23 maart 2007

[Snijdzinnen]

Soms zijn mijn woorden als lemetten en sinds ik, al zou men het afgaand op mijn uiterlijke verschijning niet direct vermoeden, uit principe een vredelievend persoon ben, lijkt het me beter zo weinig mogelijk woorden uit te spreken zodat ik de ander zo min mogelijk schade berokken. Niet zelden voel ik hiertoe een grote behoefte, maar ik kan de morele verwerpelijkheid ervan niet negeren. Ik mag dan geen femme fatale zijn, ik beheers de kunst van het verbaal fileren. Een woord te veel en er zouden nog slachtoffers vallen. Van dergelijke verweerloosde wezens wemelt het op deze aardbol al meer dan voldoende, aan nog meer bestaat geen enkele nood. Toch moet ook ik mijn schuld betuigen. Vier kelen sneed ik laatst nog door. Met vlijmscherpe tong, het was gebeurd voordat ik er erg in had. De anderen hadden de grenzen van wat ik menselijkerwijs kon verdragen ver overschreden en dit hadden zij achteraf gezien maar beter kunnen laten. Het besef van deze misdaden kwam pas toen de stumpers al bloedend en kermend aan mijn voeten lagen en zij met smekende ogen omhoog keken, pogend de stoïcijnse blik van de boven hen uit torenende gedaante te vangen en er deswege een sprankje compassie in te doen opwellen. Dan knielde ik en toonde, voor wat het waard was, oprecht mijn woordeloos berouw. Nog een geluk dat ik even zo bekwaam ben in het met zorg dichten van aperturen. Een dood op mijn geweten is nu wel het laatste wat ik gebruiken kan.

Geen opmerkingen: