht ik dat die mensen wel zouden weten waar ze mee bezig waren dus vertrouwde ik er maar op dat het goed zou zijn. De verdoving bleek niet aan te slaan en terwijl een van de assistenten op zoek ging naar een nieuwe spuit, sijpelde het bloed in straaltjes langs mijn wreef. Ik beet op mijn lip en staarde naar het plafond.
Een derde naald doorboorde mijn huid en ik voelde hoe de vloeistof in mijn voet gespoten werd. Het beloofde niet veel goeds maar ik moest het er maar mee doen. De assistenten drentelden onrustig om me heen. De arts sneed verder en verwisselde even later zijn scalpel voor een schroevendraaier. Ik beet op mijn kiezen en voelde het bloed uit mijn hoofd wegtrekken.
"Praat dan met haar!" beval de chirurg de muts-assistente die naast me stond.
"Oh eh, wat doe je zoal? In het dagelijks leven bedoel ik." mompelde ze nauwelijks hoorbaar.
"Ik werk op een na-ha-aaauw-schoolse opvang."
"Zeker spw gedaan aan het ROC?" vroeg de muts-assistente op neerbuigende toon.
"SPH. En orthopedagogiek."
"Oh... zeker te moeilijk een baan op niveau te vinden..."
De chirurg zuchtte.
"Ik had inderdaad beter geneeskunde kunnen studeren."
"Ja, en dan zit je na jaren studeren een beetje met een schroevendraaier in iemands voet te porren. Ben je klaar mee." zei de chirurg.
"Handig toch?" antwoordde ik. "U bent nu vast een uitstekend doe-het-zelver."
De chirurg lachte.
Ik kneep mijn ogen samen en wenste dat het voorbij was. Na enkele minuten hield de chirurg de schroef tussen duim en wijsvinger. De muts assistente spoelde het bloederige ding af, stopte het in een potje en legde het potje onder mijn kussen. De andere assistenten dichtten de wond en hulden mijn voet in een dik pak verband.
"En, viel het mee?" vroeg de muts-assistente.
"Ja hoor, voelde er níks van."
De chirurg zuchtte en ik volgde zijn voorbeeld.
15 augustus 2005
[Eureka!]
"Zit dat nou lekker, dat gips?"
"Zitten gaat wel, lopen, dat is lastig. Het is niet echt comfortabel maar er valt best mee te leven."
"Wel zwaar zeker?"
"Valt reuze mee, het is synthetisch, weegt bijna niks."
"Oh, bestaat dat tegenwoordig ook?"
"Ja, kennelijk."
"Je zult wel blij zijn als je het er 's avonds even af kunt halen he?"
"Nou, als dat eens zou kunnen..."
"Hoezo, kan dat niet dan?"
"Ehm, nee. Dat is nou het idee van gips."
[Is er feest na de dood?]
Mijn familie is de laatste tijd niet zo van de familiefeestjes. Zeker mijn vaders kant van de familie is waar het op feestjes aankomt nogal gezapig. Op mijn vader zelf na dan. En zijn jongste zus, maar die is dan ook getrouwd met mijn moeders broer die nooit met een gezapig type in het huwelijksbootje zou stappen. Het laatste familiefeest van de papakant was vier jaar geleden toen mijn oom en tante (papa's oudere zus) vijfentwintig jaar getrouwd waren. Het was zo geestdodend saai dat ik me nog steeds afvraag wat er, op de aanleiding na, zo feestelijk aan was. Er waren niet eens bitterballen.
Er was een zaaltje gehuurd in een duivenmelkerclubhuis en daar stonden wat tafels met papieren ruitjeskleden erop. Er was een buffet met huzarensalade, saté en van die kleffe borrelballetjes in zoetzure saus. Het ergste van alles was de man met het scheve toupet die bij wijze van schnabbel een aantal oubollige deuntjes uit zijn keyboard toverde en daar samen met een geblondeerde madonna bij zong. Het grootste deel van de gasten was te stijf om een dansje te doen en de mensen die een dappere poging waagden, leken stuk voor stuk in het bezit van twee linkerbenen.
Het was zo'n feest waarop je de hele avond beleefdheidspraatjes moet houden met mensen die je helemaal niets te melden hebt en zij jou nog veel minder. Zo'n feest waarop het noodlot toeslaat en je een uur lang klem zit tussen een dronken duivenmelker en je minst geliefde tante. Tante Propje, zoals ik haar altijd noem, omdat het lijkt alsof de schepper haar na de creatie verfomfaaid heeft maar vergat haar vervolgens weg te gooien. Het was nogal deprimerend allemaal. De enige leuke herinnering die ik aan die avond heb overgehouden, is het moment dat er een enorme spin aan een draadje naar beneden bungeejumpte en vlak voor het gezicht van de geblondeerde zangeres bleef bungelen. Ze gilde het uit en rende in paniek de zaal uit. Nu wil ik mijn familie niet beledigen, maar ik hoop oprecht dat het nog heel lang duurt voordat ik weer zoiets moet meemaken.
