31 december 2005
[Diepvriestenen]
U kunt zich misschien voorstellen dat mijn teleurstelling groot was toen ik buiten kwam en moest constateren dat er in deze toch kinderrijke buurt geen enkel kind te bespeuren viel. Geen sneeuwballen, geen sneeuwpoppen, geen sleeënde kinderen. Wat zullen we nu krijgen? Sneeuwt het een keer, hangen alle koters achter hun gloednieuwe xboxjes, allerminst onder de indruk van al het moois dat zij aan hun achterhoofdjes voorbij laten gaan. Of misschien worden ze wel angstvallig binnen gehouden door hun ouwelui. Stel je toch eens voor dat ze iets oplopen, een snotneus of iets van dien aard. Potverdorie.
Nu is het nog mooi. Krakend en wit. Perfect speelspul. Wonderlijk wandelweer. Morgen is het grijze blubber en zitten er tientallen gore gele hondenpiesvlekken in of hebben bejaarden, want leer mij de bejaarden kennen, het gewaagd zich van achter hun geraniums te verwijderen om voor het krieken van de dag hun stoepjes schoon te vegen. Heb je d'r helegaar niks meer aan. Hup, naar buiten, al moet ik je aan je oren de deur uit sleuren. Een kind moet weten hoe sneeuw eruit ziet, hoe het voelt, hoe het klinkt als het valt en hoe het knispert onder je schoenen, hoe het proeft als je de vlokken vangt op je tong. Net zoals een kind niet mag opgroeien zonder Toon tellegen. Dat hoort er gewoon bij, vind ik. Maargoed. Zelf weten.
Ik heb mijn kans gegrepen (sneeuwtijgeren met de mams, sneeuwballen smijten met de paps, diner in een glazen serre dus min of meer in de sneeuw maar dan zonder de kou, avondwandeling in het bos en geïmproviseerd sleeën met een Aldi-karretje) en zal deze dag niet spijtvol beëindigen. Zelfs niet nadat ik met de vroem een half uur lang stapvoets en met gevaar voor eigen leven over de snelweg gezigzagd heb. Mijn bumper deed dienst als sneeuwschuiver, de ruitenwissers konden de hoeveelheid witte stuif niet aan, de strepen op de weg en hele stukken vangrail waren verdwenen onder de sneeuw zodat ik op de gok richting huis moest koersen. Je maakt nog eens wat mee wanneer de weergoden er zin in hebben.
Nu dan toch maar even iets nuttigs doen. Er staat nog een afwas. Even de restjes van 2005 wegpoetsen.
27 december 2005
[Solitaire eindejaarscontemplatie]
Dat was kerstmis en ik at en met elke hap werden mijn zinnen des te zeer doordrongen van het feit dat de smaak van overwinning met meer recht bitter is en wrang dan zoet. Dat alles waarvan ik zou getuigen mijn overkoepelend gemoed bezwangeren zou van deceptie. Zag een enkeling mij lachen, eens, misschien zelfs vaker, ongeveinsd en heeft u mij dan werkelijk herkend?
Dat was kerstmis en ik hoorde u aan. Met koude, hardhouten spijlen langs mijn ruggengraat. U keek op en later neer wilde niets meer dan meer en meer en meer. Begrijpt u mij niet verkeerd, ik wilde u simpelweg niet begrijpen. Er klonken klanken, subtiel maar intens, die mijn gemoed bewogen in de aan u tegenovergestelde richting. U nam de moeite niet uw blik te verplaatsen, te zien, liever dan te kijken en deswege sloot ik mijn ogen.
Dat was kerstmis en ik las en ik peinsde, zittend in mijn vensterbank, van wie bomen en mensen heten en lachen in droefnis, daar zij het sterven van ongrijpbare gunstperspectieven betreuren en zich tot hun laatste levenszucht verwonderen over dat wat het leven is. De zon kwam door en liet het schaars gebladerte glimlachen onder diens gloed van gouden vlammen, flauw, alsof het in een droom geweten heeft hoe kort het duren zou. Daarna zou het regenen. Oer-Hollandse pijpenstelen, met bakken tegelijk. Zag een enkeling wie of wat mij hiertoe dreef en heeft u in mijn schrijven de oorsprong werkelijk herkend?
Dat was kerstmis en ik heb geen recht tot urmen. Rest mij ten slotte terug in de kribbe te kruipen, me van mijn schoenen te ontdoen, het lijnwaad tot ver over mijn hoofd te trekken en te mijmeren tot de slaap erop volgt. Erkentelijk voor al wat ik dit jaar in mijn hart heb mogen sluiten. Toch moet het zegepralend Gloria immer nog uitblijven. Een nieuw jaar zal zich weldra aankondigen, mijn voeten hebben nood aan rust.
11 december 2005
[De beuk erin]
Natuurlijk was de SSP, onze ouwe mopperpot, niet van plan om de enorme berg pijn zeven trappen af te sjouwen. Ik verzamelde snel zoveel planken als ik dragen kon maar de SSP had, zoals ik al vreesde, een ander plan. Een béter plan. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? Daar vloog de helft van mijn voormalige keuken van vier hoog het balkon af en konden de buren nog maar net ontsnappen aan de spiesdood. Uit protest, want ik ben nu eenmaal eigenwijs, heb ik alsnog acht ladingen puin naar beneden gezeuld via de trappen. Dan maar spierpijn en splinters. De buren zullen mij niet van tokkie-gedrag betichten, ik ben een net meisje.
Het idee is dat de keuken behalve ruim ook mooi moet worden. Helaas heb ik geen geld voor een nieuwe, maar met een beetje handigheid vallen de kanariepietjesgele kastjes wel op te lappen tot iets toonbaars waar de netvliezen niet direct van scheuren zodra je er naar kijkt. Mijn kluspaps heeft de overgebleven leidingen omgelegd zodat ze niet meer in bochten langs de muur kronkelen maar netjes langs het plafond lopen. Die kan ik nu dus mooi opschuren en schilderen. Als het goed is gaat de SSP deze week een sleuf in de muur slijpen zodat ik niet langer een wirwar aan bedrading over de vloer heb liggen. Ook zal hij de levensgevaarlijke, gammele contactdozen die nu nog op de meest onlogische plaatsen aan de wand bungelen vervangen. Nu moet ik steeds met electrocutiegevaar een loshangend draadje in een contactgaatje prikken als ik licht wil. Met een beetje geluk kan de wand voor de kerst gestuukt worden en het plafond afgewerkt. Als dat klaar is, timmer ik er een degelijke lambrisering tegenaan. De vloer is nu nog geplaveid met bruingelige tegels maar uiteindelijk moeten daar antracietgrijze leisteenplavuizen komen. Van die structuurdingen. Heus sjiek. Eigenlijk wil ik ook een nieuw aanrechtblad maar je kunt natuurlijk ook te veel willen.
Zo'n huis vol klustroep is niet echt gezellig te noemen maar kerstmis staat voor de deur en of het nu handig is of niet, ik eis een beetje knusheid tijdens de feestdagen. Zodoende ga ik de bouwput nu versieren met kerstlampjes.
2 december 2005
[Ik heb een gymzaal!]
22 november 2005
[De man en het grote Jan-complot]
Met een vork draaide ik rondjes door een rijstprutje. Ik wilde wel eten maar ze maken bij Konimex van die achterlijk grote schenkgaten in de sesamsojasausflessen dat ik toen ik even niet goed oplette en mijn hand ineens een soort van vreemde ongecontroleerde beweging maakte het halve flesje over mijn bord leeggoot waardoor mijn rijstkorrels voor hun zwemdiploma B konden. Mijn eten was in één klap niet meer te hachelen maar dat gaf niet want mijn aandacht werd volledig opgeëist door het nieuws.
Ik slikte een "oeps" in. "Ik was het niet!" riep ik, en liet mijn vork spontaan in het rijstprutje vallen waardoor enkele rijstkorrels gelanceerd werden en met kleine plonsjes weer in het prutje terecht kwamen. De man keek me ongelovig aan, verplaatste zijn ongelovige blik naar de rijstkorrels op mijn bord die inmiddels ijverig aan het watertrappelonderdeel begonnen waren en verklaarde me woordeloos voor gek. Hij wist heus wel dat ik het niet gedaan kon hebben. Ik had een beresterk alibi. Ik wist wel wie het gedaan had, wat mij misschien toch een tikkeltje medeplichtig maakte, maar je kameraden verlink je nu eenmaal niet. Ook niet wanneer de man je woordeloos voor gek verklaart en er een half politiekorps aan te pas moet komen om de buurt gerust te stellen. Dat moet je dan maar voor lief nemen. U begrijpt dat ik verder geen details kan geven.
De man fronste wat, viste een verfomfaaid papiertje uit zijn broekzak, pakte de hoorn van de haak en toetste het nummer dat op het papiertje stond in. Een geheimzinnig gesprek met ene Jan volgde. Af en toe keek de man naar me, vanuit zijn ooghoeken. Ik pelde een mandarijntje en deed net alsof ik het niet zag. Op de achterkant van het verfomfaaide papiertje schreef de man een adres en hing toen op. "Ik moet even weg" zei hij. Toen ging hij dus weg.
"Waarheen?" riep ik nog, maar de man zweeg en trok de deur achter zich dicht. Waar ging hij naartoe? Wat ging hij doen? Wie was die Jan? Waarom mocht ik het niet weten?
Een uur later kwam de man terug. "Je mag voorlopig niet in de kelder." zei hij. "Wat een onzin" zei ik. "Waarom niet?" vroeg ik. Ik mocht het niet weten want het was geheim. "Het is ook mijn kelder" probeerde ik nog, maar het was zinloos. De man trok zijn linkermondhoek op waardoor een halve grijns op zijn gezicht verscheen. Dit vond ik onuitstaanbaar.
Ik spoelde de sesamsojasaus door de wc. Over de mozaïektegeltjes rende een beest met korte pootjes als een gek in het rond. Zonder nadenken richtte ik mijn gewoon-boosheid op het beest, ik had me immers nog altijd niet afgereageerd en met al die onbeantwoorde vragen in het achterhoofd was de drang hiertoe onbewust gestaag gegroeid. Ik pakte de luchtverfrisser. Ik richtte. Ik hield mijn adem in, spoot en riep "sterf!". Het beest stierf gehoorzaam. Ik moet geen beesten in mijn huis en al helemaal geen kortpotige zenuwlijders die onrust stoken in mijn nieuwe toilet. Ik spoelde het dode beest door de wc.
"Ik moet even naar de kelder" mompelde ik tussen neus en lippen door. "Daar komt niets van in" zei de man kordaat terwijl hij opstond om met brede schouders de doorgang te blokkeren. Aha! Hij kon me dus prima horen met die koptelefoon op. Het stuk geniep. Lang zo doof niet als ik jarenlang gedacht had. Maar dat was op dat moment bijzaak. Er zat een Jan, die ongetwijfeld geen Jan heette, in mijn kelder opgesloten en de man waar ik eerder die avond nog nietsvermoedend mee op de bank gezeten had, bleek een gevaarlijke gek te zijn. Of zo iets. En dat was vele malen schokkender.
