31 maart 2007

[Wanneer de tijd ophoudt te bestaan, hoeven wij niet meer te wachten]

Gebeurt het niet nu, dan wel een andere keer. Gebeuren zal het, zo de onvermijdelijkheid ervan het zich wenst. Straks is het allemaal over en voorbij, maar wanneer is straks? Wie zal het zeggen. Het kan elk moment zijn, behalve nu. Of daarnet of gisteren of vorige week, vorig jaar, een eeuw geleden. Of welk punt in het verleden dan ook. Straks ligt ergens in de toekomst. In het heden is straks slechts een abstract begrip, een zesletterige belofte. Straks komt na nu, maar niet lang na nu, al weet geen mens hoe lang niet lang precies duurt, zal heel even nu zijn en wordt dan een moment in het verleden waarvan nu en later zich steeds verder verwijderen. Het nu en het straks rennen op elkaar af, als twee naar elkaar verlangende geliefden, omhelzen elkaar en moeten dan weer loslaten om elk zijn eigen weg te volgen. Straks is een zalm, een onderstroom, een terugdeinzende beweging op een zich vooruitstrekkende tijdlijn. Laat het zich haasten.

29 maart 2007

[Regent het? Ja het regent.]

Begrenzing en grensoverschrijding. Bezetting en ontzetting. Zijn wij echt de scherprechtsprekende wreedaard en de wreed getroffene in één persoon? Is het passief toekijken hoe de ander zelfgenoegzaam mijn pad omspit, het lijden dat ondergeschikt is aan de eisen die het verstand aan mij gesteld heeft? De ander vernielt mijn tuinpad, smijt keien door mijn ruiten en pist over mijn gazon want als de ander er niet grazen kan dan moet het dood. Ontzet ben ik zonder meer, maar sterker nog is mijn overtuiging dat de ander, die zich nu zo druk bezighoudt met het graven van kuilen, er zelf vroeg of laat wel in zal donderen.

Alles zal enkel nog draaien om begrenzing en bezetting. Wij moeten onszelf geweld aandoen om te kunnen bestaan. De vraag is niet of wij dit willen, maar hoe wij dit klaarspelen. Zijn wij niet zelf het offer dat wij moeten opofferen?

28 maart 2007

[Het grote niets]

Er wordt gebeld. Tijdens mijn gang naar het telefoontoestel rinkelt het ding drie keer en als ik opneem wordt aan de andere kant opgehangen. Typisch. Dat het grote niets met zoveel heisa moet laten weten dat het er is. Typisch en arrogant bovendien, alsof ik van dit feit nog niet op de hoogte was. Weer wordt er gebeld, opgepakt, neergelegd. Bij de derde keer leg ik de hoorn naast het toestel. Zelfs het grote niets kan te ver gaan.

Ik pak het anders aan. Warm aangekleed stap ik op de fiets, met niet geringe tegenzin, omdat mijn bestemming in precies de tegenovergestelde richting ligt als de richting waarin de wind waait, maar vooral omdat ik bepaald geen zin heb de ander te ontmoeten. De onuitstaanbare ander die het niet nodig vindt naar me te luisteren omdat hij het altijd beter weet, altijd gelijk heeft - hij is immers een geleerde en dat kan men van mij niet zeggen. Tegen mijn verwachting tref ik de ander niet aan. Mijn verzoek aan hem om een briefje achter te laten heeft hij in de wind geslagen. Opgelucht en tegelijkertijd ontgoocheld door al deze afwezigheid kijk ik om me heen. Hallo groot niets, wat nu?

Een der andere anderen komt vanonder een tafel tevoorschijn en schuift me een papieren zak toe om vervolgens weer onder de tafel te duiken. In de zak bevinden zich een kartonnen doosje en een papiertje met daarop een verzoek. De ander wenst me te zien en snel wat. Nu zal het fraai worden. De ander verstopt zich en hangt de chronisch onbereikbare uit als het hem uitkomt en nu zal ik zeker gehoorzaam op komen draven? Ik prakkiseer er niet over. Het doosje steek ik in mijn jaszak daar het me uitermate goed van pas zal kunnen komen, het papiertje verfomfaai ik en werp het over de tafel.

