28 december 2007

[Geen feest zo dol of er is wel een stol]

Het moet maar eens afgelopen zijn met de uitbuiting van de stol. Heb dit jaar al aan mijn neus voorbij zien komen:
- paasstol
- pinksterstol (was er ook een hemelvaartstol?)
- moederdagstol (waardoor een vaderdagstol niet uit kon blijven)
- zomerstol (herfststol, kortom: seizoenstollen)
- proefstol (hapklare testbrokken bij uw warme bakker)
- holle stol (potver! geen spijs!)
- sinterklaasstol (de banketletter is uit)
Je kunt het je zo gek niet voorstellen of er bestaat een stol voor. En nou komt het: ze smaken allemaal hetzelfde! Dan heb ik het natuurlijk nog niet gehad over de vele variaties op de standaardstollen. Pistachestol, Schwarzwalder Kirschstol, Mueslistol, Pina Colada staafstol, kwarkstol en verzin het allemaal maar.

Al deze verwaande luxe krentenbroden met spijs en soms een verdwaalde noot, wat stukjes sucade of een zoet laagje in de vorm van poeder of glazuur hebben er dus voor gezorgd dat ik niet meer optimaal kan uitkijken naar en genieten van mijn traditioneel stukje kerstbrood op kerstochtend. Want dat was vroeger iets om naar uit te kijken. Je kreeg het maar één keer per jaar en keek de paps dan net zo lang met grote Bambi-ogen aan tot hij smolt van vertedering, zijn stukje spijs uit zijn brood peuterde en op jouw krentenunit smeerde. Sinds er voor elke gelegenheid zo'n godvergeten stol bestaat, is de magie verdwenen. De stol is zo gewoon geworden als een plakje kruidkoek. Men solt met de stol. We worden lam gestold. De stol is de nieuwe multi-inzetbare gelegenheidsversnapering voor jong en oud.


Binnenkort ook:

- trouwstol (weg met die bruidstaart)

- afstudeerstol (weg met bitterballen)

- geboortestol (weg met bemuisde beschuitjes)

- valentijnsstol (zoet, klef en roze)

- crematiestol (vers uit de oven)

- suikerfeeststol (want de stol is er voor iedereen, denk ook hanukkahstol)

- Abrahamstol (of Sarahstol)

- bevrijdingsstol (met Hollandse vlaggetjes)

- paracetastol (hoe overleef ik derde kerstdag)

- nieuwjaarsstol (we kunnen geen oliebol meer zien maar van de stol krijgen we geen genoeg!)

Et cetera. Ik voorspel het u.

24 december 2007

[Laat maar komen]

I cannot sleep and I do not expect to sleep - I do not even hope to sleep. In de nacht het geluid van stervende dromen. Kreunend en klagend aan mijn bedrand. Dan langzaam en moedeloos uiteenvallend. Zich overgevend aan het verleden. I cannot sleep while I lie awake. I cannot dream while I lie awake. I do not dare to dream for dreams will die. Elke gestorven droom vormt een stukje van mijn eigen dood. To live means to dream. To dream means to die. Ik ben moe. Te moe om te denken. Te moe om te voelen. Te moe om te slapen. I cannot sleep. I cannot sleep. I cannot sleep! The only thing not sleeping is my inability to sleep. Een verlangen worstelt zich vrij. Naar een nieuwe droom, ongeacht haar sterfelijkheid. Naar de slaap waarin zij zich kan manifesteren. Naar het aanbreken van de dag waarop ik met hernieuwde moed haar bestaan durf te erkennen. Misschien zelfs durf te leven. New dreams are born where old ones die.

23 december 2007

[Ontstoffing]

Zaterdagavond. Niets te doen. Even de ouders bellen voor ‘n bakkie. “Bakkie? Bakkie? Nou vooruit, effe gauw dan en wel op tijd komen want daarna gaat er bruut gefeest worden en dan kan er van koffie voorlopig geen sprake meer zijn.” Dat ik het even wist. Mijn ouders (en de mamakant van mijn familie) ontpoppen zich soms spontaan tot woeste feestbeesten. Een beetje vreemd misschien maar wel erg gezellig. Voor vertrek zag ik in mijn mailbox een uitnodiging voor een reünie. De locatie lag toevallig op de route dus why ook not. Mij wordt wel eens verweten dat ik ‘verstof’ of ‘onder een steen leef’ dus dit leek me een goede gelegenheid om even met de plumeau langs mijn stoffige imago te gaan.

