27 februari 2007

[Ik kon het niet geloven]

(een herinnering aan december 2005) Onstoffelijk magnetisme convergeert, refracteert, smelt tot nieuwe abstracten. Conceptuele realiteiten verrijzen als nevelbanken, creëren een klamme schijnwerkelijkheid. Beroering. Krachteloze entiteiten, serpentueus omstrengeld, welwillend van onvolmaaktheid ontdaan. Vervoering, en dan, het Apollinisch wijken van de levensgeest.

19 februari 2007

[Dagen van sneeuw]

schreeuwen wil ik maar mijn longen zijn leeg ik word door de zwaarte haast platgedrukt tegen de vlakte het drukt onzichtbaar op mijn borst een laatste zucht wit wolkje boven mijn lippen bijna blauw en weg in de kou de dagen van sneeuw zijn reeds in aantocht hoor je ze niet en zal ik hier sterven ongemerkt een vertederend soort van dood misschien temidden van wit en welhaast het benijden waard of klinkt dat soms vreemd kom voordat ik hier verwinter vernikkel verblauw mijn tenen voel ik al niet meer mijn neus mijn vingertoppen ook maak haast gaat de tijd nu zo langzaam of lijkt dat maar zo en ligt het aan mij dat ik hier lig te liggen me niet kan verroeren en plat ben en staar naar de wolken die veel langer duren dan feitelijk past in de tijd ik voel me woest en vol van alles wat ik wil schreeuwen maar wat heb ik aan woest ik ben plat ik wil springen en vallen bij voorkeur omhoog maar mijn tenen ik voel ze niet meer en nu ook mijn kuiten mijn knieën mijn heupen god het is koud hier beneden kom toch voordat ik verwinter koudvurig verlangen vriest vast op mijn lippen alreeds blauw en de dagen van sneeuw stampen over me heen een met de vlakte oh kon ik maar rillen of schreeuwen mijn longen zijn leeg ik ben plat en zal ik hier sterven ongemerkt een vertederend soort van dood zou ik vallen omhoog en langer veel langer duren dan feitelijk past in de tijd en zou ik dan heel misschien voor een keer zelf kunnen sneeuwen en dans je dan met mij in of uit de maat dat maakt niet uit als je maar komt voor ik verwinter met de dagen van sneeuw laat me sneeuwen kom dans en dans en dans mijn longen weer vol

[Bijdehandjes]

"Wat pak je daar uit de vriezer juf?"
"Vissticks."
"Komen daar baby-visjes uit?!"
"Ehh, nee. Het zijn vissticks. Gewoon vierkante opeetvis met een krokant jasje aan. Kapitein Iglo, weet je wel?"
"Oja... Ik kom ook uit de vriezer."
"Pardon?"
"Ja. Mama had mij in een staafje in de vriezer gestopt en toen ze zich alleen voelde, heeft ze me ontdooid."
"Ah! Nou, is dat even handig."
"Hmhm. Ze heeft nog meer staafjes dus misschien gaat ze nog wel een kindje ontdooien want ik wil graag een broertje. Maar een visstick vind ik ook goed hoor!"

17 februari 2007

[Goeie buur]

Ding-dong.
"Buurvrouw! U hier?"
"Eh ja, hoi."
"Gezellig. Kan ik je ergens mee van dienst zijn? Is de suiker op? Kopje koffie misschien?"
"Nou, eigenlijk kom ik voor de auto."
"De auto? Toe maar. Een kopje suiker of een bakkie koffie kun je zo krijgen maar mijn auto wilde ik eigenlijk liever zelf houden."
"Neenee, ik hoef je auto niet. Ik wil er juist vanaf, om het zo maar te zeggen."
"Sorry?"
"Ja gut, hoe zal ik het zeggen. Ik kwam aangereden, wilde parkeren en deed dat dus ook maar toen reed ik iets te ver door en nou vroeg ik me af of je misschien even kunt helpen tillen."
"Zeg buuf, wat wil je me nou precies vertellen?"
"Ehm. Nouja. Ik heb mijn bumper een soort van over je trekhaak geparkeerd, zeg maar. Geen beweging meer in te krijgen. Het zit muurvast, dus als je even hebt..."

