Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen

2 juni 2009

[Groeten uit Boedapest]


- Een bloederig brein. Boedapest had goede cocktails die dienst deden als pleister op de wond die het slechte weer veroorzaakt had.
- Het warme, zonnige zomerweer in Boedapest was beduidend kouder en natter dan ingecalculeerd – zodoende ijsmuts en moessonponcho’s gekocht en lekker anoniem voor lul gelopen.
- De Donau is niet blauw maar grauw, liedje moet worden aangepast naar ‘An die schöne graue Donau’.
- Hongarije is mijn eerste vakantieland waarvan ik aan de taal echt geen touw kan vastknopen (ok, gulash, daar dan), zelfs Pools was makkelijker.
- Hoewel met 10 graden aan de frisse kant toch buiten gaan zwemmen – had verdomme niet voor niks nieuwe bikini gekocht en nat waren we toch al.
- Boedapest is een relaxte stad, niets moet – alles mag, maar wel op eigen risico (voedselvergiftiging, instortingsgevaar, vergassing etc).
- Gemiddeld 25 km per dag gelopen – toeristen-OV-pasjes zijn voor mieten.
- Kont eraf gevroren in nucleaire bunker en andere geheime ondergrondse onderkomens.
- Huzaren gezien, heuse echte! En mosterdgulash is een aanrader.
- Als je kip gevuld met pruimen en blauwe kaas bestelt, krijg je er ‘complimentary mosquitos’ bij, dood welteverstaan – spreekwoord moet worden aangepast naar ‘iemand blij maken met een dode mug’.
- Aan de oostblokgrens door de varkenspestscanner gehaald – vooralsnog clean.
- In het vliegtuig stappen, 3 verschillende kranten aangeboden krijgen, alledrie groot voorpaginanieuws vliegramp... Nein danke.

Meer foto's: klik!

9 juni 2008

8 maart 2008

[Gewoon lekker cruisen, deel 2]

De volgende ochtend klommen we na een uitgebreid Engels ontbijt weer op het dek. De storm was gaan liggen, de zon brak door en de haven kwam in zicht. Een originele dubbeldekker bracht ons naar Newcastle waar we onze spullen in het hotel dumpten en snel aan een stadsbezichtiging begonnen. Veel verder dan de Millennium Bridge, de Tyne en the Angel of the North (die wel superindrukwekkend was en waar ik mijn OVA bijna kwijt was omdat de buschauffeur de deur alweer dichtdeed voordat ik eruit kon springen – vondtie zelf dolkomisch) kwamen we niet. Wij worden ook een dagje ouder dus scones en jam gescoord en een beetje gerelaxt in het hotel.

Op straat werden we eerst nog even mondeling geattaqueerd door een tweetal typische Vicky Pollards (“fucking can of shit brulée!” – waarschijnlijk het fraaiste verbale souvenir) en voor ons hotel staande gehouden door een originele charv die ons verder met de woorden “best club in town, pound a pint, come inside!” probeerde over te halen van het nachtleven in Newcastle te proeven. “Best club hm, really, is that so?” “Nah, actually it’s not, but there will be punching…” probeerde hij nog. “Pound a pint, pound a punch ay?” En wat zegt de wodanjongere dan? “Hahaha, yeah, you must be thinking… so come inside then for cheap pints and punching?” Mijn resolute repliek: “No. We’re foreigners and we think it’s obscene.” Aparte lui, die charvs. Het Newcastlese nachtleven heeft trouwens een bovengemiddeld hoog Paris Hilton-gehalte en al die opgedirkte grietjes lopen zelfs tijdens een westerstorm al wankelend op hun pumps nog half naakt over straat alsof het hartje zomer is. Daar had de opperkoukleum (vier lagen kleding en nog bibberen) even niet van terug. Snel onder de wol!

Mijn nacht was tergend. Soms voel ik me in wakende staat zo intens gelukkig dat ’s nachts wanneer ik slaap mijn angsten wakker worden en dan droom ik dat het misgaat, dat er helemaal geen geluk is, dat ik door alles wat ik lief heb in de steek gelaten word. Dan schrik ik panikerend wakker, omklemd door angst, verdriet, boosheid en frustratie en kan ik alleen nog maar huilen. Ik prijs me meer dan gelukkig met het engelengeduld van mijn OVA die me net zo lang troost tot het weer goed is. De lieverd. Mijn leven is momenteel een ware soap maar de scènes met mijn OVA zijn zo geweldig dat we daar binnenkort een award-winnende film van gaan maken. Let op mijn woorden.

Na nog een dagje rondstruinen (espresso, veel te dure spulletjes uitzoeken om voor te sparen, vodkafest, sportzaakplundering, not one fucking bagle grmbl) klommen we weer in de dubbeldekker die ons naar de haven bracht. De zee was kalm en dat was maar goed ook want we hadden een luxe diner besteld aan boord van het cruiseschip (waar de plate captains allemaal noeste Noorse Vikingen zijn, twee meter hoog, een meter breed en grote tribal tatoeages zichtbaar door de keurige witte overhemden) en daar konden we nu dus optimaal van genieten.


Het was sowieso optimaal genieten en lachen bovendien, de hele reis (en stug vol blijven houden dat we niet van humor houden). Van het staren over de eindeloze zee met de wind in onze haren tot het gejubel van Engelse hooligans in de scheepsdiscotheek en de origamigemeenschap in de Madurodamnestjes. Plus het feit dat mijn OVA nu weet dat hij tegen mij niet te snel “bluf!” moet roepen want als ik zeg dat ik in mijn blote kont voor het raam ga staan dan doe ik dat dus ook (gelukkig net op tijd ondergedoken voor een plots passerend schip – loco como una puerta). Voor de haven van IJmuiden nog even gauw een Titanic-moment en toen konden we weer landrotje spelen. Zo kwam aan de cruise een einde maar met de romantiek is het voorlopig niet gedaan.

[Gewoon lekker cruisen, deel 1]

De romantiek begint en eindigt aan boord van een DFDS cruiseschip. Opmerkelijke slogan. Het gaf me een beetje de indruk van een dumpreis voor een stuntprijs. Dumpen noch stunten stonden op de planning, integendeel: wij wilden gewoon lekker cruisen, mijn OVA en ik. Omdat eerdere pogingen tot samen op reis in de soep gelopen waren, was dit onze eerste echte vakantie. Schuitje varen naar Newcastle upon Tyne. Eens zien of wij het inderdaad een volle week met elkaar konden uithouden en of de romantiek een beetje golfslagbestendig zou zijn.

Dat laatste in verband met het onheilspellende tweede deel van de slogan en de oprukkende onstuimigheid welke zich al snel tot een stevige westerstorm ontwikkelde. Een geluk dat er zeemansbloed door mijn aderen stroomt. Over mijn OVA maakte ik me ook geen zorgen. Die was zo verheugd dat hij als een opgewonden kleuter aan boord klauterde en na een korte inspectie van onze hut met veel “oohhh” en “ahhh” het dek op huppelde. Houzee! Verheugdheid staat mijn OVA goed.

