30 september 2006
[Improvisatiepedagogiek]
"Juf zijn we er al bijna? Ik ben zo mooeeee. Ik wil niet meer lopen."
"Huppelen dan?" probeer ik vol goede moed en zet vast een huppelpas in.
"Neee ik wil niet meeeer."
"Je moet."
"Maar ik ben zo mooeeee." Het kind trekt een pruillip, zet zijn tas op straat en gaat ernaast zitten.
"Juhuuf ik ben ook zo moe!" Ook dit kind positioneert zich demonstratief in kleermakerszit. Een derde kleuter volgt zijn voorbeeld.
Daar sta je dan met je minderjarige stakers die allang niet meer gevoelig zijn voor peptalk, onderhandelingen of chantage. Meesleuren gaat hem ook niet worden, een stel dramatisch snikkende en tegenstribbelende kinderen aan mijn voorttrekkende handen is immers geen goede reclame voor een kindercentrum.
"Goh, volgens mij zijn we allemaal een beetje moe vandaag. Ik denk dat ik maar even een dutje ga doen." Ik ga op de stoep liggen, midden in het winkelcentrum, en doe mijn ogen dicht. Als ik spiek zie ik drie verbaasde koppies. Verontwaardigd prikken ze in mijn zij en pakken dan mijn schouders om me heen en weer te schudden.
"Hee juf, je kunt hier niet slapen joh!"
"Waarom niet? Ik lig hier prima en ik ben nu eenmaal moe, laat mij nou even slapen."
"Neehee, je kunt niet op de stoep slapen!"
"Ik zie niet in waarom niet."
"Omdat dit een stoep is, niet een bed."
"Maar ik ben nú moe en mijn bed is hier niet."
"Juhuuuf, kom nou, we moeten naar de bso!"
"Ahhh, moet dat echt?"
"Ja, je moet!" roepen er twee in stereo. De kinderen trekken me overeind, nemen me bij de hand en sleuren me mee terwijl de derde me vooruit duwt. Geen gemok, geen tranen. Plotseling hebben ze bakken vol energie. Ik heb altijd al gezegd dat die reclame met de mevrouw die er bij het imiteren van haar rebelse koter in de supermarkt nog een schepje bovenop doet best wijs is.
20 september 2006
[Brompotterij]
“Ai-ai-ai. Godzallutwetenzeg. Ouderdom komt met gebreken.”
Ja ja, we weten het. Je bent oud, wat je vanzelfsprekend het recht verschaft om over elk wissewasje een ellenlange klaagzang op te voeren. Ik ben bereid er met een half oor naar te luisteren. Met een dramatische blik schuift hij zijn bord weg. Hij heeft zijn eten nauwelijks aangeraakt.
“Verrekte maagzweer. Te veel stress, dat krijg je er nou van. Ellende. Werkdruk. Slaaptekort. Lastige klanten…”
Ik wil hem vragen of hij zich al eens heeft laten onderzoeken op de aanwezigheid van helicobacter pilori maar voordat ik mijn zin kan afmaken, zet hij zijn monoloog voort. Mijn instemmend knikken en begrijpend hummen lijken alleen maar bij te dragen aan het genoegen dat hij schept uit zijn eigen gemor. Wanneer ik een dappere poging waag om toch maar eens op zijn verhaal in te haken met een enigszins vergelijkbare persoonlijke ervaring, om begrip voor zijn situatie te tonen, zie ik hem bedenkelijk fronsen.
“Je bent niet goed snik” luidt zijn conclusie.
“Er is helemaal niets mis met mijn snik.”
Het middelste knoopje van zijn veel te krappe overhemd springt los en onthult een stukje van zijn bleke, bolle buik. Zuchtend en steunend hijst hij zich overeind, drukt zijn sigaret uit en reikt naar zijn wodkaglas dat tot zijn ergernis leeg blijkt te zijn. De hond, die nietsvermoedend aan zijn voeten ligt te slapen, moet het ontgelden.
