Op de BSO in Leiden noemden de kids leverpastei ‘smeerworst’ maar in Limburg zeggen ze ‘paté’. Moest ik even aan wennen. Het valt niet mee om je vocabulaire aan te passen wanneer de woorden uit je moedertaal ineens een andere betekenis krijgen dan je gewend bent.
Vla noem je hier pudding, als je om vla vraagt dan krijg je ’n stuk vlaai.
Limonade heet hier sap en tegen sinas zeg je limonade.
Als ze schudden zeggen, bedoelen ze schenken.
Af en toe ga ik nog de fout in en dan kijken de ukken me onbegrijpend aan. Gelukkig zijn er ook kinderen die een beetje met mij mee denken. Een soort omgekeerde integratie.
Als ik M vraag wat ze op haar broodje wil, denkt ze even na en antwoordt dan vastbesloten: “smerige worst”.
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
3 februari 2010
16 juni 2009
[Taal is zeg maar echt mijn ding]
Kassameisje 1: "D-i-s..."
Kassameisje 2: "Nee, nee, d-y-s-l-e..."
Kassameisje 1: "x-y. Nee, ie."
Kassameisje 2: "Je zal het maar hebben, dan kun je het niet eens spellen!"
Kassameisje 1: "Nou, daar hoef je het niet eens voor te hebben hoor."
Kassameisje 2: "Toch is het knap lullig, wie verzint nou zo iets?"
Wen: "Inderdaad een tamelijk ironische kwelling."
Kassameisje 2: "Dus d-y-s-l-e-x-i-e."
Wen: "Jep."
Kassameisje 1: "Toch sneu voor al die dyslexische mensen."
Wen: "Dyslectische. Het is dyslexie en dyslectisch. Dat is om het makkelijk te houden."
Kassameisje 2: "Zo, jij weet er een hoop vanaf!"
Ik leg het boek van Paulien Cornelisse op de toonbank om het af te rekenen.
Wen: "Mja, taal is zeg maar echt mijn ding."
Kassameisje 1: "Haha, 'taal is zeg maar...', zo heet dat boek! Haha!"
Kassameisje 2: "Dat is dan twaalf euro vijfenzeventig, dank je wel, en zeven euro vijfenzeventig terug."
Wen: "Kijk, en dat heet dyscalculie, d-y-s-c-a-l-c-u-l-i-e."
Kassameisje 2: "Nee, nee, d-y-s-l-e..."
Kassameisje 1: "x-y. Nee, ie."
Kassameisje 2: "Je zal het maar hebben, dan kun je het niet eens spellen!"
Kassameisje 1: "Nou, daar hoef je het niet eens voor te hebben hoor."
Kassameisje 2: "Toch is het knap lullig, wie verzint nou zo iets?"
Wen: "Inderdaad een tamelijk ironische kwelling."
Kassameisje 2: "Dus d-y-s-l-e-x-i-e."
Wen: "Jep."
Kassameisje 1: "Toch sneu voor al die dyslexische mensen."
Wen: "Dyslectische. Het is dyslexie en dyslectisch. Dat is om het makkelijk te houden."
Kassameisje 2: "Zo, jij weet er een hoop vanaf!"
Ik leg het boek van Paulien Cornelisse op de toonbank om het af te rekenen.
Wen: "Mja, taal is zeg maar echt mijn ding."
Kassameisje 1: "Haha, 'taal is zeg maar...', zo heet dat boek! Haha!"
Kassameisje 2: "Dat is dan twaalf euro vijfenzeventig, dank je wel, en zeven euro vijfenzeventig terug."
Wen: "Kijk, en dat heet dyscalculie, d-y-s-c-a-l-c-u-l-i-e."
8 oktober 2008
[Sprekend een Hollander - deel 2]
Ik zie hier in ’t Limburgse behalve het halen van mijn taalexamen nog een missie voor mij liggen.