Er wordt gebeld, opgepakt en neergelegd. Nu is het mooi geweest. Ik giet de gehele inhoud van het doosje in een keer in mijn mond en spoel het met een flinke slok water weg. Ik werp mijn lichaam over de tafel en met mijn hand op de hoorn wacht ik een volgend rinkelen af. Seconden tikken weg, minuten gaan voorbij, een uur verstrijkt en dan wordt er wederom gebeld. Met een ruk trek ik de hoorn van het telefoontoestel en als een vulkaan stort ik vanuit mijn zinderende binnenste een vlammende frenesie over de ander uit, dat hij branden mag. Aan de andere kant houdt de ander zich stil. Seconden tikken weg, minuten gaan voorbij, een uur verstrijkt en het blijft stil. Dan klinkt in de verte een sirene.

27 maart 2007

A broken heart is a rite of passage and, looking back, I must have wanted one pretty badly. “Kick me” I demanded. And when somebody finally did, I burst like a cheap piñata. (ds)

Ik had er geen idee van hoe het zou zijn omdat ik mezelf er altijd zorgvuldig voor behoed had. Ik had het niet verwacht omdat ik diep van binnen een stukje overtuiging bezat dat me er steeds aan herinnerde dat het niet bestond. Hoe kon het bestaan? Kennelijk had ik ongelijk. Hoe kon het me anders zo raken? Het ging sneller dan ik bevatten kon. Het zweet brak me uit. Plaatsvervangende tranen. Interessant dat je verdriet er ook uit kunt transpireren wanneer je weigert te huilen. Nu ik voel wat ik al die tijd bedoelde, besef ik dat ik zelf mijn gemiste kansen gecreëerd heb. Nu ik mezelf begrijp, is het te laat. Ik weet wat me te doen staat. Er valt niemand iets kwalijk te nemen behalve mijzelf. Slikken. Diep inademen. Hoofd legen. Hart op slot. Het leven gaat door.

26 maart 2007

[Loftrompetten]

De oude eik staat verstrikt in zijn kleurige linten en werpt op het huis een lange, dunne schaduw die mijn blikveld verdeelt in donker en in licht. Aan de voet van de boom heeft zich een enkele bloem neergevlijd, verwelkt. Vanuit mijn uiterste ooghoek zie ik nog net hoe de bonte stoet in dronken jubelstaat het park verlaat. Laat hen maar afmarcheren. Schimplachend staar ik de zwalkende zotten na. Zij kwamen vroeg dit jaar. Morgen, vooraleer zij uit hun bedwelming ontwaken, zal het in alle kranten staan.

25 maart 2007

[Waterschade]

Zo bulderen de pompen dat de fundering ervan trilt. Een waterleiding breekt en zet het huis blank. Plotseling trilt de lucht hevig en daarop volgt de afwezigheid van geluid. Ik sta tot aan mijn enkels in het water en prevel plechtig mijn les als was het een gebed. De eis van de geest voert tot antilichamelijkheid. De zinnen poneren zich als protest, een zelfstandige macht, een oproer tegen de geest. Het ontkende lichaam keert beiden de rug toe. Dan leg ik het in het water te ruste.

Ikzelf ben het zilte nat waarin ik eindeloos zwem en zink en ik ben het ondulerend water waarin ik maar niet verdrink.

24 maart 2007

[Huisslaaf]

Voor welk een rampspoed ontsloot ik argeloos het huis? Verderf! Zo niet voor alle slechten, dan wel voor de ander die er ongepaste heimelijkheid bedreef. De ander spreekt een leugentaal en verdient daarom geen gul onthaal. Dit enerzijds, en anderzijds: verdoemenis! Niet voor de geest maar voor het vlees waarop deze strak gebonden is.
~

Geabstraheerde schijn-ietsen zweven rond in het huis en imploderen al bij de geringste aanraking. Hoewel deze op luchtbellen lijkende illusies mijn wrevel wekken, vrees ik tegelijkertijd de onvergankelijke leegte, het niets. Wanneer slechts dat overblijft, neigt het huis zich te vullen met een panisch soort angst, het soort angst dat me volledig consumeert. Het soort angst dat zo zeer doet dat het uiteindelijk een verlammende werking heeft.

