25 januari 2010
[De kleren van de Keijzerin] (slot)
Daar ging mijn telefoon weer.
“Hoi mam, met je dochter de faalhaas.”
“Huh?”
“Nevermind. Ik heb ‘m terug gehangen hoor.”
“Huh? Hoezo?!”
Kijk, op dat soort momenten is mijn moeder dus echt compleet onnavolgbaar.
“Hoezo ‘hoezo’?” vroeg ik.
“Het is toch de perfecte jurk? Je droomjurk?”
“Jaha” antwoordde ik, “maar ik kan ‘m echt niet betalen, dus geen paniek, volgende keer ben je er hoogstpersoonlijk bij als ik jurken ga passen.”
Mijn moeder moest lachen. Daarna kwam er een aap uit een mouw. Ze is ooit eens bij een bruiloft geweest waar de bruid een zwart outfit had. Het moet vreselijk geweest zijn. Veel te kort rokje, veel te wijd bij de borsten, lelijk materiaal, afschuwelijke, ordinaire zwarte Schoenenreuslaarzen eronder. Die bruid was de dochter van een cliënt van m’n moeder en elke keer als ze daar komt, moet ze tegen de trouwfoto van de zwarte bruid aan kijken. Dus toen ik zwart zei, was dat de eerste associatie die bij haar op kwam.
“Maar ik weet heus wel dat jij wél goede smaak hebt hoor Wen!”
“Ik weet zeker dat jij het ook prachtig had gevonden” zei ik.
Ik was blij met haar verklaring, nu voelde ik me tenminste niet meer zo schuldig.
“Ja, dat denk ik ook” zei mijn moeder “en ik kan niet wachten tot ik hem in het echt zie!”
Had ik al eens onnavolgbaar gezegd?
“Mam, ik zeg je net dat ik ‘m al terug gehangen heb.”
“Dan ga je hem maar weer halen want als dit echt de jurk is waarin jij wilt trouwen, dan moet je hem meenemen. Ik zat een beetje te balen omdat ik het je volgende week persoonlijk wilde vertellen, maar pa en ik hebben het er even over gehad en wij vinden dat de ouders van de bruid de bruidsjurk moeten financieren. Maar omdat hij ietsie duurder is dan we gedacht hadden en we ook nog wat andere dingen voor je willen doen, ga ik nu de helft van het totaalbedrag naar je overmaken, ok?”
Als ik klompen aan gehad had, waren ze alle twee gebroken.
“Sorry dat ik zo lomp reageerde” verontschuldigde ze zich. “Ik heb dit nog nooit gedaan, en jij zei dat de moeder van de bruid ook verantwoordelijkheden heeft...”
“Mam!” riep ik, “Dat was een grapje! Ik ga jou toch niet vertellen wat je moet doen!”
“Ja nou, ik ben gewoon zo trots en ik wil geen slechte moeder zijn...”
Mensen zeggen wel eens dat ik zo op mijn moeder lijk.
I wonder why...
16 juni 2009
[Humorbemiddeling]
Hoogeveen: Een koning die tot in de late uurtjes werkt.
Schrama: Ehhh, eh, eeuuuuhhh....
Hoogeveen: Nou? Het is een cryptogram, weet je het al?
Schrama: Ja eh, dat is me te moeilijk hoor.
Hoogeveen: Een nachtvorst, haha!
Schrama: Oh...
U vangt mijn tocht. We probeerden het nog eens.
Hoogeveen: Een Topper op de plee.
Schrama: Ehh, René Froger?
Hoogeveen: Ja waar slaat dat nou weer op?
Schrama: Die zal toch ook wel eens op de poepdoos moeten?
Hoogeveen: Ja. Toch is het fout.
Schrama: Okay, Jeroen dinges, hoe heet-ie...
Hoogeveen: Nee.
Schrama: Nee? Als ik hem was zou ik de schijt krijgen van die andere twee.
Hoogeveen: Zo moeilijk is het niet, kom, denk na!
Schrama: Ik geef het op.
Hoogeveen: Gordon sanitaire! Hahaha!
Schrama: *stil* Is dat het? Nou, daar vind ik nou geen ene reet aan.
Hoewel je mij op dit punt al bijna kon opdweilen (niet zo zeer om de grappen als wel om de reacties), was dit mopje verder weinig sfeerbevorderend. Nu treft ons het geluk dat we er tegenwoordig een bemiddelende factor bij hebben die de naam Keijzer draagt. Hoedie-utdoetdoetie-ut, maar hij heeft de lachers van beide partijen binnen no time op zijn hand. Iedereen blij.
Keijzer: Een topper die een blauwtje loopt.
Hoogeveen: Ehhh...
Schrama: Euh...
In stereo: Gordon bleu! Hahahahaha!
Nadeel is dat ik voortaan niet naar een familiefeest kan zonder een grote bus zout mee te brengen.
6 juli 2008
[Weekend update]
Het weekend deze keer ingeluid met Marcel en Inger in Northend. Ik ben bepaald geen kroegtijger (ik woon al 10 jaar in Leiden en ken slechts 5 kroegen) maar hier kom ik graag, al is het maar vanwege de Strongbow. Het rookverbod in horecagelegenheden is deze week ingegaan en het was grappig om te zien hoe veel mensen uit gewoonte nog hun pakjes sigaretten op tafel uitgestald hadden. De gesprekken gingen ook nergens anders over. Marcel (die al een half jaar gestopt is met roken maar naar mijn idee van fulltime roker is geswitcht naar gelegenheidsroker) had het er maar moeilijk mee en besloot buiten een peuk op te steken met andere galspugende kroegbezoekers. Ik ga die mafkees nog missen! Om nostalgische redenen de hele avond met een overdreven Leids accent gepraat want straks hoor ik natuurlijk niets dan zachte g’s en omgebogen klinkers.
28 juni 2008
[Een achenebbisjbank]
Je kent je vader, die wil altijd voor een dubbeltje op de eerste rij zitten en liever nog voor nop.
Dat is ook. Maar mijn moeder was van mening dat je op de eerste rij ook wel wat mag verwachten van een zit-unit. Geef haar eens ongelijk.
