2 april 2010

[Er is iets met die stok] (sequel)

Vanaf heden is de sportstok niet meer het meest hilarische object in huis. En wel hierom:

Ik heb een mysterie (dat zo mysterieus was dat ik het tot gisteren niet eens als mysterie herkende, kun je nagaan!) ontrafeld. Ik ben achter het ware nut van de sportstok gekomen.

Mijn lief 'traint' om mij volgend jaar moeiteloos over de drempel te tillen!

Ik weet alleen nog niet of ik nu vertederd of beledigd moet zijn...

23 maart 2010

[Huishoudelijke mededeling]

Excuses, excuses!
Ik ben tijdelijk onder constructie (nee echt).
I'll be back though!

2 maart 2010

[Puberpaps]

“Waarom zit mijn zoon op de bank?” vroeg de papa van Melle me.
“Hij heeft de regels overtreden, daar hebben we van tevoren afspraken over gemaakt.”
“Mijn kind doet zoiets niet” zei de papa van Melle stellig.
“Toch wel” zei ik.
“Maar daar kun je een kind van vijf niet om straffen, dat snapt hij niet!” riep de vader van Melle verontwaardigd.
“Toch wel hoor” zei ik.
“En nou moet hij de hele middag op de bank zitten? Dat kun je niet maken.”
Ik keek op mijn horloge.
“Vijf minuten. Nog één minuut en hij mag bewijzen dat hij zich aan de regels kan houden.”
“Belachelijk! Kom Melle, we gaan.”

Opmerkelijk. Maar daarmee was de kous nog niet af. De volgende dag kwam papa binnen zonder mij te groeten. Hij richtte zich direct tot zijn zoontje waar ik vlak naast zat.

“Hoi Melle, heb je nog straf gehad?”
Melle keek even op van zijn tekening en schudde zijn hoofd.
“Heb je al tegen de juf gezegd wat je van plan bent?”
Melle schudde weer zijn hoofd en tekende ijverig verder.
“Dat je een brief gaat schrijven aan Sinterklaas, dat hij de juffen dit jaar maar geen cadeautjes moet brengen?”
“Hmm” deed Melle terwijl hij geconcentreerd het rode potlood in de slijper stak.

Mijn mond viel nog net niet open. Dit was je reinste kind-octrinatie. Dit was vast papa’s idee en hij durfde het niet eens recht in mijn gezicht te zeggen.
“Zeg maar hoi-je Melle, we gaan.”
Zonder zelf gedag te zeggen nam hij Melle mee naar huis.

De week erop had Melle ruzie met Syl. Het meningsverschil liep uit op een uitbundige vechtpartij. Aan mijn gezicht zagen de knulletjes meteen hoe laat het was.
“Aan tafel” zei ik, “allebei.”
Na een pedagogisch verantwoord gesprekje liet ik hen nog even aan tafel zitten, met wat boekjes. Natuurlijk kwam op dat moment Melles papa binnen. Hij zei niets maar zijn gezicht sprak boekdelen: hij was het hier niet mee eens.

Helaas voor vader en zoon eindigde de volgende dag wéér met een reprimande. Ik voelde de bui al hangen…

“Wat doe jij binnen met dit weer?!” vroeg papa verbaasd.
“Ik moest mee naar binnen om te praten" fluisterde Melle, “want ik heb Syl gestompt.”

Nu richtte papa zich tot mij.
“Dus alle kinderen zijn hier lekker buiten aan het spelen en mijn kind zit binnen. En daar krijg ik elke maand een dikke rekening voor. Papa kan het betalen.”
Hij keek me niet aan terwijl hij sprak.
“Dat Melle een kind stompt kunnen wij niet zomaar tolereren en dat weet hij” verklaarde ik.

Papa was not amused. Hij pakt Melle bij zijn arm en nam hem mee naar buiten. Syl rende achter Melle aan om dag te zeggen.

“Ha Syl,” zei de papa van Melle en vervolgde op overdreven luide toon “heeft jouw papa de rekening al betaald?”

Zo. Dat was nog even een trap na voor mij.

Ik besloot dat ik genoeg geslikt had van deze puberende papa en bedacht drie opties.
1. Hij communiceert met onmiddellijke ingang op een normale, volwassen manier met me,
2. óf ik nodig hem uit voor een gesprek over zijn manier van communiceren,
3. óf hij krijgt een koekje van eigen deeg.

Een nieuwe dag met nieuwe kansen, voor iedereen. De papa van Melle kwam binnen en graaide twee koekjes uit de trommel.

“Oohh! Hij pakt twee koekjes! Dat mag niet!” riep een van de kleuters.
Hoewel ze zelf nogal eens ‘per ongeluk’ de fout in gaan, hebben ze een soort voelsprieten voor de ‘foutjes’ van anderen. Soms is dat best handig.
“Hij moet het ook eerst vragen!” riep de tweede.
Een derde bijdehandje wist er nog aan toe te voegen “en hij heeft niet eens eerst zijn handen gewassen.”

Ineens vulde mijn lijf zich met een tevreden, warm gevoel: wat was ik trots op mijn ukken!

“Dus, nou moet de papa van Melle straf hè?” zei de eerste kleuter.

Ik keek de papa met mijn meest autoritaire blik aan.
De papa keek terug met een blik van wat-krijgen-we-nou?!
De ene helft van de groep begon te giegelen en de andere helft hield van spanning de adem in.

“Tsja papa, ook dat hoort bij de regels. Zoals je merkt weten alle kleuters prima hoe het hoort. Misschien moeten we het even over de afspraken hier hebben?”

“En dan sorry zeggen, hè juf?” maakte Melle het gebruikelijke scenario af.
“Juistum, wijsneus.”

Sommige ouders hebben meer nood aan opvoeding dan hun kinderen. En op die momenten is er niets mooier dan een kind dat zijn ouders het goede voorbeeld geeft. Dat volwassen communicatie de komende tijd waarschijnlijk nog even een no-go is neem ik dan maar voor lief.

1 maart 2010

[Het nieuwe veilig rijden]

Ik ben dus pedagoog. Echter, wegens bezuinigingen ben ik tegenwoordig ook:

- chefkok (ouders en kinderen kunnen bij ons dineren)
- zwembegeleider (als de school geen zwemles aanbiedt, doen wij het wel)
- ergo-coach (lekker de hele dag collega’s aan de kop zeuren over verkeerde houding en bewegingen)
- Vrouw Holle (onze gastvrouw is wegbezuinigd)
- administratief medewerker (u denkt toch niet dat de baas zelf al die formulieren in gaat zitten vullen)
- telefoniste (voor al uw vragen, klachten, bestellingen en overige opmerkingen)
- taxichauffeur (onze professionele chauffeurs zijn ook wegbezuinigd)

Het besturen van de taxibus vind ik zelf wel een kloeke bijkomstigheid. Maar de collega’s begonnen stante pede te steigeren. Eén van hen vond het zo eng dat ze haar ontslag heeft ingediend. Zelfs de speciaal ingelaste rijlessen konden haar daar niet van weerhouden. En dat terwijl ze zich helemaal geen zorgen hoefde te maken!

En wel hierom.

Toen ik voor mijn eerste rit de autosleutel pakte, bungelde er een zilveren hangertje aan. Het was Sint Christoffel, beschermheilige van de reiziger. Dat laatste wist ik toevallig omdat ik de dag ervoor ‘Der Unhold’ had gezien; een film waarin de symboliek van deze heilige werd uitgelegd. Zelf ben ik zo katholiek als een omgekeerd kruis. Mijn beschermheiligen bestonden tot voorkort uit gordels en airbags.

Ik hing Christoffel aan de achteruitkijkspiegel want dat leek me wel zo leuk voor hem, beetje uitzicht enzo. Hij zag er tevreden uit. Toen ik terug kwam met een bus vol kinderen, ongedeerd en wel, vroeg ik mijn baas wie er zo attent was geweest.
“Hoe bedoel je?” vroeg mijn baas.
Ik hield Christoffel voor haar neus.
“Oh!” riep mijn baas. “Die kwam met de zegening!”
“Wablief?!” riep ik verbaasd.

De baas legde uit dat de pastoor een week eerder speciaal was uitgerukt om de taxibus te zegenen en dat hij ons Christoffel had geschonken.
“Als een soort relatiegeschenk bij een hemelse verzekering?” vroeg ik.
Hoewel ik me even later bedacht dat het misschien een wat ongepaste reactie was, schoot ik keihard in de lach.
“Met Christoffel bij de hand, rijd je veilig door het land!” grapte ik verder.

Al snel werd ik tot de orde geroepen. Als heiden in een katholiek bolwerk heb ik nog een hoop te leren. Het zegenen van ‘dingen’ is hier namelijk al heel lang de normaalste zaak van de wereld. Of het nu een auto is of een stoomschip, een rollator of een kunstheup, alles kan gezegend worden. Dat aardse verzekeringsmaatschappijen hier nog werk hebben mag een klein wonder heten.

Bij navraag bleek dat de collega die eerder doodsangsten uitstond zich beduidend veiliger voelde na dit ritueel. Nou, daar was ik dan gezegend mee. Toen ik voor het eerst als passagier bij haar in de taxibus zat, zwiepte Christoffel zo hard heen en weer dat hij bijna de spiegel stuk sloeg. Ik zag paniek in zijn kleine zilveren oogjes. Of was het wagenziekte?

“Morituri te salutant” mompelde ik zachtjes terwijl ik me aan het dashboard vasthield en angstig terug keek naar Christoffel, die inmiddels weer glimlachte. Hij had ondertussen natuurlijk bedacht dat hem, als reisheilige, niets kon overkomen. Bovendien was hij van zilver.

“Whooeeee, aaahhh!” deed mijn collega en pakte een stoeprandje mee. Zo croste in derde versnelling over een rotonde, schold een fietser uit (katholieken vloeken hier meer dan ketters), ramde op de claxon en trapte toen vol op de rem voor een zebrapad.

“Nou, dat ging best lekker” zei de collega toen ze de bus voor de school geparkeerd had.
Ik keek naar Christoffel. Zou hij de reden zijn dat ik nog steeds in die taxi zat in plaats van in een ambulance? Hij was in ieder geval wel de aanstichter van het waaghalsgedrag van mijn collega. Lekkere talisman dan.

“Bedankt hè, Stoffel” zei ik tegen het zilveren mannetje. Ik startte, bij gebrek aan vertrouwen in de stuurkunsten van mijn collega, zelf de motor voor de terugreis.
“Je vindt het vast niet erg dat ik gewoon op mijn gordel en airbag blijf vertrouwen, toch, Stoffel?”
Ik zweer je dat ik hem zag grijnzen.

28 februari 2010

[Als ik hier druk, doet het daar pijn]

Elke keer als ik lig te creperen op de bank spoken de woorden van de dokter door mijn hoofd: dit gaat nooit meer over, leer er maar mee leven.
Nee! Denk ik dan. Nee! Nee! en nog eens Nee! Ik accepteer het niet. Liever koppig dan kapot.

Verschillende mensen hebben me het afgelopen jaar aangeraden naar een osteopaat te gaan.
“Een osteopa-haat?” vroeg ik dan, “die doet toch iets met botten?”
Wist ik veel.

Na wat speurwerk ontdekte ik dat osteopaten een soort wonderdokters met gouden handen zijn die wel honderd verschillende chronische klachten kunnen verhelpen. Ook PDS.

Ik las: aan darmklachten liggen vaak verklevingen van ophangstructuren van organen of verminderde aansturing van de darmen door zenuwen vanuit de wervelkolom ten grondslag.

Kleverige ophangstructuren, daar had ik de weledelgeleerde heren doktoren nog nooit over gehoord. Ik had er überhaupt nog nooit van gehoord maar blijkbaar bestaat dat dus en misschien heb ik er wel last van. Er was maar één manier om erachter te komen.

De osteopaat was gelukkig geen oude snorremans met een bril op het puntje van zijn neus en een groot kruis aan de wand achter zich. Daar ben ik altijd bang voor omdat mijn vorige huisarts zo iemand was. Zo’n mannendokter die niks van vrouwendingen snapt. De osteopaat was een jonge vrouw met een vriendelijke uitstraling en een hippe praktijk. En, niet onbelangrijk voor de opperkoukleum die zich al zag vernikkelen zonder kleren, vloerverwarming!

Eerst bespraken we de formulieren die ik van tevoren had ingevuld. Een hele waslijst: welke kinderziektes en vaccinaties, welke operaties en medicijnen, welke therapieën en mijn complete chronologische kwalengeschiedenis. Een half uur later moest ik me uitkleden.

Wat ongemakkelijk ging ik voor de osteopaat staan. ‘Ongemakkelijk’ omdat ik het idee had dat ik een bepaalde pose moest aannemen waarin ik eruit zag alsof ik het doodnormaal vond om me door een vreemde te laten observeren in mijn blote ondergoed. Eigenlijk had ik er helemaal geen probleem mee maar ik was bang dat zij zou denken dat het wel zo was dus ik wilde het tegenovergestelde uitstralen maar omdat ik niet zeker wist hoe ik dat moest doen, zag het er alsnog ongemakkelijk uit. Vandaar. In mijn hoofd bevinden zich rare kronkels.

“Tjee, jij bent niet echt symmetrisch hè?”
Nope. Ik had haar al gewaarschuwd. Mijn ene been is korter dan mijn andere been, daardoor staat mijn ene heup lager en mijn ribbenkas heeft ook een architect van likmevestje gehad.

“Naar voren bukken, naar achteren strekken, naar links, en nu naar rechts en kom maar weer rechtop staan.”
Ditzelfde ritueel moest ik zittend op mijn knieën herhalen en daarna zittend op een bankje. De osteopaat schudde me aan mijn schouders heen en weer en zette streepjes langs mijn wervelkolom. Toen moest ik op mijn buik liggen en vervolgens op mijn rug om mijn benen alle mogelijke kanten op te duwen. Ik stond versteld van mijn eigen lenigheid.

Het laatste onderdeel was het meest vreemde. Eerst begon ze me op allerlei plekken te knijpen en moest ik de pijn een cijfer geven. Daarna duwde ze op mijn ingewanden, naast mijn ingewanden en onder (ja echt! Ze schepte met haar hand als een soort lepeltje zo alles omhoog!) mijn ingewanden. Daarmee was het onderzoek klaar.

“En?” vroeg ik vol spanning. Ik kon me niet voorstellen dat ze naar aanleiding van dit alles iets bijzonders en, nog belangrijker, iets behandelbaars had gevonden maar ik was reuze benieuwd.

“Nou, kort samengevat: het sigmoideum zit vast en je linkereierstok ook. Je bekken, je heiligbeen en je onderste lendenwervel staan scheef. De zenuwen die op dit punt de wervelkolom in gaan worden belemmerd.”

Ik keek haar met grote ogen aan.
“En mijn ophangstructuren dan? En de verklevingen?”
De osteopaat lachte. “Ik ga eerst je organen vrij maken, dan kijken we naar de rest.”
“Dus ehm, het kan zomaar zo zijn dat je mijn klachten kan laten verdwijnen?” vroeg ik.
“Ik ga mijn best voor je doen, bij het grootste deel van de patiënten behaal ik zeer positieve resultaten. Je mag je weer aankleden hoor.”

Ondanks het beurse gevoel in mijn buik liep ik tevreden naar buiten. Wat nou 'leer er maar mee leven'? Wat zou ik tegen de dokter zeggen als ik hem weer zie? Die trekt mijn bezoek aan de osteopaat vast meteen in twijfel. Maar ik ben nu eenmaal koppig. Daar moet híj maar mee leren leven.

19 februari 2010

[Kwaad bloed op de prikpoli]

Ik heb zo ongeveer een abonnement op de huisarts. Het is niet anders. Mijn lijf werkt me nu eenmaal graag tegen. Zo ook de afgelopen week.

Het voornaamste symptoom was buikpijn. What else is new zou je denken, want ik heb chronisch buikpijn. Dat komt door mijn prikkelbare darm. Wist je trouwens dat ‘darm’ een Leids scheldwoord is? Betekent ellendeling. Goed verzonnen. Mijn darmen zijn namelijk ook ellendelingen. Anyway, dit was dus andere buikpijn. Bovendien had ik verhoging, rugpijn en moest ik nóg vaker plassen dan gewoonlijk (mijn OVA noemt me niet voor niets ‘zeikwijf’ wanneer ik ’s nachts voor de vijfde keer onder de dekens vandaan kruip om naar het toilet te sluipen). Ik moest maar even een plasje langs brengen.

Okidoki.
De assistente goot mijn plasje in een kleine centrifuge. Omdat de dokter het zekere voor het onzekere wilde nemen, bevoelde hij mijn darmen, maakte hij een uitstrijkje, beval de assistente een zwangerschapstest te doen en stuurde hij me ook nog even langs de prikpoli waar ik een paar buisjes bloed moest laten aftappen.

“Waarom moet dat allemaal?” vroeg ik argwanend.
“Voor de zekerheid” zei de dokter.
“Welke zekerheid?” vroeg ik.
“Dat er niets ernstigs aan de hand is” zei de dokter.
“Denkt u dat dan?” vroeg ik angstig.

De dokter schudde zijn hoofd en lachte. Hij legde uit dat dit ‘gewoon beleid’ was. Ik legde hem uit dat ik ‘gewoon blaasontsteking’ had. En toch moest ik bloed laten prikken.

Ik strekte mijn arm, de naald ging erin maar het bloed bleef weg.
“Maak eens een vuist” zei de assistente.
Er kwam geen bloed. De assistente klopte met vlakke hand op mijn arm.
“Nou, het wil niet echt stromen hè, dat bloed van jou, even een nieuwe naald proberen.”

Dat heb ik weer. Bloed dat banger is voor de naald dan ikzelf.

De assistente prikte de naald in mijn arm en wachtte maar er gebeurde niets. Ik raakte een beetje geïrriteerd. Wist ze eigenlijk wel waar ze mee bezig was?
“Hm” deed de assistente en begon vervolgens in mijn arm te knijpen.
“Hee!” riep ik, want dat deed zeer.
“Sorry” zei de assistente “soms moet je het bloed een beetje op gang helpen.”
Er gebeurde nog steeds niets.

“Eh, ik heb er natuurlijk geen verstand van” stamelde ik “maar zit ‘ie er wel goed in? Die naald bedoel ik, in de ader.”
“Ja natuurlijk” snauwde de assistente nu, alsof ik zojuist de allerstomste vraag ooit gesteld had en haar ernstig beledigde.

Ik had beter mijn mond kunnen houden. Ze wrikte met de naald heen en weer (auw!), kneep nog eens in mijn arm en toen rolden er drie zielige druppeltjes bloed in het buisje.
“Hm” deed de assistente weer “dat is veel te weinig, je zult wel dik bloed hebben, ik probeer nog een nieuwe naald.”

Welja joh. Tuurlijk. Eerst heb ik bang bloed en nou heb ik weer dik bloed. Nog even en mijn bloed begint te koken! Zou jij niet eens teruggaan naar de prikacademie?

De derde naald ging godzijdank recht mijn ader in. Het buisje stroomde in één keer vol en na drie buisjes was ’t klaar. Mijn arm dacht daar helaas anders over want de naald was eruit maar het bloed bleef als een gek stromen.

“Hm” deed de assistente. Ze deed er een gaasje, een dot watten en een paar pleisters op.
“’t Zal misschien een beetje blauw worden” waarschuwde ze.
Daar twijfelde ik niet aan. Ik maakte me wel een beetje zorgen om mijn plasje, want dit zelfde wicht bediende ook de plascentrifuge.

“Mevrouw!”
Dat was tegen mij. Eindelijk.
“En wat luidt het oordeel? Blaasontsteking zeker hè? Ik zei het toch. Al dat gedoe, geef me dat receptje maar dan heb je van mij geen last meer.”
“Ehh…” zei de assistente.
“Wat, het is toch blaasontsteking? Toch?”

“U bent zwanger.”

Mijn hart schoot spontaan in mijn keel waardoor ik me verslikte en pas na een heftige hoestbui uit kon roepen “Ik ben WAT?!!”

Op dat moment kwam er een andere assistent tevoorschijn met een stapel briefjes. Met het bovenste briefje wapperde hij voor de neus van het wicht en legde het toen op de balie.
“Sorry hoor, mijn collega had het verkeerde potje te pakken. Hier is uw resultaat. Blaasontsteking, vervelend, ik schrijf even een receptje.”

De woorden van de het wicht herhaalden zich in mijn gedachten.

Soms moet je het bloed een beetje op gang helpen.
Maak eens een vuist.


Dus ik balde mijn vuist en sloeg haar in één formidabele klap een bloedneus. Beng!

Nee hoor. Maar geloof me, ik had het met alle plezier gedaan. En dan had ik gewoon mijn zwangerschapshormonen de schuld gegeven.

17 februari 2010

[Op heup van zegen]

Een tijdje geleden besloot ik, in het kader van ‘bijna dertig’ en ‘voor het te laat is’, een complex over boord te zetten.

Twaalf jaar geleden droeg ik voor het laatst een spijkerbroek. Mijn lievelingsbroek in die tijd. Ondanks de slijtplekken en de vervaalde kleur kon ik er geen afscheid van nemen, tot ik op een kwade dag uit ’t kruis scheurde. Ik wilde absoluut geen nieuwe want geen enkele broek zou kunnen tippen aan mijn lievelingsbroek.

Twee jaar later was mijn rouwproces voorbij. Maar op de een of andere manier had het plaatsgemaakt voor een complex met betrekking tot de heupen. In mijn ogen (en onder het juk van de dictatuur der slankheid) waren mijn heupen gigantisch en als de reusachtigheid ervan ergens in benadrukt zou worden, was het wel een spijkerbroek. Dus ik zwoor de spijkerbroek af.

Ik zwoor sowieso alles wat te strak en onthullend was af omdat ik tien jaar geleden meer complexen dan ledematen had. Gelukkig zijn de meeste inmiddels gesneuveld (complexen, niet ledematen) maar dat van die heupen bleek hardnekkig. Heb ik echt super mijn best voor moeten doen. Maar het is gelukt!

Een week geleden begon het ineens te kriebelen. Ik schrok er helemaal van! Hoorde ik mezelf nu echt denken dat ik misschien wel weer eens toe was aan een spijkerbroek?
Ja. Verrek.
En waarom ook niet eigenlijk?
Mijn heupcomplex zou met de aankoop van een spijkerbroek officieel nietig verklaard worden.

Enthousiast sprong ik op de fiets en ging op jacht. Al fietsend bedacht ik me dat ik echt niks weet van spijkerbroeken. En dan voornamelijk op het gebied van maten. Ik herinnerde me dat ik 12 jaar geleden maat 27 had, dus het moest in ieder geval groter zijn dan dat en de lengte moest lang, wegens lange benen.

Omdat ik vijf items naar het pashok mee mocht nemen, pakte ik maat 29 t/m 33.
En omdat ik geen idee had wat hip en hot was maar bijna iedereen in van die huidstrakke exemplaren zie lopen, koos ik voor dat model, ondanks dat ze de heupen accentueren. Ik voelde me dapper.

De verkoopster keek me een beetje vreemd aan. Waarschijnlijk omdat ze de 33 boven op zag liggen en zij wél verstand had van maten. Dat kwartje viel bij mij pas toen ik hem aantrok en ik eruit zag als een van die jochies van Kris Kross (één keer ‘jump’ en de broek lag op mijn enkels).

Toen ik bij de 30 was had ik zowaar een match.
“Whiehoei!” riep ik verheugd terwijl ik een rondje om mijn eigen as draaide.
“Eh, mevrouw?” vroeg de verkoopster voorzichtig “Alles ok?”
Ik zwiepte het gordijn opzij en sprong uit ’t hok. De verkoopster deinsde van schrik een meter terug.
“Jazeker!” riep ik.
“Heeft u hier misschien een leuke riem bij?”

Voor de waarlijk hippe mensheid zijn ze waarschijnlijk alweer ‘zó 2009’ maar voor mij zijn de skinny jeans een mijlpaal!

[Er is iets met die stok] (slot)

“Laat je nou zakken!” zei mijn OVA ongeduldig.
“Jij je zin” zei ik, omdat ik voelde dat mijn handen zo zweterig geworden waren dat ik van de stok af gleed. Met een plof kwam ik op de grond terecht. “Eén.”

Nu was het mijn OVA’s beurt om te lachen. Missie geslaagd: hij zag eindelijk de grappigheid van deze uitsloverij in. Enige minpuntje was dat ik echt verging van de pijn. Niet normaal. Maar mijn OVA bleef lachen. En dat maakte me boos. Zo boos dat ik hem een mep wilde verkopen. Helaas waren mijn armen te verkrampt dus na een laf uithaaltje schoot mijn arm weer terug in de verkrampte uitgangspositie.

“Auhauwauw!” riep ik.
Mijn OVA moest nog veel harder lachen.
Oké. Dit was het moment.
Ik bracht mijn wenkbrauwen in positie, kneep mijn ogen samen, deed een kaakklem, perste mijn lippen samen en beeldde me in dat ik bliksems kon afvuren met mijn ogen.

Mijn OVA raakte in een soort lachstuip. Hij moest zo hard lachen dat hij tegen de muur viel en naar zijn buik greep. Tranen biggelden over zijn wangen. Ik zag dat hij iets wilde zeggen maar dat lukte niet.

“Auw, mijn buik!” schaterde hij uiteindelijk.
“Net goed!” riep ik wraakzuchtig.
“Hahaha, waar heb je dat nou weer geleerd? Hahaha!”

Ik rolde de Quest op.
“Hier” zei ik.
Ik mepte mijn OVA tegen z’n knar met m’n papieren knuppel, net zo lang tot hij ophield met lachen.

“Dat. Was. Niet. Grappig.” zei ik. “Geef toe!”
Mijn OVA richtte zijn blik omlaag. “Nee dat was inderdaad compleet zouteloos. Niks aan.”
“Precies,” zei ik “dat was echt het meest ongrappige dat ik ooit heb meegemaakt.”
“Ja. Die stok heeft duidelijk een lachwekkendheidspotentietekort.”

De bel ging.
Mijn OVA en ik trokken een serieus gezicht.
Ik deed open.
Het was mijn vader.

“Hee, wat hebben we hier?”
Paps bestudeerde de sportstok en vouwde vervolgens zijn handen om het schuimrubber.
“Even kijken of ik ’t nog kan hoor!”

Paps haalde diep adem, trok zich op en pleurde met stok en al naar beneden.

Mijn OVA en ik hielden tegelijk onze adem in.
Toen keken we elkaar aan en ja hoor.
Als de lachbui van daarnet een vloedgolf was, hadden we nu samen een tsunami gecreëerd.

Ik zweer dat er iets met die stok is.

16 februari 2010

[Er is iets met die stok] (deel 3)

Inmiddels kan mijn OVA zich al zeven keer optrekken. Ik ben best wel trots op hem hoor maar het blijft grappig om hem zich zo te horen uitsloven. Omdat hij daar nog steeds geen snars van snapt, besloot ik hem eens na te doen.

Ik vouwde mijn handen om het schuimrubber, haalde diep adem en begon.
“Eeuuhhhrgh... éééhhn... euuhhhrghh... tuhwééé...”

“Ik geloof je niet!” riep mijn OVA vanuit de keuken.
Damn.
“euuhhhrghh... driieee...”
“Wedden dat je nog gewoon op de grond staat?”
Mijn OVA kent me te goed.

“Doe ’t nou eens echt” daagde mijn OVA me uit. “Kom op, laat maar eens zien wat je kunt dan, ik beloof dat ik niet zal lachen.”
Nou. Vooruit dan maar. Ik wilde me niet laten kennen dus ik vouwde mijn handen weer om het schuimrubber, haalde diep adem en begon. Maar nu echt.

Allejezus.

Ik voelde dat mijn hoofd rood aanliep.
Ik voelde elke spier in mijn arm verzuren.
Ik had het gevoel dat ik vijf minuten over deed voordat ik mezelf eindelijk zover had opgetrokken dat ik over de sportstok heen kon kijken.
Ik vond het niet grappig.

“En nou weer langzaam laten zakken” zei mijn OVA alsof hij mijn persoonlijke sportinstructeur was.
“Kan ik niet” piepte ik.
“Wat nou kan ik niet?”

Het was waar. Ik was een grote klomp kramp geworden en het was onmogelijk om mijn armen weer te strekken. Dus daar hing ik. Trillend van inspanning en pijn. Aan zijn stomme sportstok. Ik vroeg me af hoe lang ik dit nog zou volhouden.

15 februari 2010

[Er is iets met die stok] (deel 2)

Toen mijn OVA uitgelachen was, vroeg ik hem of hij nu eindelijk had ingezien dat zijn stoksport gewoon lachwekkend was.

“Nee jij!” zei mijn OVA.
“Dat gezicht dat je net trok, wat moest dat dan weer voorstellen?”
“Dat was boos” verklaarde ik. “Ik mocht van jou niet lachen, dus, vandaar.”
“Boos? Haha! Dat kun jij helemaal niet. Je ziet er hooguit guitig uit, maar boos? Daar zul je echt beter je best voor moeten doen.”

Hm. Ja. Misschien zag ik er ook niet echt boos uit. Maar dat komt omdat ik niet boos was. Ik ben eigenlijk nooit boos op mijn OVA, vandaar dat hij mij nog nooit écht boos heeft zien kijken. Maar ik kon het heus wel. Hoor.

Toch?

Ik begon me zorgen te maken. Misschien kon ik het wel echt niet. Misschien had ik er gewoon het hoofd niet voor. Maar boosheid is een basisemotie. Ik ben heus wel eens boos en als ik boos kan zijn dan zou het best wel erg zijn als ik daar geen gepaste blikken bij had.

Mijn OVA had de nieuwe Quest meegebracht en laat daar nou een stukje in staan over op verantwoorde wijze boos kijken. Ik ging met de Quest voor de spiegel staan en oefende ‘boos’.

Wenkbrauwen dreigend omlaag en naar elkaar toe drukken.
Ogen samen knijpen tot woeste spleetjes.
Kaken op elkaar klemmen en lippen op elkaar persen, een beetje Frank van Putten meets Femke Halsema, maar dan dus boos.

Na dertig keer had ik kramp in elke aangezichtsspier (en was ik meteen een paar rimpels rijker) maar volgens mij had ik ‘m nu aardig onder de knie. Ik kon ‘boos’ en ik was er trots op. Nu nog even een gepaste situatie afwachten om het geleerde in de praktijk te brengen.

14 februari 2010

[Er is iets met die stok] (deel 1)

Mijn OVA heeft een sportstok. Vanaf het moment dat hij het ding meebracht vind ik de sportstok (een stang met schuimrubberen handgrepen die je tussen twee deurposten kunt klemmen en daar kun je je dan aan optrekken) het meest hilarische object in ons huis. Sterker nog: ik vond het al dolkomisch toen hij aankondigde dat hij hem ging kopen.

Mijn OVA trok zich met een hoop “euuhhhrghh” en “aahhh” op, bleef even hangen en plofte toen uitgeput op de grond.
Ik kwam niet meer bij.

“Dat is ééén” proestte ik.
“Lach maar” zei mijn OVA, die zijn nieuwe hobby duidelijk een stuk serieuzer nam dan ik, “ik moet gewoon even oefenen.”
“Uhhu.”
En zo geschiedde.

Vanaf dat moment hing mijn OVA elke avond kreunend aan zijn sportstok.
“Eeuuhhhrghh... ééhhn... euuhhhrghh... tuhwéé... euuhhhrghh..... driieee!”
Gevolgd door een plof.
Ik kon er niets aan doen maar het werkte gigantisch op mijn lachspieren.
Het was gewoon te grappig.

Mijn OVA vond van niet. En hij vond het ook niet grappig dat ik steeds in de lach schoot want dan moest hij ook lachen en dan kon hij zich niet meer optrekken. Het was dus mijn schuld dat hij na een week nog steeds niet verder dan drie kwam. Ik beloofde niet meer te lachen. Niet hardop in ieder geval.

Mijn OVA beweerde dat hij zéker de vijf zou halen als ik het even kon opbrengen me te beheersen.
Daar ging hij.
“Eeuuhhhrghh... ééhhn... euuhhhrghh... tuhwéé...”
Plof.

“Twee?!” riep ik verontwaardigd. “Dat is nog minder dan toen ik wel lachte!”
“Ja maar ik weet gewoon dat je lacht, niet dat ik het hoor maar ik voel het en dan moet ik evengoed lachen” verdedigde mijn OVA zich.
“Dus dan kan ik net zo goed wel lachen hè?” grijnsde ik.
“Nee!” zei mijn OVA.
“Wat dan?” vroeg ik.
“Je moet weg, ga maar even op de wc zitten ofzo.”

Tuurlijk. Alles voor m’n liefje. Je moet een man niet in zijn mannelijkheid krenken. Hoewel ik drie deuren verderop zat, kon ik alles volgen. Mijn OVA had het hoorbaar zwaar. Toen ik na “viijjjjfff” een harde plof hoorde, stormde ik juichend van de wc. Mijn OVA stond met een knalrode kop hijgend in zijn handen te wrijven.

“Ik denk dat ik blaren krijg” zei hij met een licht verontruste blik op zijn gezicht.
Ik schoot alsnog in de lach.
“Ocharm” giegelde ik.
Was niet grappig.
Ik beet op mijn lip en probeerde vervolgens zo boos mogelijk te kijken.
“Nou moet jij eens even goed luisteren meneertje, met je sportstok, ik kan er ook niks aan doen dat jij met je bicepstraining mijn lachspieren traint en...”

Ineens proestte mijn OVA het uit van het lachen. Er liepen zelfs tranen over zijn wangen. Naja! Wat was dit nou weer?

[Pas op! Zoetsappig!]

Mijn OVA gaat op zaterdagochtend altijd verse broodjes halen bij Bakker Bart. Dat is één van de vele redenen waarom hij het allerbeste vriendje ter wereld is. Soms neemt hij nog iets extra’s mee. Saucijzenbroodjes, Duitse broodjes, luxe mueslibollen. Vandaag waren het roombotercroissants.

Mijn OVA sneed zijn croissant open en scande met zijn blik het belegassortiment. Op de radio vertelde de DJ over zijn allermooiste Valentijnsverrassing ooit. Het is vandaag Valentijnsdag, namelijk.

“Ohhh wat romantisch!” zuchtte ik tussen twee happen door.
Mijn OVA verplaatste zijn blik eerst naar mij en toen naar zijn croissant.

“Ik twijfelde of ik misschien iets Valentijnigs voor je mee moest nemen...” zei mijn OVA. Hij friemelde aan zijn croissant waardoor de dunne laagjes bladerdeeg barstten.
“Maarja...”
Ik keek verbaasd op maar mijn OVA, die gebiologeerd leek door de barstjes in zijn brunch, keek niet terug.
“En nou vind je me natuurlijk stom hè?”
Hij zweeg even en hakte toen met zijn mes het puntje van zijn croissant eraf.
“Maar ik hou elke dag van je, niet alleen vandaag, elke dag! Dat weet je toch?”
Ik knikte.

“Aan de andere kant,” vervolgde hij zijn monoloog “straks heb jij iets verzonnen en dan heb ik niks!”
Chop! Daar ging het andere puntje.
“Ohhh! Je haat me hè? Zeg alsjeblieft dat je me niet haat...”
Glimlachend schudde ik mijn hoofd.
“Maar ik heb nog een halve dag! Ik ben nog niet te laat, toch? Of heb ik het nou verpest? Ja zeker...”

Mijn OVA propte een halve croissant in zijn mond kauwde er gefrustreerd op los. Goudbruine deegvlokjes dwarrelden op zijn bord neer. Een vlokje bleef aan zijn stoppeltjesbaard hangen. Hij zag er zo lief uit.

“Niet mij stom vinden...” fluisterde hij beteuterd.

Stom?

Ik werd zachter dan de gesmolten boter op mijn croissantje. Ik voelde me kleffer dan stroop en zoeter dan chocopasta. Geen enkel Valentijnscadeau had dit tafereel kunnen overtreffen!

“Ik ook van jou lieverd.”
Ik bezegelde mijn woorden met een kus.
“Heul veul. En elke dag een beetje meer.”

13 februari 2010

[Mijn vriendje is een cijferneuker]

Mijn OVA ging boodschappen doen met de generaal. De generaal bleef aansluitend een avondje hangen aangezien zijn vrouw carnaval ging vieren. Zelf schijt hij peuken van carnaval en uit pure meelij bood ik daarom aan dit weekend de Miep Gies van de vastelaovend-vluchteling te spelen. Bakkie leut met Bastogne erbij, lekker. Gezellig.

De generaal sopte een Bastognekoek in zijn koffie.
“Het is toch verdomme niet grappig meer!”

Ik keek op. Was er iets mis met de koffie?

“Even een mandje boodschappen, vierenveertig euro! Ka-tsjing! Gekkenhuis. Niet normaal!”

Ik trok een wenkbrauw op. Vierenveertig euro. Daar haal ik een hele kar vol voor! Ik was benieuwd waar hij in godsnaam zijn boodschappen haalde.

“Wij hebben echt moeite met rondkomen. Er gaat tachtig euro per week in het huishoudpotje en het is nooit genoeg omdat alles zo fokking duur is. Vooral de verse producten. Het is nog net niet compleet onbetaalbaar om gezond te eten. Daar zou je toch crimineel van worden?!”

Ik zag het gesopte deel van zijn Bastognekoek langzaam ombuigen tot het afbrak en in de koffie plonsde.

“Kut. Maar anyway, heb jij daar geen last van dan?”

Ik trok mijn andere wenkbrauw op.
Nee, ik bijt het sop-stukje er altijd af voordat het kan afbreken.
Maar dat bedoelde de generaal vast niet.

Wij komen rond met zestig euro per week. Inclusief kattenvoer. We eten bijna elke dag verse groenten en fruit, kopen gewoon vis en vlees en poetsen als ieder normaal mens twee maal daags onze tanden. Maar we letten wel op wat we uitgeven, maken dankbaar gebruik van aanbiedingen en kopen lang niet altijd A-merken. Op zondag kook ik meestal voor twee dagen. Gerechten als curry en pasta lenen zich daar uitstekend voor. Ook vertikken we het om naar dure supermarkten te gaan. Bosje koriander bij de AH: €1,99. Bosje koriander bij de kruidenier: €0,25. Ik bedoel maar.

De generaal lepelde een zompig hoopje koek uit zijn koffie. Ik hoefde geen antwoord te geven op zijn vraag want er volgde alweer een nieuwe. En ook deze voorzag hij zelf van repliek.

“Besef je eigenlijk wel dat jij samenwoont met de grootste cijferneuker ter wereld?”

“Hoezo?” vroeg ik.
Niet dat ik dat niet wist maar ik vind het leuk als de generaal vertelt.

“Ik ben verdomme drie keer de hele Lidl door in de tijd dat hij een potje sperziebonen uitkiest. Serieus, ik heb nog nooit iemand zo lang zien twijfelen tussen twee dezelfde producten. Zelfs geen vrouw. En dan gaat het niet over een flatscreen ofzo. Nee. Sper-zie-bo-nen.”

Ik gniffelde. Heel herkenbaar. Zo is mijn OVA. Impulsiviteit is hem vreemd.

“Een blik van zestien cent, een pot van negentien cent en een blik van drieëntwintig cent. Ik zou zeggen: pak dat blik van zestien cent. Een boon is een boon. Maar eerst moeten de uitlekgewichten, prijzen per kilogram, verpakkingen, uiterste houdbaarheidsdatums en ingrediënten nauwkeurig vergeleken worden. En niet alleen de bonen krijgen deze speciale behandeling. Hij moet het pakje gerookte ham met de minste vetrandjes. Hij moet de broccoli met de kleinste stronk. Hij moet de kwark met de minste calorieën en het meeste vruchtensap. Maar nog even over die bonen. Wat denk je dat hij doet?”

“Nou?” vroeg ik terwijl ik geamuseerd op het puntje van mijn stoel ging zitten om de rest van het verhaal, dat nog altijd zeer herkenbaar klonk, te horen.

“Dit ga je niet geloven. Pakt ‘ie zijn telefoon om een bepaald E-nummer te googlen!”

De generaal hield even zijn klep en keek me verwachtingvol aan, alsof het nu aan mij was om mijn ontzetting te tonen. Maar ik was niet ontzet. Dus dat deed ik niet. Ik zei alleen maar: “Dus?”

De generaal zuchtte.
“jullie zijn echt erg.”

“Hoezo? Mij hoor je niet klagen. Ik heb een man die de beste producten tegen de scherpste prijs meebrengt en ook nog rekening houdt met het milieu en onze gezondheid! Ik geloof dat ik je oorspronkelijke vraag zelf niet beter had kunnen beantwoorden. Nog ’n koekje?”

12 februari 2010

[Alááf!]

“Juf, waar zijn je verkleedkleren?”
“Heb ik aan, duh.”
“Niet waar! Dat zijn je gewone mensenkleren!”
“Jemig, heb je soms een brilletje nodig?”
“Nou-hou, ju-huf, doe niet zo fla-hauw!”
“Ik dacht dat dat juist het idee was van carnaval.”
“Maar als wat ben je dan verkleed?”
“Als Spass Bremse.”

11 februari 2010

[Typisch knak-momentje]

Even over die dertigersdip hè, want ik word dit jaar dertig dus dat onderwerp houdt me bezig. En dan niet zozeer de grote levensvragen maar de kleine, schijnbaar onbenullige dingetjes. Neem nou het winkelen. Ik stel mezelf nog dezelfde vraag als toen ik twintig was als ik in de paskamer voor de spiegel sta, maar ik bedoel hem net even anders.
“Kan ik dit wel hebben?” betekende voorheen zoiets als: staat het leuk, zijn mijn schouders niet te breed en is mijn kont niet te dik? Nu is de eigenlijke vraag: ben ik hier niet een beetje te oud voor?

Ik zocht een truitje. Iets voor de lente omdat ik het zo gehad heb met die winterse praktijken dat ik de winter vanaf nu gewoon ga ontkennen. Winkel in, winkel uit, volgende winkel in en weer uit. Dan toch maar even naar m’n ‘stamshop’. Ik wilde per se niet met lege handen thuis komen want dan zou Koning Winter me natuurlijk keihard uitlachen.

Het was hartstikke druk maar er waren tenminste kledingstukken waar ik potentieel eigendom in zag dus ik paste ze gewoon tussen twee kledingrekken in. Te wijd, te lang, vlek in de mouw. Potver. Ik draaide me om om mijn jas te pakken wegens geen zin meer toen mijn oog op een vrolijk gekleurd truitje viel. Licht getailleerd en met bloemen eraan. Echt precies wat ik zocht! Er hing er maar eentje en het was zowaar mijn maat. Yes!

Er kwam een meisje naast me staan. Ofja, meisje, meer een jonge vrouw. Een jaar of 25 schatte ik haar. Ze bekeek me aandachtig terwijl ik het truitje recht trok.
"Staat je geweldig!"
Hm.
Had ik haar iets gevraagd?
Ik glimlachte flauw haar kant op en bekeek mezelf in de spiegel. Er zat wat in, het stond me goed. Maar kon ik het ook hébben? Ik keek nog eens naar het meisje, dat haar ogen blijkbaar niet van me af kon houden.
"Kan ik ’t wel hebben? Ik bedoel, ben ik er niet een beetje te... oud voor?"
Het meisje fronste.
"Nou zeg, als ik het kan hebben kan jij het ook!"

Yes!
Hm.
Als zij het kan hebben? Zou zij hem ook gepast hebben dan?

Mijn spiegelbeeld gaapte me contemplatief aan. Nouja, wat maakte het ook uit. Het truitje stond goed, zat lekker en had bij dezen mijn middag gered van teleurstelling. Ik moest alleen even vragen wat hij kostte want er hing geen prijskaartje aan. Opgetogen pakte ik mijn spullen bij elkaar en knikte lachend naar het meisje.

"Ehh! Mevrouw!" riep het meisje me na.

Wat nu weer? En waarom zegt ze nou mevrouw? Ik haat het als mensen mevrouw tegen me zeggen. Alsof ik al dertig ben! Ik ben negenentwintig, ja! Dat is nog helemaal niet zo oud dat je...

Mijn innerlijke tirade werd door het meisje onderbroken.

"Mag ik nou m’n truitje weer terug?"

Shit.

10 februari 2010

[Gaten in de markt]

Even los van het feit dat mijn cash ook al jaren de neiging heeft te verdwijnen (en ik heb niet eens een gat in mijn hand): ik wind me op over de krantenkoppen van vandaag. Zelfs al moet ik nog zien dat de voorspelling uitkomt en ben ik ondanks alles wel blij dat ik óók een pinpas heb. Met de nadruk op óók.

“Contant geld verdwijnt binnen vijf jaar”

Er doemen direct allerlei praktische bezwaren op in mijn hoofd:

1. Hoe leer ik mijn kinderen met geld omgaan als ik het onzichtbare zakgeld moet storten op een rekening en ze straks even makkelijk een Game Cube pinnen als een Cornetto?

2. Komen er geen collectanten meer aan de deur met zo’n schudbus, kun je er donder op zeggen dat die stichtingen je brievenbus vol douwen met acceptgiro’s. Nu ben ik zelf vrij makkelijk in het verscheuren van ongewenste post maar het kost bijvoorbeeld bovenmenselijke inspanning om de schoonmams aan het verstand te peuteren dat ze niet elke acceptgiro hoeft in te vullen.

3. Kunnen we niet meer gezellig naar de rommelmarkt (juist een goede plaats om kinderen met geld om te leren gaan).

4. Moet je dalijk chippen voor een straatkrant of pinnen om een dakloze bedelaar een euro te doneren. En hoe gaat de orgelman dat doen?

5. Wij hebben een wekelijks huishoudbudget en als we dat van tevoren pinnen, kunnen we er de rest van de week goed overzicht over bewaren.

6. Personeelspotjes. Er is iemand jarig, er gaat iemand trouwen, er krijgt iemand een kind, allemaal redenen om met de pet langs je collega’s te gaan en van de opbrengst een cadeau te kopen. Gaat ‘m ook niet meer worden.

7. Het is gênant om in een restaurant hardop te moeten zeggen hoeveel fooi je bovenop de rekening wilt geven (ik ben niet zo’n fooienmens, zie: deze post).

8. Moet je in de kroeg elk rondje pinnen, dus daar kunnen ze voortaan ook fluiten naar hun fooien.

9. Als je op je trouwuitnodiging ‘cadeautip: envelopje’ zet omdat je wilt sparen voor een verhuizing, krijg je dan allemaal opgewaardeerde pasjes? Hoe onpraktisch is dat!

10. Je kunt geen anonieme oude sok meer onder het matras verstoppen, je zult er rente over moeten betalen.

11. Stroomstoringen of storingen aan de pinautomaat! Vooral lachen als je in een winkel staat met een kar vol boodschappen...

12. De tieners die wat willen bijverdienen met een oppasbaantje, kappers die in de avonduren aan huis nog wat bijknippen, de handige mannen die op zaterdag hier en daar bijklussen, de huisvrouwen die er een werkhuisje bij nemen. Zwart werken is er niet meer bij, terwijl de zwarte potjes toch ook bijdragen aan de economie.