Het huis wordt een smartegat. Soms vult dit gat zich met verlangen en grijp ik naar de klink maar daar steekt het huis dan meedogenloos een stokje voor. Elke vorm van verzet wordt bestraft. In het huis vind ik geen heil, naar buiten vluchten is geen optie. Wanneer de ander op de deur klopt, moedigt het huis me aan gastvrijheid te tonen. Een gastvrijheid die liefde overstijgt en verder, veel verder gaat dan haat. Een gastvrijheid die gelijk staat aan de naakte passie die de muren van het huis bol doet staan. Een gastvrijheid die ik lijdzaam moet ondergaan.

Ik mag geen vragen stellen. Ik hoef alleen maar perfect te zijn. Maar hoe kan ik met de zich eindeloos herhalende tussenkomst van de ander een synthese maken van twee losstaande tegenstellingen? Dat is onmogelijk.

Te lijden, in de wreedheid van een warm onthaal. Het huis dat thuis voelt maar niet is. Te lijden, in de wreedheid van een sussende omhelzing. De cirkel die begrenst en bevrijdt. Te lijden, in de wreedheid van een onvermijdelijk ontwaken, keer op keer op keer.

[Nachtelijke represailles]

De aangewakkerde honger naar wraak in de nobele mens dut vrijwel onmiddellijk weer in zodat dit toxicum geen kans ziet vrij te komen om diens vitaliteit en levensfuncties te verzengen en zo behoudt hij zichzelf. De krachteloze schepsels daarentegen worden onherroepelijk geveld door de weerslag die het botvieren van hun ressentiment met zich meebrengt en zo cumuleren hun kwellingen zich en blijven zij in cirkels rondrennen totdat zij ten langen leste onder het gewicht bezwijken.

Met dit alles houd ik mij in de praktijk zo zeer niet bezig. Het is mijn voornaamste taak om de krampachtig aan mij vastgeklemde ander, het werkelijke kwaad dat in de kiem gesmoord dient te worden, van zich me te schudden. Me los te maken van de ander die mij het recht op zelfvernietiging misgunt. Waaruit put hij het lef om zich zo aan mij op te dringen? In de wetenschap dat hij me niet definitief zal verslaan, geef ik me niet over. De ander is geen moordenaar maar een slinkse sadist die vele gedaanten kent.

In een droom hallucineer ik. Mijn verbeelding braakt het ene na het andere monsterlijke meesterwerk uit en luid zingend storten deze creaties zich op me. In wakende staat minacht ik de schrikbeelden die me 's nachts in hermetische oneirodynieën achtervolgen om hun ongekende lafheid. Zij kunnen me nooit volledig overmeesteren en dientengevolge zullen zij me nimmer fataal zijn. Keer op keer hervind ik mezelf voorzien van beurse plekken, gezwollen ogen en gescheurde lippen. Dat is hoe de ander me het liefst ziet.

23 maart 2007

[Snijdzinnen]

Soms zijn mijn woorden als lemetten en sinds ik, al zou men het afgaand op mijn uiterlijke verschijning niet direct vermoeden, uit principe een vredelievend persoon ben, lijkt het me beter zo weinig mogelijk woorden uit te spreken zodat ik de ander zo min mogelijk schade berokken. Niet zelden voel ik hiertoe een grote behoefte, maar ik kan de morele verwerpelijkheid ervan niet negeren. Ik mag dan geen femme fatale zijn, ik beheers de kunst van het verbaal fileren. Een woord te veel en er zouden nog slachtoffers vallen. Van dergelijke verweerloosde wezens wemelt het op deze aardbol al meer dan voldoende, aan nog meer bestaat geen enkele nood. Toch moet ook ik mijn schuld betuigen. Vier kelen sneed ik laatst nog door. Met vlijmscherpe tong, het was gebeurd voordat ik er erg in had. De anderen hadden de grenzen van wat ik menselijkerwijs kon verdragen ver overschreden en dit hadden zij achteraf gezien maar beter kunnen laten. Het besef van deze misdaden kwam pas toen de stumpers al bloedend en kermend aan mijn voeten lagen en zij met smekende ogen omhoog keken, pogend de stoïcijnse blik van de boven hen uit torenende gedaante te vangen en er deswege een sprankje compassie in te doen opwellen. Dan knielde ik en toonde, voor wat het waard was, oprecht mijn woordeloos berouw. Nog een geluk dat ik even zo bekwaam ben in het met zorg dichten van aperturen. Een dood op mijn geweten is nu wel het laatste wat ik gebruiken kan.