Ineens begon het te dagen. Natuurlijk verklaarde de man me voor gek, dat was een prima manier om mij ervan te overtuigen dat hij het niet was. Ik doorzag het complot en bekokstoofde een plan. Na de afwas liep ik naar beneden om de post op te halen en de kelder te inspecteren. Precies wat ik dacht. Op de muur was een witte cirkel getekend, precies zoals ik die op het Sinterklaasjournaal gezien had. Ik hoefde de deur niet te openen om er achter te komen dat Jan eigenlijk Piet heette...
20 november 2005
9 november 2005
[Typisch]
8 november 2005
[Ik ben niet gek]
"Dat klopt" zei de stem aan de andere kant van de lijn.
"Wat?" vroeg ik.
"U heeft gelijk" antwoordde de stem.
"Bedoelt u dat er wél verschillende voorpanelen bestaan?" vroeg ik.
"Jazeker" zei de stem "het verschil is klein doch aanwezig."
Dus toch! Ik wist wel dat ik niet gek was. Zoals mijn opa vaak riep: "Het recht zal zegevieren!". Die uitspraak heeft hem ooit eens een vreselijk nat pak opgeleverd, tot groot vermaak van ondergetekende, en daarom zal ik deze woorden nooit meer kunnen uitspreken zonder tegelijkertijd met een lach aan mijn opa te denken. Te vroeg juichen is het lot tarten en brengt derhalve de nodige risico's met zich mee. Een wijze les.
Ikea-mensen zijn koppig maar ik ben koppiger. Voor de zoveelste keer legde ik, zelfverzekerder dan ooit, mijn panelen op de balie en daar bovenop twee stellingen. Mijn geduld had ik thuis gelaten. Óf de handleiding klopt niet, óf u bent een leugenaar. Zegt u het maar, uw tijd gaat nu in.
Nou, nou. Herejee. Dat was wel erg onvriendelijk van mij. Ik vertelde de baliemevrouw dat ik genoeg had van al het gelazer en eiste een nieuwe doos. Een doos die zij vervolgens voor mijn neus open moest maken want ik had me voorgenomen niet weg te gaan voordat ik met eigen ogen gezien had dat het goed was. "Maar ik verzeker u, deze panelen zijn écht exact hetzelfde" pruttelde de baliemevrouw. Jaja, dat weten we nu wel. Mondje dicht, doos open.
"Zo" zei ik, mezelf over de geopende doos buigend "wat hebben we hier?"
"Noujaaa! Hoe is het mogelijk!"
"Ziet u wat ik zie?"
"Ik eh, geloof dat u toch gelijk heeft."
"Wis en warempel. Ik dacht dat u het nooit zou zeggen."
En zo ging ik dan eindelijk naar huis met de goede panelen, monteerde ik handig de laden en was mijn nieuwe kast een feit. Hoera. Mijn kleding mag echter in de koffer in plaats van in de kast want ik ga een paar dagen naar Londen voor de nodige klusdeprivatie.
7 november 2005
[Svårighet]
Net toen ik de dozen wegens lamme armen ergens tegen een muur geparkeerd had, kwam er een vrouw op me af die me een bonnetje in mijn hand drukte. 127 stond erop. In een flits lachte het geluk me toe. De wachtende menigte keek me vanuit de ooghoeken vals aan toen ik me er met mijn dozen langs worstelde op het moment dat de teller op 127 sprong. "Gedeeld leed is half leed" fluisterde ik de boost kijkende mevrouw toe. Vond ze niet grappig. Uit haar oren stegen twee rookwolkjes op. Dan niet hoor.
Bij de balie legde ik het probleem uit. De baliemevrouw schoof me twee bonnen voor gratis consumpties toe en dook het magazijn in. Ik kreeg twee hotdogs en twee nieuwe laden. In die volgorde. Handen tekort dus maar heel fijn. Of ik ook nog de ontbrekende schroeven kon krijgen. Geen probleem. Ik gaf mijn hotdog weg aan een jengelend kind. De baliemevrouw dook wederom het magazijn in en kwam terug met een zakje vol schroefjes waarop stond: 'sorry dat wij er niet bij zaten'. Ook het feit dat ze die zakjes op voorraad hebben, geeft te denken. Maargoed. Dan nog het voorpaneel van de lade. Die moest ook geruild worden. Dat kon dan weer niet want zoals de baliemevrouw me stellig verzekerde, bestond er maar één soort en zat het probleem in de laden, niet in het voorpaneel. Dat leek mij niet maar zij zou het toch moeten weten.
Met gepaste twijfel monteerde ik mijn nieuwe laden, exact volgens de handleiding, en kwam tot de conclusie dat ik wederom twee exact dezelfde laden mee naar huis gekregen had. De enige manier waarop de laden perfect sluitend in de daarvoor bestemde ruimte geplaatst konden worden, was wanneer ik er eentje op z'n kop inschoof. Maar dan heb je er zo weinig aan he.
Eén van de voorpanelen deugde niet. De gleuf die erin gefreesd was, zat een paar millimeter te laag waardoor het niet ver genoeg over de voorkant van de kast viel en er niet genoeg ruimte overbleef voor het andere paneel. Als die gleuf nou eens een stukje lager zou zitten. Maar dat was niet zo en dat kon ook niet want er was immers maar één soort paneel. Dus. Ik kon op mijn kop gaan staan, Ikea hield voet bij stuk. "Mevrouw, met die panelen is niets mis" En de paus is Islamitisch. Dat ellendige stuk peperdure trä bezorgde me een punthoofd. Waarom die kast Pax heet, is me een gåta want de fred is tot op heden ver te zoeken. Mijn Zweeds is er dan wel weer wat op vooruit gegaan...
6 november 2005
[Op de kast gejaagd]
"Op dit moment zijn er negen wachtenden voor u."
Genoeg tijd om me nog wat meer op te winden dus en dat werd niet minder toen ik Eros Ramazotti door mijn hoorn hoorde jammeren. Ik nam me voor meteen van de gelegenheid gebruik te maken om een klacht in te dienen over dit wachtmuziekje. Doe dan Abba (see that girl, watch that scene, dig in the wardrobe queen). Inkoppertje wellicht, maar dat slaat dan tenminste nog ergens op. Ja toch.
"U bent de eerst wachtende."
Fijn.
Ik zette mijn meest vriendelijke telefoonstem op, want ook al zegt mijn paps dat aardig zijn niet helpt en dat ik direct taal moet uitslaan waar een bouwvakker zich nog voor zou schamen, ik weet wel beter. Ik weet hoe het is om aan de andere kant van de lijn te werken en mensen die onmiddellijk hoog van de toren blazen, ben je nu eenmaal minder graag van dienst. Schelden kan altijd nog.
Schelden bleek niet nodig. De vrouwelijke telefoonstem was zacht en meelevend, elk antwoord was doordrenkt van empathie. Het was bijna ergerlijk. Zo zou ik, in geval van nood, natuurlijk nooit boos kunnen worden. Desalniettemin stak ik van wal en dit is wat ik te horen kreeg:
"Goh wat vervelend voor u mevrouw. Het spijt me verschrikkelijk, maar ik vrees dat er niets anders op zit dan dat u de kast weer demonteert en..."
Ho! Stop! Demonteert? De-mon-teert?! Hallo! Ik ben vijf uur bezig geweest om dat looiige kreng in elkaar te zetten, vijf uur! Schreufje voor schreufje. Plank voor plank. En nu moet ik hem weer demonteren? Wilt u mij soms een ochtendhumeur bezorgen?
"...dat u het voorzien van kassabon en in originele verpakking terugbrengt naar het filiaal waar u het heeft gekocht."
Wacht even. U bedoelt dat ik dat retezware geval gedemonteerd en wel weer zeven trappen af moet sjouwen (wat mij zonder twee sterke mannen niet gaat lukken), in mijn auto moet proppen (wat natuurlijk niet past want de kast is twee keer zo lang als mijn autootje) en voor de derde keer deze week naar Delft moet afreizen? Heeft u enig idee wat de benzineprijzen momenteel doen? Bovendien, ik zit midden in een soort van verbouwing, denkt u dat ik niets beters te doen heb dan mezelf een hernia sjouwen en heen en weer naar Delft tuffen? Hm?
Natuurlijk speelde dit staaltje assertiviteit zich slechts af tussen mijn oren.
"Oké" zei ik gehoorzaam.
"Doe ik" beloofde ik.
"Dank u voor de moeite" piepte ik er nog achteraan, al vroeg ik me even later af waarom. Toen hing ik op en sloeg ik pardoes taal uit waar een bouwvakker zich nog voor zou schamen. Ik keek eens venijnig naar de kast, wierp de laden een hatelijke blik toe en trok tenslotte, oog in oog met de kassabon, een theatrale pruillip. Was ik verdorie ook nog die Ramazotti vergeten...
5 november 2005
[Zweudse schreufjes]
Natuurlijk kon ik de loodzware zijpanelen met een lengte van twee meter zesendertig niet in mijn eentje van de ene naar de andere kant krijgen. Wat dacht ik wel niet. Maar dat was het voornaamste probleem niet, daar is de man dan wel weer goed voor en wie niet sterk is... enfin. Panelen op de plaats, schroeverdeschroef, bodem erin, dak erop, timmerdetimmer, achterkantje erin schuiven, laden monteren. En daar stagneerde de boel dus. Na drie onsuccesvolle pogingen de laden exact volgens de handleiding in elkaar te zetten, begon ik toch wel even ernstig aan mezelf te twijfelen.
Na grondige inspectie concludeerde ik dat de laden echt maar op één manier in de kast pasten. In eerste instantie dacht ik dat ik als kastbouwleek iets over het hoofd gezien had, maar nee. Ik had ook onmiddellijk in opperste staat van alertheid moeten raken toen ik zag dat de doos al eens open was geweest en daarna opnieuw dichtgeplakt was. In deze doos zaten twee onderste laden en ik had één onderste en één bovenste nodig. Het verschil kwam op een millimeter of vijf maar dat waren dus wel vijf hele essentiële millimeters. En storend bovendien: zo konden de laden niet dicht.
Geen laden dus. Verder met de planken dan maar. Schroeverdeschroef, timmerdetimmer, klarie. Tijd voor de roede. Volgens de verpakking zouden hier een stang, twee steunen en zes schroeven in moeten zitten maar helaas, de schroeven zaten er niet bij. Geen roede dus want zelf beschik ik natuurlijk niet over een pot Zweudse schreufjes.
Lichtelijk geagiteerd bekeek ik de overgebleven onderdelen. Een tweetal deuren en een zak vol metaal waarvan ik zes scharnieren zou moeten kunnen maken. Vol verwachting klopte mijn hart. Kwam ik daarnet nog zes schroeven te kort, nu hield ik er ineens drie over. Vreemd, maar beter te veel dan te weinig. Met hernieuwde moed hing ik de rechter deur op. Geen probleem. De linkerdeur kreeg ik echter met geen mogelijkheid aan de kast bevestigd. Er klopte iets niet, zoveel was duidelijk, maar wat?
Ik zette de deur tegen de kast, liep een stukje naar achter, plukte aan een denkbeeldige sik en dat soort dingen en staarde enige tijd naar het geheel. Ineens viel het kwartje. Dit was helemaal geen linkerdeur. Ikea had me twee rechter deuren in de maag gesplitst terwijl ik om een linker en een rechter gevraagd had. Drommels! Wat moet je daar nou weer mee?
Ik gaf het op. Het was inmiddels na middernacht. Ik had geen laden, geen roede, geen deur en bovendien geen zin meer en dat was dus mooi niet mijn schuld. Na vijf uur ploeteren zat ik met een halve kast en kon ik tot mijn grote verdriet na een maand nog altijd mijn kleding niet uit de verhuisdozen halen. Handig te monteren. Ja, reuze!
2 november 2005
[Attractiepark Ikea]
Omdat ik eerder geen speld tussen zijn geratel kon krijgen ("en toen wilde ik die buis ombuigen maar wat denk je? Knakt mijn buizenbuiger! Helemaal naar de verdommenis. Dus F meteen waarom jij altijd alles shjtuk maak? Waarom jij altijd zo bruut? Jij bééést! Dus ik zeg, mag het na dertig jaar trouwe dienst? Ik probeer dat ding nog te lassen maar dat had geen zin en...") en dus ook zijn aandacht niet kon trekken, wacht ik tot paps zijn sleutels uit het contact trekt voordat ik naar de rode neonletters in de verte wijs. Paps moet er zijn bril voor opzetten en kan het dan nog niet lezen. "Wat staat daar?" vraagt paps. "Ingang" zeg ik.
"Godallejezus!" Het is maar goed dat gordels tegenwoordig ook in busjes verplicht zijn want voor ik het weet trapt paps met zijn maat zevenenveertig op het gaspedaal en scheuren we recht op de laad- en losplaatsen af, waar je natuurlijk niet mag parkeren maar dat interesseert mijn vader niet. Op vijf meter afstand van de ingang trapt hij op de rem. "Stukken beter."
Paps springt uit de bus en trekt met een zwier een karretje uit de handen van een keurige mevrouw die eigenlijk van plan was het terug te zetten in de rij. Al zwierend en de mevrouw nog net geen hartaanval bezorgend, springt hij op het karretje en manoeuvreert richting de grote draaideur onder de rode letters, wederom geen voetganger ontziend. Normaal gesproken zou dit het moment zijn waarop je je kleuter achterlaat in het ballenbad maar dit kind is ouder dan zes jaar en moet dus mee naar binnen.
Naar de Digros met vijf van mijn ukken is een stuk minder vermoeiend dan een half uurtje Ikea met mijn paps, die zodra hij binnen is spontaan last krijgt van adhd. Stoelen testen, vooruit rennen, achter een kast kruipen en met een berenvel om het hoofd geknoopt weer tevoorschijn springen, luid grommend met een grote knuffelkrokodil achter een puber aan hollen, het draaiende licht van een spotje op de grond volgen totdat hij met zijn neus tegen een muur botst en vervolgens een mr. Bean gezicht trekken wat dan weer tot grote hilariteit bij het winkelend publiek zorgt en ga zo maar door. Ik sta nergens meer van te kijken.
Wat mijn vader ook leuk vindt, is zich overal tegenaan bemoeien en irritante, nutteloze discussies aangaan met het personeel onder het mom van "ah joh, dat vinden die gasten juist geinig, anders moeten ze de godganselijke avond dat suffe gezeik van lastige klanten over lelijke kastjes aanhoren en zo houd je ze een beetje scherp". Dit terwijl zich achter hem een enorme rij klantenservicebehoeftige mensen verzamelt.
We komen dus voor kasten (je zou het bijna vergeten met zo'n man). Ik loop naar de servicebalie waarboven met koeienletters PAX KASTEN staat.
"Kan ik u helpen?" vraagt een geel gekleed mannetje.
"Heeft u ook kasten, toevalligerwijs?" vraagt mijn pa met een uitgestreken gezicht.
Het geel geklede mannetje fronst maar begrijpt gelukkig vrij snel wat voor vlees hij in de kuip heeft, anders zou het nog een lange avond worden.
"Kijkt u eens meneer, u vraagt, wij draaien. Met Ikea kunt u alle kanten op."
Ik wil een witte kast met twee deuren, twee laden, een roede en drie planken. Dat laatste zit er niet in. Ik kan kiezen uit nul, twee of vier planken. Vier is wat mij betreft ook prima, maar dan moet je net mijn vader bij je hebben...
"Geen drie planken? Wat nou 'met Ikea kunt u alle kanten op'? Eigenlijk zijn jullie gewoon heel beperkt. Eigenlijk heb je hier helemaal niet zoveel te kiezen. En in dit hele pand is er trouwens, nu we het er toch over hebben, overal éénrichtingverkeer! Tjezus wat een ballentoko. Kom dochter, we gaan ergens anders heen."
Paps grijpt me resoluut bij de arm, sleurt me vijf passen mee vooruit en draait zich dan weer om. Het gele mannetje staat erbij te kijken alsof hij zojuist zijn laatste oortje versnoept heeft.
"Geintje!"
Paps trekt een Richard Richard tronie, rolt met zijn ogen en lacht uitbundig om zijn eigen grap.
Zo is paps. Het kind in hem zal waarschijnlijk nooit verdwijnen. Toen ik klein was, ging ik vaak boodschappen doen met hem. Hij was dan degene die bij de slager om een plakje worst vroeg. Hij maakte malle huppelpasjes en zong luidkeels mee (liefst een volslagen verkeerde tekst) als we langs het draaiorgel kwamen. Hij was degene die me aan mijn achtbaanverslaving hielp. Ergens rond mijn puberteit hield het op. Paps deed zijn ding en ik het mijne. We haalde samen nog maar weinig gekkigheid uit en brachten nog nauwelijks tijd met elkaar door. Maar sinds een paar maanden lijkt het erop dat we de verloren tijd aan het inhalen zijn. Hij mag dan zo gek als een deur zijn, hij is mijn paps en we kunnen vreselijk met en om elkaar lachen, vooral wanneer de rest geen flauw idee heeft waar het over gaat. Zelfs als we ruzie maken (potje bekvechten zijn we ook goed in) eindigt dat vaak in een eersteklas lachbui.
"Oja, voor ik het vergeet, die dweil in de keuken he, die kun je maar beter in de was doen want daar heb ik dat besmeurde afvoermanchet mee schoon gepoetst..."
"Getverdemme, eikel! En dat laat je gewoon in mijn keuken liggen? Smeerpijp!"
"Ah joh, het is maar poep hoor."
"Paaaap!" *mep*
"Wat nou?" Pap trekt een gezicht alsof hij de onschuld zelf is.
"Hier!" Ik smijt de doek naar zijn rug. "Gooi die smerige strontlap weg! Teddek!"
*vecht* *kamikazekreten* *proest*
Nouja, zo gaat zo'n (bek)vechtsessie dan ongeveer. Een ander had het niet hoeven proberen want die had ik zonder pardon met de bewuste strontlap gewurgd.
We stellen een mooie kast samen en verslepen samen de loodzware onderdelen van magazijn naar bus. Uiteraard kan het pand niet verlaten worden voordat paps op iets lekkers getrakteerd is. Eigenlijk wil hij een broodje rendier (rare lui, die Skandinaviërs) maar die dingen zijn er kennelijk alleen in bevroren toestand dus wordt het softijs met spikkels. Ook grote kinderen zijn met kleine dingen blij te maken en bovendien houden ze dan eindelijk even de bakkes.
1 november 2005
[Stront aan de knikker]
Ik had er de grote klusalmanak nog op nageslagen. Er stond geschreven dat het afvoermanchet éérst om de potuitloop geplaatst moet worden en daarna moet het geheel in de rioolbuisopening vastgekit worden. Ik haalde driemaal diep adem en besloot vervolgens de klus uit handen te geven. De pot was loodzwaar en van afvoermanchetten heb ik geen verstand dus liet ik het aan mijn alwetende kluspaps over.
Als het om mijn kluspaps gaat, ben ik net een klein kind. Mijn papa kan alles. Zo is het en anders niet. Maar mijn onbezorgde kindervisie werd bruut verbrijzeld. In duizend stukjes lag het op de grond naast de wc-pot. Volledig aan gruzelementen. Het was zoiets als voor het eerst horen dat Sinterklaas niet bestaat. Hopeloos gedesillusioneerd stortte ik me op de in stukjes gevallen kindervisie en als een gek begon ik te lijmen. Het kan ook zijn dat ik gewoon een wenkbrauw optrok hoor, daar wil ik vanaf zijn. Mijn paps, de opperklusheld, had een foutje gemaakt. Hij had het manchet in de afvoer gekit en daar de pot overheen geschoven. Althans, dat dácht hij.
Ik had nog zo gezegd dat er iets niet helemaal deugde aan de afvoer van het toilet maar wat weet ik ervan he? Volgens mijn alwetende kluspaps zat het wel snor en wie ben ik om daar zonder technisch onderbouwde argumenten tegenin te gaan? Ik mag dan niet in staat zijn met de juiste vaktermen te smijten wanneer ik onraad ruik, ik had weldegelijk gelijk. Een beetje jammer dat ik dat pas kon bewijzen toen de stinkende ellende vanmorgen ineens in grote hoeveelheid, met angstaanjagende vaart en vergezeld van een onheilspellend geborrel en gereutel naar boven kwam zetten in de pot. Ik wist vrij zeker dat ik slechts een plas had achtergelaten voor ik doorspoelde dus wat daar in die pot dreef, kon niet goed zijn.
"Zeg luister eens paps, die afvoer lijkt me toch zo snor niet te zitten. Na de grote ploptruc, twee liter kokend water met soda en een bak ontstoppingskorreltjes zie ik nog steeds geen enkele verbetering. De derrie loopt de spuigaten uit en de stank is niet te harden. Ik moet plassen en ik wil niet meer op de emmer. HELP!"
Zonder mokken stond mijn kluspaps even later met een gigantische trekveer en een koffer vol gereedschap voor de deur. De pot moest ontkoppeld en het euvel werd onmiddellijk zichtbaar. De potuitloop was niet netjes om het manchet geschoven maar stond er zo'n twee centimeter schuin bovenop. Een uiterst onsmakelijke lekkage was het gevolg. Het manchet moest, terwijl er aan alle kanten ontlasting uit droop en aan vast kleefde, losgewrikt en opnieuw bevestigd worden. Een ranzige smeerboel in mijn gloednieuwe toilet. Happy Halloween indeed.