Er klonk een luid getoet en folkloristische muziek (een Engels omaatje vroeg zich af of dit het Nederlands volkslied was… “well the Dutch aren’t exactly famous for playing the hornpipe now are they?” antwoordde ik, het zal wel iets Scandinavisch geweest zijn), de schoorsteen begon te roken en vervolgens kwam er beweging in het twaalf verdiepingen tellende gevaarte. Onze hut, met douche, toilet, veel te smalle maar comfortabele stoombedden waar je heus wel met z’n tweeën in past – stapeleeen – en uitzicht op zee, bevond zich op de negende. Na een uur was de deining al zo hevig dat ik de buurvrouw zeeziek hoorde worden (kom er maar in braakfobie) en toen moesten we nog 15 uur… Mijn OVA en ik trokken een fles wodka open en proostten op een behouden vaart. Toen ik ’s nachts uit ons raampje gluurde, bleek dat de golven op ons dek sloegen en hadden we wel een heel direct zeezicht. Spannend! (maar voor de zekerheid wel even de reddingssloepen gecheckt en het evacuatieplan uit mijn hoofd geleerd, zo ben ik dan ook wel weer)

5 juli 2007

[Gruž, het vergas-terras, file tot Pile, weer thuis]

Laatste dag in Dubrovnik. Het lijkt ook wel de heetste dag te zijn en omdat we toch geen concrete plannen gemaakt hebben, hijsen we de badkleding aan en verplaatsen wij onze luie achterwerken richting strand. Dat is twee uurtjes leuk, daarna wordt het echt te heet en zoeken we de schaduw op. Aan de boulevard vinden we een nogal obscuur uitziende lunchroom met kleine kraantjes aan het plafond waar onder luid gesis een soort van wolkjes uit komen. Ik kan er niets aan doen maar krijg er acuut vernietigingskampassociaties bij: het vergas-terras. Er zit ook helemaal niemand. Dit etablissement moeten we maar eens van binnen bekijken. Barbarossa! (wel geen Sovjet Unie maar vooruit, ik heb een rijke fantasie). Het blijkt verfrissingsnevel te zijn. Loos alarm dus maar wel lekker, evenals de sandwiches.

Met onze hoofden in de nevelwolken komen we weer een beetje bij. Wat zullen we eens gaan doen? Flaneren langs Marina Gruž, de grote jachthaven van Dubrovnik want daar waait het lekker hard en je kunt er leuk bootjes kijken. Nou, zeg maar rustig boten. Knoeperts van luxe cruiseschepen. Tussendoor varen zeilboten en ergens aan de kant ligt een replica van een historische karaka (Karakas waren de grootste schepen op de Adriatische zee van de vroeg vijftiende tot zeventiende eeuw). Na anderhalf uur wandelen belanden we op een markt waar groenten en fruit maar voornamelijk bloemen verkocht worden. Ik ga echter voor een espresso want om op de laatste dag de hotelkamer nog op te leuken met een paar kleurige ruikers…

’s Avonds voel ik me gegrild dus is het niet meer dan toepasselijk dat we dan ook maar voor een gegrilde maaltijd gaan. Eens zien wat er vandaag weer uit zee gehengeld en geschept is. Vis heet hier gewoon vis, ongeacht welke soort, tenzij het tonijn of zalm is. Nu ben ik geen kenner dus geen flauw idee wat ik aan het eten ben, het is in ieder geval een hele uitdaging om het zeewezen te ontleden én verorberen voordat hij koud is. Een laatste cocktail, een laatste zonsondergang, een laatste avondwandeling en dan slapen.

De volgende dag kunnen we nog rustig ontbijten voordat we uitchecken. Als ik heel ruim reken hebben we twee uur nodig om op het vliegveld te komen maar in een ruim uur is het ook te doen. Mis! Waar in Dubrovnik zelden sprake van is, is vandaag een feit van grote omvang: er staat file. Van het hotel tot Pile. Wij moeten drie verschillende bussen nemen, die alle drie een stukje door het centrum moeten. Ineens krijg ik het onplezierig vermoeden dat we nog wel eens krap in de tijd kunnen komen te zitten. En ja hoor, na vijftig minuten als langzaam gaar kokende sardines in de eerste bus vast gezeten te hebben, is de rekensom simpel: op deze manier missen we ons vliegtuig. De man houdt een taxi aan. Moet dat kosten? Tweehonderd Kuna tot het vliegveld. Ik kiep alle Kuna’s die ik nog heb op de passagiersstoel en trek een smekend gezicht waarop de chauffeur onze bagage begint in te laden. Mooi!

De chauffeur ziet er ook aardig doorgesudderd uit, veegt zuchtend zijn zweterige haar uit zijn gezicht en laat ons dan met een brede lach instappen.
“So much hot and so much traffic, so much hot is normal, so much traffic is ridiculous, bloody cruiseships!” Blijkbaar zijn er vandaag zoveel cruiseschepen aangekomen dat Marina Gruž helemaal vol ligt en dan mogen die schepen ook bij Ploce aanmeren. Zodoende moeten er honderden rijke toeristen naar de andere kant van de stad vervoerd worden en daardoor begint de infrastructuur een beetje te flippen. Wij koken rustig verder in de stapvoets rijdende taxi. De chauffeur babbelt een eind heen en terwijl ik uit het raam hang voor een beetje frisse lucht roept hij na twintig minuten ineens “watch out!” en sluit het raam. Snuggere Henkie heeft een helder moment: “I have airco!”. Joh! Waarom zou je hem ook gebruiken, het is hier slechts vijfenveertig graden. Maar het moet gezegd: deze man is een held. Na drie kwartier zoeven we met hoge snelheid over de bergweggetjes richting Cilipi en zijn we op tijd voor onze vlucht. Hier al mijn Kuna’s en duizend maal dank, rennen en dan vliegen.

We zijn weer in Wenen. De berichten op het scherm zijn ook om te wenen. Flinke vertraging, niemand weet waarom. Het gaat weer laat worden. Als er na vier uur eindelijk een vliegtuig wordt verwacht, komt er een Austrian-mannetje op ons af. Of we misschien nog vier uur later willen vliegen. Zie ik zo bleek? Ik wil naar huis! Uit wraak, omdat de omkoping niet succesvol verliep, maken ze onderweg een deel van onze bagage kwijt waardoor we op Schiphol nog langs drie loketten moeten om vervolgens slechts met een telefoonnummer van de vermeende boosdoener de trein naar huis te pakken. Die spullen zien we niet meer terug. Het regent dat het giet, de temperaturen liggen ver beneden het normale gemiddelde, kortom: het is oer-Hollands hondenweer. Maar zoals men in Kroatië zegt: neem slechts herinneringen mee en laat enkel voetsporen achter.
Ik ben weer thuis en een prachtige ervaring rijker.