“Sodemieter op!” roept hij als hij er niet in een keer in slaagt zijn blote voeten in zijn sandalen te steken. Ik word al moe bij de aanblik van de man. Wat doet hij zichzelf toch aan? Zodra het glas hergevuld is, zakt hij met evenveel gezucht en gesteun als bij het opstaan weer terug in bankhangpositie. Hij knoopt zijn overhemd dicht en steekt een nieuwe sigaret op.
“En hoe is het leven daar?”
“Wel aardig” zeg ik op een zo neutraal mogelijke toon. Verkeerde woordkeuze. Mijn antwoord wekt onmiddellijk ergernis op.
“Hoezo wel aardig? Heb jij iets te klagen dan? Jonge vrouw, in de bloei van haar leven en nog heeft ze wat te klagen. De jeugd van tegenwoordig: tot op het bot verwend. Zuipen en feesten en werken ho-maar. Een beetje aanpoten, daar word je hard van! Vroeger…”
10 september 2006
[Bijdehandjes]
"Nee dat kan niet, ik sta namelijk op de heen-en-wereld."
8 september 2006
[Een wit voetje en een bijna blonde god]
Of ik tegen de operatie op zag, vroeg mijn collega. Nou nee, het kon me eerlijk gezegd niet snel genoeg gebeuren en erger dan de vorige keer, toen de verdoving niet bleek te werken en men dit pas ontdekte op het moment dat het scalpel in mijn voet gestoken werd en de orthopeed nog net niet richting de kaakdokter hoefde, zou het naar alle waarschijnlijkheid niet worden. Wat me wel enige zorg baarde was het feit dat mijn voordeur alleen te bereiken is via het trappenhuis en waar traplopen normaal gesproken geen punt is, wordt dat met een net geopereerde voet toch wat lastig.
Maar daar heb je toch dat reuze handige set krukken voor? Welzeker heb ik dat. Ik kan ze alleen niet gebruiken wegens een stukke schouder waarin ik bij de geringste vorm van kracht zetten vreselijk veel pijn heb. Was het één trap geweest dan had ik de kiezen wel even op elkaar geklemd maar om bijna zestig keer mijn eigen lichaamsgewicht met één arm omhoog te kunnen duwen moet ik toch echt nog even iets meer spierbal kweken.
Of ik dan niet tijdelijk mijn onderkomen zou kunnen vinden in een traploze residentie. Over die kwestie had ik mij al gebogen en het enige begane grondgebied waar ik naartoe had gekund en gewild, namelijk mijn ouderlijk huis, is reeds geclaimd door een familielid in acute nood waarvoor men zelfs broerlief tijdelijk bij zijn vriendinnetje geparkeerd heeft. Voordat ik ook maar kon protesteren sprong de collega op. Even een telefoontje plegen, zo terug. Ze kwam inderdaad snel terug en duwde me een briefje met daarop een naam en een telefoonnummer in mijn handen. Bel zodra je klaar bent dit nummer dan komt hij meteen jouw kant op om je persoonlijk die zeven trappen op te dragen, service desgewenst tot aan het bed.
Nu heeft mijn collega recentelijk beweerd het wel leuk te vinden dat ik niet helemaal normaal ben, wat ik toen maar als compliment opvatte, maar nu begon ik me toch echt af te vragen of zij zelf wel helemaal fris tussen de oren was. Een blonde god, een fanatiek fitnessend filosoof en voormalig verhuizer die ik nog nooit gezien had, was na één telefoontje bereid een wildvreemde op zijn rug te hijsen en naar de bovenste verdieping van mijn flatgebouw te torsen. Laat één ding bij deze heel duidelijk zijn: er zijn gekkere figuren dan ik.
In het ziekenhuis was het bijzonder saai. Je moet daar op alles wachten (behalve op de koffie), vooral dingen die dringend zijn. Zo is het niet gaaf om bijna drie kwartier te moeten wachten op iemand die jou toestemming geeft je bed te verlaten om te gaan plassen terwijl je al drie keer de noodknop hebt ingedrukt. De ervaring leert dat het beter werkt om gewoon heel hard te schreeuwen, hoewel dat ook weer niet voor elke situatie geldt. Op de platspuitafdeling kwam ik naast een razende bejaarde maniak te liggen die de hele derde verdieping bij elkaar schreeuwde, als ze hem nou godgloeiendegodver nog één spuit gaven zou hij de plietsie bellen.
Dat had ik wel mee willen maken maar er kwam een groen mannetje met een dikke stift een soort van schatkaart op mijn been tekenen. De ok-assistent vertelde me dat ik de laatste patiënt was en stond zichtbaar te popelen om naar huis te kunnen, waarop ik antwoordde dat zij het vooral uit haar hoofd moest laten de klus even snel af te raffelen. Als blikken konden doden had ik de ok niet levend verlaten. Nog steeds geen greintje humor daar.
Ik verzocht de chirurg vriendelijk van tevoren te controleren of de verdoving wel werkte, waarop de sadist keihard in mijn voet kneep op een plek die niet verdoofd was, precies daar waar mijn bot eerder doormidden gecirkelzaagd was en de schroef de boel al die tijd bij elkaar gehouden had. Alsof die spuiten nog niet gemeen genoeg waren geweest. Toen zette hij het mes in mijn voet, greep de schroevendraaier, kneep mijn voet nog wat verder tot moes en voelde ik slag voor slag hoe de schroef uit mijn voet kwam. Kennelijk was de binnenkant van mijn voet minder verdoofbaar dan de huid eromheen. Omdat de platspuitkamer vol was, werd ik in de gang geparkeerd en daar lag ik dan met mijn malle groene mutsje en een schroef in een potje als trofee voor mijn dapperheid.
Wat was ik blij dat ik na wachten, wachten en nog eens wachten eindelijk mijn ontslagformulier overhandigd kreeg. Ik kreeg een doe-het-zelf verbandpakketje mee naar huis, de pijnstillers sloeg ik af want ik houd niet van pillen slikken. In de auto dacht ik ineens weer aan de blonde god. Zou ik hem bellen? Met de pijn viel het op zich wel mee, de krukken had ik ingeruild voor een rolstoel waarmee ik het tot de deur wel zou redden en van de verpleegster mocht ik gewoon op mijn hiel steunen zolang de pijn draaglijk was. Ik had al een fles wijn en een doos chocolaatjes gekocht bij wijze van bedankje maar ik werd geplaagd door een hardnekkig mentaal plaatje van mij angstvallig vastgeklampt aan de brede torso van een knappe blonde spierbundel (ik heb achterop-angst en hoogtevrees) en op de een of andere manier begon de hele situatie toch een tikkeltje gênant aan te voelen.
Ik besloot de klim uiteindelijk toch maar zelfstandig aan te gaan met één goed been, één goede arm en op hoop van zege. Dan maar geen blonde god. Ik heb hem nog wel even opgebeld om hem te zeggen dat ik zijn gebaar bijzonder op prijs stelde maar dat het me wegens het onverwacht dermate voorspoedige verloop van de hele voetentoestand niet nodig leek dat hij zijn rug voor mij op het spel zette. Hij klonk zowaar een beetje teleurgesteld... Misschien dat ik hem zodra ik weer mobiel ben toch die fles wijn en snoepjes nog even breng, gewoon omdat ik vind dat dit soort onbaatzuchtige gestes een beloning waard zijn. Maar nu eerst het pootje omhoog en hersteltijd uitzitten.
2 september 2006
[De zagende zaadsnol]
Heer snorremans van de zaagafdeling is trouwens ook een fraaie. 'Wie van hout houdt, houdt van Gamma' staat er boven de ingang van de zagerij. Welaan dan. Ik breng de man een meubelpaneel van 150x50 en zeg hem dat ik twee stukken van 74,5X47 nodig heb. Dan volgt mijn vraag: "kunt u hem dus netjes op maat doorzagen?" De bloedserieuze wedervraag luidde: "door de lengte of door de breedte?" Goed. Nu ben ik zelf absoluut geen rekenwonder. Op de plaats waar mijn wiskundeknobbel had moeten zitten, bevindt zich ongetwijfeld een deuk. Daar schaam ik me niet voor want je kunt nu eenmaal niet alles kunnen. Maar wat ik wel weet is dat je van een plank die vijftig centimeter breed is onmogelijk 74,5 centimeter over kunt houden wanneer je hem langs zijn lengte doorzaagt. De zaagsnor* bleef me aankijken alsof hij nog een antwoord verwachtte ook. "Volgens mij is er slechts één manier dus wat had u zelf gedacht?" zei ik.
Dat zijn van die mensen die je desondanks wel uitgebreid de les gaan staan lezen over het fenomeen zaagverlies. Alsof ik daarvan nog niet op de hoogte was. Nee mevrouw, een plank van 250 kan ik niet exact in twee stukken van 125 zagen in verband met zaagverlies. Dat interesseert me niet, zolang u die plank maar EXCACT in het midden doorzaagt zodat ik aan beide kanten van de zaagsnede ONGEVEER 124,6 overhoud. Door zijn breedte ja. Dan ben ik toch vrij duidelijk geweest in wat ik wil, of niet soms? De grote vraag is nu waarom ik dan afgescheept word met een plank van 125 en een plank van 124,2. Men kan mij een hoop wijsmaken maar niet dat dit twee even lange stukken zijn. Is het soms omdat ik een vrouw ben? Nou? Pas op want u wakkert mijn zagitatie aan. Dat was een woordgrapje ja, u kunt uw wenkbrauwen weer in de natuurlijke stand terug laten zakken.
Voorts heb ik draagbalkjes nodig. Uit een balk van drie meter kunnen er, ook met inachtneming van het zaagverlies, zes van zevenenveertig centimeter. Zover kom ik nog met mijn rekendeuk. Wat denk je dat die zaagsnor zegt? "Doe dat zelf maar, daar staat de zaagtafel." Juist. Vastklemmen. Meten. Aftekenen. Zagen. De man staat er met zijn handen in zijn zakken naar te kijken en laat ik er nu eens een gruwelijke hekel aan hebben op mijn vingers gekeken te worden, helemaal als dat met zo'n zelfgenoegzame blik van laat maar eens zien wat je kunt gebeurt. Ik blijk het niet te kunnen en dat is ongetwijfeld waar hij op stond te wachten. Zonder me nog een kans te geven trekt hij de zaag uit mijn handen om te laten zien hoe het wel moet. Het lukt me niet een brede grijns te onderdrukken wanneer ook hij dat lullige balkje niet doormidden krijgt. De man ploetert. Zijn hoofd wordt zeker drie tinten roder dan het al was en een straaltje zweet sijpelt langs zijn slaap. De man kreunt. Dan smijt hij de zaag weg. "Het ligt aan die rotte rotzaag," (echt, je moet het een boze Leidenaar horen zeggen) "die deugt niet!" Dat zal het zijn. "Geeft u mij die balk maar, ik zaag hem thuis wel in stukjes." De echte doetutzelvert kan prima zonder de Gamma.
*Zelfs mijn spellingscorrector heeft meer gevoel voor humor dan die handige Harrie's van de bouwmarkt. Het maakt van de term 'zaagsnor' het woord 'zaadsnol'.
[Bijdehandjes]
"Wij hebben thuis twee wasmachines: een natter en een droger."
L heeft een speelgoedauto: een Audi.
"Wil jij later ook een Audi als je groot bent, L?"
"Ja!"
"En jij dan V, ook een Audi?"
"Ja doei, dan wil ik een nieuwe!"