13. Mijn oma kon haar pincode niet onthouden, dus schreef ze die op een papiertje en bewaarde dat in haar tas. In de stad werd haar tas gestolen en nog geen uur later was haar rekening geplunderd. Vanaf dat moment durfde ze alleen nog met een klein contant bedrag de straat op te gaan.

14. Je kunt zonder cash veel makkelijker uitgeven wat je niet hebt. Zelf heb ik de optie ‘rood staan’ uitgeschakeld maar ik zie bij menigeen de schulden al oplopen.

15. De paranoïde mens in mij ziet al complotten. Je raakt je privacy kwijt en daar zou zomaar misbruik van gemaakt kunnen worden.

16. Het heitje voor een karweitje zal verdwijnen. Ik heb auto's gewassen, ramen gelapt, kaarsen verkocht, parken geharkt en liedjes gezongen voor bejaarden om geld in te zamelen voor een nieuw Scouting clubhuis. Aan het eind van de dag was het altijd spannend want dan werden alle muntjes geteld. We waren zo trots dat we ons eigen steentje bijdroegen. Zonder cash wordt dat een stuk minder leuk. Geldt ook voor dingen als sponsorloop of met een geweldig eindrapport bij oma langs.

17. Ik heb een tijdje in de thuiszorg gewerkt en daar werd ik regelmatig om een boodschap gestuurd door zieke, mentaal uitgedaagde of minder valide cliënten. Je moet wel heel goed van vertrouwen zijn om zomaar je pinpas aan de thuishulp mee te geven.

18. Ook leuk: pas kapot. Dan moet je een nieuwe aanvragen en die krijg je uiteraard pas na enkele werkdagen thuis bezorgd.

19. En komt er een speciaal soort opwaardeerbare pasjes voor toeristen of hebben die voortaan gewoon pech?

Het is maar goed dat we een niet al te daadkrachtig kabinet hebben.

9 februari 2010

[Ongekend talent]

Het is een simpele regel: niet zitten, staan of liggen op de pingpongtafel. Helaas voor mij is bij het woord ‘regel’ de allereerste associatie van kinderen: overtreden. Omdat ik wel politieagent was geworden als ik de hele dag straf wilde uitdelen, of scheidsrechter als ik met rode kaarten wilde zwaaien, moet ik de oplossing voor dit probleem over een pedagogische boeg gooien. Een positieve benadering met een heldere boodschap is daarbij een belangrijk element.

Tijdens het overblijven is er een half uur gereserveerd voor buiten spelen. De uitgelaten meute stuift het plein op met het idee dat als ik ‘spelen’ zeg, ik eigenlijk ‘rottigheid uithalen’ bedoel. Waar ze dat idee vandaan halen weet ik niet maar het blijkt nogal hardnekkig te zijn. Terwijl er een kleuter met een springtouw aan een boom wordt vastgebonden, laat aan de andere kant van het plein een vroeg puberende jongen een meisje struikelen, recht op haar gezicht in de modder. Even later probeert een knul een groepje jongere kinderen hondenbrokken te laten eten, hen wijs makend dat het snoepjes zijn. De groep achters trekken takken van een boom omdat ze katapults willen maken en bij de ingang van het plein probeert een stel tienermeisjes ongezien over het hek te klimmen. Ga er maar eens aan staan!

Natuurlijk zijn er ook altijd blagen die eens even lekker provocatief op de pingpongtafel gaan zitten. Ik moet iets verzinnen en snel want het zit er dik in dat het volgende vergrijp niet lang op zich laat wachten. Wat vinden jongens van negen cool? Zombies. Perfect. Wie door een zombie gepakt wordt, verandert zelf ook in een zombie. De jongens vliegen van de tafel en beginnen enthousiast aan het spel. Zelf doe ik natuurlijk ook mee, om het goede voorbeeld te geven. Ik vind mezelf een heel overtuigende zombie maar de jongens lachen zich krom. “Alsof we daar bang van worden!” Nou zeg, daar doe je dan je best voor.

Van zombie spelen word je moe en als je moe bent moet je uitrusten. De jongens ploffen neer op de pingpongtafel. Wel verdraaid! Denk je ze er eindelijk af te hebben, moet je weer wat nieuws verzinnen. Aangezien ik als zombie eerder op de lachspieren werkte dan eng was, besloot ik een ander ‘talent’ in de strijd te gooien. Ik schraapte mijn keel, nam een pose aan en begon te zingen: “Kom van die tafel! Ik waarschuw niet meer! Neeneeneeneeneenee van die tafel!” etcetera. Mijn publiek vertoonde grote ogen. Vervolgens keken de jongens elkaar aan, hielden hun handen voor hun oren en renden verafschuwd weg. Zo snel waren ze niet van me af. Luid zingend zette ik de achtervolging in totdat het lief afgelopen was. Een van de jongens kwam voorzichtig naar me toe en zei met een bloedserieus gezicht: “dat was echt heel eng”. "Enger dan m'n zombie?" "Absoluut!" Mooi. Missie geslaagd.

Terwijl ik nog op adem stond te komen, kwamen er drie meisjes aan die aanstalten maakten op de tafel te gaan zitten. Ja hoor, dacht ik, daar gaan we weer. Maar voordat ik iets kon zeggen of doen kwam de jongen al aangerend. “Nee! Niet doen! Alsjeblieft! Dalijk gaat ze weer zingen!”

Ik zal wel nooit door de voorrondes van Idols komen, maar mijn talent is tenminste nog ergens goed voor!

[K-k-k-koud he?]

Godsklere wat is het koud! Nog steeds. Duurt lang! Het kost zoveel energie om alles er zelf bij te moeten denken: tsjielpende vogeltjes, zonnestralen, de frisse geur van met ochtendnevel bedekt gras, warmte. Heerlijke warmte die het mogelijk maakt slechts één in plaats van vier lagen kleding aan te trekken. En het kost nog veel méér energie om dingen weg te denken: kippenvel, dooie vingers, bleke, droge winterhuid met waterige ogen en rode neus (van de kou). Dat is zo goed als onmogelijk! De aarde warmt op, er komt een nieuwe ijstijd. Het zal allemaal wel. Ik wil het wintervet eraf sporten maar het is veel te koud om naar de sportschool te fietsen. Ik wil fruitsalades maar mijn lijf schreeuwt om stamppot en snert. Ik wil een natuurlijk kleurtje op mijn huid in plaats van complimenten over mijn kunstmatige teint. En die chronische spierpijn wegens rillen en verkramping ben ik ook spuugzat. Ik wil peentjes zweten in plaats van klappertanden. Zelfs al weet ik nu al dat ik daar tegen die tijd op terug zal komen.

7 februari 2010

[Ik ben een consumindermens] (slot)

“En ten slotte kunt u de verwarming een tikje lager zetten als u gewoon een extra trui aantrekt.”

Briljant! Mijn verwarming kán niet lager. Mijn buren stoken zo hard dat hun warmte via mijn buizen m’n huis op temperatuur houdt en ik heb ’s winters standaard een fleece-dekentje op de bank en een paar warme sloffen voor in huis. Bespaar daar maar eens tegenop. 3 – 0 voor mij.

“Zeg knul” zei ik tegen de aansmeerjongen.
Ik had onmiddellijk spijt van mijn ietwat denigrerende woordkeuze maar aan de andere kant; hij mocht blij zijn dat iemand hem serieus nam.
“Heb jij, op jouw beurt, nog even voor mij?”

“Eh. Ja hoor.” antwoordde de aansmeerjongen.

“Mooi!” riep ik triomfantelijk.

“Van elk apparaat dat ik niet gebruik, trek ik altijd de stekker uit het stopcontact. Ik laat niets op stand by staan. Ik gooi zelden restjes voedsel weg want ik koop en kook bewust. Naar de kapper ga ik nooit want ik verf mijn haar zelf en knippen doet mijn vriend. Waar ik niet ben brandt geen licht. Mijn vriend doet aan droog douchen; even nat maken, kraan uit, inzepen, scrubben, shampoo, kraan aan, afspoelen, klarie. Ik pak vaak de fiets in plaats van de auto, dat scheelt ook meteen een abonnement op de sportschool. In plaats van een stroomvretende waterkoker gebruik ik een ouderwetse fluitketel. Ik heb een telefoonabonnement waarmee ik gratis naar vaste nummers bel. Kleding koop ik meestal in de uitverkoop. Ik scheid trouw mijn afval (plastic, glas, papier en kleding weggooien is gratis). Opladen doe ik op nachtstroom. Ik heb een zuinige oven die niet voorverwarmd hoeft te worden. Pretparkkaartjes zijn op marktplaats supergoedkoop, dan neem ik zelf een fles drinken en een lunchpakket mee zodat ik niet op dure terrasjes hoef te zitten. Ik gebruik azijn in plaats van wasverzachter. Cadeaupapier wordt hergebruikt.”

Toen moest ik stoppen om naar adem te happen.

De aansmeerjongen knipperde met zijn ogen. Hij keek alsof hij niet kon geloven dat er mensen zijn die werkelijk zo spaarzaam leven. Zeker geen protestanten in zijn kennissenkring.

“Nou jij weer” zei ik tevreden.

“U bent zeker niet op zoek naar een bijbaantje hè?” mompelde de aansmeerjongen met een wat ongemakkelijk lachje.

“Nope. Dit waren mijn tips, gratis en vrijblijvend. Doe er je voordeel mee zou ik zeggen.”

6 februari 2010

[Ik ben een consumindermens] (deel 1)

Zuinige protestant.