Laatst kreeg ik op mijn werk een sms. Op dat moment kwam uit mijn telefoon het volgende geluid:
“Heej juh fuhguurrr, juh heppun berrrrichts!”.
Vijf verbaasde gezichten richtten zich tot mij.
“Wat was dat in hemelsnaam?”
“Dat is plat Leids” legde ik mijn Limburgse collega’s uit.
“Maar plat Leids, dat is toch wat jij spreekt?” vroeg één van mijn collega’s.
“Nee, wat ik spreek, dát heet nu ABN”.
Een collectieve aha-erlebnis volgde.
Mijn collega’s spreken, ook in mijn bijzijn, dialect. Omschakelen naar het Nederlands is voor hen waanzinnig moeilijk terwijl het voor mij niet meevalt om mee te krijgen waar zij het over hebben. Het grappige is dat ze elkaar soms ook niet verstaan omdat de dialecten ook nog eens per dorp kunnen verschillen. Bij sommige collega’s breekt het zweet letterlijk uit wanneer ze Hollands moeten spreken. Kwalijke zaak. Kinderen hebben hier gelukkig een stuk minder moeite mee, al blijven er natuurlijk altijd exemplaren die volgens het principe van ‘gemak dient de mens’ leven. Zij kunnen gerust op hun kop gaan staan (“Juf, kunt u dialect spreken? Ah toe? Dat verstaan wij makkelijker.”), het antwoord blijft “nee”. Dat ik er in het westen na twee maanden al van word beschuldigd dat ik een Limburgse intonatie heb, is al erg genoeg!
Het is zaak bij de les te blijven. Een taaltoets kan onmogelijk moeilijker zijn dan een rekentoets. Gewoon ABN blijven denken. Ik laat me niet gek maken.
Niet door een malapropistische Limburger: “onze hond kan keigoed aborteren”.
Ook niet door een verwarde medestudent: “Het is toch roggenbrood, want je kunt toch ‘één rog, twee roggen’ zeggen?”
“En waar denk jij dat roggebrood van gemaakt is? Van vis?”
“Ehm...”
En zeker niet door klasgenoten met een grapjas en een lolbroek aan: “Wen, je doet het je maar uitzoeken want ik ben het niet schuld dat jij niet plat kunt kallen!”.
Laatst kreeg ik op mijn werk een sms. Op dat moment kwam uit mijn telefoon het volgende geluid:
“Heej juh fuhguurrr, juh heppun berrrrichts!”.
Vijf verbaasde gezichten richtten zich tot mij.
“Wat was dat in hemelsnaam?”
“Dat is plat Leids” legde ik mijn Limburgse collega’s uit.
“Maar plat Leids, dat is toch wat jij spreekt?” vroeg één van mijn collega’s.
“Nee, wat ik spreek, dát heet nu ABN”.
Een collectieve aha-erlebnis volgde.
Mijn collega’s spreken, ook in mijn bijzijn, dialect. Omschakelen naar het Nederlands is voor hen waanzinnig moeilijk terwijl het voor mij niet meevalt om mee te krijgen waar zij het over hebben. Het grappige is dat ze elkaar soms ook niet verstaan omdat de dialecten ook nog eens per dorp kunnen verschillen. Bij sommige collega’s breekt het zweet letterlijk uit wanneer ze Hollands moeten spreken. Kwalijke zaak. Kinderen hebben hier gelukkig een stuk minder moeite mee, al blijven er natuurlijk altijd exemplaren die volgens het principe van ‘gemak dient de mens’ leven. Zij kunnen gerust op hun kop gaan staan (“Juf, kunt u dialect spreken? Ah toe? Dat verstaan wij makkelijker.”), het antwoord blijft “nee”. Dat ik er in het westen na twee maanden al van word beschuldigd dat ik een Limburgse intonatie heb, is al erg genoeg!
Het is zaak bij de les te blijven. Een taaltoets kan onmogelijk moeilijker zijn dan een rekentoets. Gewoon ABN blijven denken. Ik laat me niet gek maken.
Niet door een malapropistische Limburger: “onze hond kan keigoed aborteren”.
Ook niet door een verwarde medestudent: “Het is toch roggenbrood, want je kunt toch ‘één rog, twee roggen’ zeggen?”
“En waar denk jij dat roggebrood van gemaakt is? Van vis?”
“Ehm...”
En zeker niet door klasgenoten met een grapjas en een lolbroek aan: “Wen, je doet het je maar uitzoeken want ik ben het niet schuld dat jij niet plat kunt kallen!”.
7 oktober 2008
[Sprekend een Hollander - deel 1]
Het is nooit verkeerd om de algemene ontwikkeling wat aan te scherpen. Nu ik het gruwel der gruwelen (zijnde de Pabo rekentoets) achter de rug heb, kan ik me volledig op de taaltoets storten. Ik heb twee dagen de tijd om me te verdiepen in taal- en redekundige ontleding, spelling, interpunctie en stijl. Het probleem is dat ik de meeste regels dusdanig geïnternaliseerd heb, dat ik ze onbewust toepas. Een kwestie van opfrissen en herbewustworden dus.
Vorige week kreeg ik mijn eerste les Nederlands onder het motto: beter laat dan niet. Daar zit je dan, als enige ‘Hollander’ tussen de Limburgers. Het moest er natuurlijk een keer van komen dat ik (de ‘Hollander’) me kritisch opstelde ten opzichte van het Limburgse taalgebruik zoals het zich in mijn beleving fenomeneert.
Het wederkerend voornaamwoord kwam ter sprake. Niet Jantje ging terug naar huis, hoewel dat een goed fout voorbeeld is, maar ik was me, hij vergist zich, wij stellen ons voor. Een wederkerend voornaamwoord gebruik je wanneer een handeling slaat op het onderwerp of wanneer een werkwoord zelf wederkerend is. Dit kunt u volgen en het merendeel van u zal het ook foutloos toepassen.
Je kunt het ook overdrijven en daar heeft men hier in het zuiden nogal een handje van (of zoals veel Limburgers zeggen: een handje aan). Mijn vraag aan de docent luidde dan ook:
“Ik weet nu hoe ik de regel aanleer, kan ik hem ook afleren?”
Een semi-verontwaardigd “waarom zou je je dat willen afleren?” was de wedervraag.
Ik legde uit dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat men in Limburg te pas en te onpas werkwoorden wederkerend maakt. Voorbeelden: hij bekijkt het zich maar, je zoekt het je maar uit. De docent kon dit fenomeen niet ontkennen maar wel verklaren: waarschijnlijk wil de spreker zijn boodschap op die manier meer kracht geven.
Aha.
Nu ik toch bezig was zag ik mijn kans schoon om meer vragen te stellen. Hoe verantwoord je zinnen als: "doe mij de boter eens aangeven” en “kun jij even vegen doen”? En wat is de achterliggende gedachte bij een constructie als: “dat ben ik niet schuld”, in plaats van: “dat is niet mijn schuld”?
Dat waren te veel vragen. We moesten ons nu eerst richten op correcte grammatica, spelling en stijl.
D’accord, alors, donc, komtiedanhe.
Doe | mij | de boter | eens | aangeven.
Pv=doe, ond=x, wwgez=doe aangeven, meewvw=mij, lv=de boter, bijwbep=eens. Doe=hww, mij=persvnw, de=beplidw, boter=znw, eens=bijw, aangeven=zww.
Voilá.
Nu moest ik ophouden.
Mijn vragen zouden onbeantwoord blijven.
Ik vond het geen stijl, maar dat viel dan weer buiten het scala aan te bestuderen stijlfouten.
De docent vertelde ons over het etymologisch principe. Hoe weet je of een woord met een lange ij of korte ei geschreven moet worden? Welnu, dat is heel simpel: de woorden die je in dialect uitspreekt als een ie-klank worden in het Nederlands altijd met een lange ij geschreven.