“Those who seek paradise on earth should come to Dubrovnik” - George Bernhard Shaw

4 juli 2007

[Lokrum, Napo's fort, scheef eten]

Vandaag slaan we bij een kleine buurtsupermarkt een picknick in want we gaan een dagje naar een onbewoond eiland: Lokrum. Wij hebben de watertaxi ontdekt en de rest van de dag zien we wel waar de paadjes ons naartoe leiden. In de oude haven kunnen we meteen aan boord van een wat grotere taxiboot en na een kwartiertje varen worden we afgezet op het eiland. We struikelen bij het uitstappen zowat over een sliert pauwenkuikens. Het is hier dus niet 100% onbewoond. Alleen bij de aanmeerplaats treffen we een handjevol mensen aangezien zich hier een terrasje en de toiletten bevinden maar de rest van de dag komen we nagenoeg niemand tegen – en dat terwijl het eiland nou ook weer niet zó groot is. Het is niet alleen maar bomen, rotsen en strandjes wat de klok hier slaat. Lokrum is een Dalmatisch eiland met, zoals men zegt, keizerlijke allures. Maximiliaan van Habsburg (later keizer van Mexico) kocht het in 1859 en liet het daar reeds aanwezige Benedictijnse klooster ombouwen tot een paleis. Na zijn dood confisqueerde Franz Jozef’s zoon Rudolf het paleis als winterverblijf. Tegenwoordig doet het dienst als restaurant. Deze kerel heeft ook een botanische tuin aan laten leggen en staat onder meer vol met gigantische cactussen. Hoewel het er over het algemeen nog steeds prachtig uitziet na al die jaren, moet ik zeggen dat men hier en daar wel even met een gietertje langs de aanwezige flora zou mogen wandelen. Het eiland is sowieso droog als kurk, om die reden liggen er kilometers brandslang langs de paden.

Een eiland verderop beschikt klaarblijkelijk niet over de luxe van een blussysteem want als we via een steile rots omlaag klauteren voor onze picknick aan zee zien we daar enorme rookwolken opstijgen. Even later vliegt er een blushelikopter over. De man voelt zich dapper en klimt nog verder naar beneden via de grote, ruwe rotsen om te controleren hoe het hier gesteld is met de golfslag. Ik wed met mezelf dat hij er niet verder in gaat dan tot zijn knieën en dan besluit dat het misschien toch niet zo verstandig is om hier te water te gaan. Ik krijg gelijk. De golven slaan meters boven hem uit tegen de kust, hij zou nooit meer levend aan wal raken.

Het is tijd om de klim naar het hoogste punt van het eiland te maken. Dat is geen kinderachtig heuveltje. De paden zijn steil en denk maar niet dat je er comfortabel kunt wandelen want het zit vol met kuilen en bestaat voornamelijk uit los liggende stenen. Niet dat we ons daardoor tegen laten houden want aan de top staat het fiere napoleontische Fort Royale, gebouwd door het Franse leger in 1806 en het uitzicht schijnt er nogal mooi te zijn. Even de kuitspieren laten werken dus. Fort Royale is niet zo groot en in architectonisch opzicht wat mij betreft ook niet waanzinnig spectaculair (waarschijnlijk omdat het tegenwoordig een ruïne is) maar iets aan dat Fort fascineert me. Bovenop het eens zo machtige maar nu in afbrokkelende staat verkerende stuk steen staat namelijk, en vraag me nou niet waarom, een oude strandstoel met iets wat ooit een parasol geweest moet zijn. Wat je noemt Keizerlijk. Zal Napo het hier even naar zijn zin gehad hebben terwijl hij zijn troepen in de brandende zon liet ploeteren… Het uitzicht is inderdaad adembenemend. Je kunt helemaal naar Cavtat kijken en aan de andere kant zie je het historische centrum van Dubrovnik liggen.

Naar beneden gaat een stuk sneller. We maken een boswandeling en komen dan uit bij Mrtvo More (dode zee), een zoutwatermeer op het eiland waar je kunt zwemmen en slingeren aan touwen. Er zijn hier iets te veel toeristen naar mijn smaak en de man heeft vandaag toevallig zijn lendendoek niet bij zich dus we zetten de wandeling voort naar de rand van het eiland, waar we een grote platte rots vinden. Poging twee van de man om een stukje te zwemmen. Dat moet hier wel lukken en hij bedenkt zich ook geen twee keer, na een flinke aanloop verdwijnt hij met een enorme plons in de golven. Die redt zich wel. Ik spreid mijn handdoek uit en staar liggend in de verte. Af en toe wagen de golven zich op de kade en krimp ik ineen van de onverwachte koude douche die in retrospect, dat is zodra de warme zomerbries tegen mijn natte huid blaast, een prettige verfrissing vormt. De zon zakt langzaam in de zee wanneer de man eruit komt, wat een teken is dat we ons zo zoetjes aan weer eens richting haven moeten begeven want de laatste boot vertrekt om 20:00u. Er is nog wel tijd voor een drankje op het terras waar een oude, kettingrokende man typische Hawaï-deuntjes uit zijn gitaar tovert. Hij doet ook verzoeknummers maar ‘Op een onbewoond eiland’ kent hij niet.

Terug in Stari Grad kiezen we zomaar een steegje uit en klimmen een stukje omhoog tot we een leuk restaurantje vinden. Dit kan nog wel eens gevaarlijk worden, aangezien we op een hellend vlak moeten zitten. Terwijl de man zich schrap zet om niet voorover van zijn stoel te glijden, doe ik mijn best niet met stoel en al achterover te kiepen. Soep gaat het dus niet worden. Zodra deze geserveerd wordt, zal hij ongetwijfeld in mijn schoot belanden. Voor de zekerheid bestel ik ook maar een halve liter water, dat staat vast steviger dan een normaal glas. Ik roep de pizza uit tot het veiligste gerecht van de avond. Een goede keuze want pizza’s bakken kunnen ze hier wel. Aangezien de man nog wat wil werken, duik ik met Reve (mijn andere reisgenoot) het bed in.

3 juli 2007

[Teringmuggen, Uvala Lapad, Nema stroom]

Wederom ben ik ten prooi gevallen aan een onbekend bloeddorstig insect en zodoende vertonen mijn kuiten kwa reliëf nu enige gelijkenis met het berglandschap hier. En het jeukt: als de neten! Als ik er aan het eind van de dag lichte druk op uitoefen, ontploft het en komt er een doorzichtige vloeistof uitgespat. Bah! Ik weet niet wat dat voor monstermug geweest is, wie Joost heet mag het zeggen, maar irritant is het zeker. Ratna zastava in zijn richting in ieder geval. Ter zake. Een aantal witte wolken heeft zich om de hoogste bergtoppen gedrapeerd dus vandaag rollen we voor de verandering eens niet badend in het zweet het bed uit. Niettemin breekt even later de zon door en loopt de temperatuur alsnog tegen de veertig graden. Gelukkig maar want voor wolken hadden we evengoed in ons koude kikkerland kunnen blijven.

Tijdens het ontbijt vouwen we de kaart uit om een nieuwe wandelroute uit te stippelen. We beginnen met het beklimmen van een berg die ons aan de noordkant van Babin Kuk brengt en een schitterend uitzicht over Gruž biedt. Er gaat ook wel een bus naar de top maar het is natuurlijk leuker om je een ochtend flink uit te sloven terwijl de mussen (van dit bedreigde diersoort wemelt het hier) van het dak vallen en bussen vol verlepte toeristen je om het kwartier in stilte voor gek verklaren. Nee, je moet lekker in zo´n sauna op wielen gaan zitten. Na tien minuten kun je aan het zuurstof en heb je een beurs zitvlak. Ik prefereer mijn eigen kuierlatten boven het stadsvervoer.

De afdaling voltrekt zich via een soort botanische route, alles is begroeid met gekleurde, zoetgeurende bloemen. We komen langs een sculpturentuin waarin allerlei uit steen gehakte koppen afgewisseld worden met cactussen en op het terras staat een groot beeld van een naakte vrouw die in de aanslag staat haar kind een flinke dreun te verkopen. Een interessante verschijning te midden van de verder zo vredige omgeving. Zou dit het toonbeeld van de Kroatische pedagogiek zijn? Aan de voet van de andere kant van de berg eindigen we op de promenade van Lapad. Daar staan allemaal schommelbankjes met parasolletjes, een uitstekende gelegenheid voor pivo, chi-chi en vers fruit.

´s Middags verkennen we een ander kiezelstrand in Uvala Lapad: het populaire Lapad beach. De meeste locale strandbezoekers zijn of zeer minderjarig, of de uiterste houdbaarheidsdatum reeds lange tijd voorbij. Vooral de Kroatische oma´s zien er heel typisch uit; lijfeigen zwembandjes in felgekleurde badpakken gehuld en snorren op de bovenlippen. Het andere uiterste vormen de jonge toeristen waaronder het Paris Hiltongehalte opmerkelijk groot is. Terwijl ik het gevoel heb bij leven mijn eigen crematie mee te maken, mijn tweede fles zonnebrand open draai en me onder een pijnboom installeer, jammert een walnootbruine Engelse in luipaardprintminibikini naast me “It’s no use, I am never getting any browner – sigh sigh sigh”. Hum. De man wil graag een kajak huren maar als ik voor zes uur nog een keer in de zon kom, vrees ik dat de vlammen uit me zullen slaan (toch nog die armageddongarantie). Klinkt wat dramatisch maar mijn Hollandse huid heeft blijkbaar enige tijd nodig om aan dit klimaat te wennen. Als ik in het hotel wat natte handdoeken over mijn benen leg, hoor ik ze nog net niet sissen. Maar ik zinder.

Op een strandterras boven het water genieten we van een bontgekleurde zonsondergang en een dubbele espresso. Een beetje loomheid op z´n tijd is best lekker maar zodra ik me een duf konijn ga voelen, is het tijd om het cafeïneniveau weer op pijl te krijgen. Ik wil even douchen maar moet dit op de tast doen want de artiest van vanavond heeft met zijn geluidsinstallatie de stoppen doen doorslaan waardoor de stroom uitgevallen is. Nema problema, eten doen we wel bij de concurrent, een sjiek hotel aan de overkant waar het eten voortreffelijk blijkt. De band die hier optreedt, is ook een stuk leuker dan de muzikale stroomterrorist in het Adriatic, die zich nu akoestisch moet bewijzen. Maargoed, voor twee sterren moet je ook weer niet te veel verwachten en al komt de kwaliteit hier niet uit de lucht vallen, als je naar de hemel kijkt heb je daar de rest van je sterren.

2 juli 2007

[Trsteno, hoe je hier een bus vangt]

We beginnen de dag met een bezoekje aan het Tourist Information Centar. Ik wil graag naar het Arboretum in Trsteno, waar je niet meer op excursie naartoe kunt sinds er in 2000 een hevige bosbrand heeft gewoed die daar ongeveer 120000 vierkante meter aan natuur verwoest heeft. De man van de lokale VVV spreekt Engels zoals de meeste Kroaten hier (een minimale woordenschat, halve zinnen en veel ge-“uhhh”). Je vraagt iets, ze doen of ze je begrijpen, geven een volslagen onzinnig antwoord en kijken je dan aan alsof ze zeggen willen: “Anders nog iets?”. Het kost dus enige moeite de nodige informatie te ontfutselen maar uiteindelijk kan hij ons wel aanwijzen welke bus we moeten nemen. Als we opschieten, halen we de eerstvolgende nog.

Opschieten is voor de stadsbuschauffeurs hier Nema problema. Met de ene razende maniak sjezen we naar het centrum, daar pakken we de volgende rammelende doch razendsnelle bus naar Marina Gruž, kopen een ticket en vijf minuten later zitten we in een luxe touringcar die op zijn weg naar Zagreb wel even wil stoppen in Trsteno. Hoewel de reis prachtig is, heb ik weer een half uur lang peentjes zitten zweten (en het was al zo heet) wegens hoogtevrees met als letterlijk en figuurlijk hoogtepunt de Franjo Tudmanbrug. Het is een gigantische brug die er behoorlijk solide uitziet maar ik heb ergens gelezen dat het ding op sommige plaatsen aan afbrokkeling onderhevig is.

Om elf uur komen we aan in Trsteno, twintig kilometer boven Dubrovnik. Het lijkt er volledig uitgestorven en om nu te zeggen dat men er scheutig is met bordjes in de trant van “Arboretum die kant op” besluiten we bij gebrek aan een stoep of berm met gevaar voor eigen leven een stukje terug te lopen over de weg. Ik meen onderweg namelijk de ingang gezien te hebben. Het zweet loopt ons nu al tappelings langs de ruggengraat, eerst maar eens wat vocht tanken bij een oud vrouwtje dat in de tuin van haar huis koffie, thee en limonade verkoopt.

Trsteno is beroemd om zijn arboretum, de oudste botanische tuin in dit deel van de wereld. Het is in de vijftiende eeuw aangelegd door een familie die scheepskapiteins opdroeg zaden en planten mee te brengen van hun verre reizen. Wanneer het arboretum precies ontstaan is, is onbekend maar in 1492 is er een vijftien meter lang aquaduct gebouwd om het park te irrigeren. Verder staat er een vijftiende-eeuws zomerhuis en is er een gigantische vijver met waterspuwende beelden. Er zijn meer dan tweehonderd verschillende boomsoorten en diverse exotische planten en bloemen. Aan de rand van het arboretum bevindt zich een terras vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de Adriatische zee. Het is hier zo rustig dat we in het hele park slechts drie andere toeristen tegenkomen. Van de schade die de brand aangericht heeft, is helemaal niets meer te zien. In de schaduw van de bomen en enorme planten sjokken we een uur of twee rond en dan hebben we het wel gezien. Nog even wat drinken en zien hoe we terug in Dubrovnik komen.

