23 april 2007

[Mierenmoord]

Als de zomer ook minstens zo zonnig wordt als deze lente dan ben ik er klaar voor. Paps is alweer druk bezig met zijn jaarlijkse mierenverdelging. Met een bezweet voorhoofd zit hij op zijn knieën op de tegels te trommelen zodat de mieren naar boven komen. Dan giet hij snel wat spiritus in de holletjes, pakt zijn gasbrander en met een gemeen lachje moordt hij hele kolonies uit. Knetterdeknetter. Vervolgens pakt hij een borstel en veegt hij nauwkeurig alle gaatjes dicht. Daar kan hij gerust een hele middag zoet mee zijn en reken maar dat hij schik heeft. Een van de malle rituelen die hij waarschijnlijk net zo lang blijft uitvoeren als hij handen, knieën en een gasbrander heeft.

20 april 2007

[Zwijgkracht]

Verwarde monologen. Verstarde dialogen. Ik was een hand. De vingers, de palm, de knokkels en de nagels. Een hand, niet om te voelen maar om te geven, te beroeren en te scheppen. Ik was die hand en het was goed. Er waren momenten waarop ik hoorde wat ik dacht maar de woorden kwamen niet van mij. Alles wat ik me wenste was een stem. Maar op de dag dat mijn wens vervuld werd, verwenste ik de tong. Nu ligt de hand op het gelaat, de vingers rustend op de lippen. De meest veelzeggende antwoorden, hoe zeer me deze constatering ook tegenstaat, bestaan grotendeels uit stilte. Het zij zo.

19 april 2007

[Bijdehandjes]

"Waar ging je ook alweer kamperen D, bij een ruïne?"
"Nee joh, gewoon bij een kapot kasteel."

13 april 2007

[A little wind kindles; much puts out the fire]

Er is een kamer in het huis waar de oppervlakte de diepte omvouwt. Waar essentie pulserend omsloten wordt door manifestatie. Waar waarheid woelt in de gesloten schoot van een gewaande werkelijkheid. Zelfs al staat het huis in lichterlaaie, ik kan met warmte niets omsluiten omdat ik van buiten koud ben als een steen en bovendien, ik ben alleen.

Rondom het huis waait onstuimig de wind. Ik verlang ernaar volledig op te gaan in het geruis, de wind te ontvangen in mijn hoofd om het leeg te blazen, zoals het de dorre bladeren uit de goten van het huis verjaagt. Soms benijd ik de wind, die beschikt over het onvermogen zich ergens aan te hechten en voor wie eenzaamheid een vreemd begrip is. De wind, die de hemel zomaar binnen handbereik heeft. De wind, die krachtig en ongrijpbaar is, zo zonder begin en zonder eind. De wind, die alleen maar hoeft te waaien, verder niets. Er is zoveel dat ik mis wanneer ik mijn hoofd laat hangen, maar wanneer ik mijn hoofd ophef, struikel ik over dit alles…

11 april 2007

[Schattentanz]

Altijd moet ik wennen aan die vreemdeling - nu een uitgerekte uitvergroting, dan weer een ineengekrompen miniatuurweergave van mijn gestalte - die me zo nauwgezet volgt in alles wat ik doe en stilstaat bij wat ik laat. Er sluimert iets van waanzin in mijn hologig staren naar het morfogenetisch schouwspel dat zich in de schemering rondom me afspeelt. Zelfs wanneer ik met ingehouden adem stokstijf blijf staan, verandert het donker steeds van vorm, zwelt en slinkt het naar believen. Het is de onbeantwoordbaarheid die immer resonerend de vraag in stand houdt. Van wie is toch het silhouet dat om me heen danst?

10 april 2007

[Weerzi(e)n]

We zitten daar maar wat. Ik aan de ene kant van de tafel, de ander aan de overkant. De reden van onze samenkomst is ons beiden ontgaan. We drinken geen drankje daar het smeren van de kelen volslagen zinloos zou zijn. Droge woorden, stekelige woorden, ruwe woorden blijven onuitgesproken. We staren ieder naar niets in het bijzonder. Blikken glijden zo onopvallend mogelijk langs elkaar en gaan op in de achtergrond. Wij voelen ons graag gepreserveerd door de rook die om onze hoofden kringelt en ons schijnveiligheid verschaft.