22 maart 2007

[But some winds make one's temper bad]

Een onheilspellende wind rukt op vanuit het Noorden, jaagt op me, verscheurt mijn akkers en bevriest mijn wateren met zijn barre ademszuchten. De noordenwind, koud en schraal, doodt alles wat zondig is, diep verdorven en onrein en geeft geen gehoor aan de smeekbeden om me toch alsjeblieft genadig te zijn. Niet langer is het veilig in deze poel te waden, op deze grond te rusten. Niet langer kan het water me beschermen noch kunnen de oevers zich over me ontfermen. Ik kan niet bevatten waarom deze toorn mij ten deel moest vallen.

's Nachts kan ik de slaap niet vatten. Zoals buiten de wind onvermoeibaar raast, woedt er een storm in mijn kop, een tormenterende hersenstorm met een vernielende aard die niet tot bedaren komt. Met zijn geloei jaagt hij me de keiharde, onbeweeglijke oneindigheid tegemoet die voor niemand, ook niet voor mij, opzij gaat. Ik ga volledig op in de kolkende massa die mijn dwingende gedachten zijn en word meegevoerd door de klotsende stroom, net niet sterk genoeg om mijn lijf tegen de rotsenkust te pletter te slaan. Pas tegen het gloren van de morgen trekken de golven zich terug en dut ik uitgeput heel even in.

Terug in het land der wakkeren, op de kale, dorre vlakte wacht ik, door zandstraling gehavend en in de greep van de koude, het ontwaken van de zuidenwind af. De barmhartige zuidenwind die met zijn vocht en warmte verlossing brengen zal. Tot die tijd lijken de nachten een eeuwigheid te duren en is voor mij elke dag de langste dag.

21 maart 2007

[Alles moet kapot]

Hoewel ik mijn ogen strak op dat wat zich beneden me bevindt gericht houd, voornamelijk grind en hier en daar wat onkruid, voel ik hoe de blikken me doorboren: kille blikken, strenge blikken, dwingende blikken, vileine en sardonische blikken penetreren me alsof zij mijn hele wezen uit me willen staren daar zij de aanwezigheid ervan niet kunnen velen. Met een gebalde vuist ziet men de zaken lastig door de vingers.

Hier ligt mijn grootste kracht verscholen. Erg sterk ben ik verder niet; mijn vlees is zwak, mijn botten zijn broos, mijn spieren slap. Zelfs de woorden die ik zo weloverwogen kies, lijken te barsten wanneer deze weifelend op mijn droge lippen balanceren. De woorden die me door de ander ongevraagd in de mond gelegd worden, zou ik tot pulp malen en uitspugen op diens schoeisel, ware het niet dat mijn goede fatsoen me hiervan weerhoudt. Dan is het beter te zwijgen. Maar ik zie alles en vergeet niets.

Achter de schijnbaar voorbeeldige, ontwapenende zachtzinnigheid gaat een rancuneuze en nietsontziende destructiviteit schuil. Het is de briesende, woest om zich heen maaiende ander die me tot deze onzichtbare zelfverminking, deze geruisloze gewelddadigheid drijft. Ik zie hem zijn lippen niet bewegen maar hoor de ander tekeergaan, nu wild rabauwend, dan weer venijnig schampscheutend. Letter voor letter wordt de schuldspraak in mijn kern gekerfd en zo in mij vereeuwigd. Dit alles blijft voor het oog van de ander goed verborgen. Alles moet kapot, vooral ikzelf.

20 maart 2007

[Wat doen al die mensen hier?]

Vuile lichamen staan als een harsig bos om me heen. Ze kwellen mijn zintuigen. Het ergst word ik geraakt wanneer de ander in me huist, de ander zich me schaamteloos toeeigent, doordringt tot mijn gedachten, mijn diepste aandacht. Ik ruk aan hen, schud hen heen en weer als een hond zijn prooi maar kan hen desondanks niet kwijtraken. Zij woelen ongevraagd rond in me, bekijken mijn diepste innerlijk en wagen het te beweren dat zij er niets mee kunnen beginnen.

Een hand reikt van bovenaf naar die plaats waar ik dacht dat mijn schatten veilig opgeborgen waren. De hand wroet, wrikt, haalt alles overhoop om niets op zijn eigenlijke plek terug te plaatsen. De hand zoekt, vindt en gooit achteloos weg wat het te pakken krijgt. Ik verlang naar onzichtbaarheid. Het glashard ontkennen van mijn bestaan. Wanneer ik mijn ogen sluit verander ik in totaal niets. Niets past precies in mij maar ik pas precies in deze isoleercel.

Vuile lichamen hangen om me heen als dode dieren in een slachthuis. De lamlendigheid slaat met logge tentakels om zich heen en vliegen cirkelen rond haar smerige kop. Ze kan me niet meer raken, mijn zinnen zijn reeds lam geslagen. Ik ben noodgedwongen vertrouwd geraakt met het ritmisch gedreun en het dwaze gelal van de schlemielen die tot niet veel anders in staat zijn. Te vaak al heeft men de vuisten tot bloedens toe tegen de wanden van mijn schedel gebeukt, heeft men met lompe baggerpoten getracht mijn binnenste te vertrappen. Te vaak al slaagde men er met bruut geweld in mijn fort te betreden en beweerde men er niets te vinden.

Ik verlang naar deze vermeende leegte. Ik verlang naar de stilte die zou heersen wanneer zij zich toch eens terug zouden trekken. Lieten zij me maar met rust. Doelloos dwalen zij echter rond op een plaats waar zij van alle plaatsen in dit hele vervloekte universum het minst te zoeken hebben. De stank van rottend leven doet me walgen maar om te kokhalzen ben ik te zwak. Kuisten zij hun stinkende lijven maar eens.

Een hand grijpt, beroert en bezoedelt dat wat ooit glom in het bescheiden schijnsel van een inmiddels voorgoed verduisterde zon. Onbeweeglijk blijft het liggen als een uitgepikt karkas in een ravijn. De kilte breidt zich uit en klampt zich aan me vast tot ik er onlosmakelijk mee verbonden raak. Het is dat, of alles is verloren.

Genoodzaakt door de omstandigheden begeef ik me in deze ellendige, gigantisch grote mierenhoop. Met een ingebeelde vuist beuk ik grote gaten in de lege omhulsels die constant mijn blikveld binnen dringen en al zoekend naar schijnbekoring om me heen krioelen. Wanhopig baan ik me een weg door deze betekenisloze massa die me zo zenuwtergend in de weg staat. Alles wat zich om me heen bevindt dendert voorbij, alles wat zich binnen in me bevindt wervelt rond en ik sta roerloos, alsof ik van zin was wortel te schieten. Waar het me aan ontbreekt is dat alles bepalende stukje grond onder mijn voeten.

[Waar zegt u?]

De wereld zou mijn oester zijn, maar wat ik me daar precies bij moet voorstellen is niet duidelijk. Ik beeld me een immense schelp in waaraan vlammen lustig likken. Daarbinnen pruttelt een grauwgekleurde brei. De stank is nauwelijks te harden. Mijn adem stokt wanneer mijn longen zich vullen met rook. As stuift op en dwarrelt neer op mijn wimpers, mijn neus, mijn lippen. De oester die mijn wereld zou zijn, is kleurloos.

Een golf van misselijkheid overspoelt me maar voordat ik kan braken stoot het lot nog een laatste maal, krachtig en onverbiddelijk, naar binnen en vomeert. De warme, bittere drap stroomt gestaag naar binnen, geselt mijn slokdarm en daalt neer in mijn maag die zich terstond omwentelt bij het ontvangen van deze stroperige substantie die zo symbolisch is voor de werkelijkheid waarin ik zelf zoeven nog hulpeloos rond spartelde. Ik krimp ineen en zink zwijgend.

19 maart 2007

[Bijdehandjes]

(uk) "Zo - die is dom! Ik denk dat hij zaagsel in zijn hoofd heeft."
(meester) "Zeker een beetje van jou geleend?"
(uk) "Nietus! Ik kan al honderd keer honderd!"
(meester) "Doe dan."
(uk) "Duizend."
(meester) "Goedzo! Knap hoor."
(juf) "Ik denk dat het zaagsel van de meester even ververst moet worden..."

18 maart 2007

[Huisarrest]

In het aardse huis, waarvan meermaals ongeoorloofd gebruik is gemaakt, worden de talrijke onvolkomenheden niet onder stoelen of banken geschoven. In het huis wordt de liefde niet bedreven, zij wordt eruit verdreven. Het huis, dat allang geen thuis meer genoemd kan worden, is een onuitputtelijke bron van weerzin geworden. Voor de ander, maar met name voor mij.

Het huis is een paradox, in die zin dat zijn uiterlijke verschijning niet aan zijn binnenwereld beantwoordt en vice versa. Zo had de ander vlak voorafgaand aan de eerste inbraak niet kunnen vermoeden wat hij in het huis aan zou treffen en wat hij aantrof maakte hem razend, dreef hem tot rücksichtslos recidivisme.

De verhouding tussen mij en het aardse huis is door de ander gemaakt tot een onherstelbaar verminkte symbiose. Ik ben alle hoop op verzoening met het huis verloren maar kan er geen afstand van doen, hoe graag ik dit ook zou willen. Mijn weerbarstige inclinatie te streven naar onverbondenheid, een absolute scheiding van huis en haard, kan hieraan niets veranderen. Ik kan niet anders dan falen. Mijn angst heeft me veroordeeld tot eeuwigdurende slavernij binnen de muren van het huis.

17 maart 2007

[Sta nooit ergens tussen!]

In de voortdurend gemonitorde en tevens kleinste martelkamer die ik ken, vinden grootse folteringen plaats. Dit gebeurt niet echt, blijf ik kalm herhalen. Ondertussen brengen de zweepslagen brandende striemen teweeg. Tranen wellen niet op in mijn ogen; mijn smart sijpelt binnenlangs en holt me langzaam uit. In het donker strek ik ongezien mijn arm en open mijn hand.

Tegen beter weten in begeef ik me nu in een gevarenzone. Een goede tien meter verderop vallen de klappen die ook ik moet incasseren, slechts een fractie van een seconde later. De deuken die ik hierbij oploop zijn niets vergeleken bij de kraters die de daaropvolgende stilte slaat. Ik wankel doch houd me staande, al vraag ik me af waarom. Omdat ik niet anders kan, daarom. Omdat het moet. Omdat de ander het van me verlangt, nee: eist. De hand, bleek en bevend, bedekt haar gelaat.

Een raam zwaait open en de ruimte vult zich met zuurstof. Zal ik het wagen naar de frisse lucht te happen? Ik zal het leven gedurende een kort, gelukzalig moment in mijn lijf voelen tintelen en onmiddellijk spijt hebben. De lucht hier is niet rein, het is een vluchtig vergif. Ik moet koste wat het kost boven deze verleiding staan, al is de drang om te zwichten nog zo sterk. Elke vezel in mijn lichaam verzet zich ertegen. De wil schraapt weinig subtiel haar keel omdat het de zinnen geen roekeloosheid toestaat. Angst en paniek gieten mijn fysiek in de vorm van verstarring. De hand, ijzig koud, klam en zo stijf dichtgeknepen dat het bloed geen kans meer ziet zich door de toch al nauwe vaten voort te bewegen, blijft leeg en roerloos achter.

Anxiety is love's greatest killer. It makes one feel as you might when a drowning man holds on to you. You want to save him but you know he will strangle you with his panic. (an)

1 maart 2007

[Dood]

Hier in huis is het gebruikelijk dat eens in de zoveel tijd de onderwerpen 'oud worden', 'sterven' en 'dood zijn' uitvoerig bediscussieerd worden. De meningen hierover lopen dusdanig uiteen dat we daar meestal wel een hele avond voor uit kunnen trekken. Of ik bang ben voor de dood. Daar kan ik kort over zijn; een volmondig 'nee' is mijn antwoord. Voor de zekerheid vermeld ik er nog even bij dat ik het hier heb over dood zijn. Het personifiëren van de dood (Magere Hein, u kent hem wel) is aan mij niet besteed. Voor mij is dat niet meer dan een geestig fantasiekarakter uit de boeken van Terry Pratchett en daar heb ik weinig van te vrezen.

Ik bid tot geen god(in). Geloof niet in een hiernamaals of reïncarnatie. Ik heb niets met karma en ik geloof niet dat voorbeeldig of juist zondig leven, aan de hand van welke geloofsmaatstaf dan ook, enige invloed heeft op wat er met je gebeurt wanneer je dood bent. Ik geloof niet dat mijn ziel uit mijn lichaam zal treden om een nieuw onderkomen te vinden (persoonlijkheidstransplantatie), af te reizen naar een of ander paradijs of gekweld te blijven hangen tussen twee werelden. Nu zou je het natuurlijk ook zo kunnen stellen: misschien ben ik wel bang voor het bestaan van dergelijke dingen en ontken ik daarom de mogelijkheid ervan. Ik weet het niet, het zou zomaar kunnen.