Mijn kluspaps was voor dit stinkende gat niet te vangen. Wanneer ik soms optimistische trekjes vertoon, weet u dat ik dat niet van een vreemde heb. Na een opmerkelijk vrolijk "iiieeeeewww" (denk aan de wc-scene uit Ernest goes to camp) ging hij fluitend aan de slag. Wrikken, poetsen, knutselen. Volgens paps zijn er drie belangrijke elementen in de klusmentaliteit:
1. fluiten helpt
2. als het niet lukt, moet je je gewoon even kwaad maken
3. vergeet niet altijd te blijven lachen
Zo gezegd, zo gedaan. Inmiddels kan ik weer naar hartelust toiletteren zonder het geproduceerde vervolgens in drievoud in mijn nek te krijgen, drie versies van The excorsist vond ik eigenlijk wel genoeg horror in twee dagen. Het vertrouwen in mijn kluspaps is hersteld. Het gaat dan misschien niet altijd in één keer goed, uiteindelijk klaart hij de klus toch maar weer mooi. Mijn papa kan alles. Zo is het en anders niet.
30 oktober 2005
[Arbeid adelt, maar nu even niet]
Het is bijna november en de zon schijnt. Twintig graden boven nul zegt de thermometer, het lijkt wel zomer. Eeuwig zonde om je dag, zoals manlief gepland lijkt te hebben, in bed door te brengen. Dat feest gaat niet door want er is werk aan de winkel en ik heb een sjouwpiet nodig aangezien mijn sjouwspieren een tikkeltje overbelast zijn en de rest van mij kan ook wel een beetje rust gebruiken. Vandaag even een klusbreak dus. Te veel is ook niet goed, zo zegt men. Voor je het weet is je muntje op en daar sta je dan midden tussen al je in duigen gevallen plannen.
Het idee is dat ik zodadelijk nog twee stukjes plint op maat zaag (ik doe niet aan plintenknippers, daar ontploffen je spierballen van) en dan is de eerste vloer helemaal klaar. Er is geen man aan te pas gekomen, waarmee ik maar even wil bewijzen dat het onzin is dat vrouwen dit soort dingen niet kunnen (geloof me, er zijn er genoeg in mijn omgeving die dat onvermurwbaar blijven volhouden). Helaas pindakaas voor de vrouwen die dit als smoes gebruiken om onder een dergelijke klus uit te komen. De handzaag jas je moeiteloos door de ondervloerplaten en cirkelzagen en decoupeerzagen zijn heel vrouwvriendelijk. Het gebruik ervan vereist minimale spierkracht, je hoeft slechts secuur te meten en goed te mikken. Mijn papa had gelijk, kind kan de was doen, daar heb je echt geen klusjesman voor nodig.
Wie mij een maand geleden had gezegd dat ik in dit hele proces een van de grootste optimisten in het kluspand zou zijn, had ik heel hard uitgelachen. Eerlijk gezegd had ik verwacht dat ik een gigantische kluns zou zijn en dat ik continu zou moeten terugvallen op 'mensen die er verstand van hebben'. Inmiddels zie ik ook wel in dat het niet zo'n kunst is om zelf ergens verstand van te krijgen. Al doende leert men, alweer zo'n rake uitspraak. Het past mooi bij mijn eigenwijze zelluf-doen-attitude. Ik presteer dingen die ik van tevoren niet voor mogelijk hield en, al zal het eindresultaat dan niet zo perfect zijn als wanneer ik wel een klusjesman had ingehuurd, dat doet deugd.
Natuurlijk zit er ook een keerzijde aan het verhaal. Mijn optimisme is de afgelopen maand herhaaldelijk omgeslagen in pure overmoed en dat heb ik geweten. Op die momenten luidde het motto: worstel en kom boven. Af en toe heb ik even iemand nodig die aan mijn noodrem trekt, een helpende hand uitsteekt of de enge beesten uit mijn gloednieuwe slaapkamer verdrijft. Het feit dat ik op dit moment niet als een zielig, oververmoeid hoopje ellende door het huis sjok maar een welgemeende lach op mijn gezicht draag, heb ik dan ook echt te danken aan deze mensen.
Ten slotte wil ik u nog de volgende wijsheid meegeven: er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekkie aan, maar dan hoef je 'm nog niet meteen aan de staart te trekken. Dus. En dan kunnen nu de motoren gestart worden want het is koopzondag bij Ikea. Volle kracht vooruit en recht zo die gaat.
29 oktober 2005
[Leidse piskousen]
Er waren twee opties: een terrasje opzoeken, wat ik sowieso al van plan was, en daar na het bestellen van een gezellige cocktail het toilet gebruikn of naar V&D. Ik koos voor optie 2 want de nood was hoog en de V&D nabij. Ik worstelde me door de koopjesjagende mensenmassa heen naar de roltrap en begaf me naar de vierde etage. Er stond een rij voor de toiletten waar ik niet vrolijk van werd.
Ik sloot netjes aan en terwijl ik wachtte, zocht ik alvast wat kleingeld bij elkaar. Twee geblondeerde toiletjuffrouwen waren druk met elkaar in gesprek. De een had een spuitbus en een voddige poetslap waar je dwars doorheen kon kijken in haar hand, de ander verzamelde het kleingeld in haar schort.
"Mèèèhds, hèje die grraatsenbaal zien weggaan? Hadsen bledderrr as 'n arrebei!"
"Zekerrr las van d'rrr stoelgang, 'k mos poetse azzun zots."
"Ga mee zo 'n bakkie doen dan? Effe 'n luchie scheppe, 't lijk hierrr goodoome wel jodenpase ook nog."
De toiletjuffrouw met het vodje zette een bordje bij de ingang en een schoteltje voor kleingeld. Daarna liep ze naar voren om voor vertrek met het vodje de toiletbrillen nog maar eens te poetsen. Ik was bijna aan de beurt. Nog één wachtende voor me. Er ging een deur open en de toiletjuffrouw richtte haar handpalm naar de rij alsof ze een verkeersagent was. We moesten even wachten. Met de spuitbus spoot ze wat schoonmaakmiddel op haar vodje, toen waggelde ze naar het vrijgekomen toilet. Tot mijn grote schrik bukte ze voorover (dat op zich was al geen uitzicht om over naar huis te schrijven) en veegde de natte vloer schoon. Kennelijk had er iemand naast de pot gepiest. Vervolgens haalde ze hetzelfde vodje over de toiletbril en riep ze "vooolgende pesjèèènts!"
"Getverdemme!" riep ik, mezelf strikt beperkend tot die ene noodzakelijk 'r' in het woord en zo luid dat de hele rij kon meegenieten. De toiletjuffrouw keek me verontwaardigd aan.
"Hadsje errreges een prrrobleem mee dan juffie? Je ken voorrr klachte naarrr de bedrrrijfsleierrr hoorrr. Tsal mijn 'n meleurrr weze."
"En óf ik ergens een probleem mee heb. u denkt toch niet dat ik op een bril ga zitten die u even met de Franse slag afveegt terwijl u vlak daarvoor met hetzelfde vodje de vloer urinevrij geveegd hebt?!"
Achter me stond een oude man te gniffelen. "U heeft gelijk hoor, dat is ronduit smerig wat zij daar presteert en dan verwachten ze wel van je dat je netjes betaalt. Gelukkig kan een heer blijven staan." De oude man gaf me een knipoog. De toiletjuffrouw stak haar neus in de lucht en wilde verder waggelen om het volgende vrijgekomen toilet te 'reinigen' maar ik was sneller dan het oude waggelende poetsgevaarte. "Laat u maar" zei ik en sloot de deur achter me. Wanneer je als toilettenkuiser wordt aangenomen, moet je ook van kuisen weten. Natuurlijk was ik sowieso niet van plan op die bril te gaan zitten. Al had ze er een splinternieuwe poestdoek overheen gehaald. Ik heb het niet zo op openbare plasgelegenheden.
Toen ik weer naar buiten kwam, waren de toiletjuffrouwen verdwenen. Waarschijnlijk een bakkie doen. Ik legde een muntstuk van twintig cent op het daarvoor bestemde schoteltje en haastte me naar buiten om zelf een luchtje te scheppen. Ik zocht een plekje op een terras, bestelde een drankje en sloeg het literair tijdschrift dat op tafel lag (waarschijnlijk was iemand het vergeten mee te nemen) ergens in het midden open. "Het Leids sterft langzaam uit; Hans Heestermans redt de rrrrr voor het nageslacht" las ik. Goeie genade! Het Leids dat de ras-Leidenaar spreekt, is een lelijk klinkend, platvloers dialect dat je liever niet wilt horen en al helemaal niet wilt spreken, laat staan redden! Het is geen gehoor. Desalniettemin wil Heestermans dit stukje taal op papier vereeuwigen in de vorm van een heus Leids woordenboek. Mijn zegen heeft hij. Misschien komt het me nog eens van pas wanneer ik mijn kleinkinderen later anekdotes vertel over mijn Leidse oma.
Ik dronk mijn glas leeg, las het tijdschrift uit en vroeg de ober of ik kon afrekenen. "Zekerrrstewete mevrrrouw, twee eurrrootsjes asteblief." Ik ga de man een euro extra, waarop hij me verbaasd aankeek. "Het is goed zo. Ik denk dat ik mijn drankje hier maar achterlaat." De man keek me nu nog verbaasder aan, bekeek mijn lege glas en fronste. Ik glimlachte, wees naar het bordje met plastarieven en liep naar het toilet.
21 oktober 2005
[Pimp my toilet]
Eén van de lessen die ik geleerd heb is: het verbouwen van een toilet is een ingewikkeld karwei. Let goed op, hier kunt u iets van leren!
Neem een stevige bijtel en een moker ter hand en bik alle wandtegels netjes van de muur. Na afloop heb je gegarandeerd een dikke spierbal. Houd de bijtel zo verticaal mogelijk zodat je geen gaten in de muur beukt; stuken is geen pretje. Zet vooral een bril op wanneer je geen tegelsplinters in je ogen wilt krijgen. Ik deed het niet en heb vervolgens twee dagen met mono-visie moeten leven. In klusland is éénoog duidelijk geen koning. Leg de nieuwe wandtegels in een bak water totdat ze zichzelf volgeslurpt hebben, smeer er tegellijm op (gelijkmatig verdelen) en betegel de muur van onder naar boven. Niet vergeten een lijntje te trekken zodat de tegeltjes waterpas bevestigd worden, je kunt er nu eenmaal niet blind op vertrouwen dat een ruimte netjes recht gebouwd is. Een dag later kun je de tegels voegen.
Klim op de oude poepdoos en doe met een zilveren theelepeltje de grote muur- en plafonddiagnose. Je hebt drie opties:
1. geeft de ondergrond af dan heb je te maken met een kalklaag.
2. blijft er een zwarte streep achter dan heb je te maken met synthetische muurverf.
3. gebeurt er in beide gevallen niets dan heb je te maken met latexverf en kun je jezelf gelukkig prijzen.
Ik hoopte op optie 3 maar stuitte op optie 1. Dat werd dus een half uur lang alle scheldwoorden die ik kende uitroepen en daarna de hele ochtend mijn armen lam boenen met water en soda totdat er geen spoortje kalk meer te bekennen was. Op het plafond, dat is, want zelf was ik helemaal wit. Likje verf op de muren, laagje latex op het plafond en je kamertje ziet er meteen een stuk knapper uit. Als de boel opgedroogd is, kun je de leidingen opschuren, poetsen en verven.
Nu kan het oude toilet verwijderd worden. Leeg voordat je hieraan begint nog wel even de blaas en/of darmen want het kan even duren voordat er weer fatsoenlijk getoiletteerd kan worden. Eerst sluit je de watertoevoer af. Dat is heel belangrijk wanneer je geen natte voeten en boze onderburen wilt krijgen. Laat de spoelbak leeglopen voordat je deze verwijdert anders heb je alsnog natte voeten. Draai de stopkraan dicht en trek de wc door. Hierna kun je de stortbak en de pot losschroeven en weghalen. Wat je overhoudt is een gat waar een gigantische stankwalm uit opstijgt. Mensen met een zwakke maag doen er verstandig aan de neus te dichten met twee stuks Tampax of een ouderwetse wasknijper. Nu volgt het minst frisse klusje: verwijder het oude afvoermanchet. Gebruik hierbij vooral een paar rubberen handschoenen. De reden hiervoor laat zich raden. Stop het gat snel dicht met een krantenprop, zo neemt de stankkracht af en kan er geen rommel in het gat vallen waardoor de afvoer verstopt raakt. Geloof me, zo'n beerput wil je niet ontstoppen.
Nu de ruimte vrij is van obstakels kun je de vloer betegelen. Uit ervaring weet ik dat het verwijderen van tegels een ontzettende kutklus is dus wanneer je genoeg ruimte hebt (zolang de deur nog open kan dus) laat je de oude tegels lekker liggen, reinig je ze grondig en lijm je de nieuwe er gewoon netjes overheen. Ik was degene die zo nodig een mozaïekvloer wilde dus nou moet ik ook niet zeuren maar ik moet toch even kwijt dat ook dat klusje behoorlijk vies tegenvalt. Het zijn namelijk tegeltjes van één bij één centimeter die je keurig recht en evenwijdig aan elkaar op de ondergrond moet vastlijmen. Daar kun je gerust een stiefkwartiertje voor uittrekken. Laat je niet uit het veld slaan wanneer blijkt dat de vloer een tikkeltje schuin afloopt en het kamertje niet vierkant is maar stiekem en heel subtiel de vorm heeft van een trapezium waardoor je halverwege ineens een halve tegelbreedte overhooudt. Een beetje slim smokkelen met de lijmdikte en voegbreedte doet wonderen. Zodra de lijm droog is, maak je de tegeltjes nat met een spons en water en kun je weer gaan voegen.
We zijn inmiddels zo ver dat we het nieuwe duoblok in elkaar kunnen zetten en van een bril kunnen voorzien. Het lijkt een beetje op het maken van een grote 3D-puzzel. Wees zuinig op de instructies wanneer je geen ervaren toiletmonteur bent want er zitten zo allejezusveel schroefjes, moertjes, ringetjes en rubbertjes bij dat de kans dat je het op de gok in één keer goed doet nihil is. Nu is het juiste moment om je handige kluspaps op te bellen met de vraag of hij de wc wil aansluiten op de toe- en afvoer. Sommige dingen kun je nu eenmaal beter aan de doorgewinterde doe-het-zelver overlaten. Als laatste controleer je of de pot waterpas staat, schroef je hem vast en dicht je de naden onder aan de pot met siliconenkit. Het is ook niet onverstandig om nu de watertoevoer weer open te draaien, dat trekt wat makkelijker door.
Ik schrijf dit natuurlijk niet alleen voor uw gemak, mocht ik u geïnspireerd hebben tot het pimpen van uw eigen toilet. Ik schrijf dit vooral om mezelf eraan te herinneren waarom ik nog maar eens een nachtje over nieuwe verhuisplannen moet slapen als ik op een dag wakker word met verhuisdrang (iets wat ik me op dit moment onmogelijk kan voorstellen maar je weet maar nooit). Als ik al anderhalve week nodig heb om een hokje van één vierkante meter op te knappen, dan mag u uitrekenen hoeveel tijd ik nog nodig heb om de rest van de 90m2 te doen...
12 oktober 2005
[K(r)amperen in eigen huis]
Tegels voegen is ook nog niet zo simpel als de klusjesmannen in klussen en wonen doen vermoeden. Alleen al het bepalen van de juiste dikte van het voegpapje ('beetje water erbij, even roeren, en klaar is je nesquick') kostte me een kwartier. Ervaring leert mij dat het er zo weer uitdruipt als het te dun is en maak je het de dik dan wordt het te korrelig en krijg je het niet mooi glad tussen de tegels gesmeerd. Het spul heeft bovendien de neiging erg snel te drogen dus treuzelen is er niet bij. Dat viel niet mee omdat ik om de vijf minuten een bloedneus kreeg (ik ben nog steeds niet beter) en uiteindelijk besloot ik er watten in te stoppen (voegpoeder snuiven is meteen weer zo definitief als het om gaten dichten gaat) zodat ik de klus ongestoord kon klaren. Grote, rechte oppervlakten zijn op zich goed te doen maar mijn muurtje was smal en voorzien van gaten waar de waterleidingen naar buiten kwamen. Een smal vlak waar de strijkplank maar nauwelijks tussen past is bijna niet diagonaal te voegen en sinds ik nooit eerder voegen had aangebracht, was het een hele kunst om ook die gaten en de hoeknaad dicht te krijgen met het grote strijkgevaarte. Ik ben bijna klaar, maar nu durf ik niet verder want er zitten gaten in de muur waar draadjes uitsteken waar nog stroom op staat. Aangezien de stoppen hier al een paar keer doorgeslagen zijn, ik al één keer geëlektrocuteerd ben en de keuken bijna afgebrand is door een ontplofte contactdoos, blijf ik daar het liefst ver bij uit de buurt.
Tijd om me uit te leven op een van de muren. Nu weet u, schilders en ververs zijn knoeiers en bedervers. Wat u misschien niet weet, is dat dit heus niet altijd ligt aan degene die de kwast of roller vasthoudt. Sommige muren zijn gewoon bijzonder lastig te bewerken. Om maar eens iets te noemen: gepleisterde wanden met een grove, diepe structuur. Ik heb gegranolde muren altijd al lelijk gevonden, maar nu ik ze zelf moet sauzen groeit mijn hekel gestaag. Wat een takkeklus! Je rolt je een ongeluk en telkens wanneer je denkt dat de muur eindelijk egaal geschilderd is, ontdek je weer een stukke pixel. Zo ben je nog rustig een uur bezig om met een penseel al die minuscule rotgaatjes in de goede kleur te krijgen omdat de roller minder toereikend is dan gewenst. De blaren staan inmiddels in mijn handpalmen en mijn armspieren doen zeer maar ik rust niet voordat die muur er zo uitziet als ik wil. Een tweede laag in één keer dekkende muurverf (óf ik doe iets heel erg verkeerd, óf je moet gewoon niet alles geloven wat er op zo'n pot staat) zal weldra aangebracht worden. Eerst verticaal, dan horizontaal, vervolgens diagonaal, snel werken en correct overlappen. Ooit gaat het er mooi uitzien. Heus.
21 augustus 2005
[Ontschroevingswerkzaamheden]
Het patiëntje spelen in een ziekenhuis gaat me nog altijd niet erg goed af. Ik help liever mensen dan dat ik zelf geholpen word, zodoende liep ik tot vlak voordat ik afgevoerd werd naar de operatiekamer nog kreupele mensen te helpen. Zelfs in de uitslaapzaal kregen ze me in de eerste instantie niet plat omdat naast me een oude vrouw met een enkelfractuur lag die als de dood was voor de ruggenprik die ze zou krijgen. De operatieassistente kreeg haar met geen mogelijkheid rustig dus ik voelde me geroepen het arme mens op haar gemak te stellen, wat nog lukte ook.
Ineens stond de chirurg aan mijn voeteneind en moest ik stil liggen. Hij nam plaats aan mijn linkerzijde en ik moest mijn been buiten de dekens steken, wat ik braaf deed, alleen niet aan de kant die de chirurg verwachtte. Hij fronste, wierp een boze blik naar de operatieassistente, stond op en krabbelde wat op het formulier dat aan mijn bed vast geplakt zat. "Hadden we toch bijna de verkeerde voet te pakken gehad!"
De chirurg duwde op het litteken en zette met een markeerstift een grote zwarte stip op de plaats waar hij dadelijk zou moeten snijden. Vervolgens haalde hij een van de twee verdovingspuiten uit zijn borstzak en stak deze boven in mijn voorvoet. Ik telde tot tien en verbaasde me over het feit dat de felle pijn slechts zo kort duurde, het leek veel langer. De tweede spuit kreeg ik in de onderkant van mijn voorvoet, wat zo mogelijk nog meer pijn deed, maar ik bleef vriendelijk lachen. De operatieassistente weigerde, ondanks het verzoek van de chirurg, mijn hand vast te houden. Blij toe, ik was toch niet van plan die muts in haar hand te knijpen.
Vijf minuten later werd ik de operatiekamer binnengereden. Een van de assistenten rolde me in een verwarmd dekentje en een andere assistent smeerde jodium op mijn voet. Een derde assistent vroeg me of ik mee wilde kijken, waarop ik enigszins vertwijfeld knikte. De chirurg zette zijn scalpel in mijn voet en van schrik schopte ik de beste man bijna in zijn gezicht.
"Aaauuuww!"
Dat deed pijn.
De chirurg stopte met snijden en fronste wederom. Ik had al zo mijn twijfels over de verdoving, aangezien ik nog vrolijk met mijn tenen kon wiebelen en precies kon voelen wat ze met mijn voet uitspookten voordat het mes erin gezet werd. Aan de andere kant dacht ik dat die mensen wel zouden weten waar ze mee bezig waren dus vertrouwde ik er maar op dat het goed zou zijn. De verdoving bleek niet aan te slaan en terwijl een van de assistenten op zoek ging naar een nieuwe spuit, sijpelde het bloed in straaltjes langs mijn wreef. Ik beet op mijn lip en staarde naar het plafond.
Een derde naald doorboorde mijn huid en ik voelde hoe de vloeistof in mijn voet gespoten werd. Het beloofde niet veel goeds maar ik moest het er maar mee doen. De assistenten drentelden onrustig om me heen. De arts sneed verder en verwisselde even later zijn scalpel voor een schroevendraaier. Ik beet op mijn kiezen en voelde het bloed uit mijn hoofd wegtrekken.
"Praat dan met haar!" beval de chirurg de muts-assistente die naast me stond.
"Oh eh, wat doe je zoal? In het dagelijks leven bedoel ik." mompelde ze nauwelijks hoorbaar.
"Ik werk op een na-ha-aaauw-schoolse opvang."
"Zeker spw gedaan aan het ROC?" vroeg de muts-assistente op neerbuigende toon.
"SPH. En orthopedagogiek."