Zo noemde mijn OVA mij toen we elkaar nog niet zo lang kenden. Plagerij natuurlijk, omdat ik een Hollander ben. Toch zat er een kern van waarheid in. Niet dat protestantse, want ik ben een rechtgeaard atheïst, maar ik leidde noodgedwongen wel een zuinig leven. En dat doe ik nog steeds.

Zaterdagmiddag in de stad.
Een onoplettend ogenblik.
Ik liep recht in de val.

“Mevrouw, heeft u een momentje?”

Neee! Ga weg! Ik heb hier geen zin in! Het is koud, ik moet plassen en ik heb nog een half uur voordat een parkeerwachter me een prent kan geven. Ga huiswerk maken jij puisterige puber! Shoo!

“Eh. Ja hoor.”

Het ging over de crisis. Aanvankelijk, dat is, want na een inleidende monoloog die ik maar half meekreeg omdat ik tegelijkertijd testte of ik mijn boodschappenlijstje nog uit mijn hoofd wist, viel het woord besparing. Of ik interesse had in tips. Jawel. Voor het eerst in mijn leven ben ik staande gehouden door iemand die mij iets wil aansmeren dat gratis en vrijblijvend is. De zuinige protestant in mij werd nieuwsgierig.

“Eh. Ja hoor.”

“Mooi!” brandde de aansmeerjongen los.
“Om te beginnen kunt u spaarlampen gaan gebruiken. Spaarlampen, het woord zegt het al, haha!”

Goh. Daar was ik nog niet opgekomen. Toevallig heb ik laatst van de gemeente 3 gratis spaarlampen gekregen. En tochtstrips. En isolatiemateriaal. En een waterbesparende douchekop. 1 – 0 voor mij.

“U kunt wat minder gebruik maken van uw elektrische apparaten.”

Vandaar dat ik de afwas altijd met de hand doe (ik heb niet eens een vaatwasser!) en een reusachtig droogrek in mijn huiskamer heb staan. 2 – 0 voor mij.

“En ten slotte...”

Ten slotte? Was dat het al? Wat een aanfluiting! Besteed ik daar mijn kostbare tijd aan? Ik zal hem leren, de snotneus! Wedden dat zijn moeder zijn sokken nog wast (en droogt, en strijkt)? Wedden dat hij nog nooit een lamp verwisseld heeft? Wedden dat hij geen flauw benul heeft van wat een brood kost?

3 februari 2010

[In het kader van de 'Limburgering']

Op de BSO in Leiden noemden de kids leverpastei ‘smeerworst’ maar in Limburg zeggen ze ‘paté’. Moest ik even aan wennen. Het valt niet mee om je vocabulaire aan te passen wanneer de woorden uit je moedertaal ineens een andere betekenis krijgen dan je gewend bent.

Vla noem je hier pudding, als je om vla vraagt dan krijg je ’n stuk vlaai.
Limonade heet hier sap en tegen sinas zeg je limonade.
Als ze schudden zeggen, bedoelen ze schenken.

Af en toe ga ik nog de fout in en dan kijken de ukken me onbegrijpend aan. Gelukkig zijn er ook kinderen die een beetje met mij mee denken. Een soort omgekeerde integratie.

Als ik M vraag wat ze op haar broodje wil, denkt ze even na en antwoordt dan vastbesloten: “smerige worst”.

25 januari 2010

[De kleren van de Keijzerin] (slot)

Toen ik mijn eigen kleren weer aan had vermande ik me. Kim trok een vreselijk oliebollenjurkje aan en maakte me aan het lachen. Ik keek naar de andere bruidjes-in-spé die al zeker een half uur doodstil moesten staan omdat hun jurken aan alle kanten afgespeld moesten worden. Ze zagen er niet echt vrolijk uit. Dat leed bleef mij in ieder geval bespaard vandaag.

Daar ging mijn telefoon weer.

“Hoi mam, met je dochter de faalhaas.”
“Huh?”
“Nevermind. Ik heb ‘m terug gehangen hoor.”
“Huh? Hoezo?!”

Kijk, op dat soort momenten is mijn moeder dus echt compleet onnavolgbaar.

“Hoezo ‘hoezo’?” vroeg ik.
“Het is toch de perfecte jurk? Je droomjurk?”
“Jaha” antwoordde ik, “maar ik kan ‘m echt niet betalen, dus geen paniek, volgende keer ben je er hoogstpersoonlijk bij als ik jurken ga passen.”

Mijn moeder moest lachen. Daarna kwam er een aap uit een mouw. Ze is ooit eens bij een bruiloft geweest waar de bruid een zwart outfit had. Het moet vreselijk geweest zijn. Veel te kort rokje, veel te wijd bij de borsten, lelijk materiaal, afschuwelijke, ordinaire zwarte Schoenenreuslaarzen eronder. Die bruid was de dochter van een cliënt van m’n moeder en elke keer als ze daar komt, moet ze tegen de trouwfoto van de zwarte bruid aan kijken. Dus toen ik zwart zei, was dat de eerste associatie die bij haar op kwam.

“Maar ik weet heus wel dat jij wél goede smaak hebt hoor Wen!”

“Ik weet zeker dat jij het ook prachtig had gevonden” zei ik.
Ik was blij met haar verklaring, nu voelde ik me tenminste niet meer zo schuldig.
“Ja, dat denk ik ook” zei mijn moeder “en ik kan niet wachten tot ik hem in het echt zie!”

Had ik al eens onnavolgbaar gezegd?

“Mam, ik zeg je net dat ik ‘m al terug gehangen heb.”

“Dan ga je hem maar weer halen want als dit echt de jurk is waarin jij wilt trouwen, dan moet je hem meenemen. Ik zat een beetje te balen omdat ik het je volgende week persoonlijk wilde vertellen, maar pa en ik hebben het er even over gehad en wij vinden dat de ouders van de bruid de bruidsjurk moeten financieren. Maar omdat hij ietsie duurder is dan we gedacht hadden en we ook nog wat andere dingen voor je willen doen, ga ik nu de helft van het totaalbedrag naar je overmaken, ok?”

Als ik klompen aan gehad had, waren ze alle twee gebroken.

“Sorry dat ik zo lomp reageerde” verontschuldigde ze zich. “Ik heb dit nog nooit gedaan, en jij zei dat de moeder van de bruid ook verantwoordelijkheden heeft...”
“Mam!” riep ik, “Dat was een grapje! Ik ga jou toch niet vertellen wat je moet doen!”
“Ja nou, ik ben gewoon zo trots en ik wil geen slechte moeder zijn...”

Mensen zeggen wel eens dat ik zo op mijn moeder lijk.
I wonder why...

24 januari 2010

[De kleren van de Keijzerin] (deel 3)

“Met mij! Ik denk dat ik mijn bruidsjurk gevonden heb!” tetterde ik opgetogen door m’n telefoon.
Een onderkoeld “ja” was het antwoord.
“Mahaam! Een bruidsjurk! Ik heb een jurk gevonden!” tetterde ik nog een keer.
Mams was nog steeds niet onder de indruk.
“Ja Wen ik ben aan het stofzuigen, je overvalt me.”
“Oh. Nou.” mompelde ik beteuterd “Anders bel je straks maar even terug ofzo…”

Kim keek bezorgd naar mijn betrokken gezicht. Ik haalde mijn schouders op en zuchtte. Misschien had ik niet moeten bellen. Misschien had ik haar zojuist een enorme teleurstelling bezorgd. Ze had er natuurlijk bij willen zijn! Oh shit. Daarom reageerde ze natuurlijk zo. Ik had gefaald als dochter. Shit, shit, shit.

Ik had net mijn laatste hap appeltaart in mijn mond toen de telefoon ging.

“Ja sorry hoor Wen, zo’n reactie had je natuurlijk ook niet verwacht. Maar ik dacht dat je alleen maar ging passen!”

Ik slikte de taart door.

“Ik ook. Maar nou heb ik een jurk aan die ik niet meer uit wil omdat hij perfect is.”

Ik sprak de woorden uit met een schuldgevoel. Ik wilde geen slechte dochter zijn maar ik wilde ook die jurk niet laten hangen.

“Nou, vertel, wat voor kleur issie? Wit?”
“Nee” zei ik.
Ik kreeg het een beetje benauwd.
“Rood?”
“Ook niet” antwoordde ik.
Ik voelde een buitje hangen.
“Het is toch geen zwarte jurk he?” vroeg mijn moeder op licht afkeurende toon.

Ik zweeg.
“Wen? Hallo? Ben je er nog?”
Ik haalde diep adem, verzamelde moed en piepte er toen een zacht “jawel” uit. “Ja ik ben er nog en ja zwart.”
Het was stil aan de andere kant.
“Oh.”

Ik was officieel een slechte dochter. Mijn moeder was er niet bij op het moment dat ik mijn droomjurk voor het eerst aan had en mijn moeder vindt mijn droomjurk helemaal niks. Shit.

“Issie erg duur?” vroeg mijn moeder.
Ik las het prijskaartje voor.
“He?!!” riep mijn moeder, zo hard dat ik van schrik bijna de telefoon uit mijn hand liet vallen.

Ik beet op mijn lip. Wat een drama. Het was een peperdure jurk. Maarja, ik had toch al afgedaan als dochter dus dit kon er ook nog wel bij.

“Wen, je vader is thuis, ik bel je zo terug ok?”

Ik streek mijn jurk glad en ging weer voor de spiegel staan. Nog één keer kijken, op de foto met mijn droomjurk, nog één rondje lopen. Toen trok ik me terug in het pashok om afscheid te nemen. Alsof ik me zo’n dure jurk kon veroorloven.

