De naald valt onverschillig in de groef. Daar klinkt het bekende lied. De ambetante klanken van afgunst, femelarij, aanstellerij galmen door het huis. Ik ken het nu wel en ben het deuntje meer dan beu. Hoewel het omgekeerde waar lijkt, is het de plaat die de naald bespeelt. Door het eindeloos ronddraaien, stompen de groeven de naald af. De mate waarin de naald zich verzet tegen de zwaartekracht mag geen naam hebben. De groeven worden dieper en dieper. Moet ik dit verdragen? Nog een rondje en ik zal me de oren van het hoofd rukken! Ophouden moet het en ophouden zal het. Vastberaden til ik de naald uit zijn groef. Een kort moment trilt de platte ebonieten schijf op de grammofoon alsof het vrees kan voelen. Dan breek ik het in stukken. Dat lucht op.
Nu klinkt de wereld anders. Een beetje dof. Alsof ik water in mijn oren heb. Of urenlang opgesloten heb gezeten in een lift vol hysterische mensen en dan de stilteruimte van een bibliotheek binnen wandel. Het ruist en telkens wanneer ik mijn hoofd beweeg dan ruist het anders, maar niet zoals de zee. Of de wind. Of als verkeer dat over een snelweg raast. Meer als een stukke televisie. Het soort ruis waar ik op den duur inevitabel loom van word. Het stroomt mijn oren binnen als slierten monotone chaos. Dat is wat er nog van de ander over is: een stoffig, grijzig geruis dat zijn einde tegemoet trilt, steeds subtieler, tot het verstomt.
2 april 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten