11 februari 2010
[Typisch knak-momentje]
“Kan ik dit wel hebben?” betekende voorheen zoiets als: staat het leuk, zijn mijn schouders niet te breed en is mijn kont niet te dik? Nu is de eigenlijke vraag: ben ik hier niet een beetje te oud voor?
Ik zocht een truitje. Iets voor de lente omdat ik het zo gehad heb met die winterse praktijken dat ik de winter vanaf nu gewoon ga ontkennen. Winkel in, winkel uit, volgende winkel in en weer uit. Dan toch maar even naar m’n ‘stamshop’. Ik wilde per se niet met lege handen thuis komen want dan zou Koning Winter me natuurlijk keihard uitlachen.
Het was hartstikke druk maar er waren tenminste kledingstukken waar ik potentieel eigendom in zag dus ik paste ze gewoon tussen twee kledingrekken in. Te wijd, te lang, vlek in de mouw. Potver. Ik draaide me om om mijn jas te pakken wegens geen zin meer toen mijn oog op een vrolijk gekleurd truitje viel. Licht getailleerd en met bloemen eraan. Echt precies wat ik zocht! Er hing er maar eentje en het was zowaar mijn maat. Yes!
Er kwam een meisje naast me staan. Ofja, meisje, meer een jonge vrouw. Een jaar of 25 schatte ik haar. Ze bekeek me aandachtig terwijl ik het truitje recht trok.
"Staat je geweldig!"
Hm.
Had ik haar iets gevraagd?
Ik glimlachte flauw haar kant op en bekeek mezelf in de spiegel. Er zat wat in, het stond me goed. Maar kon ik het ook hébben? Ik keek nog eens naar het meisje, dat haar ogen blijkbaar niet van me af kon houden.
"Kan ik ’t wel hebben? Ik bedoel, ben ik er niet een beetje te... oud voor?"
Het meisje fronste.
"Nou zeg, als ik het kan hebben kan jij het ook!"
Yes!
Hm.
Als zij het kan hebben? Zou zij hem ook gepast hebben dan?
Mijn spiegelbeeld gaapte me contemplatief aan. Nouja, wat maakte het ook uit. Het truitje stond goed, zat lekker en had bij dezen mijn middag gered van teleurstelling. Ik moest alleen even vragen wat hij kostte want er hing geen prijskaartje aan. Opgetogen pakte ik mijn spullen bij elkaar en knikte lachend naar het meisje.
"Ehh! Mevrouw!" riep het meisje me na.
Wat nu weer? En waarom zegt ze nou mevrouw? Ik haat het als mensen mevrouw tegen me zeggen. Alsof ik al dertig ben! Ik ben negenentwintig, ja! Dat is nog helemaal niet zo oud dat je...
Mijn innerlijke tirade werd door het meisje onderbroken.
"Mag ik nou m’n truitje weer terug?"
Shit.
9 februari 2010
[K-k-k-koud he?]
26 juni 2009
[Nog effe gauw de stad in - deel 2]
“Dat is dan €3,85”
“Hier heeft u €50,-”
“Heeft u dat niet wat kleiner?”
“Ben bang van niet.”
“Eén euro vijftien erbij dan?”
“Helaas.”
Het kassameisje bijt op haar lip en bekent spijtvol dat ze geen wisselgeld heeft. Ze roept haar collega erbij om in de andere kassa naar wisselgeld te zoeken. Elly, zo heet de collega want dat staat op haar naamkaartje, zoekt haar sleutel, identificeert zich, opent de andere kassa en laat het kleingeld rinkelen. Er zit geen één euro vijftien in de kassa. Over en weer worden moeilijke gezichten getrokken.
“En u kunt echt niet pinnen?”
De klant kan echt niet pinnen. De klant trekt een specifiek soort gezicht naar de caissière. Met een blik die wilde zeggen: luister miep, ik heb je genoeg geld gegeven en ik ga niet weg voordat jij mij elke cent die ik teveel betaald heb, teruggegeven hebt. Het zweet breekt het radeloze kassameisje uit, wat te doen? Dan steekt de klant achter me haar beurs omhoog.
“Ik kan wel wisselen hoor!”
Ik denk: pure mats. Ik zag de opgedirkte losgeldlapper het kassameisje al over de balie trekken en op brute wijze toetakelen, met haar vingers tussen de kassala enzo. Gruwelijk. Dat had ik haar nou ook weer niet gegund, zelfs met mijn mensen-achter-een-balie-aversie. Ik leg mijn producten op de toonbank en besluit om toch maar niet voor de grap met een briefje van vijftig te wapperen. Je moet het ongeluk niet zelf over je afroepen natuurlijk. Met nog trillende handjes scant het kassameisje mijn shampoo en energy drankje.