De paps heeft een aantal levensmotto’s. Eén van de belangrijkste is: wat je gratis kan krijgen, moet je aanpakken. Nu was het zo dat oom D een lading inboedel aan oom P gegeven had, waaronder twee bankjes en een stoel. Oom P belde mijn moeder op om te vragen of ze misschien ook een bankje wilde hebben, voor in de tuin ofzo. Toen mijn moeder de bankjes zag, riep ze enthousiast: oooh! Die zou ik nog wel in mijn huis zetten! En voor ze het wist stond het setje in haar woonkamer. Oom P was zo goed om de oude bank maar meteen naar de stortplaats te brengen en als hij toch bezig was, kon hij die lelijke IKEA-wipper net zo goed ook meenemen. Mijn moeder liet de andere wipper staan omdat ze bang was dat de schok anders te groot zou zijn voor de paps.
Tevreden keek mijn moeder naar haar nieuwe meubeltjes. Ze konden een stukje nieuwe bekleding gebruiken maar het teakhout paste uitstekend bij de rest van de inrichting en het stond zo lekker ruimtelijk. In afwachting van de paps begon mijn moeder aan het eten.
Niet veel later kwam de paps thuis. Hij zette zijn pukkel neer, opende hem en haalde er een blik cola uit. Huh, jij drinkt toch geen cola? Was mijn moeders verbaasde reactie. Nee, zei de paps, maar het was gratis en wat je gratis krijgt... Mijn moeder knikte instemmend en maakte zijn zin af. Precies. De paps schrobde zijn handen schoon en mijn moeder roerde neuriënd in de soep.
Toen liep de paps de woonkamer in. Mijn moeder hield van spanning haar adem in. Zou hij heel boos worden? Ze hoorde hem twee stappen zetten en pardoes halt houden. Heh?! Klonk het vanuit de kamer. Vind je ’t wat? Vroeg mijn moeder, die naast hem was komen staan, voorzichtig. Ja, het heeft wel wat, heel... ruimtelijk. Mijn moeder liet van verbazing haar onderkaak zakken. Ouwe scharrelaar! Waar heb je dat nou weer vandaan? vroeg de paps. Ehm, ja, laat ik het zo zeggen: het was gratis en wat je gratis kan krijgen... De paps moest lachen. Goedzo Liedje, je begint het te leren.
15 juni 2008
[Aftellen]
Het had zelfs de laatste dag nog gevoeld alsof het een eeuw zou duren tot het moment dat ik mijn OVA weer zou zien. Ik blijf het wonderlijk vinden hoe je iemand zo kunt missen dat je er helemaal ontregeld van raakt. Dat constante, zeurderige gevoel dat er iets essentieels ontbreekt. Een gevoel dat maar niet weggaat, zoals wanneer je ontiegelijke dorst hebt maar niets te drinken. Het is zo erg dat ik in Istanbul zelfs heimwee had, iets waar ik nooit eerder last van gehad heb (behalve die keer dat ik op vakantie was in Aywaille, waar het prachtig was maar ik niet kon genieten of ontspannen vanwege ingewikkelde relationele perikelen en ik stiekem zo naar huis verlangde dat ik er ziek van werd en zodoende de hele kampeerbende in de auto gemikt heb en rechtsomkeert maakte). Heel vervelend, maar ergens ook wel fijn want bevestigend. Toen eindelijk de trein arriveerde heb ik mijn OVA de eerste tien minuten niet losgelaten. Thuis is in zijn armen.
[Je tijd vooruit zijn]
Pa: Da’s een hele ouwe, 1914, uit Zweden.
Wen: Hebben wij daar familie dan?
Pa: Nee joh, die komt gewoon uit De stad Rome.
Wen: Dat restaurant in Warmond?
Pa: Ja. Ik zag hem hangen en ik vond hem mooi, dus ik dacht: die neem ik mee. Toen zat ‘ie ineens onder mijn arm…
OVA: Dus feitelijk had jouw pa al een mobiele telefoon voordat ze bestonden? Doet ‘ie goed.
12 januari 2008
[Breedspraak, terug naar fit]
Het was tijd om de lamlendigheid overboord te zetten en genadeloos te kielhalen. Mijn slapeloze nachten konden niet langer het excuus vormen voor absenteïsme. Ik nam nog twee pijnstillers en schonk mezelf wat vloeibare okidokine in. Ik schoof de krik onder mijn gemoed om het in opwaartse richting te doen bewegen. Tijdens de koffie las ik mijn horoscoop, welke me vandaag van een welkome schop onder mijn kont bediende: haast je naar de sportschool! Lekker verhaal, dacht ik nog, alsof ik dat niet allang van plan was. Zij het schoorvoetend. Maar het is altijd fijn als de sterren het met je eens zijn. Zelfs al hebben zij andere motieven dan ik.
“Ga sporten om je overtollige energie kwijt te raken” stond er. Had ik die dan? Soms weten de sterren meer dan ik. Echter, volgens mij bedoelden ze massa. Daar kan ik in bepaalde zones feitelijk wel iets van missen. Hoe dan ook, na vijf weken vol smoezen om mijn verstek te rechtvaardigen (gekneusde hand, de hort op, feestdagen, mijn sportmaatje is hem gesmeerd naar Canada, migraine, spontane drempelvrees) moest het er inderdaad maar weer eens van komen. Al was het maar om mijn vermoeidheid het hoofd over de kling te jagen zodat ik eindelijk een nacht fatsoenlijk zou slapen. Ik had totaal geen zin. Maar ik moest.
Vooruit – ik heb een kontcomplex. Wat had je gewild? Ik ben een vrouw. Noem me een vrouw die geen complex heeft. Daaraan ondergeschikt lijd ik aan een dijcomplex. Ga met mij voor de pret eens de stad in om de perfect passende broek te vinden en je zult begrijpen hoe ik eraan kom. Schuld van ‘de mode’. Maar geen man overboord, met een BMI van 21 is er geen reden tot bezorgdheid, al kan ik gezien de gemiddelde omvang van mijn familieleden wel begrijpen hoe ze aan haar malle idee gekomen is. Mocht de ramp van ’53 zich ooit herhalen dan is er in ieder geval één familie die gegarandeerd blijft drijven op lichaamseigen zwembandjes: de mijne. Eventueel ook dijken mee te verzwaren of gaten mee te dichten.