Dat zou ik weten ook. Bij aankomst kreeg ik meteen een roodzwarte boa omgeworpen (“Meeiiid, leuk bij je haar!” – die middag smeerde ik er in een wilde bui een tube knalrode verf in om te zien of dat na vijf jaar nog wat deed, met stoplichteffect als gevolg). Dacht ik dat we naar een fatsoenlijke kroeg gingen dan had ik het mooi mis. Het bleek namelijk een soort schuur (‘privécafé’) te zijn. Midden in een weiland. Vol gekleurde lampjes en met een podium, een bar en een openhaard. Het deed me een beetje denken aan de kraakfeestjes van vroeger, maar dan sfeervol. En lekker warm.

Mijn pa, die naar eigen zeggen doodziek wordt van die eeuwige kutpinda’s overal, trok uit zijn binnenzak twee doosjes kaaskoekjes, stalde ze uit op onze statafel en nodigde me uit toe te tasten (“koekjederbij?”). Voor ik het wist, had ik een glas wijn in mijn hand en werd ik heen en weer geslingerd in de dansende menigte. “Zo Wen, aan de vino?” riep mijn tante Co verheugd. Mams stond er ook van te kijken. Zelfs ik moest er even aan wennen want ik heb twee weken geleden pas geleerd het te waarderen. “Beter laat dan niet” besloot ze “goede smaak komt net zoals ouderdom met de jaren”. Of ik dan wel eens door wilde hijsen want het volgende rondje was in aantocht. Als ik niet op zou passen zou ik terplekke een praktijkles Co-ma-zuipen krijgen.

Paps greep mijn arm, keek me indringend aan en brulde toen vol overtuiging “Booorn to be wiiiiild!”. Mams keek verzot in zijn richting. Paps deed een mal dansje en gaf mams een knipoog. Zou ik geluk moeten omschrijven dan zou het dat wat mijn ouders bindt zijn. Dat zij na dertig jaar nog zo blij met elkaar zijn, is in tijden van scheidingen, huiselijk geweld, vervreemding en zeventig-urige werkweken toch iets bijzonders.

Er klonk een luid gegil, gefluit en geapplaudisseer, The Good Fellows (de stoere mannenband van mijn oom) beklommen het podium. Je weet niet wat je meemaakt wanneer die los gaan. Althans, ik als voormalig muurbloempje had toch zeker een nummer nodig om van de schrik te bekomen. Meer tijd kreeg ik niet want paps trok me naar voren om een potje te rocken, mijn tante Co stak me nog gauw een nieuw drankje toe en sloeg de barman, die haar eigen glas waar nog een centimeter bier in zat mee wilde nemen, tegen zijn hoofd. “Daar zit nog zeker voor een euro in hoor!” Je kunt veel van de Schrama’s zeggen maar je maakt ze dus niks.

Mams en ik bleken hetzelfde lievelingsnummer te hebben (Slowdown) en riepen na afloop heel hard om deze specifieke encore. Mams waagde het hierbij zelfs een barkruk te beklimmen, tot groot vermaak van mijn oom en tante. Omdat paps dit gevaarlijk vond, liep hij naar voren om bij Arie ons liedje aan te vragen. De lieverd. We dansten en we zongen. We lachten en we dronken. Ik voelde me dwaas en gelukkig tegelijk.

Toen het afgelopen was, kwam paps met een dampende bak leut aan lopen. “Tiet veur ’n bakske!” riep hij vrolijk. Oja. Ik was bijna vergeten dat ik de vrieskou nog in moest. Dit was slechts een opwarmertje voor de reünie van het jongerencentrum waar ik in mijn studententijd vaak kwam. “De tiet van gaan is gekomen” zei ik, groette iedereen en ging naar Magni. Ik zag geen bekenden. Beteuterd liep ik een rondje. Bijna wilde ik weer rechtsomkeert maken toen één van de dj’s me aanhield en ik toch nog bekenden spotte. “Strak outfit, lekker militaristisch, goed shirt ook, Laibach, ga ik meteen voor je draaien maar dan moet je nou wel als de sodemieter die dansvloer op!”. Zo geschiedde. Ik liet de steen, die ik voor de zekerheid toch weer met me meegetorst had, achter in de garderobe en danste het stof van me af.