Mijn visie op dood zijn is vrij simpel. Wanneer al mijn vitale functies het definitief begeven hebben, mag men mij dood verklaren en vanaf dat moment vind ik dat ik niet meer besta. Mijn levenloze lichaam mag –na eventuele verwijdering van bruikbare organen- worden begraven of verbrand, wellicht kan de wetenschap er nog iets mee. Wat er ook met mijn stoffelijke resten gebeurt wanneer ik dood ben, ik zal er niets van merken want ik ben er niet meer bij. Ik ga me hier dan ook niet nodeloos druk om maken. Zonder vitale functies geen werkende hersenen, zonder werkende hersenen geen persoonlijkheid, zonder persoonlijkheid geen ik, zonder ik geen bestaan. Zo zie ik dat.

Oma P. ligt op sterven. Hoogstens drie weken geeft men haar nog. Al maanden is ze vreselijk ziek en lijdt ze veel pijn. Afgelopen week is de diagnose kanker vastgesteld. Het zit door haar hele lichaam, niets meer aan te doen. Ik ken oma P. niet zo goed want eigenlijk is het mijn oma helemaal niet maar haar toestand jaagt me angst aan. Dat het idee van 'dood zijn' me niet veel doet, wil niet zeggen dat ik uitkijk naar de mogelijke lijdensweg die het sterven vooraf gaat. Het idee, bijvoorbeeld, dat mijn hersenen beginnen te verschrompelen en dat ik me er van bewust ben dat ik mezelf aan het verliezen ben, langzaam vergeet wie ik ben, wekt bij mij de grootst mogelijke weerzin op.

Een langdurig en pijnlijk ziekbed dat uiteindelijk tot de dood zal leiden vind ik eveneens een bijzonder onaangenaam vooruitzicht. Ik heb mensen (dierbaren maar bijvoorbeeld ook cliënten) zien aftakelen, zowel geestelijk als lichamelijk, en het leed dat dit niet zelden met zich meebracht wens ik weinigen toe. Het is de angst voor het sterven, niet het dood zijn. Ik kan me best voorstellen dat er in dit soort gevallen een moment kan komen dat het verlangen naar de dood groter is dan de wil om te leven. Ik heb mijn opa zien lijden en tegelijkertijd zien vechten op zijn sterfbed, terwijl hij wist dat hij dit gevecht binnen niet al te lange tijd zou verliezen. Die kracht bewonder ik maar ik betwijfel ten zeerste of ik zoiets in zo'n situatie op zou kunnen of willen brengen.

Wat mijn verbazing wekt, is het feit dat er mensen zijn die hun levenslust op sommige momenten behoorlijk laten inperken door een angst die mijn begrip te boven gaat. De angst voor de eindigheid van het eigen bestaan en het vermeende niets dat er op volgt. De angst voor sterfelijkheid, waar niemand aan ontkomt. De angst voor alles wat dan niet meer is en niet meer zal zijn. Waar komt die angst vandaan? Wil men eeuwig voortleven in de herinnering van anderen, in de geschiedenisboeken, in alles wat men gecreëerd of juist vernietigd heeft? Wil men niet vergeten worden? Is men bang voor de zinloosheid van het leven omdat dit leven onlosmakelijk verbonden is met vergankelijkheid? Wil men het eigen bestaan niet opgeven omdat men er te zeer aan gehecht is? Kan men niet accepteren dat er een tijd is van komen en een tijd van gaan? Wie het weet mag het zeggen.

Er is voor mij genoeg om voor te leven, al heb ik er lang niet elke dag even veel zin in. Soms heb ik het gevoel dat ik haast heb. Het besef dat aan mijn leven op elk moment een einde kan komen creëert een spanningsveld tussen streven, hechten, relativeren en loslaten. Er is nog zoveel dat ik niet gedaan of gezegd heb. Ik wil nog zoveel leren. Maar als het mijn tijd is, dan is het mijn tijd. Dan bestaat er geen spijt meer. Er zijn momenten waarop ik denk: dit zou best een mooi moment zijn om mijn laatste levensadem uit te blazen. Soms komt deze gedachte voort uit een soort wanhoop, soms juist uit een gevoel van voldoening. Vreemd? Misschien. Dat mag u best vinden.