Ik had sterk het gevoel dat ik ergens boos om was maar bij een gebrek aan mogelijkheden om de aanleiding te concretiseren kon ik er niet zo veel mee. Ik was ‘gewoon boos’ en aangezien ik redelijk wat ervaring heb met ‘gewoon boos’ wist ik dat er weinig anders opzat dan dat ik een afreageersessie in gang zette. En dan heb ik het niet over een pot chocoladekoekjes leeg schranzen of mijn kop tegen een willekeurig meubelstuk beuken want dat werkt alleen maar averechts en voor je het weet zit je dan in een neerwaarts spiraal waar geen eind meer aan komt.
Met een vork draaide ik rondjes door een rijstprutje. Ik wilde wel eten maar ze maken bij Konimex van die achterlijk grote schenkgaten in de sesamsojasausflessen dat ik toen ik even niet goed oplette en mijn hand ineens een soort van vreemde ongecontroleerde beweging maakte het halve flesje over mijn bord leeggoot waardoor mijn rijstkorrels voor hun zwemdiploma B konden. Mijn eten was in één klap niet meer te hachelen maar dat gaf niet want mijn aandacht werd volledig opgeëist door het nieuws.
Ik slikte een "oeps" in. "Ik was het niet!" riep ik, en liet mijn vork spontaan in het rijstprutje vallen waardoor enkele rijstkorrels gelanceerd werden en met kleine plonsjes weer in het prutje terecht kwamen. De man keek me ongelovig aan, verplaatste zijn ongelovige blik naar de rijstkorrels op mijn bord die inmiddels ijverig aan het watertrappelonderdeel begonnen waren en verklaarde me woordeloos voor gek. Hij wist heus wel dat ik het niet gedaan kon hebben. Ik had een beresterk alibi. Ik wist wel wie het gedaan had, wat mij misschien toch een tikkeltje medeplichtig maakte, maar je kameraden verlink je nu eenmaal niet. Ook niet wanneer de man je woordeloos voor gek verklaart en er een half politiekorps aan te pas moet komen om de buurt gerust te stellen. Dat moet je dan maar voor lief nemen. U begrijpt dat ik verder geen details kan geven.
De man fronste wat, viste een verfomfaaid papiertje uit zijn broekzak, pakte de hoorn van de haak en toetste het nummer dat op het papiertje stond in. Een geheimzinnig gesprek met ene Jan volgde. Af en toe keek de man naar me, vanuit zijn ooghoeken. Ik pelde een mandarijntje en deed net alsof ik het niet zag. Op de achterkant van het verfomfaaide papiertje schreef de man een adres en hing toen op. "Ik moet even weg" zei hij. Toen ging hij dus weg.
"Waarheen?" riep ik nog, maar de man zweeg en trok de deur achter zich dicht. Waar ging hij naartoe? Wat ging hij doen? Wie was die Jan? Waarom mocht ik het niet weten?
Een uur later kwam de man terug. "Je mag voorlopig niet in de kelder." zei hij. "Wat een onzin" zei ik. "Waarom niet?" vroeg ik. Ik mocht het niet weten want het was geheim. "Het is ook mijn kelder" probeerde ik nog, maar het was zinloos. De man trok zijn linkermondhoek op waardoor een halve grijns op zijn gezicht verscheen. Dit vond ik onuitstaanbaar.
Ik spoelde de sesamsojasaus door de wc. Over de mozaïektegeltjes rende een beest met korte pootjes als een gek in het rond. Zonder nadenken richtte ik mijn gewoon-boosheid op het beest, ik had me immers nog altijd niet afgereageerd en met al die onbeantwoorde vragen in het achterhoofd was de drang hiertoe onbewust gestaag gegroeid. Ik pakte de luchtverfrisser. Ik richtte. Ik hield mijn adem in, spoot en riep "sterf!". Het beest stierf gehoorzaam. Ik moet geen beesten in mijn huis en al helemaal geen kortpotige zenuwlijders die onrust stoken in mijn nieuwe toilet. Ik spoelde het dode beest door de wc.
"Ik moet even naar de kelder" mompelde ik tussen neus en lippen door. "Daar komt niets van in" zei de man kordaat terwijl hij opstond om met brede schouders de doorgang te blokkeren. Aha! Hij kon me dus prima horen met die koptelefoon op. Het stuk geniep. Lang zo doof niet als ik jarenlang gedacht had. Maar dat was op dat moment bijzaak. Er zat een Jan, die ongetwijfeld geen Jan heette, in mijn kelder opgesloten en de man waar ik eerder die avond nog nietsvermoedend mee op de bank gezeten had, bleek een gevaarlijke gek te zijn. Of zo iets. En dat was vele malen schokkender.
Ineens begon het te dagen. Natuurlijk verklaarde de man me voor gek, dat was een prima manier om mij ervan te overtuigen dat hij het niet was. Ik doorzag het complot en bekokstoofde een plan. Na de afwas liep ik naar beneden om de post op te halen en de kelder te inspecteren. Precies wat ik dacht. Op de muur was een witte cirkel getekend, precies zoals ik die op het Sinterklaasjournaal gezien had. Ik hoefde de deur niet te openen om er achter te komen dat Jan eigenlijk Piet heette...
22 november 2005
20 november 2005
9 november 2005
[Typisch]
Ik zou dus collecteren voor de Alzheimer stichting.
Vergeten ze me de collectebus te brengen.
8 november 2005
[Ik ben niet gek]
Nog even over die kast want daar was ik nog niet klaar mee. Gisteren was ik zo boos dat mijn telefoon er stuk van ging dus toen ik eindelijk de eerst wachtende was, zei het ding "stik maar" en deed vervolgens helemaal niets meer. Vanmorgen kreeg ik hem gelukkig weer aan de praat zodat ik voor de zoveelste keer de Ikea klantenservice kon bellen. Via de centrale werd ik doorverbonden met de vestiging in Delft waar vandaag toevallig geen kastconsulenten aanwezig waren. Nadat ik aan vier verschillende mensen het probleem uitgelegd had, kreeg ik de vestiging in Breda aan de lijn.
"Dat klopt" zei de stem aan de andere kant van de lijn.
"Wat?" vroeg ik.
"U heeft gelijk" antwoordde de stem.
"Bedoelt u dat er wél verschillende voorpanelen bestaan?" vroeg ik.
"Jazeker" zei de stem "het verschil is klein doch aanwezig."
Dus toch! Ik wist wel dat ik niet gek was. Zoals mijn opa vaak riep: "Het recht zal zegevieren!". Die uitspraak heeft hem ooit eens een vreselijk nat pak opgeleverd, tot groot vermaak van ondergetekende, en daarom zal ik deze woorden nooit meer kunnen uitspreken zonder tegelijkertijd met een lach aan mijn opa te denken. Te vroeg juichen is het lot tarten en brengt derhalve de nodige risico's met zich mee. Een wijze les.
Ikea-mensen zijn koppig maar ik ben koppiger. Voor de zoveelste keer legde ik, zelfverzekerder dan ooit, mijn panelen op de balie en daar bovenop twee stellingen. Mijn geduld had ik thuis gelaten. Óf de handleiding klopt niet, óf u bent een leugenaar. Zegt u het maar, uw tijd gaat nu in.
Nou, nou. Herejee. Dat was wel erg onvriendelijk van mij. Ik vertelde de baliemevrouw dat ik genoeg had van al het gelazer en eiste een nieuwe doos. Een doos die zij vervolgens voor mijn neus open moest maken want ik had me voorgenomen niet weg te gaan voordat ik met eigen ogen gezien had dat het goed was. "Maar ik verzeker u, deze panelen zijn écht exact hetzelfde" pruttelde de baliemevrouw. Jaja, dat weten we nu wel. Mondje dicht, doos open.
"Zo" zei ik, mezelf over de geopende doos buigend "wat hebben we hier?"
"Noujaaa! Hoe is het mogelijk!"
"Ziet u wat ik zie?"
"Ik eh, geloof dat u toch gelijk heeft."
"Wis en warempel. Ik dacht dat u het nooit zou zeggen."
En zo ging ik dan eindelijk naar huis met de goede panelen, monteerde ik handig de laden en was mijn nieuwe kast een feit. Hoera. Mijn kleding mag echter in de koffer in plaats van in de kast want ik ga een paar dagen naar Londen voor de nodige klusdeprivatie.
"Dat klopt" zei de stem aan de andere kant van de lijn.
"Wat?" vroeg ik.
"U heeft gelijk" antwoordde de stem.
"Bedoelt u dat er wél verschillende voorpanelen bestaan?" vroeg ik.
"Jazeker" zei de stem "het verschil is klein doch aanwezig."
Dus toch! Ik wist wel dat ik niet gek was. Zoals mijn opa vaak riep: "Het recht zal zegevieren!". Die uitspraak heeft hem ooit eens een vreselijk nat pak opgeleverd, tot groot vermaak van ondergetekende, en daarom zal ik deze woorden nooit meer kunnen uitspreken zonder tegelijkertijd met een lach aan mijn opa te denken. Te vroeg juichen is het lot tarten en brengt derhalve de nodige risico's met zich mee. Een wijze les.
Ikea-mensen zijn koppig maar ik ben koppiger. Voor de zoveelste keer legde ik, zelfverzekerder dan ooit, mijn panelen op de balie en daar bovenop twee stellingen. Mijn geduld had ik thuis gelaten. Óf de handleiding klopt niet, óf u bent een leugenaar. Zegt u het maar, uw tijd gaat nu in.
Nou, nou. Herejee. Dat was wel erg onvriendelijk van mij. Ik vertelde de baliemevrouw dat ik genoeg had van al het gelazer en eiste een nieuwe doos. Een doos die zij vervolgens voor mijn neus open moest maken want ik had me voorgenomen niet weg te gaan voordat ik met eigen ogen gezien had dat het goed was. "Maar ik verzeker u, deze panelen zijn écht exact hetzelfde" pruttelde de baliemevrouw. Jaja, dat weten we nu wel. Mondje dicht, doos open.
"Zo" zei ik, mezelf over de geopende doos buigend "wat hebben we hier?"
"Noujaaa! Hoe is het mogelijk!"
"Ziet u wat ik zie?"
"Ik eh, geloof dat u toch gelijk heeft."
"Wis en warempel. Ik dacht dat u het nooit zou zeggen."
En zo ging ik dan eindelijk naar huis met de goede panelen, monteerde ik handig de laden en was mijn nieuwe kast een feit. Hoera. Mijn kleding mag echter in de koffer in plaats van in de kast want ik ga een paar dagen naar Londen voor de nodige klusdeprivatie.
7 november 2005
[Svårighet]
De rij bij de klantenservice was zo lang dat ik buiten aan moest sluiten (en dat geeft te denken, denk ik zo) maar natuurlijk moest ik wel eerst even binnen een nummertje trekken, voor tegen de voordringers. Achter de karren vol te retourneren producten stonden mensen met vermoeide, verveelde of gefrustreerde gezichten. De teller stond op 124. Op mijn bonnetje stond 157. Het wachten kon beginnen. Ik trok achtereenvolgens een vermoeid, verveeld en gefrustreerd gezicht.
Net toen ik de dozen wegens lamme armen ergens tegen een muur geparkeerd had, kwam er een vrouw op me af die me een bonnetje in mijn hand drukte. 127 stond erop. In een flits lachte het geluk me toe. De wachtende menigte keek me vanuit de ooghoeken vals aan toen ik me er met mijn dozen langs worstelde op het moment dat de teller op 127 sprong. "Gedeeld leed is half leed" fluisterde ik de boost kijkende mevrouw toe. Vond ze niet grappig. Uit haar oren stegen twee rookwolkjes op. Dan niet hoor.
Bij de balie legde ik het probleem uit. De baliemevrouw schoof me twee bonnen voor gratis consumpties toe en dook het magazijn in. Ik kreeg twee hotdogs en twee nieuwe laden. In die volgorde. Handen tekort dus maar heel fijn. Of ik ook nog de ontbrekende schroeven kon krijgen. Geen probleem. Ik gaf mijn hotdog weg aan een jengelend kind. De baliemevrouw dook wederom het magazijn in en kwam terug met een zakje vol schroefjes waarop stond: 'sorry dat wij er niet bij zaten'. Ook het feit dat ze die zakjes op voorraad hebben, geeft te denken. Maargoed. Dan nog het voorpaneel van de lade. Die moest ook geruild worden. Dat kon dan weer niet want zoals de baliemevrouw me stellig verzekerde, bestond er maar één soort en zat het probleem in de laden, niet in het voorpaneel. Dat leek mij niet maar zij zou het toch moeten weten.
Met gepaste twijfel monteerde ik mijn nieuwe laden, exact volgens de handleiding, en kwam tot de conclusie dat ik wederom twee exact dezelfde laden mee naar huis gekregen had. De enige manier waarop de laden perfect sluitend in de daarvoor bestemde ruimte geplaatst konden worden, was wanneer ik er eentje op z'n kop inschoof. Maar dan heb je er zo weinig aan he.
Eén van de voorpanelen deugde niet. De gleuf die erin gefreesd was, zat een paar millimeter te laag waardoor het niet ver genoeg over de voorkant van de kast viel en er niet genoeg ruimte overbleef voor het andere paneel. Als die gleuf nou eens een stukje lager zou zitten. Maar dat was niet zo en dat kon ook niet want er was immers maar één soort paneel. Dus. Ik kon op mijn kop gaan staan, Ikea hield voet bij stuk. "Mevrouw, met die panelen is niets mis" En de paus is Islamitisch. Dat ellendige stuk peperdure trä bezorgde me een punthoofd. Waarom die kast Pax heet, is me een gåta want de fred is tot op heden ver te zoeken. Mijn Zweeds is er dan wel weer wat op vooruit gegaan...
Net toen ik de dozen wegens lamme armen ergens tegen een muur geparkeerd had, kwam er een vrouw op me af die me een bonnetje in mijn hand drukte. 127 stond erop. In een flits lachte het geluk me toe. De wachtende menigte keek me vanuit de ooghoeken vals aan toen ik me er met mijn dozen langs worstelde op het moment dat de teller op 127 sprong. "Gedeeld leed is half leed" fluisterde ik de boost kijkende mevrouw toe. Vond ze niet grappig. Uit haar oren stegen twee rookwolkjes op. Dan niet hoor.
Bij de balie legde ik het probleem uit. De baliemevrouw schoof me twee bonnen voor gratis consumpties toe en dook het magazijn in. Ik kreeg twee hotdogs en twee nieuwe laden. In die volgorde. Handen tekort dus maar heel fijn. Of ik ook nog de ontbrekende schroeven kon krijgen. Geen probleem. Ik gaf mijn hotdog weg aan een jengelend kind. De baliemevrouw dook wederom het magazijn in en kwam terug met een zakje vol schroefjes waarop stond: 'sorry dat wij er niet bij zaten'. Ook het feit dat ze die zakjes op voorraad hebben, geeft te denken. Maargoed. Dan nog het voorpaneel van de lade. Die moest ook geruild worden. Dat kon dan weer niet want zoals de baliemevrouw me stellig verzekerde, bestond er maar één soort en zat het probleem in de laden, niet in het voorpaneel. Dat leek mij niet maar zij zou het toch moeten weten.
Met gepaste twijfel monteerde ik mijn nieuwe laden, exact volgens de handleiding, en kwam tot de conclusie dat ik wederom twee exact dezelfde laden mee naar huis gekregen had. De enige manier waarop de laden perfect sluitend in de daarvoor bestemde ruimte geplaatst konden worden, was wanneer ik er eentje op z'n kop inschoof. Maar dan heb je er zo weinig aan he.
Eén van de voorpanelen deugde niet. De gleuf die erin gefreesd was, zat een paar millimeter te laag waardoor het niet ver genoeg over de voorkant van de kast viel en er niet genoeg ruimte overbleef voor het andere paneel. Als die gleuf nou eens een stukje lager zou zitten. Maar dat was niet zo en dat kon ook niet want er was immers maar één soort paneel. Dus. Ik kon op mijn kop gaan staan, Ikea hield voet bij stuk. "Mevrouw, met die panelen is niets mis" En de paus is Islamitisch. Dat ellendige stuk peperdure trä bezorgde me een punthoofd. Waarom die kast Pax heet, is me een gåta want de fred is tot op heden ver te zoeken. Mijn Zweeds is er dan wel weer wat op vooruit gegaan...
6 november 2005
[Op de kast gejaagd]
Niet dat ik het erbij liet zitten. Ik kon niet slapen omdat ik me opwond over de kast en ook daar wond ik me over op en op die manier kom je natuurlijk nooit aan slapen toe. Als je je eenmaal gaat opwinden over het feit dat je je opwindt, is het einde al snel zoek. Ik stond op, dronk een halve liter veel te sterke koffie, toetste het nummer van Ikea klantenservice in en schraapte mijn keel. Met dat laatste had ik nog wel even kunnen wachten.
"Op dit moment zijn er negen wachtenden voor u."
Genoeg tijd om me nog wat meer op te winden dus en dat werd niet minder toen ik Eros Ramazotti door mijn hoorn hoorde jammeren. Ik nam me voor meteen van de gelegenheid gebruik te maken om een klacht in te dienen over dit wachtmuziekje. Doe dan Abba (see that girl, watch that scene, dig in the wardrobe queen). Inkoppertje wellicht, maar dat slaat dan tenminste nog ergens op. Ja toch.
"U bent de eerst wachtende."
Fijn.
Ik zette mijn meest vriendelijke telefoonstem op, want ook al zegt mijn paps dat aardig zijn niet helpt en dat ik direct taal moet uitslaan waar een bouwvakker zich nog voor zou schamen, ik weet wel beter. Ik weet hoe het is om aan de andere kant van de lijn te werken en mensen die onmiddellijk hoog van de toren blazen, ben je nu eenmaal minder graag van dienst. Schelden kan altijd nog.
Schelden bleek niet nodig. De vrouwelijke telefoonstem was zacht en meelevend, elk antwoord was doordrenkt van empathie. Het was bijna ergerlijk. Zo zou ik, in geval van nood, natuurlijk nooit boos kunnen worden. Desalniettemin stak ik van wal en dit is wat ik te horen kreeg:
"Goh wat vervelend voor u mevrouw. Het spijt me verschrikkelijk, maar ik vrees dat er niets anders op zit dan dat u de kast weer demonteert en..."
Ho! Stop! Demonteert? De-mon-teert?! Hallo! Ik ben vijf uur bezig geweest om dat looiige kreng in elkaar te zetten, vijf uur! Schreufje voor schreufje. Plank voor plank. En nu moet ik hem weer demonteren? Wilt u mij soms een ochtendhumeur bezorgen?
"...dat u het voorzien van kassabon en in originele verpakking terugbrengt naar het filiaal waar u het heeft gekocht."
Wacht even. U bedoelt dat ik dat retezware geval gedemonteerd en wel weer zeven trappen af moet sjouwen (wat mij zonder twee sterke mannen niet gaat lukken), in mijn auto moet proppen (wat natuurlijk niet past want de kast is twee keer zo lang als mijn autootje) en voor de derde keer deze week naar Delft moet afreizen? Heeft u enig idee wat de benzineprijzen momenteel doen? Bovendien, ik zit midden in een soort van verbouwing, denkt u dat ik niets beters te doen heb dan mezelf een hernia sjouwen en heen en weer naar Delft tuffen? Hm?
Natuurlijk speelde dit staaltje assertiviteit zich slechts af tussen mijn oren.
"Oké" zei ik gehoorzaam.
"Doe ik" beloofde ik.
"Dank u voor de moeite" piepte ik er nog achteraan, al vroeg ik me even later af waarom. Toen hing ik op en sloeg ik pardoes taal uit waar een bouwvakker zich nog voor zou schamen. Ik keek eens venijnig naar de kast, wierp de laden een hatelijke blik toe en trok tenslotte, oog in oog met de kassabon, een theatrale pruillip. Was ik verdorie ook nog die Ramazotti vergeten...
"Op dit moment zijn er negen wachtenden voor u."
Genoeg tijd om me nog wat meer op te winden dus en dat werd niet minder toen ik Eros Ramazotti door mijn hoorn hoorde jammeren. Ik nam me voor meteen van de gelegenheid gebruik te maken om een klacht in te dienen over dit wachtmuziekje. Doe dan Abba (see that girl, watch that scene, dig in the wardrobe queen). Inkoppertje wellicht, maar dat slaat dan tenminste nog ergens op. Ja toch.
"U bent de eerst wachtende."
Fijn.
Ik zette mijn meest vriendelijke telefoonstem op, want ook al zegt mijn paps dat aardig zijn niet helpt en dat ik direct taal moet uitslaan waar een bouwvakker zich nog voor zou schamen, ik weet wel beter. Ik weet hoe het is om aan de andere kant van de lijn te werken en mensen die onmiddellijk hoog van de toren blazen, ben je nu eenmaal minder graag van dienst. Schelden kan altijd nog.
Schelden bleek niet nodig. De vrouwelijke telefoonstem was zacht en meelevend, elk antwoord was doordrenkt van empathie. Het was bijna ergerlijk. Zo zou ik, in geval van nood, natuurlijk nooit boos kunnen worden. Desalniettemin stak ik van wal en dit is wat ik te horen kreeg:
"Goh wat vervelend voor u mevrouw. Het spijt me verschrikkelijk, maar ik vrees dat er niets anders op zit dan dat u de kast weer demonteert en..."
Ho! Stop! Demonteert? De-mon-teert?! Hallo! Ik ben vijf uur bezig geweest om dat looiige kreng in elkaar te zetten, vijf uur! Schreufje voor schreufje. Plank voor plank. En nu moet ik hem weer demonteren? Wilt u mij soms een ochtendhumeur bezorgen?
"...dat u het voorzien van kassabon en in originele verpakking terugbrengt naar het filiaal waar u het heeft gekocht."
Wacht even. U bedoelt dat ik dat retezware geval gedemonteerd en wel weer zeven trappen af moet sjouwen (wat mij zonder twee sterke mannen niet gaat lukken), in mijn auto moet proppen (wat natuurlijk niet past want de kast is twee keer zo lang als mijn autootje) en voor de derde keer deze week naar Delft moet afreizen? Heeft u enig idee wat de benzineprijzen momenteel doen? Bovendien, ik zit midden in een soort van verbouwing, denkt u dat ik niets beters te doen heb dan mezelf een hernia sjouwen en heen en weer naar Delft tuffen? Hm?
Natuurlijk speelde dit staaltje assertiviteit zich slechts af tussen mijn oren.
"Oké" zei ik gehoorzaam.
"Doe ik" beloofde ik.
"Dank u voor de moeite" piepte ik er nog achteraan, al vroeg ik me even later af waarom. Toen hing ik op en sloeg ik pardoes taal uit waar een bouwvakker zich nog voor zou schamen. Ik keek eens venijnig naar de kast, wierp de laden een hatelijke blik toe en trok tenslotte, oog in oog met de kassabon, een theatrale pruillip. Was ik verdorie ook nog die Ramazotti vergeten...
5 november 2005
[Zweudse schreufjes]
Het werd onverwacht een lange avond. Vijf hele uren heb ik besteed aan mijn eerste poging tot het in elkaar zetten van de Pax Birkeland. ‘Handig te monteren’ stond er bovenaan de handleiding. Dat klonk veelbelovend, ik begin namelijk al best een beetje handig te worden. De nachtkastjes had ik bij wijze van opwarmertje binnen een mom van tijd netjes in elkaar gepuzzeld. Ondanks alle opmerkingen in de trant van “maar dat is toch mannenwerk?!” hield ik de man op veilige afstand. Geef hem een schroef en hij draait hem geheid in het verkeerde gat en drie maal raden wie hem er dan weer uit mag peuteren. Op zulke momenten ben ik een vreselijk eigenwijze betweter en kun je me maar beter gewoon mijn kop laten stoten. Anders leer ik het nooit. De man moest de kaken op elkaar en de handen thuis houden. Tot zijn grote opluchting overigens want hij haat klussen. Die Pax zou ik wel eens even eigenhandig monteren. Koud kunstje. Verkeerd gezegde. Ik kwam namelijk van een koude kermis thuis.
Natuurlijk kon ik de loodzware zijpanelen met een lengte van twee meter zesendertig niet in mijn eentje van de ene naar de andere kant krijgen. Wat dacht ik wel niet. Maar dat was het voornaamste probleem niet, daar is de man dan wel weer goed voor en wie niet sterk is... enfin. Panelen op de plaats, schroeverdeschroef, bodem erin, dak erop, timmerdetimmer, achterkantje erin schuiven, laden monteren. En daar stagneerde de boel dus. Na drie onsuccesvolle pogingen de laden exact volgens de handleiding in elkaar te zetten, begon ik toch wel even ernstig aan mezelf te twijfelen.
Na grondige inspectie concludeerde ik dat de laden echt maar op één manier in de kast pasten. In eerste instantie dacht ik dat ik als kastbouwleek iets over het hoofd gezien had, maar nee. Ik had ook onmiddellijk in opperste staat van alertheid moeten raken toen ik zag dat de doos al eens open was geweest en daarna opnieuw dichtgeplakt was. In deze doos zaten twee onderste laden en ik had één onderste en één bovenste nodig. Het verschil kwam op een millimeter of vijf maar dat waren dus wel vijf hele essentiële millimeters. En storend bovendien: zo konden de laden niet dicht.
Geen laden dus. Verder met de planken dan maar. Schroeverdeschroef, timmerdetimmer, klarie. Tijd voor de roede. Volgens de verpakking zouden hier een stang, twee steunen en zes schroeven in moeten zitten maar helaas, de schroeven zaten er niet bij. Geen roede dus want zelf beschik ik natuurlijk niet over een pot Zweudse schreufjes.
Lichtelijk geagiteerd bekeek ik de overgebleven onderdelen. Een tweetal deuren en een zak vol metaal waarvan ik zes scharnieren zou moeten kunnen maken. Vol verwachting klopte mijn hart. Kwam ik daarnet nog zes schroeven te kort, nu hield ik er ineens drie over. Vreemd, maar beter te veel dan te weinig. Met hernieuwde moed hing ik de rechter deur op. Geen probleem. De linkerdeur kreeg ik echter met geen mogelijkheid aan de kast bevestigd. Er klopte iets niet, zoveel was duidelijk, maar wat?
Ik zette de deur tegen de kast, liep een stukje naar achter, plukte aan een denkbeeldige sik en dat soort dingen en staarde enige tijd naar het geheel. Ineens viel het kwartje. Dit was helemaal geen linkerdeur. Ikea had me twee rechter deuren in de maag gesplitst terwijl ik om een linker en een rechter gevraagd had. Drommels! Wat moet je daar nou weer mee?
Ik gaf het op. Het was inmiddels na middernacht. Ik had geen laden, geen roede, geen deur en bovendien geen zin meer en dat was dus mooi niet mijn schuld. Na vijf uur ploeteren zat ik met een halve kast en kon ik tot mijn grote verdriet na een maand nog altijd mijn kleding niet uit de verhuisdozen halen. Handig te monteren. Ja, reuze!
Natuurlijk kon ik de loodzware zijpanelen met een lengte van twee meter zesendertig niet in mijn eentje van de ene naar de andere kant krijgen. Wat dacht ik wel niet. Maar dat was het voornaamste probleem niet, daar is de man dan wel weer goed voor en wie niet sterk is... enfin. Panelen op de plaats, schroeverdeschroef, bodem erin, dak erop, timmerdetimmer, achterkantje erin schuiven, laden monteren. En daar stagneerde de boel dus. Na drie onsuccesvolle pogingen de laden exact volgens de handleiding in elkaar te zetten, begon ik toch wel even ernstig aan mezelf te twijfelen.
Na grondige inspectie concludeerde ik dat de laden echt maar op één manier in de kast pasten. In eerste instantie dacht ik dat ik als kastbouwleek iets over het hoofd gezien had, maar nee. Ik had ook onmiddellijk in opperste staat van alertheid moeten raken toen ik zag dat de doos al eens open was geweest en daarna opnieuw dichtgeplakt was. In deze doos zaten twee onderste laden en ik had één onderste en één bovenste nodig. Het verschil kwam op een millimeter of vijf maar dat waren dus wel vijf hele essentiële millimeters. En storend bovendien: zo konden de laden niet dicht.
Geen laden dus. Verder met de planken dan maar. Schroeverdeschroef, timmerdetimmer, klarie. Tijd voor de roede. Volgens de verpakking zouden hier een stang, twee steunen en zes schroeven in moeten zitten maar helaas, de schroeven zaten er niet bij. Geen roede dus want zelf beschik ik natuurlijk niet over een pot Zweudse schreufjes.
Lichtelijk geagiteerd bekeek ik de overgebleven onderdelen. Een tweetal deuren en een zak vol metaal waarvan ik zes scharnieren zou moeten kunnen maken. Vol verwachting klopte mijn hart. Kwam ik daarnet nog zes schroeven te kort, nu hield ik er ineens drie over. Vreemd, maar beter te veel dan te weinig. Met hernieuwde moed hing ik de rechter deur op. Geen probleem. De linkerdeur kreeg ik echter met geen mogelijkheid aan de kast bevestigd. Er klopte iets niet, zoveel was duidelijk, maar wat?
Ik zette de deur tegen de kast, liep een stukje naar achter, plukte aan een denkbeeldige sik en dat soort dingen en staarde enige tijd naar het geheel. Ineens viel het kwartje. Dit was helemaal geen linkerdeur. Ikea had me twee rechter deuren in de maag gesplitst terwijl ik om een linker en een rechter gevraagd had. Drommels! Wat moet je daar nou weer mee?
Ik gaf het op. Het was inmiddels na middernacht. Ik had geen laden, geen roede, geen deur en bovendien geen zin meer en dat was dus mooi niet mijn schuld. Na vijf uur ploeteren zat ik met een halve kast en kon ik tot mijn grote verdriet na een maand nog altijd mijn kleding niet uit de verhuisdozen halen. Handig te monteren. Ja, reuze!
2 november 2005
[Attractiepark Ikea]
Met mijn vader naar Ikea betekent alle mogelijke vormen van gêne aan de kant schuiven want ik weet bij voorbaat dat hij zich zal misdragen en dat is alleen maar leuk wanneer je niet nadenkt over wat de omgeving daar wel niet van moet denken. Het begint al op de parkeerplaats. Wanneer paps op een groot parkeerterrein met kronkelweggetjes rijdt, waant hij zich in een botsauto (gewoon omdat hij dat kan met zijn grote stierenvanger) en voelt hij een sterke drang tot het uithalen van malle fratsen. Zo hard mogelijk een bochtje achteruit maken, rakelings langs nietsvermoedende voetgangers scheuren en dan vrolijk zwaaien als ze een boze bakkes trekken en niet te vergeten: speed parking. Uiteindelijk prakt paps het busje behendig in een vrij vak en kan ik de ademhaling voortzetten.
Omdat ik eerder geen speld tussen zijn geratel kon krijgen ("en toen wilde ik die buis ombuigen maar wat denk je? Knakt mijn buizenbuiger! Helemaal naar de verdommenis. Dus F meteen waarom jij altijd alles shjtuk maak? Waarom jij altijd zo bruut? Jij bééést! Dus ik zeg, mag het na dertig jaar trouwe dienst? Ik probeer dat ding nog te lassen maar dat had geen zin en...") en dus ook zijn aandacht niet kon trekken, wacht ik tot paps zijn sleutels uit het contact trekt voordat ik naar de rode neonletters in de verte wijs. Paps moet er zijn bril voor opzetten en kan het dan nog niet lezen. "Wat staat daar?" vraagt paps. "Ingang" zeg ik.
"Godallejezus!" Het is maar goed dat gordels tegenwoordig ook in busjes verplicht zijn want voor ik het weet trapt paps met zijn maat zevenenveertig op het gaspedaal en scheuren we recht op de laad- en losplaatsen af, waar je natuurlijk niet mag parkeren maar dat interesseert mijn vader niet. Op vijf meter afstand van de ingang trapt hij op de rem. "Stukken beter."
Paps springt uit de bus en trekt met een zwier een karretje uit de handen van een keurige mevrouw die eigenlijk van plan was het terug te zetten in de rij. Al zwierend en de mevrouw nog net geen hartaanval bezorgend, springt hij op het karretje en manoeuvreert richting de grote draaideur onder de rode letters, wederom geen voetganger ontziend. Normaal gesproken zou dit het moment zijn waarop je je kleuter achterlaat in het ballenbad maar dit kind is ouder dan zes jaar en moet dus mee naar binnen.
Naar de Digros met vijf van mijn ukken is een stuk minder vermoeiend dan een half uurtje Ikea met mijn paps, die zodra hij binnen is spontaan last krijgt van adhd. Stoelen testen, vooruit rennen, achter een kast kruipen en met een berenvel om het hoofd geknoopt weer tevoorschijn springen, luid grommend met een grote knuffelkrokodil achter een puber aan hollen, het draaiende licht van een spotje op de grond volgen totdat hij met zijn neus tegen een muur botst en vervolgens een mr. Bean gezicht trekken wat dan weer tot grote hilariteit bij het winkelend publiek zorgt en ga zo maar door. Ik sta nergens meer van te kijken.
Wat mijn vader ook leuk vindt, is zich overal tegenaan bemoeien en irritante, nutteloze discussies aangaan met het personeel onder het mom van "ah joh, dat vinden die gasten juist geinig, anders moeten ze de godganselijke avond dat suffe gezeik van lastige klanten over lelijke kastjes aanhoren en zo houd je ze een beetje scherp". Dit terwijl zich achter hem een enorme rij klantenservicebehoeftige mensen verzamelt.
We komen dus voor kasten (je zou het bijna vergeten met zo'n man). Ik loop naar de servicebalie waarboven met koeienletters PAX KASTEN staat.
"Kan ik u helpen?" vraagt een geel gekleed mannetje.
"Heeft u ook kasten, toevalligerwijs?" vraagt mijn pa met een uitgestreken gezicht.
Het geel geklede mannetje fronst maar begrijpt gelukkig vrij snel wat voor vlees hij in de kuip heeft, anders zou het nog een lange avond worden.
"Kijkt u eens meneer, u vraagt, wij draaien. Met Ikea kunt u alle kanten op."
Ik wil een witte kast met twee deuren, twee laden, een roede en drie planken. Dat laatste zit er niet in. Ik kan kiezen uit nul, twee of vier planken. Vier is wat mij betreft ook prima, maar dan moet je net mijn vader bij je hebben...
"Geen drie planken? Wat nou 'met Ikea kunt u alle kanten op'? Eigenlijk zijn jullie gewoon heel beperkt. Eigenlijk heb je hier helemaal niet zoveel te kiezen. En in dit hele pand is er trouwens, nu we het er toch over hebben, overal éénrichtingverkeer! Tjezus wat een ballentoko. Kom dochter, we gaan ergens anders heen."
Paps grijpt me resoluut bij de arm, sleurt me vijf passen mee vooruit en draait zich dan weer om. Het gele mannetje staat erbij te kijken alsof hij zojuist zijn laatste oortje versnoept heeft.
"Geintje!"
Paps trekt een Richard Richard tronie, rolt met zijn ogen en lacht uitbundig om zijn eigen grap.
Zo is paps. Het kind in hem zal waarschijnlijk nooit verdwijnen. Toen ik klein was, ging ik vaak boodschappen doen met hem. Hij was dan degene die bij de slager om een plakje worst vroeg. Hij maakte malle huppelpasjes en zong luidkeels mee (liefst een volslagen verkeerde tekst) als we langs het draaiorgel kwamen. Hij was degene die me aan mijn achtbaanverslaving hielp. Ergens rond mijn puberteit hield het op. Paps deed zijn ding en ik het mijne. We haalde samen nog maar weinig gekkigheid uit en brachten nog nauwelijks tijd met elkaar door. Maar sinds een paar maanden lijkt het erop dat we de verloren tijd aan het inhalen zijn. Hij mag dan zo gek als een deur zijn, hij is mijn paps en we kunnen vreselijk met en om elkaar lachen, vooral wanneer de rest geen flauw idee heeft waar het over gaat. Zelfs als we ruzie maken (potje bekvechten zijn we ook goed in) eindigt dat vaak in een eersteklas lachbui.
"Oja, voor ik het vergeet, die dweil in de keuken he, die kun je maar beter in de was doen want daar heb ik dat besmeurde afvoermanchet mee schoon gepoetst..."
"Getverdemme, eikel! En dat laat je gewoon in mijn keuken liggen? Smeerpijp!"
"Ah joh, het is maar poep hoor."
"Paaaap!" *mep*
"Wat nou?" Pap trekt een gezicht alsof hij de onschuld zelf is.
"Hier!" Ik smijt de doek naar zijn rug. "Gooi die smerige strontlap weg! Teddek!"
*vecht* *kamikazekreten* *proest*
Nouja, zo gaat zo'n (bek)vechtsessie dan ongeveer. Een ander had het niet hoeven proberen want die had ik zonder pardon met de bewuste strontlap gewurgd.
We stellen een mooie kast samen en verslepen samen de loodzware onderdelen van magazijn naar bus. Uiteraard kan het pand niet verlaten worden voordat paps op iets lekkers getrakteerd is. Eigenlijk wil hij een broodje rendier (rare lui, die Skandinaviërs) maar die dingen zijn er kennelijk alleen in bevroren toestand dus wordt het softijs met spikkels. Ook grote kinderen zijn met kleine dingen blij te maken en bovendien houden ze dan eindelijk even de bakkes.
Omdat ik eerder geen speld tussen zijn geratel kon krijgen ("en toen wilde ik die buis ombuigen maar wat denk je? Knakt mijn buizenbuiger! Helemaal naar de verdommenis. Dus F meteen waarom jij altijd alles shjtuk maak? Waarom jij altijd zo bruut? Jij bééést! Dus ik zeg, mag het na dertig jaar trouwe dienst? Ik probeer dat ding nog te lassen maar dat had geen zin en...") en dus ook zijn aandacht niet kon trekken, wacht ik tot paps zijn sleutels uit het contact trekt voordat ik naar de rode neonletters in de verte wijs. Paps moet er zijn bril voor opzetten en kan het dan nog niet lezen. "Wat staat daar?" vraagt paps. "Ingang" zeg ik.
"Godallejezus!" Het is maar goed dat gordels tegenwoordig ook in busjes verplicht zijn want voor ik het weet trapt paps met zijn maat zevenenveertig op het gaspedaal en scheuren we recht op de laad- en losplaatsen af, waar je natuurlijk niet mag parkeren maar dat interesseert mijn vader niet. Op vijf meter afstand van de ingang trapt hij op de rem. "Stukken beter."
Paps springt uit de bus en trekt met een zwier een karretje uit de handen van een keurige mevrouw die eigenlijk van plan was het terug te zetten in de rij. Al zwierend en de mevrouw nog net geen hartaanval bezorgend, springt hij op het karretje en manoeuvreert richting de grote draaideur onder de rode letters, wederom geen voetganger ontziend. Normaal gesproken zou dit het moment zijn waarop je je kleuter achterlaat in het ballenbad maar dit kind is ouder dan zes jaar en moet dus mee naar binnen.