22 december 2007

[Sneeuwsnakken]

Ik had sneeuw besteld. Niet dat je bij het KNMI een aanvraagformulier voor bepaalde weersomstandigheden kunt indienen of zoiets. Ik wilde gewoon bovengemiddeld graag dat het vandaag zou gaan sneeuwen en staarde de hele middag met een smachtende blik naar het grijze wolkendek, alsof de hand van Zeus elk moment gehoor zou kunnen geven aan mijn wens.

Dat kun je wel eens hebben. Een onstilbaar verlangen naar sneeuw, heel veel sneeuw. Van die helderwitte, vederzachte, droge sneeuw. Van die sneeuw die knispert onder je schoenen. Van die sneeuw waar je mieterse sneeuwpoppen van kunt bouwen. Van die sneeuw die zelfs boven op je hoofd nog geruime tijd blijft liggen. Van die sneeuw die de boomtakken onder het gewicht ervan krakend doet neerbuigen. Van die sneeuw waar de wereld tijdelijk een heel stuk mooier van wordt. Sneeuw van dien aard.

De kou heeft de sloten bevroren. Er zijn wedstrijden geschaatst op natuurijs. De wereld is prachtig wit, dat wel, maar ijzig wit. Niet sneeuwwit. Kennelijk zit het er niet in dat ik dit jaar nog getrakteerd zal worden op mijn favoriete atmosferische verschijnsel. Helaas. Dan maar een gedichtje en extra veel poedersuiker op de pannenkoek vanavond.

Licht, als water;
schitterklater,
tranenlach -
wonderwitte winterdag.
Verlangen gevangen
in blinkend blauw;
stiltesmacht -
wonderwitte winternacht.

20 december 2007

[Het zijn verwarrende tijden]

"Weten jullie eigenlijk wel wat er gevierd wordt als het kerstmis is?"
"Dat de kerstman jarig is!" roept kleuter 1.
"Echt niet!" roept kleuter 2 "Die komt alleen effe cadeautjes brengen voor onder de kerstboom."
"Ja, omdat hij dus jarig is dus." zegt kleuter 1.
"Nee, omdat het kerst is."
"Ja joh" valt een derde kleuter hem bij "en de kerstman kan helemaal niet jarig zijn want Jezus is al jarig met kerst."
"Maar juf" fluistert kleuter 4 in mijn oor "Jezus is toch gewoon de kerstman? Toch? Met een opplakbaard."

17 december 2007

[In een foto stappen]

Jij hebt de dingen niet nodig om te kunnen zien; de dingen hebben jou nodig om gezien te kunnen worden. ♥

11 december 2007

[Hersenstorm]

Gedachten schieten als ongeleide projectielen door mijn kop, ontploffen en de chaos wordt almaar groter. Ik kom niet uit mijn woorden tenzij ik schrijf, op papier dat niets terug zegt en niets verwacht. Het communiceren door dingen heen (telefoon, computer) lukt gewoon niet. Ik kan alleen nog maar dingen opnemen en niets terug geven. Ik word er vreselijk passief van. Ik lees en ik luister, daar word ik rustig van, maar als het ophoudt is het stil. Ik denk niet een of twee maar tien dingen tegelijk, kan niet beslissen welke ik als antwoord moet gebruiken en tegen de tijd dat ik eruit ben, heeft de ander de stilte alweer doorbroken of erger nog, er een punt achter gezet. Ik word er stapelgek van. Waar ik wakker van lig? Geen idee. Van die hersenstorm die niet wil gaan liggen. De tijd vliegt voorbij en ik heb al drie dagen niets gedaan. Alleen maar lezen en schrijven. Ik kan me tot niets anders zetten. Hopelijk kan ik slapen, lang en aan een stuk door. Hopelijk ben ik morgen fit. Hopelijk verval ik niet in lange stiltes. Ik wil niet leven in mijn hoofd, ik wil écht leven.

10 december 2007

[Spreken is zinloos, zwijgen maakt koud]

How can I stay with you when all this talk is all I am, always going out of the warm mouth into thin air? (rk)

Zolang er maar geen stilte valt. Of wij elkaars taal nu spreken of niet. In stilte worden wij te zeer met elkaar geconfronteerd. In stilte wordt pijnlijk duidelijk hoe weinig wij elkaar zeggen. Dus zoeken we naar woorden, wanhopig, om elkaar dit leed te besparen. Maar ook de woorden zeggen ons weinig of niets. Horen we ze eigenlijk wel? Het zijn de woorden die de sprekende stilte steeds in de rede vallen. We verschuilen ons achter de woorden zodat we elkaar niet écht zien. We gebruiken de woorden om de ander op het verkeerde been te zetten, de ander een spiegel voor te houden, de ander te laten denken dat het laatste woord nog niet gesproken is - ook al zijn we in feite al lang uitgepraat, om te vechten voor een triviaal gelijk. Het is zinloos. Elk woord hernieuwt de stilte en zij weegt zwaar en alsmaar zwaarder.