De mams opperde samen boodschappen doen. Nu moet u weten dat de mams de kunst van het overdrijven als geen ander beheerst. Het komt meestal hierop neer dat zij van alles in mijn karretje deponeert wat ik er dan weer zo onopvallend mogelijk uit haal en terug in het schap frommel. En neem nu kleding. De mams sleurde me een boetiekje in en dwong me een jurkje te passen. Ik verzoop in een S. “Vast verkeerd gelabeld”, merkte ik schouderophalend op. De mams kwam met een trui aan. Zo’n heupmodel. Vreselijke dingen maar ‘de mode’ is nu eenmaal onverbiddelijk. Toch vind ik dat je geen dingen moet dragen die zowel kont als heupen als buik accentueren, tenzij je van het type strijkplank met borsten bent. “En wat ben jij dan wel niet?” sprak de mams verontwaardigd. “Als jij nog één gram vet verliest verklaar ik je anorectisch, hoor je me?” De kunst van het overdrijven dus.
Ik griste mijn sportkleding bij elkaar en stopte deze in mijn tas. “Zo en doe me nou maar een paar van die mokkabonen want van al deze inspanning zou ik nog afvallen. Daarmee maak ik natuurlijk geen indruk op de vijand.” Eerst nordic walking en nou dit weer. Grootheidswaan. Even uit het raam kijken of er in plaats van een Citroên een glimmende Porsche op de parkeerplaats stond. Gelukkig – (nog) geen midlife crisis. “Geen tijd!” riep ik, terwijl ik de ouwe lui de deur uit werkte. “Een tompouce dan?” probeerde de paps nog. “Geen sprake van! Ik ga me breed maken en zal ‘ze’ wel eens even laten zien wat een Hoogeveen in huis heeft.” Terwijl ik de mams een kus gaf, kreeg ik een knipoog van mij pa, die een ‘that’s my girl’ bakkes trok. Het mag dan een kerel zijn, hij blijkt keer op keer meer kaas van vrouwenkronkels gegeten te hebben dan je zou vermoeden en bezit de gave me op unieke en ludieke wijze te motiveren precies dat te doen waar ik het meest tegenop zie.
23 december 2007
[Ontstoffing]
Zaterdagavond. Niets te doen. Even de ouders bellen voor ‘n bakkie. “Bakkie? Bakkie? Nou vooruit, effe gauw dan en wel op tijd komen want daarna gaat er bruut gefeest worden en dan kan er van koffie voorlopig geen sprake meer zijn.” Dat ik het even wist. Mijn ouders (en de mamakant van mijn familie) ontpoppen zich soms spontaan tot woeste feestbeesten. Een beetje vreemd misschien maar wel erg gezellig. Voor vertrek zag ik in mijn mailbox een uitnodiging voor een reünie. De locatie lag toevallig op de route dus why ook not. Mij wordt wel eens verweten dat ik ‘verstof’ of ‘onder een steen leef’ dus dit leek me een goede gelegenheid om even met de plumeau langs mijn stoffige imago te gaan.
Dat zou ik weten ook. Bij aankomst kreeg ik meteen een roodzwarte boa omgeworpen (“Meeiiid, leuk bij je haar!” – die middag smeerde ik er in een wilde bui een tube knalrode verf in om te zien of dat na vijf jaar nog wat deed, met stoplichteffect als gevolg). Dacht ik dat we naar een fatsoenlijke kroeg gingen dan had ik het mooi mis. Het bleek namelijk een soort schuur (‘privécafé’) te zijn. Midden in een weiland. Vol gekleurde lampjes en met een podium, een bar en een openhaard. Het deed me een beetje denken aan de kraakfeestjes van vroeger, maar dan sfeervol. En lekker warm.
Mijn pa, die naar eigen zeggen doodziek wordt van die eeuwige kutpinda’s overal, trok uit zijn binnenzak twee doosjes kaaskoekjes, stalde ze uit op onze statafel en nodigde me uit toe te tasten (“koekjederbij?”). Voor ik het wist, had ik een glas wijn in mijn hand en werd ik heen en weer geslingerd in de dansende menigte. “Zo Wen, aan de vino?” riep mijn tante Co verheugd. Mams stond er ook van te kijken. Zelfs ik moest er even aan wennen want ik heb twee weken geleden pas geleerd het te waarderen. “Beter laat dan niet” besloot ze “goede smaak komt net zoals ouderdom met de jaren”. Of ik dan wel eens door wilde hijsen want het volgende rondje was in aantocht. Als ik niet op zou passen zou ik terplekke een praktijkles Co-ma-zuipen krijgen.
Paps greep mijn arm, keek me indringend aan en brulde toen vol overtuiging “Booorn to be wiiiiild!”. Mams keek verzot in zijn richting. Paps deed een mal dansje en gaf mams een knipoog. Zou ik geluk moeten omschrijven dan zou het dat wat mijn ouders bindt zijn. Dat zij na dertig jaar nog zo blij met elkaar zijn, is in tijden van scheidingen, huiselijk geweld, vervreemding en zeventig-urige werkweken toch iets bijzonders.
Er klonk een luid gegil, gefluit en geapplaudisseer, The Good Fellows (de stoere mannenband van mijn oom) beklommen het podium. Je weet niet wat je meemaakt wanneer die los gaan. Althans, ik als voormalig muurbloempje had toch zeker een nummer nodig om van de schrik te bekomen. Meer tijd kreeg ik niet want paps trok me naar voren om een potje te rocken, mijn tante Co stak me nog gauw een nieuw drankje toe en sloeg de barman, die haar eigen glas waar nog een centimeter bier in zat mee wilde nemen, tegen zijn hoofd. “Daar zit nog zeker voor een euro in hoor!” Je kunt veel van de Schrama’s zeggen maar je maakt ze dus niks.