Naar de Digros met vijf van mijn ukken is een stuk minder vermoeiend dan een half uurtje Ikea met mijn paps, die zodra hij binnen is spontaan last krijgt van adhd. Stoelen testen, vooruit rennen, achter een kast kruipen en met een berenvel om het hoofd geknoopt weer tevoorschijn springen, luid grommend met een grote knuffelkrokodil achter een puber aan hollen, het draaiende licht van een spotje op de grond volgen totdat hij met zijn neus tegen een muur botst en vervolgens een mr. Bean gezicht trekken wat dan weer tot grote hilariteit bij het winkelend publiek zorgt en ga zo maar door. Ik sta nergens meer van te kijken.
Wat mijn vader ook leuk vindt, is zich overal tegenaan bemoeien en irritante, nutteloze discussies aangaan met het personeel onder het mom van "ah joh, dat vinden die gasten juist geinig, anders moeten ze de godganselijke avond dat suffe gezeik van lastige klanten over lelijke kastjes aanhoren en zo houd je ze een beetje scherp". Dit terwijl zich achter hem een enorme rij klantenservicebehoeftige mensen verzamelt.
We komen dus voor kasten (je zou het bijna vergeten met zo'n man). Ik loop naar de servicebalie waarboven met koeienletters PAX KASTEN staat.
"Kan ik u helpen?" vraagt een geel gekleed mannetje.
"Heeft u ook kasten, toevalligerwijs?" vraagt mijn pa met een uitgestreken gezicht.
Het geel geklede mannetje fronst maar begrijpt gelukkig vrij snel wat voor vlees hij in de kuip heeft, anders zou het nog een lange avond worden.
"Kijkt u eens meneer, u vraagt, wij draaien. Met Ikea kunt u alle kanten op."
Ik wil een witte kast met twee deuren, twee laden, een roede en drie planken. Dat laatste zit er niet in. Ik kan kiezen uit nul, twee of vier planken. Vier is wat mij betreft ook prima, maar dan moet je net mijn vader bij je hebben...
"Geen drie planken? Wat nou 'met Ikea kunt u alle kanten op'? Eigenlijk zijn jullie gewoon heel beperkt. Eigenlijk heb je hier helemaal niet zoveel te kiezen. En in dit hele pand is er trouwens, nu we het er toch over hebben, overal éénrichtingverkeer! Tjezus wat een ballentoko. Kom dochter, we gaan ergens anders heen."
Paps grijpt me resoluut bij de arm, sleurt me vijf passen mee vooruit en draait zich dan weer om. Het gele mannetje staat erbij te kijken alsof hij zojuist zijn laatste oortje versnoept heeft.
"Geintje!"
Paps trekt een Richard Richard tronie, rolt met zijn ogen en lacht uitbundig om zijn eigen grap.
Zo is paps. Het kind in hem zal waarschijnlijk nooit verdwijnen. Toen ik klein was, ging ik vaak boodschappen doen met hem. Hij was dan degene die bij de slager om een plakje worst vroeg. Hij maakte malle huppelpasjes en zong luidkeels mee (liefst een volslagen verkeerde tekst) als we langs het draaiorgel kwamen. Hij was degene die me aan mijn achtbaanverslaving hielp. Ergens rond mijn puberteit hield het op. Paps deed zijn ding en ik het mijne. We haalde samen nog maar weinig gekkigheid uit en brachten nog nauwelijks tijd met elkaar door. Maar sinds een paar maanden lijkt het erop dat we de verloren tijd aan het inhalen zijn. Hij mag dan zo gek als een deur zijn, hij is mijn paps en we kunnen vreselijk met en om elkaar lachen, vooral wanneer de rest geen flauw idee heeft waar het over gaat. Zelfs als we ruzie maken (potje bekvechten zijn we ook goed in) eindigt dat vaak in een eersteklas lachbui.
"Oja, voor ik het vergeet, die dweil in de keuken he, die kun je maar beter in de was doen want daar heb ik dat besmeurde afvoermanchet mee schoon gepoetst..."
"Getverdemme, eikel! En dat laat je gewoon in mijn keuken liggen? Smeerpijp!"
"Ah joh, het is maar poep hoor."
"Paaaap!" *mep*
"Wat nou?" Pap trekt een gezicht alsof hij de onschuld zelf is.
"Hier!" Ik smijt de doek naar zijn rug. "Gooi die smerige strontlap weg! Teddek!"
*vecht* *kamikazekreten* *proest*
Nouja, zo gaat zo'n (bek)vechtsessie dan ongeveer. Een ander had het niet hoeven proberen want die had ik zonder pardon met de bewuste strontlap gewurgd.
We stellen een mooie kast samen en verslepen samen de loodzware onderdelen van magazijn naar bus. Uiteraard kan het pand niet verlaten worden voordat paps op iets lekkers getrakteerd is. Eigenlijk wil hij een broodje rendier (rare lui, die Skandinaviërs) maar die dingen zijn er kennelijk alleen in bevroren toestand dus wordt het softijs met spikkels. Ook grote kinderen zijn met kleine dingen blij te maken en bovendien houden ze dan eindelijk even de bakkes.
1 november 2005
[Stront aan de knikker]
Alweer een klusverhaal? Ja, u heeft er maar even mee te leven want dit is waar mijn leven momenteel om draait. Zet de knijper maar vast op de neus, er zit een luchtje aan wat volgt.
Ik had er de grote klusalmanak nog op nageslagen. Er stond geschreven dat het afvoermanchet éérst om de potuitloop geplaatst moet worden en daarna moet het geheel in de rioolbuisopening vastgekit worden. Ik haalde driemaal diep adem en besloot vervolgens de klus uit handen te geven. De pot was loodzwaar en van afvoermanchetten heb ik geen verstand dus liet ik het aan mijn alwetende kluspaps over.
Als het om mijn kluspaps gaat, ben ik net een klein kind. Mijn papa kan alles. Zo is het en anders niet. Maar mijn onbezorgde kindervisie werd bruut verbrijzeld. In duizend stukjes lag het op de grond naast de wc-pot. Volledig aan gruzelementen. Het was zoiets als voor het eerst horen dat Sinterklaas niet bestaat. Hopeloos gedesillusioneerd stortte ik me op de in stukjes gevallen kindervisie en als een gek begon ik te lijmen. Het kan ook zijn dat ik gewoon een wenkbrauw optrok hoor, daar wil ik vanaf zijn. Mijn paps, de opperklusheld, had een foutje gemaakt. Hij had het manchet in de afvoer gekit en daar de pot overheen geschoven. Althans, dat dácht hij.