Aaah!
Nee, nee, neeeee!
Ik weiger leerlingen een spellingregel te leren op basis van welk dialect dan ook.
Van huis uit heb ik al te veel absurde spellingregels meegekregen. Mijn oom maakte het hierbij wel héél bont: "Heeft de vogel korte poten? Dan gebruik je een korte ei. Een struisvogel legt dus beslist ijeren. Een kip daarentegen..."
Maar dat terzijde. Het verbaast me met de minuut minder dat er Limburgse kinderen zijn die door het Limburgse dialect als NT2-kinderen geclassificeerd kunnen worden. Met ABN kunnen zij bedroevend weinig.
Vorige week kreeg ik mijn eerste les Nederlands onder het motto: beter laat dan niet. Daar zit je dan, als enige ‘Hollander’ tussen de Limburgers. Het moest er natuurlijk een keer van komen dat ik (de ‘Hollander’) me kritisch opstelde ten opzichte van het Limburgse taalgebruik zoals het zich in mijn beleving fenomeneert.
Het wederkerend voornaamwoord kwam ter sprake. Niet Jantje ging terug naar huis, hoewel dat een goed fout voorbeeld is, maar ik was me, hij vergist zich, wij stellen ons voor. Een wederkerend voornaamwoord gebruik je wanneer een handeling slaat op het onderwerp of wanneer een werkwoord zelf wederkerend is. Dit kunt u volgen en het merendeel van u zal het ook foutloos toepassen.
Je kunt het ook overdrijven en daar heeft men hier in het zuiden nogal een handje van (of zoals veel Limburgers zeggen: een handje aan). Mijn vraag aan de docent luidde dan ook:
“Ik weet nu hoe ik de regel aanleer, kan ik hem ook afleren?”
Een semi-verontwaardigd “waarom zou je je dat willen afleren?” was de wedervraag.
Ik legde uit dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat men in Limburg te pas en te onpas werkwoorden wederkerend maakt. Voorbeelden: hij bekijkt het zich maar, je zoekt het je maar uit. De docent kon dit fenomeen niet ontkennen maar wel verklaren: waarschijnlijk wil de spreker zijn boodschap op die manier meer kracht geven.
Aha.
Nu ik toch bezig was zag ik mijn kans schoon om meer vragen te stellen. Hoe verantwoord je zinnen als: "doe mij de boter eens aangeven” en “kun jij even vegen doen”? En wat is de achterliggende gedachte bij een constructie als: “dat ben ik niet schuld”, in plaats van: “dat is niet mijn schuld”?
Dat waren te veel vragen. We moesten ons nu eerst richten op correcte grammatica, spelling en stijl.
D’accord, alors, donc, komtiedanhe.
Doe | mij | de boter | eens | aangeven.
Pv=doe, ond=x, wwgez=doe aangeven, meewvw=mij, lv=de boter, bijwbep=eens. Doe=hww, mij=persvnw, de=beplidw, boter=znw, eens=bijw, aangeven=zww.
Voilá.
Nu moest ik ophouden.
Mijn vragen zouden onbeantwoord blijven.
Ik vond het geen stijl, maar dat viel dan weer buiten het scala aan te bestuderen stijlfouten.
De docent vertelde ons over het etymologisch principe. Hoe weet je of een woord met een lange ij of korte ei geschreven moet worden? Welnu, dat is heel simpel: de woorden die je in dialect uitspreekt als een ie-klank worden in het Nederlands altijd met een lange ij geschreven.
Aaah!
Nee, nee, neeeee!
Ik weiger leerlingen een spellingregel te leren op basis van welk dialect dan ook.
Van huis uit heb ik al te veel absurde spellingregels meegekregen. Mijn oom maakte het hierbij wel héél bont: "Heeft de vogel korte poten? Dan gebruik je een korte ei. Een struisvogel legt dus beslist ijeren. Een kip daarentegen..."