Mams en ik bleken hetzelfde lievelingsnummer te hebben (Slowdown) en riepen na afloop heel hard om deze specifieke encore. Mams waagde het hierbij zelfs een barkruk te beklimmen, tot groot vermaak van mijn oom en tante. Omdat paps dit gevaarlijk vond, liep hij naar voren om bij Arie ons liedje aan te vragen. De lieverd. We dansten en we zongen. We lachten en we dronken. Ik voelde me dwaas en gelukkig tegelijk.
Toen het afgelopen was, kwam paps met een dampende bak leut aan lopen. “Tiet veur ’n bakske!” riep hij vrolijk. Oja. Ik was bijna vergeten dat ik de vrieskou nog in moest. Dit was slechts een opwarmertje voor de reünie van het jongerencentrum waar ik in mijn studententijd vaak kwam. “De tiet van gaan is gekomen” zei ik, groette iedereen en ging naar Magni. Ik zag geen bekenden. Beteuterd liep ik een rondje. Bijna wilde ik weer rechtsomkeert maken toen één van de dj’s me aanhield en ik toch nog bekenden spotte. “Strak outfit, lekker militaristisch, goed shirt ook, Laibach, ga ik meteen voor je draaien maar dan moet je nou wel als de sodemieter die dansvloer op!”. Zo geschiedde. Ik liet de steen, die ik voor de zekerheid toch weer met me meegetorst had, achter in de garderobe en danste het stof van me af.
8 december 2007
[Nordmannspar]
"Meneer, neemt u die boom?"
"Ik denk er nog over" (tegen zijn vrouw) "Kaar, hou jij 'm even vast?" (meneer kijkt paps bedenkelijk aan en richt zich dan weer tot zijn vrouw) "Niet loslaten hoor!"
Meneer loopt weg om de rest van de bomen te inspecteren, paps grijpt zijn kans.
"Hmm. Mevrouw, heeft u antieke meubelen?"
"Ehh, ja. Hoezo?"
"Ohh zet 'm dan maar terug hoor, die boom."
Mevrouw kijkt paps verbaasd aan.
"Zit houtworm in, in die boom, hele families houtworm. Funest voor uw meubels!"
"Meent u dat nou?"
"Ja. Beslist niet geschikt voor u, gezien uw inrichting. Dat is vragen om problemen. Ik zou 'm niet nemen."
"Maar hoe weet u dat? Van die houtwormen, bedoel ik."
"Nou, die boom is ziek, dat zie ik aan de stam. Een héle zieke boom. Ziet u die plekjes hier? Daar heeft de houtworm zich verschanst."
"Oh..." (tegen haar man) "Schat, misschien moeten we toch maar een andere boom uitkiezen."
"Mieters!!"
Paps grist de boom uit haar handen en mikt hem in de inpakmachine.
"Maar u zegt net..."
"Geen zorgen mevrouwtje, wij hebben alles Ikea. Gelamineerd spaanplaat houden ze niet van, de houtwormen."
25 september 2007
[Moment van bezinning]
Ik had nooit gedacht dat iemand zo dapper en vol levensvreugde zou kunnen zijn na de stempel 'terminaal' opgedrukt te hebben gekregen. Oma wel. Na zo'n zware, lange strijd was dit voor haar het verlossende woord en ze zou verdomme genieten van haar laatste dagen ook. "Geen jankerts aan mijn bed hoor, ik lig hier toch zeker als een goudkarper, ik voel me helemaal niet terminaal!".
Dat was oma, immer optimistische klare taal. We mochten nog drie weken samen zijn. Mooie herinneringen ophalen met koffie, taartjes en een peukie op de rand van haar bed, al had 'die pekingeend', zoals mijn oma een van haar minder favoriete verpleegsters noemde, het haar nog zo verboden. Dood ging ze toch. "Lang leve de lol hoor jongens", riep ze dan, "laat die lui de hik maar krijgen". Zo is dat. Ik bracht haar fresia's, haar lievelings, de gele want die ruiken het lekkerst. Op haar graf wilde ze er perse geen. "Hou jij je zuurverdiende centen nou maar lekker in je zak" had ze gezegd. Op elk protest volgde steevast "dan ben jij goed gek".
Dat kan wel wezen, ik heb mijn eigenwijsheidsgenen niet van een wildvreemde. Nu rust ze onder bloemen, in haar eigenste achtertuintje. Over jankerts aan haar graf heeft ze gelukkig niets gezegd, maar we hebben gelachen door onze tranen heen. Zoals ze gewild had.
14 september 2007
9 september 2007
[Die Schwelle zum Nichts]
“Haaa Wen” Ik was de slaapkamer nog niet binnen of ze had me al in de smiezen. Een goed teken. Ik ben steeds weer bang voor wat ik zal aantreffen. Ze was blij me te zien. “Wij blijven toch lachen hè Wen” Ze heeft zo graag mensen om zich heen maar kan er niet tegen wanneer zij huilen. Ze begrijpt het wel maar wil liever blijven lachen zolang het nog kan.
Dat zal waarschijnlijk niet lang meer zijn. Na tien minuutjes viel ze in slaap. Ze drinkt minder, is snel moe, spreekt langzamer en voelt zich ziek. Ik wil niet dat ze lijdt maar ze is zo vreselijk eigenwijs. Ze weigert paracetamol te slikken tegen haar hoofdpijn. Ook wil ze geen morfinepleisters. Nicotinepleisters noemt ze die, alsof we haar nu nog even gauw van het roken af zouden willen helpen. Ik denk dat ze gewoon bang is dat ze er in een keer dood van gaat.
Mijn eerste breekmoment kwam toen ik mams voor mijn ogen zag instorten. Als ik zie hoe het haar aangrijpt, komt het ineens zo angstaanjagend dichtbij dat ik haar verdriet kan voelen. Ik moet niet denken aan de dag waarop ik in mijn moeders schoenen zal staan. “Stil maar meisje” probeerde oma haar te troosten “ik begrijp het wel maar het komt heus goed”. Ik zat verstijfd op mijn stoel en probeerde er één mee te worden. Wenste tegen beter weten in dat dit allemaal niet gebeurde en dat ik niet in die kamer zat. Grote ogen vol verdriet. Mijn keel voelde aan als dor hout. “Denk erom dat je goed voor je moeder zorgt” zei ze later. Ik beloofde het.
