Naar aanleiding van de vraag waar kindjes vandaan komen, liet ik de kinderen even brainstormen. Dat ging ongeveer zo:
"Die komen uit je buik!"
"Echt niet! Dan bloed je dood!"
"Ik weet het! Het kindje komt uit je billen, die poep je er zo uit."
"Neehee, kindjes komen niet uit je billen, die komen uit je mamamond."
"Wat is nou weer een mamamond?"
"Ja ehh, dat is waar de kindjes dus uitkomen bij mama. Duh."
"Nou, ik ben toevallig uit papa gekomen."
"Dat kan niet!"
"Jawel want wij zijn een tweeling en R kwam al uit mama dus ik kwam uit papa."
"Nietus. Jouw papa heeft geen mamamond dus je kunt niet uit je papa komen."
"Wel."
"Niet!"
"Weheeeel!"
"Nietuuus!"
"Waarom niet dan?"
"Ja, alsof jij door zijn piemel paste met je dikke kont..."
B had nog een andere theorie:
"Papa stopt een zaadje in mama en mama heeft een eitje dat groeit in haar buik tot ze helemaal dik is en dan komt het kindje als het klaar is eruit ergens beneden. Maar mijn papa heeft het zaadje gewoon in een potje met zand gedaan want ik vond het vies in de buik en mama heeft dat water gegeven en toen kwam ik eruit. Makkie."
9 december 2006
3 december 2006
[All we know is: she isn't called the Stig]
Zo zeg, ben ik even een bijnadoodervaring rijker. Racen is leuk. Vooral met zo'n belachelijk grote helm op je knijter en dan in een luidruchtig karretje rondjes scheuren over een circuitje waar lekker geen flitspalen staan. Natuurlijk ga ik niet harder dan 45 kilometer per uur maar zo laag bij de grond in een kleine ruimte voelt het best snel. Na twee rondjes wist ik precies waar de scherpje bochten en gladde uitglijstukjes zaten en hield ik braaf de vlaggenzwaaiers in de gaten maar waar je nooit helemaal zeker van kunt zijn, is wat je mederacers doen.
Dan is het dus niet gaaf als de vlaggenman voor je voorganger's neus als een idioot met een blauw vlaggetje (pas op u wordt ingehaald) staat te zwiepen en die voorganger gaat niet aan de kant. En dat hij dan de binnenbocht neemt in plaats van de afgesproken buitenbocht. En dat hij net wanneer ik hem dan maar links wil passeren besluit om tóch die buitenbocht te nemen. Op zo'n krap stukje is uitwijken niet mogelijk en van een remweg van een halve meter is al evenmin sprake, al stamp je nog zo hard op het rempedaal.
Zo belandde ik dus met een formidabele smak frontaal tegen een muur. Spectaculair! Die muur was hard en gaf geen millimeter mee. Boem is ho zeggen ze dan. Dit is heel geen botsauto.
De oranje zwaailichten gingen aan (zelf zag ik de eerste vijf minuten alleen maar sterretjes) en er kwam een mannetje in een overall aangerend. Of het wel ging, vroeg hij. "Nou nee" piepte ik. Ik voelde me net een levende Picasso, alsof niets meer op de goede plaats zat en iemand zojuist geprobeerd had mijn nek- en ruggewervels als trekzak te gebruiken. Ik had overal pijn en kon me niet bewegen.
"Ik wil mijn helm af" jammerde ik toen ik weer een beetje bij mijn positieven was, maar dat mocht niet. Ik moest stil zitten en op de hulptroepen wachten, die zouden zo nodig een ambulance bellen. Bij het woord ambulance kreeg ik zowat een zenuwinzinking. Ik begon uit alle macht met mijn tenen te wiebelen en stak mijn duim op om te bewijzen dat ik het nog deed en dat een ambulance dus volstrekt niet nodig was. Dat ik de rest van mijn lichaam zo gauw niet uit de kreukels kreeg en ik door twee man sterk uit mijn kart gehesen en van het circuit gedragen moest worden, deed er niet toe.
Een kwartier op het kneuzenbankje en een glaasje water later was ik weer in staat om piepend en krakend overeind te krabbelen. Vermoedelijk houd ik nog wel even last van geklutste hersenen, ben ik nog zeker een week zo stijf als een plank en zal ik elke beweging (voor zover ik kan bewegen) voelen. Maar zodra ik me beter voel, ga ik terug want als troost kreeg ik twee cadeaubonnen voor gratis racen.
Poe hee. Nou. Kom maar op met die vooroordelen over vrouwen achter het stuur, ik kan je nu toch niks maken. Zul je zien. Sta je je eerst een soort van flink te voelen als enige vrouw tussen al die snelle jongens, kun je een half uur later met het schaamrood op je wangen (toch nog een voordeel van de helm) van de baan gesjouwd worden. Wat een flater. Maar! Ondanks de megaklapper was ik niet de traagste van de heat (dat was mijn voorganger, die ik bij deze even hatelijk wil bedanken voor zijn rijgedrag).