Human beings can reach such desperate solitude that they may cross a boundary beyond which words cannot serve and at such moments there is nothing left fort hem but to bark. (an)

Ik verdrink nog liever in je kille stilte dan te moeten spartelen in deze onmetelijke zee van woorden, wetend dat ik uiteindelijk door haar schuimende golven verzwolgen zal worden.

8 december 2007

[Nordmannspar]

Een kerstboom kopen met mijn vader. Van de driehonderdachtentachtig exemplaren wil hij natuurlijk precies díe boom die net door iemand anders uitgekozen is.

"Meneer, neemt u die boom?"
"Ik denk er nog over" (tegen zijn vrouw) "Kaar, hou jij 'm even vast?" (meneer kijkt paps bedenkelijk aan en richt zich dan weer tot zijn vrouw) "Niet loslaten hoor!"
Meneer loopt weg om de rest van de bomen te inspecteren, paps grijpt zijn kans.
"Hmm. Mevrouw, heeft u antieke meubelen?"
"Ehh, ja. Hoezo?"
"Ohh zet 'm dan maar terug hoor, die boom."
Mevrouw kijkt paps verbaasd aan.
"Zit houtworm in, in die boom, hele families houtworm. Funest voor uw meubels!"
"Meent u dat nou?"
"Ja. Beslist niet geschikt voor u, gezien uw inrichting. Dat is vragen om problemen. Ik zou 'm niet nemen."
"Maar hoe weet u dat? Van die houtwormen, bedoel ik."
"Nou, die boom is ziek, dat zie ik aan de stam. Een héle zieke boom. Ziet u die plekjes hier? Daar heeft de houtworm zich verschanst."
"Oh..." (tegen haar man) "Schat, misschien moeten we toch maar een andere boom uitkiezen."
"Mieters!!"
Paps grist de boom uit haar handen en mikt hem in de inpakmachine.
"Maar u zegt net..."
"Geen zorgen mevrouwtje, wij hebben alles Ikea. Gelamineerd spaanplaat houden ze niet van, de houtwormen."

7 december 2007

[Latentie]

Ik moest huilen. Tegen mijn zin in maar het gebeurde toch. Misschien liet ik mijn hand expres vastgeklemd zitten tussen de auto en de bijbehorende deur. Nu voelde ik pijn. Een scherpe, stekende, kloppende pijn. Fysieke pijn. Logische pijn. De tranen sprongen in mijn ogen. Eerst verzette ik me ertegen, zoals ik tegen al mijn zwaktes in opstand kom, maar er was niets tegen te beginnen. Om mijn gevoel te kunnen laten stromen, had ik die pijn nodig.

Eenmaal vermand vouwde ik mijn gekneusde vingers om het stuur en reed met een verbeten en betraand gezicht naar huis. Nu niet meer jammeren, daar is men thuis niet op gesteld. Ik fatsoeneerde me, om me niet te laten kennen en ook in de wetenschap dat er bezoek zou zijn. Mijn hand vormde nauwelijks een onderwerp van belangstelling. Ikzelf evenmin. Ons afscheid was eenzijdig en afstandelijk. De ander, zijn ogen half geopend, sloeg enkel wartaal uit. Ik sloeg met de deur, omdat ik wist dat geen van mijn woorden tot hem doorgedrongen waren. Zoals ik in dit kleine universum tot niets lijk door te kunnen dringen. Het is niet de verwijdering die ik betreur, maar de verontachtzaming, de faliekante ontkenning.