Terwijl de ander zijn best doet één te worden met het harde houten vlak waarop zijn achterwerk rust, raak ik bevangen door trekdrang. Het gevoel overleeft elk van mijn pogingen het uit te hongeren in de hoop dat het verzwakt en uiteindelijk zal sterven. Ik wil weg, ver weg en wel zo snel mogelijk. Zelfs wanneer zich tussen ons een grote afstand bevindt, versta ik de gedachten van de ander die zich nu rijk waant met de gelogen lach die mijn aftocht aankondigt. Ik weet waarnaar zijn wonden stinken en ken het venijn dat zijn wezen verzwelgt. Helaas, er is geen dokter in de zaal waar ik de ander zojuist heb achtergelaten.

Ik ben een museum vol onzichtbare kostbaarheden die ik evenzeer veracht als koester. Ik ben een kast vol souvenirs die samen het kloppende hart van mijn herinnering vormen. Soms zou ik de kast omver willen duwen of met een moker te lijf gaan, de souvenirs willen begraven diep in de zwarte aarde. Soms zou ik me niets willen hoeven herinneren, liever dan te moeten vergeten.

7 april 2007

[Vernietsiging]

De ander is bepaald geen scherpschutter. Toch heeft iets hem ertoe gedreven vanaf een flinke afstand zijn vlijmscherpe pijlen op me af te vuren. Tevergeefs. Het zouden slechts speldenprikken zijn, ware het niet dat ik de deur al gesloten had voordat de pijlen zich in mijn huid konden priemen. Ik ken de ander beter dan hij beseft. Ik ben een grondig en nauwkeurig observator, altijd alert en zeer bedacht op dergelijke uitspattingen. Als een hondsdolle stormt hij snoevend in de richting van het huis, ik kan de vloer onder mijn voeten voelen trillen. Zijn drang om iets, mij in het bijzonder, te verwoesten is allesoverheersend.

De ander, schuimbekkend van alles wat op een andere manier zijn lijf niet kan verlaten maar niet langer in hem kan blijven, ramt uit pure frustratie zijn kop door een van de muren. In het geheel niet verbaasd kijk ik de ander doordingend aan. Mijn blik klemt zich vast aan zijn gezicht, of dat wat er nog van rest. Of hij niet op kan hoepelen. Het opengereten smoelwerk dat nu als een afzichtelijk schilderij mijn muur ontsiert, zwijgt en kwijlt dunne slierten speeksel vermengd met bloed op haar tapijt. Dan volgt zijn volledige maaginhoud. Ik neem maar aan dat dit nee betekent. Als hij nu dan tenminste zijn kaken maar op elkaar geklemd houdt.

In tegenstelling tot de ander ben ik geenszins van plan me te laten verteren door emoties vervormd tot projecties van miskende schaduwzijden. Ik weiger mezelf te vernederen door toe te geven aan de kracht van een negatieve aantrekking, door blind het voorbeeld te volgen dat de haatdragende en –zaaiende ander stelt. Het zou mijn verstand verpulveren en mijn zelfachting verpletteren. In plaats daarvan boen ik de vloer, veeg het besmeurde gezicht van de ander vlug maar behoedzaam schoon en spoel zijn mond met water. Langs de achterzijde van de muur hangt slap en zwak zijn lege lijf. Voorzichtig verlos ik hem uit zijn lijden en leg zijn lichaam languit op het gazon. De regen zal de rest van het werk doen. Ik heb nog een muur dicht te metselen.

6 april 2007

[Da capo]

Zijn de ogen waardoor ik kijk wel echt de mijne en waarom lijken de anderen me niet te kunnen zien? Hoe kan het dat zelfs mijn schaduw zich van mij losmaakt? Wordt het huis nu steeds groter of voel ik me steeds kleiner?

Ik ben de patrones van het huis dat duizendzevenentwintig leegstaande kamers telt. Overdag staar ik door het matte glas van een willekeurig raam, zittend op de vensterbank met opgetrokken knieën waaromheen ik mijn armen geslagen heb. Als een nachtvlinder fladder ik 's nachts onrustig door de verlaten gangen en trappenhuizen. Dwalend in het donker tast ik de wanden af, wanden gemaakt van gestold leed.

Hoe kan de stilte in hemelsnaam zo'n oorverdovend kabaal maken? Zo veel stilte. Honderdmiljoen ingebeelde micropascallen werpen zich en masse tegen de beide zijden van mijn hoofd en mijn gepijnigde oren kunnen de druk van deze aanslag op het trommelvlies maar nauwelijks verduren. Ik schop een gat in het geluid, vang de vallende brokstukken op, stamp deze fijn, raap de kruimeltjes bij elkaar en begin opnieuw te componeren.