Maar dat terzijde. Het verbaast me met de minuut minder dat er Limburgse kinderen zijn die door het Limburgse dialect als NT2-kinderen geclassificeerd kunnen worden. Met ABN kunnen zij bedroevend weinig.
5 maart 2008
[Vreemdspraak]
Ik was in Limburg en in Limburg praten veel mensen raar. Zeg maar rustig onverstaanbaar. Althans, voor een Bollenstreekse Randstedeling als ik valt er van die zuidelijke dialecten lastig kaas te maken. Wanneer ik daar op straat aangesproken word, en dat word ik om de een of andere onverklaarbare reden nog wel eens, dan sta ik eerst een minuut lang glazig te kijken en tegen de tijd dat de Limburger in kwestie de hoek om is valt bij mij een keer het kwartje (iets met trèkke en een vinster aope laote sjtaon, dat het zo waaide, begreep ik later).
Ik heb de behoefte noch ambitie om me die taal eigen te maken maar ik mag toch hopen dat ik het eens leer verstaan – wel zo handig. Maargoed, dan kom je als Leidse bij je toekomstige Limburgse huisarts en wat is het eerste dat de beste man in zijn beste Hollands vraagt: “spreek je eigenlijk Nederlands?”. Nee, Swahili, nou goed (okay, gezien de demografische samenstelling van de leefomgeving van mijn OVA zou ik zeggen: had gekund, maar come on, daar zou mijn OVA toch zeker niet mee aan komen zetten).
Dat van die dokter was mijn OVA’s idee. Zelf ben ik meer van het type eerst de dood in de ogen kijken en als het dan nog niet te laat is de dokter. Not where he comes from. Mijn OVA is erg zorgzaam en stond op een totale up check. Ik had een pijnlijk pijntje, precies hetzelfde pijntje waarvan ik vorig jaar dacht dat het op een overspannen darm wees maar dat bleek een verwaarloosde urineweginfectie te zijn. Ik legde dus mijn vermoeden van een blaasontsteking op het bureau van de dokter van mijn OVA.
De dokter vond dat ik een overspannen blinde darm had, maar geen zorgen, daar kon ik honderd mee worden. Nou, dan is het goed. Voor de zekerheid toch even in een döppe pisse en wat bleek? Blaosóntsjtaeking. Tegen de tijd dat ik dat woord vloeiend mijn strot uit krijg zal ik er wel van genezen zijn.
Ik heb de behoefte noch ambitie om me die taal eigen te maken maar ik mag toch hopen dat ik het eens leer verstaan – wel zo handig. Maargoed, dan kom je als Leidse bij je toekomstige Limburgse huisarts en wat is het eerste dat de beste man in zijn beste Hollands vraagt: “spreek je eigenlijk Nederlands?”. Nee, Swahili, nou goed (okay, gezien de demografische samenstelling van de leefomgeving van mijn OVA zou ik zeggen: had gekund, maar come on, daar zou mijn OVA toch zeker niet mee aan komen zetten).
Dat van die dokter was mijn OVA’s idee. Zelf ben ik meer van het type eerst de dood in de ogen kijken en als het dan nog niet te laat is de dokter. Not where he comes from. Mijn OVA is erg zorgzaam en stond op een totale up check. Ik had een pijnlijk pijntje, precies hetzelfde pijntje waarvan ik vorig jaar dacht dat het op een overspannen darm wees maar dat bleek een verwaarloosde urineweginfectie te zijn. Ik legde dus mijn vermoeden van een blaasontsteking op het bureau van de dokter van mijn OVA.
De dokter vond dat ik een overspannen blinde darm had, maar geen zorgen, daar kon ik honderd mee worden. Nou, dan is het goed. Voor de zekerheid toch even in een döppe pisse en wat bleek? Blaosóntsjtaeking. Tegen de tijd dat ik dat woord vloeiend mijn strot uit krijg zal ik er wel van genezen zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)