“Oh, gelukkig! U heeft een pinpas!”
Nog ‘even gauw’ een drukbezochte modewinkel in voor een nieuwe broek. Twee van de drie kassa’s zijn gesloten en voor de enige geopende staat een gigantische stoet mensen. Ik staar naar het bordje met de bekende, commercieel aantrekkelijke kreet en probeer mezelf te kalmeren. De caissières kunnen er ook niet altijd iets aan doen. Voor me staan twee meisjes met een enorme lading koopwaar. Ze blijken Duits te zijn. Op de toonbank, dus praktisch recht voor hun Duitse neuzen, staat een bordje. Op het bordje staat, in het Duits, dat Duitse pinpassen in deze winkel niet werken. Aangezien losgeldlappers schaars zijn, vrees ik het ergste. Daarnaast vrees ik dat het kassameisje, dat driftig bezig is alle artikelen te scannen, mijn vrees niet deelt.
Dus wat doet het Duitse meisje als het eindbedrag verschijnt? Ze haalt haar Duitse pinpas door de Hollandse gleuf. Ik zucht. Het kassameisje wijst naar het bordje. Geen paniek, haar eveneens Duitse vriendin moet toch nog een bikini afrekenen en wil het andere bedrag ook wel even betalen. Denk je dat ze doet? Ze haalt een Duitse pinpas tevoorschijn, pint, faalt. Ook zij heeft geen cash. Mijn OVA, die weet wat ik denk, gniffelt en fluistert “sind Sie blond?”. Sta je dus weer twintig minuten voor niks te wachten. Het kassameisje scant mijn broek en zucht: wat was dat dom zeg! Ik mompel iets terug over een ezel. Dat ze de eerste keer niet op Duitse blondheid bedacht was: tot daar aan toe, maar de tweede had ze moeten zien aankomen. Met kramp in mijn kromme tenen loop ik de winkel uit. Mijn probleem met mensen-achter-een-balie heeft zich uitgebreid tot probleem met mensen-voor-dan-wel-achter-een-balie. Of alles wat zich mogelijkerwijs rond een balie kan afspelen.
Als er dan bij de supermarkt een of andere kampbewoner voor mijn voeten springt, dus voordringt, en ziedend half over de toonbank gaat hangen, is de maat vol. Haar komkommer deugt niet. Bonnetje? Heeft ze niet. Waar is dan die komkommer? Thuis. En dat is maar goed ook want ik had hem ongetwijfeld ergens geduwd waar de zon niet schijnt.
[Nog effe gauw de stad in - deel 1]
“3 in de rij? Wij openen er graag een kassa bij!”
Maar ze doen het niet. Of ‘wij’ zijn er toevallig nooit op het moment dat ik als vierde, vijfde, zesde, of nog verder achteraan aansluit. Dat schreeuwerige bord lijkt altijd zijn belofte te breken. Ik krijg op zo’n moment spontaan zin om de kreet een beetje aan te passen.
“3 in de rij? Er is tenminste een kassa open, weest u blij!”
“3 in de rij? Bestel online, dat geeft minder zeikerij!”
“3 in de rij? Leve onze consumptiemaatschappij!”
“3 in de rij? Loopt u even terug voor een knolselderij!”
Bekt minstens zo lekker en het is wel zo eerlijk, maar dat zie je nergens. Het is commercieel aantrekkelijker om de klant een leugen voor te houden, namelijk. Dus ondanks die kreet boven de kassa sta ik er regelmatig wortel te schieten. En dat is niet zelden slechts het begin van mijn ergernis.
Volgens mijn OVA heb ik namelijk een chronisch probleem met alles wat zich achter een balie bevindt. Hij ziet het gebeuren. Mijn blik wordt ernstig, mijn handen ballen tot vuisten, lucht wordt met grote kracht uit mijn neusgaten geperst en mijn tenen lijken zich vast te nagelen in de grond. Dat kan zo zijn, maar het is niet mijn schuld dat ik steevast het type kassameisje of baliekluiver tref dat mijn frustratietolerantiegrens tart.