"Oh... zeker te moeilijk een baan op niveau te vinden..."
De chirurg zuchtte.
"Ik had inderdaad beter geneeskunde kunnen studeren."
"Ja, en dan zit je na jaren studeren een beetje met een schroevendraaier in iemands voet te porren. Ben je klaar mee." zei de chirurg.
"Handig toch?" antwoordde ik. "U bent nu vast een uitstekend doe-het-zelver."
De chirurg lachte.
Ik kneep mijn ogen samen en wenste dat het voorbij was. Na enkele minuten hield de chirurg de schroef tussen duim en wijsvinger. De muts assistente spoelde het bloederige ding af, stopte het in een potje en legde het potje onder mijn kussen. De andere assistenten dichtten de wond en hulden mijn voet in een dik pak verband.
"En, viel het mee?" vroeg de muts-assistente.
"Ja hoor, voelde er níks van."
De chirurg zuchtte en ik volgde zijn voorbeeld.
15 augustus 2005
[Eureka!]
"Zit dat nou lekker, dat gips?"
"Zitten gaat wel, lopen, dat is lastig. Het is niet echt comfortabel maar er valt best mee te leven."
"Wel zwaar zeker?"
"Valt reuze mee, het is synthetisch, weegt bijna niks."
"Oh, bestaat dat tegenwoordig ook?"
"Ja, kennelijk."
"Je zult wel blij zijn als je het er 's avonds even af kunt halen he?"
"Nou, als dat eens zou kunnen..."
"Hoezo, kan dat niet dan?"
"Ehm, nee. Dat is nou het idee van gips."
[Is er feest na de dood?]
Mijn familie is de laatste tijd niet zo van de familiefeestjes. Zeker mijn vaders kant van de familie is waar het op feestjes aankomt nogal gezapig. Op mijn vader zelf na dan. En zijn jongste zus, maar die is dan ook getrouwd met mijn moeders broer die nooit met een gezapig type in het huwelijksbootje zou stappen. Het laatste familiefeest van de papakant was vier jaar geleden toen mijn oom en tante (papa's oudere zus) vijfentwintig jaar getrouwd waren. Het was zo geestdodend saai dat ik me nog steeds afvraag wat er, op de aanleiding na, zo feestelijk aan was. Er waren niet eens bitterballen.
Er was een zaaltje gehuurd in een duivenmelkerclubhuis en daar stonden wat tafels met papieren ruitjeskleden erop. Er was een buffet met huzarensalade, saté en van die kleffe borrelballetjes in zoetzure saus. Het ergste van alles was de man met het scheve toupet die bij wijze van schnabbel een aantal oubollige deuntjes uit zijn keyboard toverde en daar samen met een geblondeerde madonna bij zong. Het grootste deel van de gasten was te stijf om een dansje te doen en de mensen die een dappere poging waagden, leken stuk voor stuk in het bezit van twee linkerbenen.
Het was zo'n feest waarop je de hele avond beleefdheidspraatjes moet houden met mensen die je helemaal niets te melden hebt en zij jou nog veel minder. Zo'n feest waarop het noodlot toeslaat en je een uur lang klem zit tussen een dronken duivenmelker en je minst geliefde tante. Tante Propje, zoals ik haar altijd noem, omdat het lijkt alsof de schepper haar na de creatie verfomfaaid heeft maar vergat haar vervolgens weg te gooien. Het was nogal deprimerend allemaal. De enige leuke herinnering die ik aan die avond heb overgehouden, is het moment dat er een enorme spin aan een draadje naar beneden bungeejumpte en vlak voor het gezicht van de geblondeerde zangeres bleef bungelen. Ze gilde het uit en rende in paniek de zaal uit. Nu wil ik mijn familie niet beledigen, maar ik hoop oprecht dat het nog heel lang duurt voordat ik weer zoiets moet meemaken.
De mamakant van mijn familie heeft een alles-of-niets mentaliteit waar het feestjes betreft. Als er gefeest wordt dan moet de boel ook goed op stelten gezet worden. Geen oude mannen met scheve toupetten maar stoere rockers op een zelfgebouwd podium en tantes die na een aantal wijntjes op de tafel dansen. De familieleden zijn zo gek als een deur, subtiliteit komt in hun vocabulaire niet voor en dat zorgt regelmatig voor hilarische situaties. Soms zijn dat ronduit genante situaties maar meestal ben ik de enige die daar zo over denkt omdat ik onmogelijk zoveel bier zou kunnen drinken als mijn familieleden, gesteld dat ik bier zou lusten. Je kunt in geen geval zeggen dat ze saai zijn.
Zaterdag was er een familiefeest met familieleden van de mamakant. Een feest dat sinds het overlijden van mijn opa elk jaar gegeven wordt door de enige bovengemiddeld welvarende man in de hele familie. Niet omdat we zo blij zijn dat opa plotseling overleed, integendeel, we waren het erover eens dat we van elkaar moeten genieten zolang we elkaar hebben en dat kan nu eenmaal niet wanneer je elkaar zelden ziet.
Mijn vader en ik leefden ons uit achter de barbecue (een welkome warmtebron aangezien de weersomstandigheden deze zomer op z'n minst herfstig te noemen zijn) en hebben ruim dertig hongerige monden voorzien van stukken vlees en decadente hapjes. De plintenpieser van mijn tante vond het kennelijk onacceptabel dat we niet af en toe per ongeluk een stukje vlees lieten vallen, zodoende rende het beest net zo lang achter de kippen (die minstens twee keer zo groot waren als het hondje: een klein uitgevallen Jack Russel) aan en kreeg er uiteindelijk een te pakken. Zonder pardon beet hij de kip dood en rende toen trots kwispelend weer terug naar de barbecue. De brute moord werd het beest niet in dank afgenomen en de beoogde beloning (op het rooster met die kip) bleef uit.
Nadat het kippenlijk opgeruimd was en de hond voor straf in de auto opgesloten werd, hoorde ik aan de andere kant van de tuin een hoop lawaai. De schapen van de buurman waren ontsnapt en binnen een minuut hadden een stuk of twintig blatende hoopjes wol op pootjes zich verzameld rond de barbecue. Het was een nogal surrealistisch gezicht. Stel je voor: een donkere, dreigende wolkenmassa boven een onnatuurlijk groen gazon, verlicht door een lange slinger met oranje lampjes, twee roodverlichte zwembaden, een kloostertuin vol felgekleurde bloemen en midden op het gazon een groep luidkeels lachende mensen die al zo veel gedronken hadden dat ze het doodnormaal vonden dat er ineens een kudde schapen in de tuin stond. Het duurde dan ook even voordat iemand besloot de schaapsherder te spelen en de kudde aan de buurman te retourneren.
Toen iedereen zijn buik rond gegeten had, of in het geval van de meeste van mijn familieleden: ronder dan de buiken al waren, begon het keihard te regenen. Normale mensen zouden zich snel naar binnen verplaatsen maar in het geval van mijn familie gingen de kleren uit en de badpakken aan voor een duik in het zwembad dan wel de jacuzzi. Wegens mijn nog altijd niet geheelde voetwond, ernstige bikiniaversie en het feit dat ik een onverbeterlijke koukleum ben, trok ik mezelf terug in de blokhut.
Mijn vader kwam me vertellen dat de boeken van mijn opa, die na zijn overlijden ineens verdwenen waren, gevonden waren en in de garage uitgestald stonden. Ik had er eerder niet naar gevraagd omdat ik absoluut geen zin had om ruzie te maken over een erfenis maar ik was toch wel blij dat ze na al die tijd boven water gekomen zijn. Het zou zonde zijn wanneer ze langzaam tot stof zouden vergaan terwijl niemand er naar omkijkt. Blijkbaar was ik de enige die de moeite nam zich te herinneren in wiens gedachtenis we eigenlijk samen gekomen waren maar ik vond het niet erg. Terwijl mijn familie het in de stromende regen uitgierde van het lachen, drinkend, zwemmend en lachend, bladerde ik op mijn gemak alle boeken door. De boeken roken door de muffe geur heen nog steeds naar opa. Hier en daar had hij aantekeningen in de boeken gekrabbeld en vond ik boekenleggers welke ik als klein meisje voor hem gemaakt had.
De rest van de avond heb ik stilletjes voor de openhaard doorgebracht, omringd door stapeltjes boeken. Van Simone de Beauvoir tot Toon Hermans ('Zet je hart uit je hoofd', gekocht na opa's eerste hartinfarct) en van allerlei wetenschappelijke studies tot een grote verzameling berichten van de Tweede Wereldoorlog. Ik las mijn opa's leven, die meer beleefd heeft dan ik in tien levens zou kunnen beleven, en betreur nog elke dag het feit dat hij zijn eigen boek nooit af heeft kunnen schrijven. Opa's leven was geen feestje maar hij maakte er het beste van. Hij was een avonturier, een reiziger, een kunstenaar, een uitvinder, een natuurliefhebber maar vooral een man op zichzelf. Een observator. Een stille genieter. We leken op elkaar. Als hij nog geleefd had, hadden we die avond vast en zeker samen bij de openhaard gezeten. Hij zou vertellen en ik zou luisteren en het feest zou ons gestolen kunnen worden.
20 juli 2005
[Watergruwel, tenenkaas, familie-uitje]
Door eerdere ervaringen met de zogenaamde beschermhoezen van de thuiszorgwinkel heb ik besloten dat het regelrechte ondingen zijn. Hoe je ze ook om je voet bevestigt, ze lekken bijna net zo erg als een vergiet en daar betaal je dan twintig euro voor. Omdat ik tijdens mijn vorige herstelperiode zeer tevreden was over mijn eigen professorische oplossing, het vastducttapen van een plastic zak om mijn gipsvoet, besloot ik deze keer dezelfde methode toe te passen. Tot op heden ochtend beviel dat uitstekend maar nadat ik vandaag, zoals elke dag, druk in de weer was geweest met de zoveelste plastic zak en een rol ducttape en vervolgens onder de douche stapte, bleek dat ook plastic zakken niet zomaar blindelings te vertrouwen zijn.
Helaas kwam ik er iets te laat achter dat er een klein scheurtje in het betreffende exemplaar zat waardoor ik na enkele minuten nattigheid voelde. Toen ik de zak verwijderde om de schade in te schatten, bleek de verbandlaag al redelijk doorweekt te zijn, zodoende strompelde ik met een in het gips soppende voet naar de slaapkamer om de föhn erop te zetten. In de handleiding 'Omgaan met Ingegipste Ledematen voor Dummies' stond namelijk dat dit de eerst te nemen maatregel moest zijn in geval van nat gipsverband.
"Gips- en kunststofverband mag niet nat worden omdat de onderlaag zeer slecht droogt. De huid blijft te lang vochtig wat huidcomplicaties zoals irritatie, verweking en blaarvorming kan opleveren. Indien uw gips- of kunststofverband nat geworden is, kunt u proberen het met een föhn op de minst warme stand droog te blazen. Wanneer dit binnen een half uur niet helpt, neemt u contact op met de gipskamer."