6 september 2007
[Abschied]
Het kan een dag duren, een week, hooguit een maand maar dat is waarschijnlijk te optimistisch. Afscheid. Ik kan niet wennen aan het idee. Ik wil er niet aan wennen. Ik weet niet hoe het moet. Ik kan toch niet zomaar dag zeggen? Ik zag er met bergen tegenop maar ben toch meteen naar haar toe gegaan.
Zo had ik het niet verwacht. “Weet je nog Wen…” ging het de hele avond. Ze herinnert zich nog zoveel. Mijn eerste schaatsjes (ze was zo bang om zelf het ijs op te moeten). De eindeloze middagen in het openluchtzwembad (kleine waterrat, noemde ze me). De zomers in Scheveningen (in het donker vuurwerk kijken vanaf de pier). Die keer dat we voor de gein een piek in de fruitautomaat gooide en er een hele lading knaken uitrolde (we hebben ons ziek gegeten aan gebraden kip, patat en appelmoes om het te vieren). Het is ruim twintig jaar geleden maar ze vertelde erover alsof het gisteren was. De herinneringen spelen zich in mijn hoofd af als een film.
Het was niet zo pijnlijk of moeilijk als ik dacht. Ze is helder en vrolijk en ziet er helemaal niet uit alsof ze binnenkort zal sterven. Het is fijn om nog samen te kunnen lachen en praten. Vol trots vertelt ze aan iedereen dat ik haar eerste kleindochter ben. De enige dochter van haar enige dochter. En dat ik ook een beetje haar kind ben. Haar meissie. Haar prinses. Zo lief. Ik ga haar zo missen.
23 april 2007
[Mierenmoord]
15 november 2006
[Vader op de zeepkist]
Tijdens de koffie wordt de politiek besproken. Oma vindt het allemaal onbetrouwbare hufters en vader vindt dat iedereen die het recht heeft te stemmen dit recht ook moet gebruiken. En anders moet men de muil dichthouden. De grote vraag is: hoe krijgen wij oma naar het stembureau? Mijn vader heeft nooit erg veel last gehad van tact maar hij bedoelt het goed en maakt zich gelukkig zelden kwaad. Daarbij is oma gek op mijn vader en hij op haar. Laat dat dus maar aan hem over.
"Ja - ho! Wacht effe want dat gaat zomaar niet! Je kan hier niet zonder meer een beetje in het wilde weg gaan zitten fossiliseren terwijl jij door diverse politieke partijen, en dat bedoel ik niet lullig dus vat het nou niet meteen verkeerd op, gezien wordt als een wezenlijk onderdeel van een groot probleem: de ver-grij-zing."
Oma kijkt vader aan alsof hij rijp is voor het gesticht.
"Niet dan? De kranten staan er bol van! Kom op, je leest die dingen toch voordat je ze over de bodem van de kattenbak drapeert? Weet je niet hoeveel ouderen a la vijftig plus er zijn? Goed voor opgeteld meer dan zestig zetels bij elkaar! En het worden er alleen maar meer. De jongeren mogen de toekomst zijn, het grijsfront heeft de potentiële macht hoor, vergis je niet. Tenminste, als ze zich niet laten kisten voordat ze dood zijn."
Oma verklaart dat ze stemautomaten al evenmin vertrouwt als de heren en dames politici.
"Stemautomaten gevaarlijk? Nee: onveilig. Die twee dingen moet je nou niet meteen over dezelfde kam scheren. Het is niet gezegd dat je na het indrukken van de knop exact vijf seconden hebt om de pleit erin te maken wegens ontploffingsgevaar. Je moet natuurlijk wel even netjes je peukie uitdrukken buiten. Maar maak je geen zorgen, dat houden die lui van de burgerserviescode wel in de gaten."
Oma steekt nog een peuk op, trekt met haar schouders en schudt haar hoofd.
"Kom kom. Je ligt nog niet met een luier aan in de plantenkas. De overheid beveelt een dagelijkse dosis actieve lichaamsbeweging en een frisse neus aan. Je bent nog kwiek genoeg om een eigen mening te hebben, maar ga nou niet vanuit een zogenaamd nostalgisch oogpunt op een bepaalde knop zitten rammen want vadertje Drees die is niet meer en als je er niet uitkomt dan stem je desnoods maar blanco. Hoe dan ook: stemmen zal je! Jij hijst op 22 november gewoon die steunkousen aan, trekt je stevige stappers en dat uitgeholde schaap aan, tandjes erin boven en onder, springt achter die turborollator en sjeest effe heen en weer naar dat stemlokaal. En reken maar van yes want ik kom je halen. Vegeteren kun je altijd nog. Daar drink ik op!"
Vader tikt met zijn pint tegen oma's theeglas en knipoogt. Oma fronst en richt zich dan tot mij.
"Die vader van jou he... is die altijd zo vervelend?"
11 november 2006
[Lijdenswegen, of: momenten die uren lijken te duren]
"Koffie?"
"Godverdegodverrr."
"Ehm, niet om het een of ander, maar zou je die nu toch al enige tijd aanhoudende gorgelvloek misschien wat kunnen expliciteren?"
Hadden wij het er maar bij gelaten. Nu kon ik gerust nog een pot bijzetten.
Want de SSP heeft het druk he, jongensjongens, je kunt het je niet voorstellen. Hij heeft het zo druk dat hij eigenlijk niet weet waar hij de tijd vandaan moet peuteren om het allemaal klaar te spelen. Wat daar zoal onder valt, zal hij verderop in zijn monoloog uit de doeken doen, daar kunnen wij donder op zeggen. Wij horen het nu voor de om en nabij zevenenvijftigste keer. Hoe het is om een arbeidsloos bestaan te leiden, of hieraan te lijden, want als je hem zo hoort zou je er bijna van overtuigd raken dat er binnenkort een weinig kinderachtige slinger aan de uitkerende motor van het zorgverzekeringsapparaat gegeven zal moeten worden, wat overigens geen groot punt zou zijn want tegenwoordig heb je de gemaakte kosten in een vloek en een zucht ge-e-declareerd. Kun je bij wijze van spreken met een gerust hart de stress aan je kleppen krijgen.