Een willekeurige kledingboetiek. Uitverkoop met stickersysteem. Geel is 20% korting, oranje 25%, rood 30%, et cetera. Als ik ergens de zenuwen van krijg is het een winkelbediende die achter me gaat staan als ik in de spiegel kijk en me dan overlaadt met commercieel aantrekkelijke complimentjes. Dan denk ik: terug achter je balie met dat kassakadaver, vanaf dat punt kun je me nog genoeg ambeteren! Maar dat zeg ik niet. Ik lach vriendelijk en bedank, maar mijn OVA weet beter. Die weet dat mijn tenen zich al in mijn schoenzool boren voordat ik het bewuste item op de balie gelegd heb.
Er zit een oranje sticker op het item. Ik reken: 25% van €50,- is €12,50. Ik moet €37,50 betalen. Kassakadaver slaat aan en dat is dan €25,-. Pinnen? Ik denk: pure mats! Kassakadaver denkt: oeps! Dan begint een lang correctieproces. Eerst vijf minuten met de rekenmachine in de weer om uit te rekenen hoeveel ik te weinig betaald heb. Dan vijf minuten op de kassa rammen om het juiste bedrag op de display te krijgen. Ik kan het betaalde bedrag cash terug krijgen en opnieuw pinnen, maar ik wil gewoon het resterende bedrag pinnen. Dat kan niet. Inmiddels bemoeien twee andere kassakadavers zich met de kwestie. Eén van hen neemt de kassa over en na wat gekibbel deelt ze me mede dat ik €12,50 terug krijg. Ik denk: pure mats. Kassakadaver denkt: oeps! Uiteindelijk ziet een van hen het licht en slaat €12,50 aan. U kunt pinnen. Het mocht godverdomme tijd worden. Tasje erbij? Ja. Mag ik het haakje hebben? Nee. Dacht ik al. Goedemiddag. Ja, tot ik jou zag.
Nou Wen, als dat alles is.
Nee. Het drama zette zich voort.
Let maar eens op.
18 juli 2008
[Dan had je pech gehad]
We gingen het kentekenbewijs over laten schrijven op mijn naam. Dat was zo gepiept dus de auto is nu officieel van mij. “Kan ik eindelijk gaan sparen voor mijn eigen Beetle” zei mijn GO. Grapjas. Daarna nog even samen naar de supermarkt. Nu begrijp ik waarom meneer niet van 30 euro per week kan leven. Hij moest slagroomvla voor Ludwig, die een speciaal dieet meegekregen heeft waarin hele nuttige dingen staan zoals: ‘heeft u het idee dat u afvalt dan is het raadzaam calorierijk voedsel te eten’. Vliegenvangers omdat er een dode muis op zolder ligt (waarom zou je de oorzaak opheffen als je ook gewoon de symptomen kunt bestrijden?). Mijn GO kocht ook kaarsen voor Ludwig, voor als hij zijn geloof dreigde te verliezen. Toen hij een bak lasagne met zalm uit het schap pakte, trok ik even een wenkbrauw op. “Voor meisje Z” verklaarde hij “dat vindt ze lekker”. Als vishekelende carnivoor heeft hij het getroffen met meisje Z, die vegetarisch is maar wel van vis houdt. Het ziet er naar uit dat Ludwig gelijk heeft. Hij wierp meisje Z zo ongeveer in mijn GO’s schoot en nu loopt hij zelf als een schoothondje achter haar aan. Ik vraag me af wat er met zijn laatste beetje zelfrespect is gebeurd.
Hij blijkt nog even stuntelig als altijd. Eerst liet hij een pak kant en klare lasagne op de grond kapot kletteren waardoor mijn hele broekspijp besmeurd raakte. Vervolgens pakte hij een bekertje sap uit een snack preview kraam en morste de helft over de rand, dus werd ik ook nog nat. Handige Harry over here. Thuis nog even post van de notaris gelezen. Het gaat me toch een bom duiten kosten, maar verdom het dit uit mijn eigen zak te betalen. Dat trekt hij maar van zijn vergoeding af. Hier moeten we nog een overeenkomst voor opstellen (voor de notaris), een taak waarover ik hem de verantwoordelijkheid gegeven heb. Of dat verstandig is, moet nog blijken. Toen ging hij weg. Of hij zijn boodschappen niet mee zou nemen. "Oja... als ik jou toch niet had..." mompelde mijn GO. "Dan had je pech gehad."