Dat valt nog niet mee. We vinden een bushokje met een nagenoeg onleesbaar dienstrooster en gaan er dus maar vanuit dat er binnen een uur wel een bus voorbij zal komen. Dat gebeurt maar hoewel we allebei opstaan en onze handen opsteken, scheurt de oude rammelbak ons zo voorbij. Een half uur later zoeft een tweede bus ons voorbij en dan vind ik de grap niet meer grappig. Aan de overkant van de weg zit een oude, tandeloze man naast drie grote postzakken een sjekkie te roken, wachtend op de postophaalman. Ik vraag of hij Engels spreekt en vrolijk knikt hij van ja. Wat moet je hier doen om een bus te laten stoppen, vraag ik, ervoor springen? Weer knikt de man enthousiast van ja. Je moet hier inderdaad voor de bus springen, met minimaal drie personen en woest zwaaiend met al je ledematen, anders kun je het schudden. De man kijkt op zijn horloge en voorspelt dat er over twintig minuten weer een bus komt. Hij heeft nog gelijk ook want twintig minuten later (zijn post is allang opgehaald maar hij besluit vrijwillig voor ons op de uitkijk te gaan staan en een seintje te geven als de bus komt) roept hij heel hard “Bus! Bus! Come! Jump!”. Met z’n drieën springen we midden op de weg, zes armen in de lucht, en roepen heel hard “STOP!”. We kunnen nog net opzij springen want zonder ook maar enige vaart te minderen en met een moeilijk gezicht steekt de chauffeur verontschuldigend zijn handen omhoog. Hij kan niet stoppen omdat hij ons vanuit de bocht pas zag en er zitten twee dure snelheidsduivels op zijn hielen die hij kennelijk niet in zijn achterbak geparkeerd wil hebben. Terwijl ik nog sta bij te komen van de schrik staat de oude man alweer enthousiast op en neer te stuiteren. “Another bus! Jump!”. Eindelijk: een chauffeur die weet waar de rem zit en hem nog gebruikt ook.

Terug in de oude stad eten we bij wijze van lunch een ijsje en luieren we wat in de zon op een stijger. Met dit weer is de honger veelal ver te zoeken dus ook de avondmaaltijd blijft vandaag karig, een broodje met een obscuur Kroatisch prutje waarvan het laatste restje eetlust als sneeuw voor de zon verdwijnt. Broodje is lekker, prutje spoel ik maar door de wc zonder dat het eerst mijn hele spijsverteringskanaal foltert. Hoe die lui het weg krijgen, ik weet het niet.

1 juli 2007

[Babin Kuk, ufo's]

Het belooft weer een loeihete dag te worden maar gelukkig staat er een frisse zeebries die de warmte draaglijk, zelfs aangenaam maakt. We gaan een dagje klimmen en klauteren aan de zuidkant van Babin Kuk. Eerst lopen we over smalle bergpaadjes langs de rotskust om te zien tot hoe ver we te voet kunnen komen. Het is hier zo mooi dat ik de rust niet in me kan vinden om te ontspannen. Ik heb het gevoel dat ik ogen tekort kom. Als Hollander met een geringe hoeveelheid reiservaring ben ik zoveel natuurschoon niet gewend. Die bollenvelden zijn na een tijdje ook niets nieuws onder de zon, mocht deze eens schijnen. Als we het meest westelijke puntje van Babin Kuk bereikt hebben, willen we een strandje bezoeken maar dat is aan deze kant afgesloten en blijkt later een homorots te zijn. En ik maar denken dat ik op een fata morgana gestuit ben. Ik bestel snel een cocktail in de meest chemische kleur roze en de man giet nog maar eens een Karlovačko naar binnen.

Uiteindelijk vinden we een mooi stuk steen, verstopt achter wat rotsen en onder palmbomen. Het is precies groot en plat genoeg om twee badlakens neer te leggen maar voor we zover zijn dienen we nog wel even een behoorlijk steile afdaling te maken. Je moet wat overhebben voor je eigen privéstrandje maar dan heb je ook wat. Ik waan me in een klein paradijs op een onbewoond eiland. Er is geen mens te bekennen, zo ver als ik kijken kan strekt de zee zich voor me uit en in de verte ligt het eiland Daksa dat tussen het golfgeklots de met groen begroeide rots in de branding vormt. Het is een idyllisch tafereel en ik kan mijn aandacht moeilijk bij mijn boek houden omdat ik nog altijd een constante drang voel om in het rond te kijken.


Wanneer je hier tot je schouders in het water staat, kun je met gemak je tenen op de bodem zien rusten. Dan zie je meteen wat er nog meer aan leven huist in dit water. Krabben! Niet van die kinderachtige exemplaartjes maar hele flinke knapen van krabben die de hele dag niets beters te doen hebben dan zich met de stroming mee te laten sleuren om vervolgens weer zijwaarts over de bodem terug te krabbelen (ik begrijp ineens waar dat woord vandaan komt). Je zal ineens zo´n ding aan je teen hebben hangen. Bij dat idee laat ik het zwemmen aan de man over en houd ik in de schaduw van een grote pijnboom een siësta. Heerlijk dat geluier, ik wist niet dat ik het kon maar goed voorbeeld doet volgen. De lokale bevolking doet hier overdag namelijk alles op een Mediterraan tempo. Dat wil zeggen: slof, slof, slof. Ik zeg alles, maar automobilisten en buschauffeurs vormen hierop een uitzondering want Kroaten zijn temperamentvolle wegpiraten die de claxon met evenveel enthousiasme indrukken als het gaspedaal. Hier geldt het recht van de snelste. De meest maniakale bestuurders halen op een bochtig bergweggetje gerust grote bussen in met een gemiddelde snelheid die je hartslag doet verdubbelen.


Uiteindelijk wordt de middagzon te heet en gaan we via de promenade (Little Stradun) terug naar het hotel om ons op te frissen en een lichte lunch te nuttigen. We besluiten daarna naar het centrum te gaan waar als we de vele aanplakbiljetten moeten geloven elke avond wel iets te beleven valt. Op het plein voor de St. Blaisekerk (opgedragen aan Sveti Vlaho, de beschermheilige van Dubrovnik) is een groot orkest bezig de instrumenten te stemmen. Als ik de dirigent aanspreek, blijken het Engelsen te zijn die samen het Imperial College Sinfonietta vormen. Ze moeten wachten tot de grote klok geluid heeft (tweemaal, men luidt hier namelijk de klok om te waarschuwen dat de klok gaat luiden) en dan beginnen ze te spelen, eerst een stuk van Prokofiev en vervolgens Tschaikovski. Heel mooi.

Als het donker wordt, beklimmen we een van de vele smalle trappensteegjes en komen we uit op de Prijeko (eetstraatje) die parallel ligt aan de Stradun maar dan een stuk hoger. Er zijn hier wel honderd restaurantjes en op elk terras staat een gastheer of –vrouw die hele menukaarten uit het hoofd staat op te dreunen. Hoewel het vreselijk smal is en je je zijwaarts langs de terrasjes moet manoeuvreren, kun je er toch rustig zitten en van je maaltijd genieten. Doordat er een algemeen verbod op neonlicht lijkt te gelden, dineer je in kaarslicht of onder een gedimde lantaarn wat de sfeer absoluut ten goede komt.

We horen zwaluwen, lachende mensen, Kroatische muziek en het zachte getik van bestek. Het is niet vreemd dat Dubrovnik de parel van de Adriatische kust genoemd wordt. Of het nu in zon-, maan- of kaarslicht is; de stad wordt te allen tijde gesierd door een parelmoerachtige glans. Na het eten steken we de Stradun weer over. Het Sinfonietta blijkt ook over een big band te beschikken en speelt nu Frank Sinatra. Omdat het zo gezellig is, besluiten we nog wat te drinken op een naburig terras. Plotseling doemen er vanachter de hoge gebouwen tientallen kleine oranje lichtjes op. Het worden er steeds meer en ze komen steeds dichterbij maar wat het nou precies is, is me een raadsel. Ze zijn te groot voor vuurvliegjes en voor armageddon ziet het er veel te gemoedelijk uit. Een serveermeneer weet ons in alle ernst te vertellen dat het om ufo´s gaat. Juist. Doe mij er ook nog maar eentje.

Op de terugweg beklimmen we de trappetjes die naar fort Lovrijenac (dat de westzijde van de stad moet beschermen tegen gevaar vanaf land of zee) leiden, waar we opgewacht worden door een Adriatische muggenleger dat vrijwel onmiddellijk de angels vastschroeft en een massakamikaze uitvoert op mijn benen. Nog even ongestoord van het uitzicht genieten zit er kennelijk niet in maar gelukkig kan dit vanaf ons balkon ook. Nema problema! - zoals ze hier dan roepen.

30 juni 2007

[Stari Grad, rotsenklots, plaatselijke horecagebruiken]

De eerste ochtend in Dubrovnik. Terwijl de man zich nog eens omdraait, loop ik naar het balkon want om acht uur is het in de hotelkamer (geen kunstmatige klimaatbeheersing) al niet te harden. Mijn zintuigen draaien op volle toeren. Nu het licht is, bestaat Dubrovnik globaal uit vier hoofdkleuren: het helderblauw van de zee en de hemel (soms is het moeilijk te zien waar aan de horizon het water in de lucht overgaat), het groen van de bomen en planten, het grijs van de kalkstenen, bergen en rotsen en het oranje van de talloze pannendaken. Hier en daar accentueren slierten fel paarse en roze bloemen het landschap. Ik adem eens diep in en snuif de frisse zeelucht op, vermengd met een subtiele geur van bloemen en bomen. ’s Nachts maakten de krekels een immens kabaal, nu hoor ik slechts het ruisen van wind en zee en af en toe het geschetter van zwaluwen. Rechts ligt de enorme berg Srd, voor me uitgestrekt de baai van Lapad met daarachter Babin Kuk, links zie ik zee en eilanden en achter me bevindt zich de berg Petka. Nu ik dit alles in me heb opgenomen kan ik de man wakker porren en zullen we eens zien of het ontbijt hier een beetje binnen te houden is.

Voor een twee sterrenhotel overstijgt het hele ontbijtgebeuren al mijn verwachtingen. In een ruime zaal staat een luxe ontbijtbuffet klaar: verse vruchten, allerlei soorten brood en andere graanproducten, een ruime keuze aan beleg, Kroatisch gebak, pudding, kwark, schapenkaas, eieren, saucijsjes en allerlei warme en koude dranken. We nemen onze borden mee naar een tafeltje vanwaar we een prachtig uitzicht over de zee en het strand hebben. Het is hier helemaal zo gek nog niet.


Met een goed gevulde maag beginnen we aan onze eerste wandeling die ons van Lapad via de kust naar Stari Grad (de oude stad) brengt. Het is een graad of 38 dus veel haast hebben we niet. Bovendien moet ik om de honderd meter even stil staan om “ohh” en “ahh” te roepen want de omgeving is werkelijk prachtig. Hoewel Dubrovnik in het hoogseizoen bekend staat als toeristentrekpleister, komen we onderweg - op wat locals na - maar weinig mensen tegen. Die liggen natuurlijk allemaal op het strand hun kater te verwerken dan wel hun huid enkele tinten bruiner (of roder) te bakken. Fout! Als we vanaf de laatste heuvel voor Stari Grad op het centrum neerkijken, zien we een grote krioelende mensenmassa waaruit bordjes omhoog steken die vastgehouden worden door reisgidsen. Precies voor de poort van Pile, op een smal bruggetje dat aan de noordkant toegang biedt tot het centrum. We manoeuvreren ons door de menigte en belanden in het voorportaal van Stari Grad waar een driekoppig ensemble een fraai stukje Bach staat te spelen. Zodra ze daarna Strauss inzetten weet ik niet hoe gauw ik de benen moet nemen, we zijn hier verdorie niet in Wenen ja!

Haastige spoed is hier echter niet goed, de kalkstenen paden zijn namelijk spekglad. Ze glimmen in het zonlicht alsof ze nat zijn maar in werkelijkheid zijn ze door miljoenen schoenzolen gepolijst (en worden niet, zoals de man suggereert, elke nacht door slaven tot in de kleinste groefjes grondig opgepoetst). Ik les een grandioze dorst met ijskoud water uit de grote, ronde fontein van Onofrio de la Cava, een indrukwekkend vijftiende-eeuws bouwwerk met zestien kranen waaruit water stroomt dat afkomstig is uit een bron in Rijeka Dubrovacka, twintig kilometer verderop. In 1667 is de fontein zwaar getroffen door een catastrofale aardbeving maar wonderlijk genoeg functioneert hij nog steeds. Aan het eind van de Stradun (hoofdstraat) staat nog een kleine Onofrio fontein maar daar zitten zoveel duiven op dat je een ondergekakte bakkes riskeert wanneer je eruit drinkt. Natuurlijk heb ik de zonnebrand in het hotel gelaten want ik zag ´s ochtends een verdwaalde wolk en concludeerde daaruit dat het nooit zo bloedverziekend heet zou kunnen worden als het uiteindelijk werd. De billen neervleiend op het plaveisel bega ik een heuse steengrillervaring en later op de dag kleuren diverse onbedekte ledematen Austrian-rood. Dat ga ik vanaf heden dus anders aanpakken.

Stari Grad is een doolhof van steegjes, trappetjes en pleintjes omheind door een twee kilometer lange en 25 meter hoge stadsmuur (gradske zidine) met diverse torens, bastions en forten. Vanaf het hoogste punt, fort Revelin, kijk je uit over de hele stad, de oude haven, honderden oranje pannendaken, de zee en vele eilanden. Tussen de kriskras door elkaar gebouwde huisjes hangen allemaal waslijntjes (wel apart om steeds onder de Kroatische onderbroeken door te moeten kruipen), door de steegjes lopen zwerfkatten, de inlanders hangen uit hun ramen naar elkaar te tetteren en aan veel van de pittoreske huisje hangen grote, ontsierende schotels. Weer beneden kopen we op de markt verse pruimen, extreem zure appels en vijgen die we in de schaduw opeten. We bekijken de kerken en paleizen en besluiten dan dat het tijd is voor een terras om de voeten (bereids voorzien van blaren wegens geen sokken en door het zweten blijven die rotpleisters niet plakken) wat rust te gunnen en mensjeskijkend te loungen onder een luifel. Onder het genot van een ijskoude grasshopper houd ik dat wel een uurtje vol.

Rond het middaguur wandelen we naar de haven bij Ploce. Pootjebaden en vissen kijken in het heldere zeewater. We zien een vis een andere vis verorberen die groter is dan hijzelf. Net Animal Planet maar dan live. Ik voorzie het gebeuren van een gepaste Steve Irwin imitatie. Er komen hier gigantische cruiseschepen voorbij die vier keer zo groot zijn als ons hotel. Tussen die joekels door varen allerlei kleine bootjes, van kajak tot watertaxi en van waterfiets tot speedboot. Er zijn ook nog lieden met flippers die geen angst kennen en zo van een rots af springen om tussen al dit waterverkeer door een stukje te gaan zwemmen. Zwemmen, daar heb ik zelf ook wel zin in, maar dan wel op een wat minder drukke plaats.