Na ruim een half uur föhnen was het gewenste resultaat nog altijd niet bereikt. Mijn tenen waren inmiddels oververhit, mijn föhn heeft namelijk maar één stand, en het verband was nog steeds kleddernat. In gedachten zag ik een ranzig rottingsproces voor me: huidvraat, een langzaam desintegrerende voet met een tot organisch bederf overgaande wond en tenen die er stuk voor stuk afvallen. Dat soort dingen. Reden genoeg om gipsmeester Gert te bellen.
Gipsmeester Gert had geen tijd om de telefoon op te nemen, zodoende kreeg ik de eerste hulp aan de lijn. Of ik onmiddellijk naar het ziekenhuis wilde komen want nattigheid was slecht nieuws en bovendien zou gipsmeester Gert binnen niet al te lange tijd zijn biezen pakken. Omdat ik zelf geen kant op kon en manlief onvindbaar bleek, belde ik mijn pa die altijd in is voor een beetje spanning en sensatie. Op voorwaarde dat hij mee mocht naar de behandelkamer kwam hij me ophalen en bracht hij me naar het ziekenhuis. Mama kwam mee voor morele ondersteuning, wat volgens mij slechter voor haar hart was dan goed voor het mijne, maar het was een lief gebaar.
Gipsmeester Gert plantte me neer op de gipstafel en betastte het doorweekte verband terwijl mijn pa zijn ogen uitkeek. Toen de grote zaagmachine tevoorschijn getoverd werd begonnen zijn ogen te glimmen. "Net Ingang Oost!" zei paps verheugd en ging er even goed voor zitten. De zaag werd in het gips gezet en uiteraard kon de vraag "Zaagt u nou vaak in iemands voet?" niet uitblijven. "Oja hoor, dat komt wel eens voor." antwoordde gipsmeester Gert op bloedserieuze toon. Mams werd bijna geveld door een flauwte. Fijn stel ouders heb ik.
Het grote geluk bij dit kleine ongeluk was dat mijn ongewassen voet, waar na een twee weken durende hittegolf toch wel een tamelijk akelig aroma aan begon te kleven, de gelegenheid kreeg even te luchten. Ik mocht hem zelfs grondig schoonpoetsen met speciale opfrisdoekjes, een hemels genot. De voet zag eruit alsof ik er vijf uur mee in een warm bad had gelegen, wit en verschrompeld, maar de wond zag er gelukkig nog netjes uit. Een ander pluspunt bij deze interventie was dat de gipsmeester mijn voet in aanmerking liet komen voor vervroegde vrijlating. Na wat telefoontjes met radiologie en orthopedie wist hij zowaar een week van mijn gipsperiode af te praten.
Na vijf minuten was het gedaan met de pret en legde de gipsmeester opnieuw een gipsschoen aan. Omdat mijn voet sinds de operatie een stukje geslonken was, zou het nieuwe gips iets strakker zitten dus om te voorkomen dat de voet nu weer op gaat zwellen, waar in dit gips helemaal geen ruimte meer voor is en daarom zou zorgen voor dikke tenen, moet ik wederom een paar dagen met het pootje omhoog. Het zij zo.
Aangezien ik in de haast mijn krukken was vergeten en het gips nog een half uur moest drogen voordat het de maximale hardheid bereikt had, regelde mijn pa een rolstoel en duwde hij me zo snel als hij kon de ambulanceoprit op terwijl hij heel hard "taaa-tuuuuut" riep. Het zwaailicht ontbrak er nog maar net aan. We hadden net zo goed de lift kunnen nemen maar papa slooft zich nu eenmaal graag uit.
Een half uur was precies voldoende om een enorme sloot koffie naar binnen te gieten. Bij de restauratie van het Leidse Diac doen ze niet aan Hollandse kopjes of Haagse bakkies dus als je er een koekje bij bestelt kun je er gerust een half uur voor uittrekken. Pa wilde bij het raam vlak voor de eerste hulp zitten, de echte ramptoerist gaat natuurlijk niet op de tweede rang zitten. Mijn iets minder heldhaftige mama prefereerde het uitzicht op een foeilelijke nepkamerplant en keerde haar rug subtiel en tactisch richting een stel kermende patiënten die in de centrale hal zaten te wachten. Nerveus scheurde ze een zakje suikervrije suiker open en schudde de inhoud eruit. Naast haar kopje. Tussen mijn blote tenen, om precies te zijn.
Nadat ik mijn moeder vriendelijk bedankt had en de Candarel voor zover dat mogelijk was vliegensvlug tussen mijn tenen vandaan geschud had, sloeg ik voor de zekerheid de folder met gips tips er nog even op na.
"Ook wanneer er iets in uw gips gevallen is, neemt u direct contact op met de gipsmeester."
18 juli 2005
[Poging tot telefoongesprek met de paps]
"Hoi met mij."
"Heeee dochter! Hoe is het met onze pati- ..."
"WHAAA!"
"Wacht effe hoor, ik geloof dat ik een indringer moet vangen, blijf hangen."
"Ahh! Wat is dat?!"
"Een beest. Zie je toch. Moet je kijken wat een ding zeg!"
"Ahh! Het beweegt!"
"Zo zijn beesten nu eenmaal, die willen wel eens bewegen."
"Ahh! Het loopt! Maak 'm dood!"
"Zit nou eens even stil."
"Ahh!"
"Ja. Heb je nou je zin? Nu zit hij op het plafond."
"Ahh! Maak 'm DOOD!"
"Wat denk je dat ik aan het doen ben? Zit stil anders pleur ik van dat nest."
"Ahh!"
"Ahááá!"
Een harde klap.
Meer "Ahh!"
"Zo, dat kan hij zijn kroost niet meer navertellen. Kan ik dan nu..."
"Aaahhhhhhhh!"
"Zeg, de sirene kan uit hoor, het beest is dood."
"Ahh! Ahh! AAAHHHHH!"
"Oh shit. Sorry."
"Eh, heb je nog effe Wen? Ik heb per ongeluk een dood beest in ma's decolleté laten vallen..."
"Juist. Nou. Succes met het kadaver. Ik bel een andere keer wel terug."
7 juli 2005
[Meer blauw op straat]
Terug in de gipskamer kon ik de foto's bewonderen op een schermpje en kon ik precies zien waar het bot doorgezaagd was en waar de schroef zit. De behandeltafel ging omhoog en gipsmeester Gert knipte met de verbandschaar het gaas en de zwachtels los. Ik had al drie dagen vreselijk veel jeuk op mijn wreef dus de opluchting was groot toen mijn voet heel even aan frisse lucht werd blootgesteld. Het leverde echter wel een allerminst florissant plaatje op.
Mijn voorvoet was, zoals ik al vermoedde, enorm opgezwollen en er zaten flink wat blauwe plekken en bloeduitstortingen op, meer dan de vorige keer. Als ik dacht dat ik toen een toverbalvoet had dan was dit zonder enige twijfel de overtreffende trap ervan. De wond zelf zag er gelukkig keurig uit, geen vreemde kleurtjes of verontrustende substanties die eruit dropen. De orthopeed kwam de wond inspecteren en gaf een kort, goedkeurend knikje. Het is een ernstige man van weinig woorden en ik verdenk hem ervan dat hij er een sport van maakt om zijn patiënten nooit langer dan zestig seconden achter elkaar te zien, met uitzondering van de tijd die hij in de operaties steekt maar dan bevindt hij zich achter een gordijntje. Voor ik het wist was hij weer verdwenen en ik ging er maar vanuit dat hij hiermee wilde zeggen dat alles in orde was.
Gipsmeester Gert pakte mijn voet in en zwachtelde er een lap lichtgewichtgips (polyester, lichter en modieuzer dan het ouderwetse gips dat letterlijk een blok aan je been is) omheen, blauw deze keer. Ondertussen was er op de behandelplank naast me een meisje, niet veel jonger dan ik, komen zitten die dezelfde operatie ondergaan had en verlost werd van haar loopgips. Met grote ogen bekeek ze de foto's van mijn voet die nog steeds te zien waren op het schermpje. We wisselden ervaringen uit maar toen ik over het verwijderen van de schroef begon werd het meisje een beetje bleek.
"Heb je gezien hoe ze dat ding eruit haalden?!"
"Eh, ja."
"Krijg je daar geen volledige narcose voor dan? Zelfs geen ruggenprik?!"
Ik legde het meisje uit dat je een aantal spuiten in je voet krijgt, dat er een klein sneetje in je voet gemaakt wordt en dat de schroef er dan met een schroevendraaier uitgedraaid wordt. Het meisje was even stil.
"Doet dat pijn?"
Vervolgens was ik even stil. Ik herinnerde me hoe vreselijk pijnlijk ik de injecties had gevonden en hoe naar het was om een scalpel in mijn voet te voelen snijden omdat de verdoving niet werkte.
"Nouja, je voelt het wel even." besloot ik te antwoorden.
Het meisje keek haar moeder aan.
"Oké, die schroef zit mij dus wel best in die voet hè."
Arm kind. Ik ben blij dat ik niet echt bang was voor de operaties of de pijn. Tegenzin, dat was het overheersende gevoel bij alles wat ik moest ondergaan, maar echt bang was ik voor slechts één ding en dat had niets te maken met spuiten of schroevendraaiers of bloederige praktijken.
Gipsmeester Gert zweeg en wreef het gips in model, net zo lang totdat het hard werd en er een zelfvoldane blik in zijn ogen verscheen. Met de kniptang verwijderde hij de uitstekende randjes en werkte zijn sculptuur netjes af waarna hij, precies zoals de orthopeed dat gedaan had, een tevreden knikje gaf. Medici in actie moet je verdraaid goed in de smiezen houden, zeker wanneer ze weinig spraakzaam zijn, het maakt hun gezichtsuitdrukkingen van grote waarde.
Even leek het erop dat ik op het laatste moment naar mijn loopgips kon fluiten want gips mag pas loopgips heten wanneer je er een bijpassend schoentje bij krijgt zodat je er ook daadwerkelijk op kunt lopen. Logisch. Geloof het of niet, Gert beschikte niet over mijn maat. 'Gelukkig' heb ik mijn leven lang al moeite met het vinden van een geschikt paar nieuwe schoenen dus ik gaf lachend te kennen dat ik het wel gewend was en stak geduldig mijn voet uit om na het passen van vijf verschillende schoenen in te stemmen met een maatje kleiner.
Ik mocht de ingegipste voet een half uur niet belasten, daarna mocht ik erop lopen. Mooi niet dus, want in de tussentijd was mijn voet zo opgezwollen dat ik bang was voor ontploffingsgevaar en hoewel ik mezelf niet superkleinzerig vind, deed dit toch best wel zeer. Om die reden verliet ik het gebouw zoals ik binnen gekomen was, hupsend op één voet en mijn setje krukken, om thuis met het pootje omhoog mijn zitmarathon voort te zetten.