15 juli 2008
[The story continues]
Mijn GO wist dus al vier maanden dat de auto gekeurd moest worden, ondernam desondanks geen actie en wachtte mijn initiatief af. Ik mag van hem de auto meenemen maar we zouden de kosten van de keuring nog delen. Mijn GO wist dat ik de auto maandag zou wegbrengen. Ik sms-te hem om door te geven dat ik €125 van hem kreeg en hoorde vervolgens niets. Ik belde hem op om te zeggen dat ik de volgende dag voor 13u00 het geld nodig had en kreeg toen het eerder beschreven geen-geld-verhaal.
De volgende dag om 12u00 kwam hij hier aan. Ik zou belastinggeld dat in een enveloppe zat kwijt gemaakt hebben. En als ik het niet gedaan had, dan zou één van mijn gasten het wel verduisterd hebben. I beg your miniscule pardon?! Zijn schuld was het in ieder geval niet. Mijn GO besloot het geld te zoeken maar vond, zoals ik hem al voorspelde, niets. Mijn GO raakte geïrriteerd omdat ik kalm bleef en mijn poot stijf hield. Hij betichtte me ervan niet veel verantwoordelijkheid te tonen. Ik vond dat als een tang op een varken slaan. Wie moet er hier nu wie achter de broek aan zitten?
Ik wees hem erop dat hij nog een half uur had. Hij wees me er nogmaals op dat hij geen geld had. Dat hij dan een week van €30 zou moeten leven. Ik zei dat een mens best een week van €30 kan leven maar volgens mijn GO is dat voor hem onmogelijk. Ik kreeg een hoop verwijten naar mijn hoofd. Zoals: “ik betaal me blauw om het hier voor jou leefbaar te houden”. Ten eerste: hij woont hier ook. Ten tweede: dat het hier leefbaar is, komt voornamelijk door mij. Ten derde: naar verhouding geven we ongeveer evenveel uit aan vaste lasten. Lulkoek met amandelen dus.
Ik wees hem erop dat hij nog een kwartier had. Hij wees me er nogmaals op dat hij geen geld had. Maar de auto moest opgehaald worden en ik weigerde het hele bedrag zelf te betalen. Zijn oplossing? “Dan houd ik de auto wel.” Erg grappig. Ten eerste: dat zou hem nog veel meer geld kosten en hij beweert zelf bij hoog en bij laag dat hij dat niet heeft. Ten tweede: we hadden afgesproken dat ik de auto zou meenemen en we hadden afgesproken dat hij de helft zou betalen. Afspraak is afspraak. Ik heb sinds mijn laatste operatie niet zo’n stijf poot gehad.
Nadat hij een tijdje op de poef voor zich uit had zitten staren (waarom zou hij zich ook haasten) kwam hij met een nieuwe oplossing. Of hij het geld dan mocht overmaken, dan zou ik het over een paar dagen hebben. Even een vraagje: als hij nu niet kan pinnen omdat hij geen geld heeft, hoe kan hij dan nu geld overmaken? Wederom lulkoek met amandelen. Toen bedacht hij zich dat hij een creditcard heeft, hij wist alleen niet waar het briefje met de pincode was. Over kwijt maken gesproken. Misschien had één van zijn gasten het verduisterd...
Ik wees hem erop dat hij nog vijf minuten had. Ik had toevallig zijn pincode net nog in mijn handen gehad omdat ik al onze papieren had uitgezocht. Hij zocht de hele stapel door en vond niets. Dat heet met je neus kijken. Ik zocht de stapel door en had het papiertje binnen tien seconden. Een kwartier te laat kon hij dan eindelijk gaan pinnen en ik de auto ophalen. Nu is hij weer verdwenen maar er moet nog één niet geheel onbelangrijke actie ondernomen worden: de auto moet op mijn naam gezet worden en daarvoor moeten we samen naar het postkantoor. Aangezien ik dankzij hem te laat op mijn functioneringsgesprek dreigde te komen, had ik vanmiddag geen tijd om daar iets over af te spreken. Uiteraard krijg ik weer geen reactie op mijn sms-berichten. En dan moet ík meer verantwoordelijkheid tonen? Fucking hilarious.
14 juli 2008
[Hilariteiten]
Besluiten dat het over is, is één ding. Daadwerkelijk uit elkaar gaan iets anders. Natuurlijk wist ik niet precies hoe het zou lopen. Het klinkt misschien raar, omdat ik bepaalde dingen wel had kunnen verwachten, maar toch val ik van de ene verbazing in de andere. Ik had gewoon niet gedacht dat mijn GO zich echt zo zou gaan gedragen als hij doet. Eerlijk gezegd vind ik het nogal kinderachtig en dat valt me van hem tegen. Hij ‘woont’ al twee weken bij Ludwig en hoewel ik compleet word buitengesloten (for the record: I don’t give a rat’s ass) en dus geen idee heb van het hoe en wat en waarom van alles, doet het verhaal een tikkeltje bizar aan. Nu krijg ik het slechts in stukjes en via verschillende bronnen op mijn bord geserveerd, maar toch.
En nu heeft Ludwig kanker en kan hij het over niets anders hebben. Nu vraag ik je: wie denkt hij dat hij is om mij te vertellen hoe ik daarmee om moet gaan? Ik vraag me serieus af of mijn GO het allemaal wel zo erg vindt voor hem, of dat dit voor mijn GO gewoon een uitstekend excuus is om zich larmoyant te gedragen. De manier waarop hij doet alsof ik niets om anderen geef is eenvoudig pathetisch.
8 juli 2008
[Net zo makkelijk]
Mijn GO was de afgelopen dagen niet thuis geweest. Vannacht belde hij om te zeggen dat hij bij Ludwig bleef slapen. Prima. Dus vanmorgen stond ik als goede huisvrouw mijn lakens te strijken zodat ze netjes de verhuisdoos in kunnen, komt mijn GO binnen met meisje Z (Ludwig was “fed up with her” en had tegen mijn GO gezegd: “take her away” wat hij dus braaf gedaan heeft).
“Ah, you’re ironing my sheets!” riep hij verheugd. Heel grappig. Ten eerste zijn het mijn lakens, ten tweede heeft hij strijken altijd de grootst mogelijke onzin gevonden dus ik zie niet in waarom ik dat voor hem zou doen. Meisje Z was onder de indruk, aangezien het strijkgoed er bij haar na afloop nog erger aan toe is dan ervoor. Mijn GO deelde mij mede dat hij zich alleen even kwam opfrissen, wat neerkwam op het aantrekken van een schoon overhemd. Een compleet verkreukeld overhemd. “That thing sure needs some ironing” merkte meisje Z op. Ik maakte geen aanstalten. Aangezien mijn GO nog niet weet hoe hij een strijkijzer moet vasthouden, laat staan hoe hij een overhemd moet strijken, en meisje Z net te kennen had gegeven een totale strijkramp te zijn, verwisselde hij het verfomfaaide kledingstuk voor een iets minder kreukelig t-shirt. Dat hemd moest maar in de strijkkast, een idee van zijn moeder: als je kleding maar strak genoeg tussen twee planken opstapelt dan wordt het vanzelf wel glad. Aber natürlich.
Sinds mijn GO toch vaker weg is dan thuis en zich vrij weinig van mij aantrekt, ga ik rustig verder met het inpakken van dozen. Dat hem dit deprimeert, is niet mijn probleem. Daar zal ik dan eens heel makkelijk in zijn. Ik heb heel lang zo veel mogelijk rekening met hem gehouden maar ook ik heb mijn grenzen. Misschien dat de dozen hem ervan kunnen overtuigen dat de tijd begint te dringen. Zo niet dan moet het spreekwoordelijke mes maar op de keel. Hij kan het krijgen zoals hij het hebben wil.
6 juli 2008
[Weekend update]
Het weekend deze keer ingeluid met Marcel en Inger in Northend. Ik ben bepaald geen kroegtijger (ik woon al 10 jaar in Leiden en ken slechts 5 kroegen) maar hier kom ik graag, al is het maar vanwege de Strongbow. Het rookverbod in horecagelegenheden is deze week ingegaan en het was grappig om te zien hoe veel mensen uit gewoonte nog hun pakjes sigaretten op tafel uitgestald hadden. De gesprekken gingen ook nergens anders over. Marcel (die al een half jaar gestopt is met roken maar naar mijn idee van fulltime roker is geswitcht naar gelegenheidsroker) had het er maar moeilijk mee en besloot buiten een peuk op te steken met andere galspugende kroegbezoekers. Ik ga die mafkees nog missen! Om nostalgische redenen de hele avond met een overdreven Leids accent gepraat want straks hoor ik natuurlijk niets dan zachte g’s en omgebogen klinkers.
29 juni 2008
[Een lage drukgebied boven Huize Hope]
Ik wil zo graag redelijk blijven. Ik weet dat ik het kan maar er zijn momenten waarop ik er simpelweg geen zin meer in heb. Hoe vaak moet ik blijven herhalen dat ik er niet op uit ben om hem een poot uit te draaien? Ik wil gewoon op een volwassen manier een probleem oplossen. Het enige wat ik verwacht is een beetje coöperatie en fatsoenlijk overleg. Kennelijk vraag ik nogal veel. Te veel. Vijfduizend euro tegenover een heel huis. Is dat onredelijk? Volgens mijn GO wel. Hij presenteert zichzelf als de kale kip waarvan je nu eenmaal niet kunt plukken.