De mamakant van mijn familie heeft een alles-of-niets mentaliteit waar het feestjes betreft. Als er gefeest wordt dan moet de boel ook goed op stelten gezet worden. Geen oude mannen met scheve toupetten maar stoere rockers op een zelfgebouwd podium en tantes die na een aantal wijntjes op de tafel dansen. De familieleden zijn zo gek als een deur, subtiliteit komt in hun vocabulaire niet voor en dat zorgt regelmatig voor hilarische situaties. Soms zijn dat ronduit genante situaties maar meestal ben ik de enige die daar zo over denkt omdat ik onmogelijk zoveel bier zou kunnen drinken als mijn familieleden, gesteld dat ik bier zou lusten. Je kunt in geen geval zeggen dat ze saai zijn.
Zaterdag was er een familiefeest met familieleden van de mamakant. Een feest dat sinds het overlijden van mijn opa elk jaar gegeven wordt door de enige bovengemiddeld welvarende man in de hele familie. Niet omdat we zo blij zijn dat opa plotseling overleed, integendeel, we waren het erover eens dat we van elkaar moeten genieten zolang we elkaar hebben en dat kan nu eenmaal niet wanneer je elkaar zelden ziet.
Mijn vader en ik leefden ons uit achter de barbecue (een welkome warmtebron aangezien de weersomstandigheden deze zomer op z'n minst herfstig te noemen zijn) en hebben ruim dertig hongerige monden voorzien van stukken vlees en decadente hapjes. De plintenpieser van mijn tante vond het kennelijk onacceptabel dat we niet af en toe per ongeluk een stukje vlees lieten vallen, zodoende rende het beest net zo lang achter de kippen (die minstens twee keer zo groot waren als het hondje: een klein uitgevallen Jack Russel) aan en kreeg er uiteindelijk een te pakken. Zonder pardon beet hij de kip dood en rende toen trots kwispelend weer terug naar de barbecue. De brute moord werd het beest niet in dank afgenomen en de beoogde beloning (op het rooster met die kip) bleef uit.
Nadat het kippenlijk opgeruimd was en de hond voor straf in de auto opgesloten werd, hoorde ik aan de andere kant van de tuin een hoop lawaai. De schapen van de buurman waren ontsnapt en binnen een minuut hadden een stuk of twintig blatende hoopjes wol op pootjes zich verzameld rond de barbecue. Het was een nogal surrealistisch gezicht. Stel je voor: een donkere, dreigende wolkenmassa boven een onnatuurlijk groen gazon, verlicht door een lange slinger met oranje lampjes, twee roodverlichte zwembaden, een kloostertuin vol felgekleurde bloemen en midden op het gazon een groep luidkeels lachende mensen die al zo veel gedronken hadden dat ze het doodnormaal vonden dat er ineens een kudde schapen in de tuin stond. Het duurde dan ook even voordat iemand besloot de schaapsherder te spelen en de kudde aan de buurman te retourneren.
Toen iedereen zijn buik rond gegeten had, of in het geval van de meeste van mijn familieleden: ronder dan de buiken al waren, begon het keihard te regenen. Normale mensen zouden zich snel naar binnen verplaatsen maar in het geval van mijn familie gingen de kleren uit en de badpakken aan voor een duik in het zwembad dan wel de jacuzzi. Wegens mijn nog altijd niet geheelde voetwond, ernstige bikiniaversie en het feit dat ik een onverbeterlijke koukleum ben, trok ik mezelf terug in de blokhut.
Mijn vader kwam me vertellen dat de boeken van mijn opa, die na zijn overlijden ineens verdwenen waren, gevonden waren en in de garage uitgestald stonden. Ik had er eerder niet naar gevraagd omdat ik absoluut geen zin had om ruzie te maken over een erfenis maar ik was toch wel blij dat ze na al die tijd boven water gekomen zijn. Het zou zonde zijn wanneer ze langzaam tot stof zouden vergaan terwijl niemand er naar omkijkt. Blijkbaar was ik de enige die de moeite nam zich te herinneren in wiens gedachtenis we eigenlijk samen gekomen waren maar ik vond het niet erg. Terwijl mijn familie het in de stromende regen uitgierde van het lachen, drinkend, zwemmend en lachend, bladerde ik op mijn gemak alle boeken door. De boeken roken door de muffe geur heen nog steeds naar opa. Hier en daar had hij aantekeningen in de boeken gekrabbeld en vond ik boekenleggers welke ik als klein meisje voor hem gemaakt had.
De rest van de avond heb ik stilletjes voor de openhaard doorgebracht, omringd door stapeltjes boeken. Van Simone de Beauvoir tot Toon Hermans ('Zet je hart uit je hoofd', gekocht na opa's eerste hartinfarct) en van allerlei wetenschappelijke studies tot een grote verzameling berichten van de Tweede Wereldoorlog. Ik las mijn opa's leven, die meer beleefd heeft dan ik in tien levens zou kunnen beleven, en betreur nog elke dag het feit dat hij zijn eigen boek nooit af heeft kunnen schrijven. Opa's leven was geen feestje maar hij maakte er het beste van. Hij was een avonturier, een reiziger, een kunstenaar, een uitvinder, een natuurliefhebber maar vooral een man op zichzelf. Een observator. Een stille genieter. We leken op elkaar. Als hij nog geleefd had, hadden we die avond vast en zeker samen bij de openhaard gezeten. Hij zou vertellen en ik zou luisteren en het feest zou ons gestolen kunnen worden.