Tijgerbalsem is sadistenpasta. And on that bombshell zeg ik goedenacht.
Dan is het dus niet gaaf als de vlaggenman voor je voorganger's neus als een idioot met een blauw vlaggetje (pas op u wordt ingehaald) staat te zwiepen en die voorganger gaat niet aan de kant. En dat hij dan de binnenbocht neemt in plaats van de afgesproken buitenbocht. En dat hij net wanneer ik hem dan maar links wil passeren besluit om tóch die buitenbocht te nemen. Op zo'n krap stukje is uitwijken niet mogelijk en van een remweg van een halve meter is al evenmin sprake, al stamp je nog zo hard op het rempedaal.
Zo belandde ik dus met een formidabele smak frontaal tegen een muur. Spectaculair! Die muur was hard en gaf geen millimeter mee. Boem is ho zeggen ze dan. Dit is heel geen botsauto.
De oranje zwaailichten gingen aan (zelf zag ik de eerste vijf minuten alleen maar sterretjes) en er kwam een mannetje in een overall aangerend. Of het wel ging, vroeg hij. "Nou nee" piepte ik. Ik voelde me net een levende Picasso, alsof niets meer op de goede plaats zat en iemand zojuist geprobeerd had mijn nek- en ruggewervels als trekzak te gebruiken. Ik had overal pijn en kon me niet bewegen.
"Ik wil mijn helm af" jammerde ik toen ik weer een beetje bij mijn positieven was, maar dat mocht niet. Ik moest stil zitten en op de hulptroepen wachten, die zouden zo nodig een ambulance bellen. Bij het woord ambulance kreeg ik zowat een zenuwinzinking. Ik begon uit alle macht met mijn tenen te wiebelen en stak mijn duim op om te bewijzen dat ik het nog deed en dat een ambulance dus volstrekt niet nodig was. Dat ik de rest van mijn lichaam zo gauw niet uit de kreukels kreeg en ik door twee man sterk uit mijn kart gehesen en van het circuit gedragen moest worden, deed er niet toe.
Een kwartier op het kneuzenbankje en een glaasje water later was ik weer in staat om piepend en krakend overeind te krabbelen. Vermoedelijk houd ik nog wel even last van geklutste hersenen, ben ik nog zeker een week zo stijf als een plank en zal ik elke beweging (voor zover ik kan bewegen) voelen. Maar zodra ik me beter voel, ga ik terug want als troost kreeg ik twee cadeaubonnen voor gratis racen.
Poe hee. Nou. Kom maar op met die vooroordelen over vrouwen achter het stuur, ik kan je nu toch niks maken. Zul je zien. Sta je je eerst een soort van flink te voelen als enige vrouw tussen al die snelle jongens, kun je een half uur later met het schaamrood op je wangen (toch nog een voordeel van de helm) van de baan gesjouwd worden. Wat een flater. Maar! Ondanks de megaklapper was ik niet de traagste van de heat (dat was mijn voorganger, die ik bij deze even hatelijk wil bedanken voor zijn rijgedrag).
Tijgerbalsem is sadistenpasta. And on that bombshell zeg ik goedenacht.
[Bijdehandjes]
Juf: "Zeg, wil jij wel eens even opletten bij het oversteken?"
Kleuter: "Zeg, wil jij soms 'es in de pak-slaag-masjien?"
"Dit is helemaal geen leuke sneeuw, deze doet pijn!" (het hagelde)
"Ik kan al heel ver tellen."
"Oja? Tot welk getal kun jij tellen dan?"
"Tienhonderd. Of eigenlijk ontelbaar."
"Zo, dat is ver!"
"Maar ik kan eigenlijk nog verder tellen."
"Verder dan ontelbaar?"
"Ja maar ik weet niet hoe dat heet."
"Is er iemand die dat wel weet?"
"Ja! Ikke!"
"Ga je gang."
"Ontelbaar-en-één, ontelbaar-en-twee, ontelbaar-en-drie. Makkie!"
Kleuter: "Zeg, wil jij soms 'es in de pak-slaag-masjien?"
"Dit is helemaal geen leuke sneeuw, deze doet pijn!" (het hagelde)
"Ik kan al heel ver tellen."
"Oja? Tot welk getal kun jij tellen dan?"
"Tienhonderd. Of eigenlijk ontelbaar."
"Zo, dat is ver!"
"Maar ik kan eigenlijk nog verder tellen."
"Verder dan ontelbaar?"
"Ja maar ik weet niet hoe dat heet."
"Is er iemand die dat wel weet?"
"Ja! Ikke!"
"Ga je gang."
"Ontelbaar-en-één, ontelbaar-en-twee, ontelbaar-en-drie. Makkie!"
Abonneren op:
Posts (Atom)