26 juni 2008
[Na regen komt soms nog een bui]
Sluit ik mijn ogen, dan zie ik Kandinskyaanse taferelen. Dat is hoe mijn hoofd er van binnen uitziet: een grote kleurrijke chaos. Er moeten bergen verzet worden en ik wil wel maar ik kan niet. Zo moe. Tranen prikken maar vertikken het zomaar te stromen. Langzaam druppelt mijn emmertje vol en nauwelijks merkbaar sijpelen dunne straaltjes over de rand. Ik rommel en ik rook maar barst niet uit.
19 juni 2008
[Bad karma]
18 maart 2008
[Zit er per ongeluk melk in mijn espresso, of doet u dat expres zo?]
Is het nu echt zo slecht gesteld met de hedendaagse horeca of ligt het gewoon aan mij? Of ik nu in Leiden, Londen, Leipzig of Lutjebroek ben, als ik er een horecagelegenheid bezoek, gaat er iets mis.
- Hebben ze tot drie keer toe niet wat ik wil (ik schijn over de speciale gave te beschikken altijd het 'broodje habenwirnicht' te bestellen... zet het dan niet op de kaart!),
- brengen ze me de kaart überhaupt niet (zie ik er soms uit alsof ik kom vasten?),
- Vergeten ze het bestelde broodmandje te brengen en komen ze er tijdens het hoofdgerecht nog eens mee aankakken (ja nou hoeft ’t niet meer hè…),
- vergeten ze mijn bestelling door te geven aan de keuken (en dan na anderhalf uur wel met een stalen gezicht zeggen “dat u toch wel weet dat u deze tafel maar tot 20:00 uur gereserveerd heeft”. Nee. Dat weet ik helemaal niet. Ik heb gereserveerd om 17:30 en als ik pas om 19:15 mijn voorgerecht krijg, ga ik er niet van uit dat ik de rest maar moet overslaan),
- bestel je knoflookbrood, krijg je een geroosterde boterham met een gefrituurde knoflook ernaast (oké, dat was dan wel weer komisch),
- is mijn eten koud of aangebrand (word dan geen kok!),
- smeren ze voor de gein de honing onder je bagle in plaats van ertussen zoals je zou verwachten (en natuurlijk krijg je er geen servetje bij),
- krijg ik een voorverpakte sandwich die ver over de houdbaarheidsdatum is (ja ik weet dat ik low budget vlieg maar ik hoef er geen gratis voedselvergiftiging bij),
- is mijn tafel dubbel geboekt (en me dan op kosten van het huis proberen dronken te voeren met ranzige raki in de hoop dat ik niet doorheb dat ik al ruim een uur honger zit te lijden),
- wordt mijn specifieke verzoek genegeerd (ik zei “zonder champignons” en wat is dit? Het lijkt verdomme wel Fungi Mountain!),
- hebben ze een gebrek aan fatsoen (komen ze bijvoorbeeld iets totaal onbelangrijks dwars door een emotionele toespraak heen tetteren. Some fucking manners please?!),
- word ik geacht mijn soep met mes en vork te consumeren (denk: Coming to America, man walks into a restaurant, orders al bowl of soup, asks the waiter: try the soup. - What, is it too cold? - Just try the soup. - Too spicy? - Will you just try the soup?! - There is no spoon. - Ahaaa!),
- krijg ik volstrekt niet waar ik om gevraagd heb (ziet dit eruit als espresso met chocola en marshmallows? Nee? En hoe komt dat? Omdat het #$*^! cappuccino met spekkies is!),
- krijg je bij wijze van goedmakertje gratis een nieuw drankje dat wél te hachelen is, rekenen ze het geretourneerde doodleuk af (ik heb het niet eens aangeraakt want ik lust geen melk in mijn fokking koffie, ik bestel niet voor niets espresso).
En al zo voort. Je vraagt je af waarom ik nog met zoveel regelmaat uit eten ga (er staan alweer vier etentjes op de planning, het zal mij benieuwen). Meer voor de gezelligheid dan voor het eten, luidt het antwoord. Maar later lachen we erom en een mens moet toch iets te klagen hebben (zolang ze maar niet in mijn pasta fluimen oid). Jatochnietdan?