23 januari 2010

[De kleren van de Keijzerin] (deel 2)

De derde zwarte jurk was een perfect fit. Het was niet de kleur die ik in gedachten had en ook niet het model maar ik vond hem onmiddellijk helemaal geweldig. Stijlvol en een tikkeltje excentriek. Een echte eye catcher.

Dat bleek wel toen ik uit het pashok kwam. De moeders in de winkel verplaatsten hun blik van hun dochters naar mij. De Arnhemse meisjes riepen opgetogen uit dat deze jurk voor mij gemaakt was. Kim sprong overeind en riep heel hard “ja!”.

Ik bekeek mezelf in de spiegel, naar Kim, weer in de spiegel en raakte ineens helemaal geëmotioneerd.
“Ik denk dat ik ga huilen” zei ik.
“Nou, niet doen, nou moet ik ook!” zei Kim.
“Denk je dat mijn OVA dit mooi zal vinden?” vroeg ik voorzichtig.
Kim lachte.
“Die gaat ook huilen!”

Het Arnhemse Meisje gaf me een tissue.
Sjonge. Ik zou alleen maar gaan kijken. Maar ik wilde de jurk niet meer uit. Wat moest ik nou?
Het Arnhemse meisje bracht me een paar bijpassende schoenen en knoopte een accessoire om mijn hals. Het was echt perfect.

Ineens bedacht ik me dat ik nog helemaal niet op het prijskaartje gekeken had.
Dus ik keek erop en berouwde het onmiddellijk.
Slik.
Deze jurk kostte ruim twee keer zoveel als het door mij begrote bedrag.

“Ga even lekker zitten” zei het Arnhemse Meisje.
“Wil je een stuk appeltaart? Kopje thee erbij nog?”

Ik moest even bij zinnen komen. Wat stond er ook alweer op dat bordje?
Hebzucht? *check*
Prinsessengedrag? *check*
Pfff. Hier had ik niet op gerekend. Ik moest mijn moeder bellen.

22 januari 2010

[De kleren van de Keijzerin] (deel 1)

Kim en ik gingen voor het eerst op trouwjurkenjacht. Op het internet vond ik dé winkel voor onze eerste keer: Assepoester. Geen truttige taartjurken maar hippe moderne jurken in alle kleuren, binnen zonder afspraak en vrijblijvend passen tot je erbij neervalt. Perfect! We moesten er wel helemaal voor naar Arnhem maar dat was een goed excuus om er een dagje uit van te maken. Een inspiratietripje. Want ik ging beslist nog niets kopen.

Op de deur hing een bordje:
“Deze winkel veroorzaakt hebzucht en leidt onherroepelijk tot prinsessengedrag!”
Dat zouden we nog wel eens zien.

Na een enthousiast onthaal van een Arnhems Meisje (“Hoi! Willen jullie koffie? Thee? Koekje erbij? Ga lekker zitten dan maak ik een pashok klaar!”) ploften we overdonderd (ja nu al) neer in een grote fauteuil. Ik keek in het rond. Vierduizend jurken. Ik voelde een luxeprobleempje opkomen. Waar moest ik beginnen?!

Terwijl Kim met een arm vol jurken het pashok in dook, zat ik nog steeds als een soort verdoofde dwaas om me heen te kijken. De Arnhemse meisjes bestudeerden me kort, smoesden wat en kwamen naar me toe.

“Het oordeel is unaniem: jij moet beslist een rode jurk passen.”

Rood?!

Nouja, waarom ook niet. Ik zou toch niks kopen en kijken kon geen kwaad. Ik zocht een lange, knalrode jurk uit. Als ik dan toch voor rood ging, ging ik voor heftig. Strapless, strak van boven, wijd uitlopend met een sleepje en een enorme hoeveelheid tule eronder. Toen ik het pashok uitkwam kreeg ik nog net geen applaus. De jurk had absoluut een WAUW-factor! Eerlijk gezegd stond het me fantastisch, maar was het ook Wendy? Nah, twijfelachtig.

Ik besloot traditioneel wit, gebroken wit en champagne te proberen maar na die knalrode aanslag op mijn netvliezen en in combinatie met mijn bleke huidskleur zag ik er in die kleuren ontzettend flets uit. Dat is natuurlijk niet het adjectief dat je in de kritieken wilt terug horen.

Inmiddels waren we drie uur, twee koppen koffie, een halve schaal koekjes en talloze jurken verder. Terwijl Kim de parkeermeter bijvulde, kletste ik wat met de andere bruiden-in-spé en hun moeders. Ik had de mijne niet bij me. Dit was immers pas de oriëntatieronde.

Er was nog één rek dat ik niet van dichtbij bestudeerd had: die met de zwarte jurken. Ik stelde me het commentaar voor.
“Is dat nou een trouwjurk? Het lijkt meer een rouwjurk!”
Maargoed.
Er hingen schitterende exemplaren tussen. Toch even passen.

19 januari 2010

[Dat is ook]

G. heeft buiten gespeeld. Zijn handen zitten onder de modder.

“Jakkes, wat is dat voor viezigheid?” vraag ik hem.

G. kijkt om zich heen.

“Juf, er is hier helemaal geen vieze geit hoor.”

17 januari 2010

[Happy pills]

1. Het is extreem pijnlijk
2. Er bestaat geen medicijn tegen
3. Het gaat nooit meer over

Dat was de korte samenvatting die de dokter gaf nadat hij mijn pijnklachten een naam had gegeven: het prikkelbare darmsyndroom. Ik was negenentwintig jaar, ontelbare artsen, specialisten, therapeuten, psychologen en zelfs een Chinese kruidendokter, tientallen onderzoeken, gesprekken, therapieën, pillen, poeders en drankjes verder. Om uiteindelijk dit te horen te krijgen.

“Maar…” zei de dokter “je kunt er honderd mee worden hoor!”

Toen ik thuis kwam en zijn woorden tot me doordrongen, barstte ik in tranen uit. Pijn, dag in dag uit. Altijd pijn. Zo heftig dat ik gillend tegen de muur op ren. Ik héb geen pijn, ik bén de pijn. Het beheerst mijn leven. Ik slaap niet, ik kan alleen maar liggen en huilen. Omdat het zeer doet, omdat ik niet meer normaal kan functioneren, omdat het me frustreert, omdat ik kwaad ben op mijn lijf. Ziedend!

Ik wilde hier geen honderd mee worden. Sterker nog, als dit de rest van mijn leven zo door zou gaan dan hoopte ik dat het snel voorbij zou zijn. En dat was voor mijn OVA de druppel. Hij sleurde me mee naar de huisarts en dwong me met hem te praten. Mijn OVA wil namelijk heel graag honderd met mij worden.

“Waar kan ik je mee helpen?” vroeg de dokter vriendelijk.
Ik zei niks omdat druk bezig was mijn tranen weg te slikken.
“Wat zijn de klachten?” vroeg de dokter door.
“Het... eh... gaat niet zo goed...” piepte ik.
“Dat zie ik” zei de dokter rustig “maar je moet me wel precies vertellen wat er niet zo goed gaat.”

Na drie keer slikken en een diepe ademteug kwam het verhaal met horten en stoten naar buiten. Mijn OVA hield mijn hand vast. De dokter humde en knikte. Toen deed hij iets wat geen enkele andere arts ooit gedaan had: hij erkende mijn gevoel. En dat niet alleen, hij gaf me een optie. Niet 'leer er maar mee leven' of 'je kunt er honderd mee worden' maar 'we gaan er iets aan doen'. Wel heb je ooit...

“Het straalt aan alle kanten van je af” zei de dokter rustig. “Je ziet er zo intens ongelukkig uit” vervolgde hij “en al die pijn en dat verdriet is dodelijk vermoeiend hè?”
Ik knikte.
“Ik kan me voorstellen dat het zo niet langer gaat.”
Ik knikte nog een keer.
“Hoe sta je tegenover antidepressiva?”

Zo hee. Wat moest ik daar nou op zeggen? Ik heb depressieve cliënten gehad, depressieve vrienden, een depressief broertje. Kennelijk was het nu mijn beurt. En het enige dat ik wilde was beter worden. Mijn buik de baas zijn. Slapen. Energie. Zin in mijn leven. Dus ik knikte maar weer.

“Ok” zei ik “ik probeer het.”

Ik slik de pillen nu twee maanden. De pijn is er nog maar er is een wereld voor me open gegaan. Geen huilbuien en stemmingswisselingen meer. Rust in mijn hoofd. Geen paniekaanvallen meer. En ik slaap! Ik heb het gevoel dat ik tien jaar slaaptekort aan het inhalen ben. Heerlijk!

Eigenlijk moet ik blij zijn met deze depressie.
Ik heb me in tijden niet zo goed gevoeld.

12 januari 2010

[Shoppen na de dood]

E: "Wij geloven thuis in God, jij ook?"
W: "Nee, ik niet."
E: "Maar dan ga je niet naar de Hema!"
W: "Wat heeft dat er nou mee te maken?"
E: "Als je in God gelooft en je gaat dood, dan kom je in de Hema."
W: "Oh?"
E: "Ja, ik vind dat ook stom hoor. Ik zou liever naar de Intertoys gaan ofzo. Maarja. Dat zal God wel niet goed vinden…"

4 januari 2010

[Omdat ik geen platlander ben]

Doe ik zo mijn best om een beetje in te burgeren hier...

Wen: "Kent se dat neet?"
D (4 jr): "Het is 'kan jij dat niet'."
Wen: "Ja dat weet ik, maar ik dacht, ik pas me een beetje aan..."
D: "Ja maar dat is plat en jij praat Hollands, omdat je geen platlander bent, dus dan kun je ook niet plat praten."
Wen: "Oh, juist, mijn welgemeende excuses."
D: "Wablééf?"