Ik moet het geluidskruim, het levenslawaai dat zo tomeloos tekeer gaat opnieuw vormgeven, de klanken kneden tot ze kloppen. Het stuk zal vertegenwoordigen wat mijn vermoeide tong niet kan uitspreken, de onmogelijkheden die ik niet onder woorden kan brengen, de onwerkelijkheden die ik niet weet te benoemen. Ik moet me erin legen voordat ik overstroom. Niet gematigd of geremd, niet bescheiden, niet getemd, maar vanuit het puntje van mijn tenen. Hartstochtelijk en met allervolste kracht. Het moet eruit, prestissimo!, voordat ik erin stik of het me opslokt.

Vier woorden slechts vallen van mijn lippen naar beneden en vlak voor mijn voeten aan diggelen.

4 april 2007

[In het voorbijgaan]

Het schone wordt door de ander verworpen, weggeworpen, belandt in de modder zodat het onherkenbaar wordt. Nietsvermoedende schoenzolen zullen zich erin drukken. Honden zullen eraan snuffelen en ertegenaan plassen. Spelende kinderen zullen er nieuwsgierig met stokken in prikken. Kraaien zullen er met hun snavels in pikken. De regen zal het in de goot spoelen. Uiteindelijk zal een gemeentelijke bezemwagen al wat ervan is overgebleven uit die goot schrapen en het zo voorgoed uit het straatbeeld doen verdwijnen. Zo vergankelijk is schoonheid.


Een onooglijk, bloot omhulsel blijft over. Het is de naakte waarheid. Het jaagt de ander schrik aan, daar is geen twijfel over mogelijk, of het nu om de waarheid gaat, de naaktheid ervan of de combinatie van die twee. Het is hoe dan ook onverdraaglijk. De ander bedekt zijn ogen, zich er langzaam van bewust wordend wat hij heeft aangericht. Dan keert hij om, de lafbek, en in de hoop dat niemand het opmerkt sluipt hij weg.

2 april 2007

[In elk sterven schuilt iets hemels]

De naald valt onverschillig in de groef. Daar klinkt het bekende lied. De ambetante klanken van afgunst, femelarij, aanstellerij galmen door het huis. Ik ken het nu wel en ben het deuntje meer dan beu. Hoewel het omgekeerde waar lijkt, is het de plaat die de naald bespeelt. Door het eindeloos ronddraaien, stompen de groeven de naald af. De mate waarin de naald zich verzet tegen de zwaartekracht mag geen naam hebben. De groeven worden dieper en dieper. Moet ik dit verdragen? Nog een rondje en ik zal me de oren van het hoofd rukken! Ophouden moet het en ophouden zal het. Vastberaden til ik de naald uit zijn groef. Een kort moment trilt de platte ebonieten schijf op de grammofoon alsof het vrees kan voelen. Dan breek ik het in stukken. Dat lucht op.

Nu klinkt de wereld anders. Een beetje dof. Alsof ik water in mijn oren heb. Of urenlang opgesloten heb gezeten in een lift vol hysterische mensen en dan de stilteruimte van een bibliotheek binnen wandel. Het ruist en telkens wanneer ik mijn hoofd beweeg dan ruist het anders, maar niet zoals de zee. Of de wind. Of als verkeer dat over een snelweg raast. Meer als een stukke televisie. Het soort ruis waar ik op den duur inevitabel loom van word. Het stroomt mijn oren binnen als slierten monotone chaos. Dat is wat er nog van de ander over is: een stoffig, grijzig geruis dat zijn einde tegemoet trilt, steeds subtieler, tot het verstomt.

1 april 2007

[Bitter lot]

Een deel van mijn spieren stuiptrekt, de rest is een verkrampte weefselknot. Zeg alsjeblieft maar niets of richt je tenminste niet tot mij. Ik druk op de verstijfde weefselstrengen en concentreer me veraangenaamd op de pijn die ik hierbij voel. De knoopkunstenaar vloekt vanuit de hoogte en verwenst het dak boven zijn hoofd dat stukje bij beetje vergruist en in poedervorm op hem neerdaalt. Weg is het dak. Dat hij door het stof in zijn ogen blind geworden is, is mijn schuld. Dat hij straks nog nat zal worden als het gaat regenen is ook mijn schuld. Evenals het feit dat het aanstonds nóg donkerder wordt. Maar eer het zover is, heb ik me allang van hem verwijderd. Tegen zijn zin in. Dan zal hij nogmaals vloeken omdat ik zelfs voor duisternis kan zorgen wanneer ik er níet ben.

It is up to you now to keep me from wanting to go away.