Een arbeidsloos bestaan dus. Want hij is ontslagen he, wegens ontoereikende communicatieve vaardigheden, op een mensonterende manier en dat tijdens zijn zomervakantie. Hij kon op stel en sprong zijn telefoon en autosleutels in komen leveren en bij het dichtstbijzijnde NS-loket een enkele reis naar huis bestellen. Zo is het gegaan. Diezelfde avond ging hij volledig door het lint. Daar weet hij niets meer van hoor, daar hebben die borrels dan ook wel weer voor gezorgd, wij mogen van geluk spreken dat hij er nog is.
Nu gaat het stukken beter. Dit laat zich blijken in de vorm van opperste drukmakerij. In werkeloosheid gaan zeeën van tijd zitten, vergis je niet, dan kun je beter een baan hebben. Je moet, om maar eens iets te noemen, de banenvinder in werking stellen, je lieftallige levenspartner de opdracht geven je cv te updaten en sollicitatiebrieven voor je te schrijven waaronder jij dan weer een krabbel moet zetten, je moet de ene na de andere baanaanbieder telefonisch afsnauwen zodat je zeker weet dat je niet op gesprek hoeft te komen – alsof je daar tijd voor hebt – en al zo voort. En dan de verspilde tijd die gemeten kan worden aan de vele sloten automaatkoffie die je weg moet slikken tijdens de bezoeken aan (de wachtkamers van) instanties als het CWI.
En het foeteren he, dat kost tijd. Dan spreek je al gauw over een dagdeel of drie, vier, mogelijk vijf, afhankelijk van de beschikbaarheid van luisterende oren. Je bent niet zomaar uitgefoeterd, zeker niet wanneer je op zo'n verfoeilijke manier aan de keien gezet bent. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten, nee, dat moet je beslist van je af kankeren. In een uur tijd jaag je er zonder dat een ander daar ook maar een speld tussen kan krijgen een compleet scheldwoordenboek doorheen, neemt een slok koffie, klaagt wat over maagpijn en begint dan weer onvermoeibaar bij de a van aangeklede stukken nageboorte. Hoort allemaal bij het proces.
Over processen gesproken, zo'n ding heeft hij zijn ex-baas ook nog aan zijn broek gehangen. Was hij niet blij mee, die ex-commandeur, en laat dat nou goed en wel beschouwd net de bedoeling geweest zijn. Maar een tijd dat zoiets vreet! Je wil het niet weten. Afkoopsommen afwijzen, bekvechten met de rechtbank en de ex-baas herhaaldelijk te verstaan geven dat hij in de koeienstront kan zakken met zijn rekening voor het laten reinigen van de in beslag genomen wagen.
Enfin. Het kwam er dus alles bij elkaar genomen zo ongeveer op neer dat hij zich feitelijk al weken aan een stuk de klere zat te vervelen en laten wij nou, al was het maar zodat we nou eindelijk eens de naald van die overslaande grammofoonplaat konden tillen, de ultieme kant en klare oplossing voor hem in huis hebben! Speciaal voor onze ouwe, zodat hij zich niet langer een nutteloos stuk heel oud veertigerjaren overblijfsel hoeft te voelen en daar dus ook eindelijk even zijn Achterhoekse klep over kan houden, hebben wij de laatste der te verklussen kamers met acute spoed ontruimd. Zodoende staat de SSP nu bovenop de keukentrap lekker te kwasten en heeft hij, zo te horen, een nieuwe te begodveren lijdensweg gevonden.
"Koffie?"
"Gloeiendegodver!"
24 oktober 2006
[Een avondje met de ouwe lui]
“Mannen…” Ze blaast het woord als een zucht langs haar lippen. Vragend kijkt hij haar aan. “Ja, krijgen we er tegenwoordig geen koekje meer bij?” Het lijkt een vraag maar hij weet wel beter. Ik ook, trouwens. Opnieuw loopt hij naar de keuken. Met een tevreden grijns kijkt ze me aan, alsof ze wil zeggen: kijk, zo doe je dat.
“Is die suffe soap van jullie nog niet begonnen?” “SHHHT!” commanderen we in stereo. Het volume wordt opgevoerd tot het de pijngrens van mijn gehoor tart en de begintune van onze suffe soap komt uit de televisie gebulderd. “Moet dat nou…” moppert hij terwijl hij zijn koffie roert en over het randje van zijn leesbril een afkeurende blik op het televisiescherm werpt. Nee. Van mij hoeft dit niet zo nodig maar ik ken haar langer dan vandaag. Verzet is volslagen zinloos. “SHHHT!” gebiedt zij hem nogmaals.
De camera zoomt in op het beteuterde gezicht van een derderangs acteur die zijn vak niet verstaat. “Ik vind dat toch wel zo’n on-ge-lóóóflijk mispunt! Waarom ze hem ooit voor die rol gecast hebben – Joost mag het weten. Als dat een homo voor moet stellen dan ben ik er ook een! Had ik je trouwens verteld over de buurvrouw? Kreeg weer zo’n ordinaire huppelkut over de vloer, een soort leernicht, maar dan een vrouw. Géén gezicht! Ik wil niet weten wat die samen uitvreten als de buurman weg is maar laat ik je dit zeggen: erg zedelijk klonk het allemaal niet. Hadden we ook niet kunnen verwachten toen we hier kwamen wonen, van die bejaarden had je nooit geen last. En nu? Een buurt vol tokkies hier, het wordt steeds erger.” Ze schudt haar hoofd en probeert tegelijkertijd een slok koffie te nemen waardoor de helft op het schoteltje klotst.
“Dat was vijfentwintig jaar wel anders hè schat?” Het blijft stil. Mijn vader lijkt aan de buis gekluisterd en moeder slaagt er niet in zijn aandacht te trekken. Op het scherm zie ik de derderangs acteur bekvechten met een hevig opgesmukte mevrouw die desondanks het vermoeden wekt de uiterste houdbaarheidsdatum al lang voorbij te zijn.
“SCHAAAT?!” Met een typische wat-nou-weer uitdrukking op zijn gezicht kijkt hij op. “SHHHT!” antwoordt hij. “Ik probeer die suffe soap van jullie te volgen.”