Terug naar het hotel om badkleding, handdoeken en zonnebrand op te halen. Drie keer struikelen en je ligt op het strand. De Kroatische kust kent nauwelijks zandstranden, wat ik niet erg vind want ik heb een uitgesproken hekel aan kleefzand, dus een kuil graven om je waterfles koel te houden (of gewoon uit wannabe duitsheid) zit er niet in. Het enige voordeel van zand is dat het wat comfortabeler ligt dan kiezels en keien maar desondanks lig ik toch tien keer liever aan Lapad Bay dan Katwijk aan zee. Het is er zo rustig, schoon, adembenemend mooi en een golfslagbad is er niets bij, kwa golfslag. Als je te dicht bij de rotsen komt, word je er met een genadeloze rotklap tegenaan gesmeten, ik spreek uit ervaring. Niets gebroken gelukkig.

Om een uur of zeven spoel ik onder de douche het zout van mijn lijf (je droogt helemaal wit op als je hier uit de zee komt) en vraag bij de receptie aan monseigneur Leclerc of hij een restaurant kan aanbevelen. Met een vragende blik staart hij me door zijn jampotbodems aan en antwoordt: "Huh? What you mean? Restaurant?" Zelf vind ik het niet zo´n rare vraag maar Leclerc´s voorhoofd verandert op slag in een groot peinsrimpelreliëf. Hij zwijgt een tijdje, maakt wat armbewegingen naar rechts en mompelt dan "Pergola". Waarom die tent zo heet, laat zich raden.

Een lesje Kroatische horecagebruiken: bestel hier snel en aarzel geen moment, haal tussendoor vooral geen adem want dan denken ze dat je uitgepraat bent en zijn ze verdwenen. Als je ongevraagd een voorgerecht voor je neus krijgt, wees er dan stellig van overtuigd dat je het lekker gaat vinden en stuur het anders linea recta terug naar de kok want je moet er wél een paar kuna´s voor neertellen. Laat tijdens het eten je bestek niet te lang los want dan denken ze dat je uitgedineerd bent en halen ze zonder pardon je bord onder je snufferd vandaan. Bestel ook geen koffie maar espresso als je, zoals ik, van lauwe leut met melk braakneigingen krijgt. Wel leuk is dat er elke dag vers uit de zee geschepte vis in ijsvitrines ligt waarvan je er zelf eentje mag aanwijzen. Die vis stoppen ze dan vol met kruiden en citroen, gaat op de grill en wordt (dat is dan wel weer een beetje de anti-climax) geserveerd met gekookte hoge-bloeddruk-piepers en verlepte groenten in het een of andere hoge-bloeddruk-papje. Na de officiële onthoofding, ontstaarting en ontgrating heb je vervolgens wel een plaatselijke delicatesse op je bord en kan Kapitein Iglo wel inpakken met zijn viscuisine.

Na het eten wandelen we nog een stukje langs de baai van Lapad waar we herhaaldelijk staande gehouden worden door mensen die ons allerlei georganiseerde bus- en bootexcursies proberen aan te smeren. Stuk voor stuk beweren ze dat zij de beste/goedkoopste zijn. Dat zal allemaal best, maar ik verken de omgeving liever op eigen houtje dan dat ik de hele dag achter een onverstaanbare doch duurbetaalde gids met een strohoed en een bordje aan hobbel. Ik weet na een grondige voorlichting nu echter precies waar ik wel en niet naartoe moet. Aan het eind van de baai drinken we op een terras nog wat en luisteren we naar een band die traditionele Kroatische muziek speelt. Als de volle maan over de Srd komt gluren, lopen we langs het glinsterende water terug naar het hotel om van een welverdiende nachtrust te genieten.

29 juni 2007

[Op naar de parel van de Adriatische Zee]

Het regent dat het giet, de temperaturen liggen ver beneden het normale gemiddelde, kortom: het is oer-Hollands hondenweer. Het is dan ook een raar idee dat mijn koffer niet veel meer bevat dan wat jurkjes, bikini’s, handdoeken en zonnebrand. Als de zomer niet naar ons toe komt, zoeken wij haar zelf wel op. Ik ben er klaar voor. Over een uur of acht zitten we met een cocktail en een biertje op het strand, zo houd ik mezelf voor. Hier maak ik een inschattingsfout.

Het geduvel begint al bij het inchecken. De vliegtickets zouden klaar liggen bij balie 1 maar de baliedame daar beweert stellig van niet; we kunnen gewoon inchecken en onze bagage afgeven. Na anderhalf uur in de rij gestaan te hebben, krijgen we van baliedame 2 te horen dat zij ons zonder tickets niet in kan checken en stuurt ons naar een derde balie. Baliedame 3 weet van geen tickets af en verwijst ons terug naar balie 1. Het is twee uur later, over drie kwartier vertrekt het vliegtuig en wat zegt baliedame 1? “Oja, niet goed gekeken, hier zijn toch de tickets.” Graag had ik Truus Ticket om haar eigen balie getrokken maar de tijd drong.

Nogmaals anderhalf uur in de rij is geen optie dus ik dring (tot ongenoegen van ongeveer vijfhonderd wachtenden) ongegeneerd voor bij de incheckbalie, dump de bagage en hol met de man naar de juiste gate voor de verplichte controles. Ik vraag of ik mijn riem af moet in verband met piepende poortjes maar dat is volstrekt niet nodig. Twee stappen verder begint het ding al te piepen en word ik apart genomen voor een full body massage. “Voorzichtig! Straks ontplof ik voor ik mijn bestemming heb bereikt!” roep ik terwijl ik dramatisch met mijn ogen rol. Daarop wordt geen prijs gesteld en prompt word ik hardhandig in het kruis betast. Ik moet de bewaakster teleur stellen: geen explosieven in de bilnaad, wapens onder mijn oksels of verdachte kruidenbuiltjes tussen mijn tenen. Was het toch die riem. Ik had het nog zo gezegd.

De vlucht naar Oostenrijk verloopt voorspoedig. We landen ruim op tijd voor de overstap maar het volgende vliegtuig blijkt behoorlijk vertraagd. Na zes uur wachten kennen we het vliegveld van Wenen beter dan onze broekzakken en beginnen uit pure verveling hier alvast maar aan de cocktails, om weer een beetje in de stemming te komen. Dan mogen we eindelijk boarden. Ik heb me nog niet op mijn stoel gevestigd of er wordt ons verzocht het toestel te verlaten. Er blijkt sprake te zijn van een technisch mankement waar nogal vaag over gedaan wordt. Bij navraag weet de een of andere Wiener Schnitzel me op geruststellende toon te verzekeren dat “only breaks are broken, no worries, will be fixed within an hour”. Natuurlijk. Mij zien ze bij het front terroristenparanoia aan voor een gevaarlijke gek maar een vliegtuig waarvan de remmen een uur geleden nog als non-operating geclassificeerd werden, wordt na wat provisorisch gebeunhaas gewoon de lucht in gestuurd. Ik sla een krantje open en lees over armageddongarantie. In gedachten zie ik een vliegtuig ter aarde storten en vlammend uiteen spatten, je moet immers wat als de remmen het uiteindelijk toch niet blijken te doen… Een nasale stem doet me opschrikken uit mijn doemvisioen. We zijn los van de grond.

In het vliegtuig haal ik even diep adem. Waarom schalt er in hemelsnaam Strauss door de speakers? Voor het Mozart-effect moet je toch een andere componist hebben - denk ik zo. Despereer niet, lees ik in de glimlach op de felrood gestifte lippen van de in een eveneens felrood gekleurd mantelpakje gehulde stewardess. Tien kilometer boven de grond wordt er een Weense worst op het uitklaptafeltje voor mijn neus geparkeerd. Ik besluit dat ik er maar beter van kan genieten want het is nog altijd niet uitgesloten dat dit mijn laatste avondmaal zal zijn.


Als ik de worst nog niet koud achter de kiezen heb, wordt Strauss abrupt onderbroken door de stem van de kaptein: “door omstandigheden die verder niet gespecificeerd zullen worden, vliegt dit luchtschip niet verder dan Split, wij danken u voor het vliegen met Austrian en wensen u nog een prettige reis of verblijf”. Wel voor den donder! Het is bijna middernacht en we worden gedumpt in een gehucht ruim 200 kilometer van Dubrovnik. Maar ik despereer niet, neem polshoogte bij het enige exemplaar aan vloerpersoneel dat er rondloopt en krijg twee transferpasjes in mijn handen gedrukt. Over een uur vliegen we naar Cilipi, ondertussen moeten we onze bagage komen aanwijzen zodat ik daar straks niet noodgedwongen naar het nudistenstrand hoef.


Het uitzicht vanuit het vliegtuig is fantastisch. We zweven over de maanverlichte zee waarin honderden eilandjes met duizenden kleine lichtjes drijven. In Cilipi staat een touringcar klaar die ons met een noodvaart over de smalle bergweggetjes langs diepe ravijnen naar Dubrovnik brengt. In tegenstelling tot vliegen, vind ik dit soort ritjes zenuwtergend en zit ik een uur lang met het zweet in de handpalmen, het hart in de keel en de ogen stijf dichtgeknepen allerlei ter plekke verzonnen schietgebedjes te doen. In het centrum van Dubrovnik springen we voor de eerste de beste taxi die aangesneld komt en om half 3 komen we dan eindelijk aan bij het hotel. Zeven uur later dan gepland - de totale vlucht zou oorspronkelijk nog geen vier uur duren - en compleet gesloopt.

Wonder boven wonder blijken de lachspieren nog intact want ik kom pardoes niet meer bij wanneer ik me over de balie buig om te zien of zich onder het bosje grijze haren dat er ligt nog iets bevindt dat in wakkere staat verkeert. Het is net monsigneur Leclerc die bij de Kroatische Hans Anders (Hanslav Drugačije?) zojuist het nieuwste model in montuur gezette jampotbodems heeft aangeschaft. Zijn Engels is zo mogelijk nog beroerder maar uit zijn gebrabbel begrijp ik dat hij blij is dat we er zijn en dat hij een avondmaaltijd voor ons bewaard heeft. Nu is mijn behoefte aan een koude schnitzel met bessenprut om drie uur ’s nachts niet bijzonder groot, het gebaar is niettemin alleszins sympathiek. Eenmaal in de kamer kan het traditioneel testen der bedden beginnen. Als je na vijf keer springen niet door de bodem zakt en een acceptabele vering (niet te hard maar vooral niet te zacht) constateert, dan lig je de rest van de week picobello.

2 juni 2006

[Ahoj!]

Hoewel ik doorgaans meer weg heb van een neurotische structuurkip, heb ik ook zo mijn impulsieve momenten. De mevrouw van het reisbureau moest er even kostelijk om lachen want ik hoefde natuurlijk niet te verwachten dat ik op zo’n korte termijn nog ergens een acceptabele accommodatie zou kunnen vinden. Eigenwijs en volhardend als ik (als het moet) kan zijn, bewees ik het tegendeel. En zo hing ik vanmiddag gezellig met Vladimir de vrolijke Tsjech aan de telefoon. Gelukkig sprak hij Engels want ik krijg met de beste wil van de wereld die Tsjechische tongbrekers niet vloeiend mijn strot uit (Nemluvím cesky), laat staan dat ik het kan verstaan (Nerozumín). Twee verdiepingen in een historisch pand aan Trojanova, vijftig meter van de Moldau en met uitzicht op Tančící dům, staan voor acht dagen op mijn naam. Hallo mevrouw van het reisbureau, kijk eens wat ik heb? Doet u mij er dan maar een geschikte vlucht bij.

Mijn mama wil absoluut niet dat ik ga vliegen en wel hierom dat ze denkt dat er tegenwoordig in ieder mens een terrorist schuilt en dat je juist in een vliegtuig het risico loopt dat de terrorist in de mens naar boven komt en dat ze dan je vliegtuig kapen en te pletter vliegen of gewoon meteen opblazen. Ik mag haar er vooral niet op wijzen dat zij hier de enige gevaarlijke gek is die ooit een keer neergestort is bovenop een zwerm toeristen, want dat was immers een ongelukje en bovendien was daar geen vliegtuig maar een parachute bij betrokken.

Ik stuurde mijn moeder een berichtje.
Hoi mam, morgen vlieg ik naar Tsjechië. Ik heb de reisorganisatie je nummer gegeven. Bij eventuele kaping, gijzeling of te pletter storting stellen ze je onmiddellijk op de hoogte. In het bijgevoegde document vind je mijn laatste wil. Hopelijk tot gauw. Liefs, je dochter.

Dat vond ze niet heel grappig, maar de communistische propagandaposter waarop bij wijze van onbegrepen grapje mijn bericht geschreven stond vond ze geniaal, wat ik op mijn beurt weer een opmerkelijk stukje repliek vond.

Waarom de regen opzoeken als je evengoed naar de zon kunt? Ten eerste vond ik het de hoogste tijd om mijn lang gekoesterde wens Praag eens met eigen ogen te zien in vervulling te laten gaan. Ik heb zo van die buien. Eerst heb ik jaren geduld, vervolgens moet en zal het op stel en sprong gebeuren. Ik ben me ervan bewust dat ik zo ongeveer het enige land in Europa heb uitgekozen waar het de hele week koud k*tweer wordt maar ik sjouw liever met een plu dan dat ik in overdreven hitte wegsmelt op een overbevolkt strand waar ik zand tussen mijn tenen krijg. Mij niet gezien. Bovendien kan op die manier het weer ook niet tegenvallen als ik terug kom in dit stomme kikkerland waar de herfst zijn intrede alweer gemaakt lijkt te hebben. Die paar schuchtere zonnestralen maken het hier heus nog geen zomer.

Inpaktijd. Na shledanou později!

8 mei 2006

[Groeten uit Parijs]



Bekijk alle foto's
(Parijs & Premier Festival Chantier Musical)