30 juni 2005
[Blij dat ik geen duizendpoot ben (2)]
Het euvel bleek niet in mijn voet te zitten maar in de cirkelzaag. Het ding functioneerde niet naar behoren en er ontbrak een adapter. Toen na een tijdje het haperende geluid overging als iets dat klonk als een Whitehouse plaat en ik het gezaag tot in mijn ruggengraat voelde trillen nam ik maar aan dat het probleem opgelost was. "U hoort misschien wat verontrustende geluiden maar ik kan u verzekeren dat alles goed gaat hoor mevrouw" sprak de orthopeed vanachter het gordijn. Hij tilde mijn been in de lucht om het te bewijzen terwijl ik een van de assistenten hoorde mopperen omdat de schroevendraaier kwijt was. Een gele, opengesneden voet stak boven het gordijn uit terwijl ik het gevoel had dat die voet nog onaangeraakt op de operatietafel lag. "Eh, ja, prachtig."
Veertig minuten later werd ik dichtgenaaid en ingepakt, in mijn bed getild en naar de uitslaapzaal gereden. Een wat oudere, streng uitziende zuster hing het infuus op en koppelde alle loshangende draadjes aan een nieuwe monitor. De anesthesist had me een kacheltje beloofd omdat ik zo onderhand lag te klappertanden en mijn vingertoppen net ijsklontjes waren maar de zuster, die net zo streng bleek als ze eruit zag, was het daar niet mee eens.
"Dan wordt het hier bloedheet!"
De anesthesist keek een beetje onthutst en daarna verontwaardigd maar zweeg.
"Ja, wat heb je liever? Een zuster die haar werk doet of een zuster die op de grond ligt?"
De anesthesist keek me aan vanuit zijn ooghoeken en richtte zijn blik weer op de zuster.
"Ik heb liever een zuster die zich niet zo aanstelt."
Ha! Net goed. De zuster stampte boos weg en ik kreeg mijn kacheltje. Naast me lag een oude man die net een vijf uur durende operatie ondergaan had en niet begreep waarom hij met dit mooie weer in bed lag en aan de andere kant een vrouwtje die de strenge zuster tot waanzin dreef omdat ze haar zinnen net als ik op een kacheltje gezet had. Ik viel in slaap en werd een half uur later wakker omdat ik mijn naam door de intercom hoorde.
Terug op mijn kamer werd mijn bed in de juiste positie gebracht en kwam de chirurg even langs om naar mijn voet te kijken. Hij begon meteen te mopperen want de verpleegkundigen hadden het verband er verkeerd omheen gedaan dus hij trok de hele boel los en knoopte het naar zijn eigen zin weer vast. Op dat moment ging de eerste felle pijnscheut door mijn voet en wist ik dat het lijden kon beginnen. Ik vroeg om een paracetamol maar kreeg een dikke spuit in mijn been, waar ik heel boos van werd omdat de verpleegster pas na het prikken opbiechtte dat ik er waarschijnlijk wel ziek van zou worden. Wat had ik nou gezegd?!
Gelukkig kwam er bezoek tijdens het bezoekuur zodat ik even wat afleiding had. Lorenza had een prachtige bos zonnebloemen meegebracht, kwam haar vakantiefoto's laten zien, hield een chocoladetaart onder mijn neus die ik natuurlijk niet mocht opeten en zorgde ervoor dat ik weer even kon lachen. Die lach verdween helaas snel toen de verpleegster vroeg of ik één of twee nachtjes zou blijven. "Ik ben hier voor een dagopname!" riep ik verontwaardigd "Kijk maar op de verwijsbrief, ik heb zelfs de anesthesist nog gebeld om het te checken!"
Met een hele stapel papieren onder de arm kwam de verpleegster hoofdschuddend terug. Nergens stond geschreven of gedrukt dat ik dezelfde dag naar huis zou mogen. Niemand wist er iets van. Het was ook helemaal niet gebruikelijk dat mensen voor een dagbehandeling op de verpleegafdeling lagen en er werd nog een heel blik smoezen open getrokken om te zorgen dat ik van gedachten veranderde maar ik liet me niet ompraten. Ik voldeed aan alle voorwaarden: ik had braaf op de bedpo geplast, ik was niet misselijk of duizelig, bloeddruk en temperatuur waren in orde en er lekte geen bloed door het verband dus ik wilde naar huis. Geen gezeur.
De verpleegster besloot de artsen op te roepen voor een spoedoverleg en kwam na een half uur terug. "Je wilt wel erg graag naar huis hè?" Nou en of. Ik kwam overeind om te bewijzen hoe fit ik was, trok een vastberaden snuit terwijl ik knikte en negeerde de stekende pijn in mijn voet. "Nou, vooruit dan maar." zei de verpleegster en trok het infuus uit mijn arm. "Kleed je maar aan."
Op voorwaarde dat ik een demonstratie gaf van hoe goed ik het kruklopen onder de knie had, werd ik ontslagen en in een rolstoel naar de uitgang gereden. Over een week moet ik terug komen voor foto's en wondinspectie. Op dit moment verga ik van de pijn omdat de pijnstillers niet werken, de bijwerkingen (trillen, zweten, misselijk, duizelig) doen het helaas wel allemaal dus die krengen gaan vanavond nog de vuilnisbak in. Hupsakee. Vorige keer heb ik het ook overleefd met een doos paracetamol dus dat moet nu ook wel lukken. De eerste week is de ergste...
29 juni 2005
[Blij dat ik geen duizendpoot ben (1)]
De gastvrouw liet me achter bij een verpleegster die me in een hokje stopte voor een laatste onderzoek en het invullen van de standaard vragenlijsten, daarna mocht ik naar mijn kamer. Het was gezellig druk in de kamer en er werd hard gewerkt dus ik nam zo onopvallend mogelijk plaats op een klapstoel in een hoekje.
"Doe ik het goed zo?" vroeg een van de bejaarde vrouwen, worstelend met een ouderwets looprekje en slechts gekleed in een wit hemd en een grote lange onderbroek, zodra ze me in de smiezen had.
"Volgens mij doet u het uitstekend mevrouw, maar dat kunt u beter even aan de therapeut vragen."
"Oh, bent u nog in opleiding soms?"
"Was het maar zo. Eigenlijk wacht ik op mijn bed." Ik wees naar de lege plaats voor me.
Het vrouwtje knikte begripvol, plofte uitgeput neer in een stoel en keuvelde wat met de andere oudjes. Ik inspecteerde de ruimte. Geen kotsbakjes, geen bleke, bevende mensen, geen verontrustende snoertjes en slangetjes. Er waren alleen maar goedlachse bejaarden, de een had een gekneusde heup en een gebroken arm door een val tijdens een partijtje tennis, de ander was zojuist ontslagen en commandeerde vanuit haar rolstoel de bejaarde man die haar tas in moest pakken. Er zouden geen andere patiënten bij komen dus de kust was veilig.
Een kamer verderop was het duidelijk minder gezellig, huilende mensen en iemand die in paniek de gang op vloog omdat een van de patiënten mijn grootste nachtmerrie aan het waarmaken was. Gelukkig was ik op alles voorbereid en bood de mp3-speler uitkomst.
Mijn bed arriveerde en ik moest me direct omkleden. Het ging allemaal veel sneller dan de vorige keer. Ik hoefde niet vier uur te wachten, ik moest zelfs haast maken want een half uur later werd ik op de OK verwacht. Gehuld in een veel te groot blauw hemd kroop ik onder de dekens, die de verpleegster meteen weer van me af trok omdat ik eerst nog een spuit in mijn been moest, tegen trombose. Het wachten was op een telefoontje van de anesthesist en terwijl ik dat deed prees ik mezelf gelukkig met het uitzicht waar het oude vrouwtje zich over aan het beklagen was. Toen ik haar wees op het feit dat er naast hijskranen en steigers ook knappe, gespierde, zongebruinde bouwvakkers met ontblote bovenlijven op het dak rondliepen (coca cola light break!), klaarde haar gezicht weer op en kon de mannenkeuring beginnen. Dat ze dat op haar leeftijd nog mocht meemaken.
Dokter Stefan trok de stekkers uit mijn bed en reed me naar de uitslaapkamer waar ik een mooie groene badmuts over mijn haar kreeg. Er werd efficiënt gewerkt en voor ik er erg in had was mijn voet voorzien van een grote zwarte pijl en ingesmeerd met jodium, had ik diverse elektroden op mijn lichaam, kreeg ik een infuus in mijn hand geprikt en was ik aangesloten op een monitor die meteen de verkeerde piepjes maakte omdat ik in alle consternatie was vergeten dat ik ook nog moest ademen. Mijn temperatuur was een beetje te hoog maar dat was niet erg. Ik moest weer overeind komen, voorover leunen, ontspannen en even op de kiezen bijten toen de verdovingspuiten in mijn rug gestoken werden. Voor de zekerheid vroeg ik de anesthesist om me vast te houden op het moment dat de ruggenprik erin ging, dat blijf ik toch een eng ding vinden. Het viel mee, ik moest op mijn zij liggen en werd afgevoerd naar de koelcel met de martelwerktuigen.
"U kunt overstappen hoor" riep een van de assistenten toen mijn bed naast de operatietafel gereden werd. Goddank, een man met humor! Op de derde tel vloog ik door de lucht en landde ik op de slachtbank. Ik kreeg een wit kleedje over me heen, mijn linkerarm werd uitgestrekt op een plankje gelegd en vastgemaakt met klemmetjes en snoertjes, mijn rechterarm werd in een bloeddrukmeter geschoven en uitgestrekt aan een ander plankje bevestigd. Ik kon nu alleen nog mijn hoofd bewegen en voelde alle warmte met grote snelheid uit mijn lichaam verdwijnen.
Deze keer vergaten ze het gordijntje voor mijn neus te hangen dus ik kon precies zien met hoeveel geweld mijn been behandeld werd. Natuurlijk voelde ik daar niets van maar er werd geduwd en gesjord, mijn been ging een heel eind de lucht in (wat ben ik lenig!) en er werd een band strak omheen gebonden (anders wordt het zo'n ranzig zooitje in de OK, aldus de assistent). Nog een laatste jodium-doop en toen verscheen de grote meester in de deuropening. De anesthesist, mijn steun en toeverlaat, schonk me een bemoedigende glimlach en schoof toen toch maar het gordijntje dicht. Ik vroeg me af of men zich ervan bewust was dat ik het hele gebeuren nog steeds vrij goed kon volgen via de grote lampen die boven me hingen.
Er werden twee zwarte slangen over het gordijntje gehangen, eentje voor de zaag en eentje voor de boor. Ik hoorde een hoop herrie en vervolgens allerlei uitspraken waar ik enigszins bezorgd van werd. Er zat iets vast en in de stem van de orthopeed hoorde ik opgefokte ergernis. Oh-o! Ik zag mensen rondrennen, hoorde wat haperende geluiden uit een van de apparaten komen en ergerde me kapot aan het feit dat niemand me vertelde wat er aan de hand was. Paniek in de tent. Dat kon nooit goed zijn. Zou mijn voet er nog aanzitten?