Natuurlijk! Hier komt super Wen! Here Jezus op een speer...
Excuseert u mij, beste lezer, ik moet even een Volvo ophijsen.

2 februari 2007

[De recidiverende schoonmaakmedewerker]

De schoonmaakmedewerker heeft weer eens mijn irritatiegrens bereikt. Ik ben maar gestopt met het tellen van de klachten, aan die lijst lijkt geen eind te komen.

De kleuters bezoeken in principe zelfstandig het toilet. Wanneer ze een boodschap moeten doen, klein of groot, melden ze dit bij me waarna ze zelf op de pot klimmen om de klus te klaren. Kinderen die het zelf kunnen, mogen hun bips lekker zelf vegen maar de jongste ukken help ik nog. Nu komt het wel eens voor dat er iets mis gaat. Een kind schat bijvoorbeeld de benodigde hoeveelheid toiletpapier niet goed in, gaat bij gebruik met de vingers dwars door het papier heen en leert zo dat het risico op bruine vingers groot is wanneer je slechts één velletje gebruikt. Blijkbaar vinden veel kleuters het afvegen van de vingers aan de muur in zo’n geval de meest geschikte oplossing.

Het gebeurt niet vaak dat ik poep op de muur aantref maar wanneer dit gebeurt, haal ik uiteraard direct een doekje over die muur. Voor grondig poetsen krijg ik van het opperhoofd geen toestemming aangezien dit nu eenmaal niet binnen mijn takenpakket valt. Wat er tussen de voegen achterblijft, is niet mijn zorg maar -jammer voor hem- die van de schoonmaker. Je voelt de bui al hangen.

Er was sprake van een poepincident waarbij een van de muren in het kindertoilet betrokken raakte. Vier dagen later zaten de poepresten tot mijn grote ergernis nog altijd tussen de voegen, in aangekoekte vorm. De schoonmaker was toch al zeker drie keer langs geweest. Omdat ik van hoger hand op mijn lazer krijg wanneer ik zelf uitgebreide schoonmaakpogingen onderneem, stelde ik het schoonmaakbedrijf op de hoogte van de situatie.

Kort daarop stond er een keurige meneer van het type jasje-dasje voor de deur. Hij had wel iets weg van een rechercheur.

“Ah, u komt voor het sporenonderzoek?” vroeg ik.
De meneer fronste en verklaarde dat hij naar de fecaliën op de muur kwam kijken.
“Dat zeg ik.” Ik leidde hem naar de plaats van het incident. Ik wees en de man keek.
“Hm. Ja.” mompelde de man nadat hij een afkeurende blik op de verontreinigde muur had geworpen. Hij friemelde wat aan zijn kin (of het denkbeeldige sikje daarop). “En dat zit er al sinds vrijdag?” Ik knikte en keek hem verwachtingvol aan.

Er verscheen een glimlach op het gezicht van de man. Hij pakte wat vochtige glorixdoekjes en begon de voegen van hun vuil te ontdoen. “Ik heb een dochter van drie” zei hij. De man glom van trots terwijl hij ijverig doorpoetste. “Ik ben wel wat gewend. De schoonmakers vinden poep vies en zijn van mening dat strontruimen niet onder schoonmaakwerk valt.” Mijn beurt om te fronsen; wat een zeikstralen..

“Het schoonmaken van de muren valt binnen het takenpakket van de schoonmakers, nietwaar?”
De man knikte.
“Zoals u aan de sporen op de tegeltjes kunt zien heeft men de muur wel gereinigd maar is men met een grote boog om de poepresten heen gegaan. Dat lijkt me geen toeval.”
De man knikte nogmaals.
“Het lijkt er verdacht veel op dat uw schoonmakers alleen maar schone muren willen schoonmaken.”

De man hield niet meer op met knikken. Inmiddels was de muur weer schoon. De man excuseerde zich namens de schuldige, beloofde plechtig hem op zijn wandaad aan te spreken en stak beleefd zijn hand uit om afscheid te nemen. Ik wierp hem een licht verontwaardigde blik toe en wees naar de kraan.
“Eerst even wassen hè” sprak ik streng.
Dat je dat iemand van de schoonmaakrecherche nog moet vertellen…