“Mannen…” zucht ze. “Was er nog koffie?”
20 september 2006
[Brompotterij]
“Ai-ai-ai. Godzallutwetenzeg. Ouderdom komt met gebreken.”
Ja ja, we weten het. Je bent oud, wat je vanzelfsprekend het recht verschaft om over elk wissewasje een ellenlange klaagzang op te voeren. Ik ben bereid er met een half oor naar te luisteren. Met een dramatische blik schuift hij zijn bord weg. Hij heeft zijn eten nauwelijks aangeraakt.
“Verrekte maagzweer. Te veel stress, dat krijg je er nou van. Ellende. Werkdruk. Slaaptekort. Lastige klanten…”
Ik wil hem vragen of hij zich al eens heeft laten onderzoeken op de aanwezigheid van helicobacter pilori maar voordat ik mijn zin kan afmaken, zet hij zijn monoloog voort. Mijn instemmend knikken en begrijpend hummen lijken alleen maar bij te dragen aan het genoegen dat hij schept uit zijn eigen gemor. Wanneer ik een dappere poging waag om toch maar eens op zijn verhaal in te haken met een enigszins vergelijkbare persoonlijke ervaring, om begrip voor zijn situatie te tonen, zie ik hem bedenkelijk fronsen.
“Je bent niet goed snik” luidt zijn conclusie.
“Er is helemaal niets mis met mijn snik.”
Het middelste knoopje van zijn veel te krappe overhemd springt los en onthult een stukje van zijn bleke, bolle buik. Zuchtend en steunend hijst hij zich overeind, drukt zijn sigaret uit en reikt naar zijn wodkaglas dat tot zijn ergernis leeg blijkt te zijn. De hond, die nietsvermoedend aan zijn voeten ligt te slapen, moet het ontgelden.
“Sodemieter op!” roept hij als hij er niet in een keer in slaagt zijn blote voeten in zijn sandalen te steken. Ik word al moe bij de aanblik van de man. Wat doet hij zichzelf toch aan? Zodra het glas hergevuld is, zakt hij met evenveel gezucht en gesteun als bij het opstaan weer terug in bankhangpositie. Hij knoopt zijn overhemd dicht en steekt een nieuwe sigaret op.
“En hoe is het leven daar?”
“Wel aardig” zeg ik op een zo neutraal mogelijke toon. Verkeerde woordkeuze. Mijn antwoord wekt onmiddellijk ergernis op.
“Hoezo wel aardig? Heb jij iets te klagen dan? Jonge vrouw, in de bloei van haar leven en nog heeft ze wat te klagen. De jeugd van tegenwoordig: tot op het bot verwend. Zuipen en feesten en werken ho-maar. Een beetje aanpoten, daar word je hard van! Vroeger…”
29 januari 2006
[Volg nooit een man zijn hol in anders brand je je aan de draak]
“Vier punt één hoeft niet aan.”
Hij negeert haar opmerking en richt al zijn aandacht op de crèmekleurige afstandbediening in zijn hand. Ik vraag me af bij welke hippe gadget die nu weer hoort. Het is zo’n beetje de gewoonte geworden dat me bij elk bezoek een gloednieuwe moderniteit (dit gaat van volautomatische roestvrijstalen melkopschuimers tot achtpersoons bubbelbaden) wordt gepresenteerd, dus ik wacht vol spanning op dat wat komen gaat. Zelf kom ik uit een tamelijk conservatief arbeidersgezin waarbij een magnetron al een grote mate van argwaan plus daarmee samenhangende weerstand opwekt maar dit is een heel andere wereld.
“Vier punt één hoeft niet aan” herhaalt ze, elk afzonderlijk woord nu overdreven articulerend en de pauzes tussen elk woord net iets langer aanhoudend dan normaal wat de zin een onnatuurlijk karakter geeft. Het is vergeefse moeite: hij is vastberaden zijn nieuwste aanwinst te demonstreren.
“Ah! Hebbes!”
Hij drukt een knopje in; vier punt één. Er klinkt een knal, er schiet een vonk omhoog en daarna wordt de kamer gevuld met rook. Verrassend spectaculair, vond ik.
“Kut met peren!”
Dat was vier punt één. Een fraai vormgegeven schemerlamp in exact dezelfde kleur als de afstandbediening.
“Ik zei toch, vier punt één hoeft ni…”
“Ach mens krijg wat!”
“Laat nou zitten dat lampje, straks brand je je vingers nog!”
Eigenwijs als hij is, pakt hij het lampje vast waarna hij een verwrongen gezicht trekt.
“Ik zei toch…”
De rest van de zin slikt ze wijselijk in. Tussen duim en wijsvinger houdt hij een lampje dat zijn fitting mist. Geamuseerd kijk ik toe hoe de goede oude man zijn vingers nog meer geweld aandoet door de fitting bij zijn scherpe rand vast te pakken om hem uit de houder te peuteren. Ik zwijg, met in mijn achterhoofd een wijze raad van Dr. Gray: Wanneer u een man ongevraagd van advies dient, gaat u er in zijn ogen vanuit dat hij niet weet wat hij doet of dat hij het zelf niet kan. Een man is tevreden wanneer hij een probleem tot in de kleinste details kan oplossen. De grootste angst van een man is dat hij niet goed genoeg of onbekwaam is. Een man gaat langzaam dood als niemand hem nodig heeft.
2 november 2005
[Attractiepark Ikea]
Omdat ik eerder geen speld tussen zijn geratel kon krijgen ("en toen wilde ik die buis ombuigen maar wat denk je? Knakt mijn buizenbuiger! Helemaal naar de verdommenis. Dus F meteen waarom jij altijd alles shjtuk maak? Waarom jij altijd zo bruut? Jij bééést! Dus ik zeg, mag het na dertig jaar trouwe dienst? Ik probeer dat ding nog te lassen maar dat had geen zin en...") en dus ook zijn aandacht niet kon trekken, wacht ik tot paps zijn sleutels uit het contact trekt voordat ik naar de rode neonletters in de verte wijs. Paps moet er zijn bril voor opzetten en kan het dan nog niet lezen. "Wat staat daar?" vraagt paps. "Ingang" zeg ik.
"Godallejezus!" Het is maar goed dat gordels tegenwoordig ook in busjes verplicht zijn want voor ik het weet trapt paps met zijn maat zevenenveertig op het gaspedaal en scheuren we recht op de laad- en losplaatsen af, waar je natuurlijk niet mag parkeren maar dat interesseert mijn vader niet. Op vijf meter afstand van de ingang trapt hij op de rem. "Stukken beter."
Paps springt uit de bus en trekt met een zwier een karretje uit de handen van een keurige mevrouw die eigenlijk van plan was het terug te zetten in de rij. Al zwierend en de mevrouw nog net geen hartaanval bezorgend, springt hij op het karretje en manoeuvreert richting de grote draaideur onder de rode letters, wederom geen voetganger ontziend. Normaal gesproken zou dit het moment zijn waarop je je kleuter achterlaat in het ballenbad maar dit kind is ouder dan zes jaar en moet dus mee naar binnen.
Naar de Digros met vijf van mijn ukken is een stuk minder vermoeiend dan een half uurtje Ikea met mijn paps, die zodra hij binnen is spontaan last krijgt van adhd. Stoelen testen, vooruit rennen, achter een kast kruipen en met een berenvel om het hoofd geknoopt weer tevoorschijn springen, luid grommend met een grote knuffelkrokodil achter een puber aan hollen, het draaiende licht van een spotje op de grond volgen totdat hij met zijn neus tegen een muur botst en vervolgens een mr. Bean gezicht trekken wat dan weer tot grote hilariteit bij het winkelend publiek zorgt en ga zo maar door. Ik sta nergens meer van te kijken.
Wat mijn vader ook leuk vindt, is zich overal tegenaan bemoeien en irritante, nutteloze discussies aangaan met het personeel onder het mom van "ah joh, dat vinden die gasten juist geinig, anders moeten ze de godganselijke avond dat suffe gezeik van lastige klanten over lelijke kastjes aanhoren en zo houd je ze een beetje scherp". Dit terwijl zich achter hem een enorme rij klantenservicebehoeftige mensen verzamelt.
We komen dus voor kasten (je zou het bijna vergeten met zo'n man). Ik loop naar de servicebalie waarboven met koeienletters PAX KASTEN staat.
"Kan ik u helpen?" vraagt een geel gekleed mannetje.
"Heeft u ook kasten, toevalligerwijs?" vraagt mijn pa met een uitgestreken gezicht.
Het geel geklede mannetje fronst maar begrijpt gelukkig vrij snel wat voor vlees hij in de kuip heeft, anders zou het nog een lange avond worden.
"Kijkt u eens meneer, u vraagt, wij draaien. Met Ikea kunt u alle kanten op."
Ik wil een witte kast met twee deuren, twee laden, een roede en drie planken. Dat laatste zit er niet in. Ik kan kiezen uit nul, twee of vier planken. Vier is wat mij betreft ook prima, maar dan moet je net mijn vader bij je hebben...
"Geen drie planken? Wat nou 'met Ikea kunt u alle kanten op'? Eigenlijk zijn jullie gewoon heel beperkt. Eigenlijk heb je hier helemaal niet zoveel te kiezen. En in dit hele pand is er trouwens, nu we het er toch over hebben, overal éénrichtingverkeer! Tjezus wat een ballentoko. Kom dochter, we gaan ergens anders heen."
Paps grijpt me resoluut bij de arm, sleurt me vijf passen mee vooruit en draait zich dan weer om. Het gele mannetje staat erbij te kijken alsof hij zojuist zijn laatste oortje versnoept heeft.
"Geintje!"
Paps trekt een Richard Richard tronie, rolt met zijn ogen en lacht uitbundig om zijn eigen grap.
Zo is paps. Het kind in hem zal waarschijnlijk nooit verdwijnen. Toen ik klein was, ging ik vaak boodschappen doen met hem. Hij was dan degene die bij de slager om een plakje worst vroeg. Hij maakte malle huppelpasjes en zong luidkeels mee (liefst een volslagen verkeerde tekst) als we langs het draaiorgel kwamen. Hij was degene die me aan mijn achtbaanverslaving hielp. Ergens rond mijn puberteit hield het op. Paps deed zijn ding en ik het mijne. We haalde samen nog maar weinig gekkigheid uit en brachten nog nauwelijks tijd met elkaar door. Maar sinds een paar maanden lijkt het erop dat we de verloren tijd aan het inhalen zijn. Hij mag dan zo gek als een deur zijn, hij is mijn paps en we kunnen vreselijk met en om elkaar lachen, vooral wanneer de rest geen flauw idee heeft waar het over gaat. Zelfs als we ruzie maken (potje bekvechten zijn we ook goed in) eindigt dat vaak in een eersteklas lachbui.
"Oja, voor ik het vergeet, die dweil in de keuken he, die kun je maar beter in de was doen want daar heb ik dat besmeurde afvoermanchet mee schoon gepoetst..."
"Getverdemme, eikel! En dat laat je gewoon in mijn keuken liggen? Smeerpijp!"
"Ah joh, het is maar poep hoor."
"Paaaap!" *mep*
"Wat nou?" Pap trekt een gezicht alsof hij de onschuld zelf is.
"Hier!" Ik smijt de doek naar zijn rug. "Gooi die smerige strontlap weg! Teddek!"
*vecht* *kamikazekreten* *proest*
Nouja, zo gaat zo'n (bek)vechtsessie dan ongeveer. Een ander had het niet hoeven proberen want die had ik zonder pardon met de bewuste strontlap gewurgd.
We stellen een mooie kast samen en verslepen samen de loodzware onderdelen van magazijn naar bus. Uiteraard kan het pand niet verlaten worden voordat paps op iets lekkers getrakteerd is. Eigenlijk wil hij een broodje rendier (rare lui, die Skandinaviërs) maar die dingen zijn er kennelijk alleen in bevroren toestand dus wordt het softijs met spikkels. Ook grote kinderen zijn met kleine dingen blij te maken en bovendien houden ze dan eindelijk even de bakkes.