Ik had nog zo gezegd dat er iets niet helemaal deugde aan de afvoer van het toilet maar wat weet ik ervan he? Volgens mijn alwetende kluspaps zat het wel snor en wie ben ik om daar zonder technisch onderbouwde argumenten tegenin te gaan? Ik mag dan niet in staat zijn met de juiste vaktermen te smijten wanneer ik onraad ruik, ik had weldegelijk gelijk. Een beetje jammer dat ik dat pas kon bewijzen toen de stinkende ellende vanmorgen ineens in grote hoeveelheid, met angstaanjagende vaart en vergezeld van een onheilspellend geborrel en gereutel naar boven kwam zetten in de pot. Ik wist vrij zeker dat ik slechts een plas had achtergelaten voor ik doorspoelde dus wat daar in die pot dreef, kon niet goed zijn.
"Zeg luister eens paps, die afvoer lijkt me toch zo snor niet te zitten. Na de grote ploptruc, twee liter kokend water met soda en een bak ontstoppingskorreltjes zie ik nog steeds geen enkele verbetering. De derrie loopt de spuigaten uit en de stank is niet te harden. Ik moet plassen en ik wil niet meer op de emmer. HELP!"
Zonder mokken stond mijn kluspaps even later met een gigantische trekveer en een koffer vol gereedschap voor de deur. De pot moest ontkoppeld en het euvel werd onmiddellijk zichtbaar. De potuitloop was niet netjes om het manchet geschoven maar stond er zo'n twee centimeter schuin bovenop. Een uiterst onsmakelijke lekkage was het gevolg. Het manchet moest, terwijl er aan alle kanten ontlasting uit droop en aan vast kleefde, losgewrikt en opnieuw bevestigd worden. Een ranzige smeerboel in mijn gloednieuwe toilet. Happy Halloween indeed.
Mijn kluspaps was voor dit stinkende gat niet te vangen. Wanneer ik soms optimistische trekjes vertoon, weet u dat ik dat niet van een vreemde heb. Na een opmerkelijk vrolijk "iiieeeeewww" (denk aan de wc-scene uit Ernest goes to camp) ging hij fluitend aan de slag. Wrikken, poetsen, knutselen. Volgens paps zijn er drie belangrijke elementen in de klusmentaliteit:
1. fluiten helpt
2. als het niet lukt, moet je je gewoon even kwaad maken
3. vergeet niet altijd te blijven lachen
Zo gezegd, zo gedaan. Inmiddels kan ik weer naar hartelust toiletteren zonder het geproduceerde vervolgens in drievoud in mijn nek te krijgen, drie versies van The excorsist vond ik eigenlijk wel genoeg horror in twee dagen. Het vertrouwen in mijn kluspaps is hersteld. Het gaat dan misschien niet altijd in één keer goed, uiteindelijk klaart hij de klus toch maar weer mooi. Mijn papa kan alles. Zo is het en anders niet.
Ik had er de grote klusalmanak nog op nageslagen. Er stond geschreven dat het afvoermanchet éérst om de potuitloop geplaatst moet worden en daarna moet het geheel in de rioolbuisopening vastgekit worden. Ik haalde driemaal diep adem en besloot vervolgens de klus uit handen te geven. De pot was loodzwaar en van afvoermanchetten heb ik geen verstand dus liet ik het aan mijn alwetende kluspaps over.
Als het om mijn kluspaps gaat, ben ik net een klein kind. Mijn papa kan alles. Zo is het en anders niet. Maar mijn onbezorgde kindervisie werd bruut verbrijzeld. In duizend stukjes lag het op de grond naast de wc-pot. Volledig aan gruzelementen. Het was zoiets als voor het eerst horen dat Sinterklaas niet bestaat. Hopeloos gedesillusioneerd stortte ik me op de in stukjes gevallen kindervisie en als een gek begon ik te lijmen. Het kan ook zijn dat ik gewoon een wenkbrauw optrok hoor, daar wil ik vanaf zijn. Mijn paps, de opperklusheld, had een foutje gemaakt. Hij had het manchet in de afvoer gekit en daar de pot overheen geschoven. Althans, dat dácht hij.
Ik had nog zo gezegd dat er iets niet helemaal deugde aan de afvoer van het toilet maar wat weet ik ervan he? Volgens mijn alwetende kluspaps zat het wel snor en wie ben ik om daar zonder technisch onderbouwde argumenten tegenin te gaan? Ik mag dan niet in staat zijn met de juiste vaktermen te smijten wanneer ik onraad ruik, ik had weldegelijk gelijk. Een beetje jammer dat ik dat pas kon bewijzen toen de stinkende ellende vanmorgen ineens in grote hoeveelheid, met angstaanjagende vaart en vergezeld van een onheilspellend geborrel en gereutel naar boven kwam zetten in de pot. Ik wist vrij zeker dat ik slechts een plas had achtergelaten voor ik doorspoelde dus wat daar in die pot dreef, kon niet goed zijn.
"Zeg luister eens paps, die afvoer lijkt me toch zo snor niet te zitten. Na de grote ploptruc, twee liter kokend water met soda en een bak ontstoppingskorreltjes zie ik nog steeds geen enkele verbetering. De derrie loopt de spuigaten uit en de stank is niet te harden. Ik moet plassen en ik wil niet meer op de emmer. HELP!"
Zonder mokken stond mijn kluspaps even later met een gigantische trekveer en een koffer vol gereedschap voor de deur. De pot moest ontkoppeld en het euvel werd onmiddellijk zichtbaar. De potuitloop was niet netjes om het manchet geschoven maar stond er zo'n twee centimeter schuin bovenop. Een uiterst onsmakelijke lekkage was het gevolg. Het manchet moest, terwijl er aan alle kanten ontlasting uit droop en aan vast kleefde, losgewrikt en opnieuw bevestigd worden. Een ranzige smeerboel in mijn gloednieuwe toilet. Happy Halloween indeed.
Mijn kluspaps was voor dit stinkende gat niet te vangen. Wanneer ik soms optimistische trekjes vertoon, weet u dat ik dat niet van een vreemde heb. Na een opmerkelijk vrolijk "iiieeeeewww" (denk aan de wc-scene uit Ernest goes to camp) ging hij fluitend aan de slag. Wrikken, poetsen, knutselen. Volgens paps zijn er drie belangrijke elementen in de klusmentaliteit:
1. fluiten helpt
2. als het niet lukt, moet je je gewoon even kwaad maken
3. vergeet niet altijd te blijven lachen
Zo gezegd, zo gedaan. Inmiddels kan ik weer naar hartelust toiletteren zonder het geproduceerde vervolgens in drievoud in mijn nek te krijgen, drie versies van The excorsist vond ik eigenlijk wel genoeg horror in twee dagen. Het vertrouwen in mijn kluspaps is hersteld. Het gaat dan misschien niet altijd in één keer goed, uiteindelijk klaart hij de klus toch maar weer mooi. Mijn papa kan alles. Zo is het en anders niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)

