28 september 2007
[Spoken bestaan]
27 september 2007
26 september 2007
[Onstoffelijkheden]
De hoorn gleed als een nat stuk zeep uit mijn hand en bleef liggen op mijn schouder. Mijn gedachten dwaalden af, noordwaarts en terug in de tijd. Zuidwaarts, het heden voorbij. Een dun laagje ademdamp hechtte zich aan het spreekgedeelte van de hoorn en werd in twee klamme eilandjes gedeeld door het spoor dat een door zwaartekracht omlaag gedwongen traan zojuist had achtergelaten terwijl uit het andere eind een monotoon stemgeluid dat net niet overstemd werd door het geruis van een slechte verbinding kalm voort bromde. Plukkend aan het kussen waaronder ik genesteld lag, eveneens een oude gewoonte – het kussen zag er daarom niet meer uit maar ik weigerde er afstand van te doen zoals een peuter van een knuffellap, concentreerde ik me op mijn ademhaling. In twee drie (verman je), uit vijf zes (ontspan je).
Even verstomde het geruis en kon ik uit het gebrom weer verstaanbare woorden destilleren. Het schip der lotsbestemming had een anker in de tijd geworpen. Je zou verwachten dat de klok zou haperen, de wereld zou ophouden zich om zijn as te wentelen maar in plaats daarvan leek ik zelf te bevriezen. De verbinding werd verbroken. Mijn geest wankelde. Wilde de mens niet immer bedrogen worden en vormde dit bedrog tegelijk niet zijn grootste angst? Tussen de tuut-klanken door slalomde ik over dit spiegelgladde vraagstuk totdat ik na een laatste lange tuut tot stilstand kwam aan de voet van de berg die stilte heette. Hoe kwam het toch dat alle wegen, als ze niet richting volstrekt betekenisloze banaliteiten voerden, naar dit punt leken te leiden?
25 september 2007
[Moment van bezinning]
Ik had nooit gedacht dat iemand zo dapper en vol levensvreugde zou kunnen zijn na de stempel 'terminaal' opgedrukt te hebben gekregen. Oma wel. Na zo'n zware, lange strijd was dit voor haar het verlossende woord en ze zou verdomme genieten van haar laatste dagen ook. "Geen jankerts aan mijn bed hoor, ik lig hier toch zeker als een goudkarper, ik voel me helemaal niet terminaal!".
Dat was oma, immer optimistische klare taal. We mochten nog drie weken samen zijn. Mooie herinneringen ophalen met koffie, taartjes en een peukie op de rand van haar bed, al had 'die pekingeend', zoals mijn oma een van haar minder favoriete verpleegsters noemde, het haar nog zo verboden. Dood ging ze toch. "Lang leve de lol hoor jongens", riep ze dan, "laat die lui de hik maar krijgen". Zo is dat. Ik bracht haar fresia's, haar lievelings, de gele want die ruiken het lekkerst. Op haar graf wilde ze er perse geen. "Hou jij je zuurverdiende centen nou maar lekker in je zak" had ze gezegd. Op elk protest volgde steevast "dan ben jij goed gek".
Dat kan wel wezen, ik heb mijn eigenwijsheidsgenen niet van een wildvreemde. Nu rust ze onder bloemen, in haar eigenste achtertuintje. Over jankerts aan haar graf heeft ze gelukkig niets gezegd, maar we hebben gelachen door onze tranen heen. Zoals ze gewild had.
17 september 2007
14 september 2007
13 september 2007
[Wat een gebulder]
Ik zag de tijd aan de anderen rukken en trekken, hen tot herbepaling van rollen dwingend. Ook ik werd niet ontzien. Ik voelde de verwachtingsvolle blikken tegen me aan spatten, waardoor de vlek in omvang toenam.
Mijn heer P. en mevrouw H. maakten zoals wel vaker onaangekondigd hun entree. Dan diende snel het sjieke servies opgeborgen te worden en moest men plaats nemen op een stevige ondergrond, liefst met rug- en armleuningen. Waar of het handboek 'Wat te beginnen met lijders aan emotieverwerkbaarheidpotentietekorten' gebleven was. Dat had ik weer. Wie dacht de ander eigenlijk dat ik was? Het een of andere orakel? Ik zuchtte onhoorbaar, hield rug en schouders recht.
Krimpschaduw en zwellicht. Imploderend licht. Non savoir. Kun je jezelf vinden door te verdwalen? Het is dit moment dat zich hult in mijn zwijgen en in dit zwijgen trekt mijn bewustzijn zich terug (gb).
9 september 2007
[Die Schwelle zum Nichts]
“Haaa Wen” Ik was de slaapkamer nog niet binnen of ze had me al in de smiezen. Een goed teken. Ik ben steeds weer bang voor wat ik zal aantreffen. Ze was blij me te zien. “Wij blijven toch lachen hè Wen” Ze heeft zo graag mensen om zich heen maar kan er niet tegen wanneer zij huilen. Ze begrijpt het wel maar wil liever blijven lachen zolang het nog kan.
Dat zal waarschijnlijk niet lang meer zijn. Na tien minuutjes viel ze in slaap. Ze drinkt minder, is snel moe, spreekt langzamer en voelt zich ziek. Ik wil niet dat ze lijdt maar ze is zo vreselijk eigenwijs. Ze weigert paracetamol te slikken tegen haar hoofdpijn. Ook wil ze geen morfinepleisters. Nicotinepleisters noemt ze die, alsof we haar nu nog even gauw van het roken af zouden willen helpen. Ik denk dat ze gewoon bang is dat ze er in een keer dood van gaat.
Mijn eerste breekmoment kwam toen ik mams voor mijn ogen zag instorten. Als ik zie hoe het haar aangrijpt, komt het ineens zo angstaanjagend dichtbij dat ik haar verdriet kan voelen. Ik moet niet denken aan de dag waarop ik in mijn moeders schoenen zal staan. “Stil maar meisje” probeerde oma haar te troosten “ik begrijp het wel maar het komt heus goed”. Ik zat verstijfd op mijn stoel en probeerde er één mee te worden. Wenste tegen beter weten in dat dit allemaal niet gebeurde en dat ik niet in die kamer zat. Grote ogen vol verdriet. Mijn keel voelde aan als dor hout. “Denk erom dat je goed voor je moeder zorgt” zei ze later. Ik beloofde het.
6 september 2007
[Abschied]
Het kan een dag duren, een week, hooguit een maand maar dat is waarschijnlijk te optimistisch. Afscheid. Ik kan niet wennen aan het idee. Ik wil er niet aan wennen. Ik weet niet hoe het moet. Ik kan toch niet zomaar dag zeggen? Ik zag er met bergen tegenop maar ben toch meteen naar haar toe gegaan.
Zo had ik het niet verwacht. “Weet je nog Wen…” ging het de hele avond. Ze herinnert zich nog zoveel. Mijn eerste schaatsjes (ze was zo bang om zelf het ijs op te moeten). De eindeloze middagen in het openluchtzwembad (kleine waterrat, noemde ze me). De zomers in Scheveningen (in het donker vuurwerk kijken vanaf de pier). Die keer dat we voor de gein een piek in de fruitautomaat gooide en er een hele lading knaken uitrolde (we hebben ons ziek gegeten aan gebraden kip, patat en appelmoes om het te vieren). Het is ruim twintig jaar geleden maar ze vertelde erover alsof het gisteren was. De herinneringen spelen zich in mijn hoofd af als een film.
Het was niet zo pijnlijk of moeilijk als ik dacht. Ze is helder en vrolijk en ziet er helemaal niet uit alsof ze binnenkort zal sterven. Het is fijn om nog samen te kunnen lachen en praten. Vol trots vertelt ze aan iedereen dat ik haar eerste kleindochter ben. De enige dochter van haar enige dochter. En dat ik ook een beetje haar kind ben. Haar meissie. Haar prinses. Zo lief. Ik ga haar zo missen.