5 december 2007

[Nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil]

Frappant dat uitgerekend híj dat moet zeggen. Dat de ander, die mijn taal niet eens spreekt en mij dus niet kan verstaan, moet beweren dat de woorden bij mij absoluut in zeer goede handen zijn. De ander, die lang geleden op het randje uit zijn oren lag te bloeden en daar misschien wel een zekere doofheid aan overgehouden heeft. Hij moest eens weten. Op dit moment maakt hij het me wel erg moeilijk. Hij blaast alle gedachtestof uit mijn hoofd voordat ik er gedachten van kan maken. Wat een kabaal – zo kan een mens toch niet contempleren! Ik kauw op zinledige zinflarden tot mijn mond droog is en ik moet drinken. (Maar dan spoel ik alles weg! Jammer dan; mijn dorst is groter dan mijn wil om te spreken.) Liters water giet ik in me. Het woordengeklots bezorgt me maagpijn. Vanzelfsprekend. Ze horen daar niet thuis. De bovengebleven woorden schamen zich nu woorden te zijn en ik, hun onwaardige waardin, weet me er vanavond geen raad mee. Er laait geen taal. Mij versta ik niet. (lb) Alleen ben ik maar niet de enige weet ik.

4 december 2007

[Het eindeloos komen en gaan en mijn bedankt bestaan]

Bedankt, voor het medeleven, sprak de treurnis. Waar leven is, wordt gestorven. Daar kan geen mens omheen. Waar het een door velen zo gretig benoemd wordt, schuwt men het aanhalen van het andere. Lef is voor de bangen (wie geen angst kent, heeft het immers niet nodig). Fatsoen voor de burgerlijken (vaak onbeduidend). De dood (als definitieve staat van niet-meer-zijn) jaagt mij geen schrik aan. Ik heb stervenden gezien, gestorvenen, zelfs de abrupte overgang van zijn naar niet meer zijn; het werkelijke sterfmoment. Dat grijpt je bij de strot, rammelt je flink door elkaar en laat je tijdelijk verlamd achter. Dát is zonder meer angstaanjagend, omdat het ons dwingt stil te staan en te voelen wat we niet willen voelen omdat het ons wezen beschadigt. Dát is de wond die verzorgd moet worden. De leegte die op de een of andere manier ongedaan gemaakt moet worden, of opnieuw gevuld. Het leed dat smacht naar troostende verzachting.

Dank je wel, voor het luisteren, sprak de onmacht. Het was koud. Er stond een straffe wind en de mensen op het plein verwijderden zich er haastig van, naar meer behaaglijke plekken, stel ik mij zo voor. Ik kon mijn vingertoppen niet meer voelen ondanks dat ik mijn handen in handschoenen en deze weer in de zakken van mijn jas had gestoken. De wind sneed kloven in mijn lippen maar mijn woorden klommen er vastberaden en onverstoorbaar overheen. Het was ijzig koud en toch stonden wij daar, onder een grijs wolkendek waar dadelijk wel de een of andere vorm van neerslag uit zou komen vallen. Ze zei niet wat ze bedoelde, illustreerde daarmee onbedoeld de kwestie, maar ik begreep het. Ik begreep het al te goed. Eenzelfde gevoel knaagt sinds enige tijd ook aan mijn gemoedsrust.

Dank en nog eens dank, voor de hulp, sprak de chaos. Het was donker geworden. We hadden nog zes minuten. Als een ranke maar felle werveling stoof zij, schijnbaar nog onzeker van haar eindbestemming, van boven naar onder, weer naar boven en toen wat in het rond. Er dwarrelde van alles achter haar aan: memo's, post it's, snippers van verscheurde facturen en verpropte notitieblaadjes. Ik zag niet precies wat ik deed. Ik zag alleen die lach. Voor ik het wist was ze weer verdwenen. Nog niet voorgoed, maar toch. Ik denk nu al in de toekomst aan haar terug met het heimwee waarvan ik weet dat ik het zal hebben. (bs)


Hier ben ik dan, sprak de rusteloosheid. De bode zij dank, antwoordde ik.

3 december 2007

[Het voordeel van verre reizen]

Alles gaat te snel of het schiet voor den donder niet op. Dat je hoofd wel dertig meter voor ligt op je handen en voeten (meestal niet andersom) waardoor er van samenwerking geen sprake meer kan zijn en dan stagneert de hele boel. Al het wachten duurt te lang en tegelijk zijn er te weinig uren in een dag. Vreselijk! Ik lig nogal wakker van mijn slapeloosheid. Mijn been slaapt wel, alsof het zeggen wil: zoek het uit met je onheilige vigiliën, daar doe ik niet aan mee. In het andere heeft zich sinds vorige week een kramp vastgebeten. Heel venijnig en daarbij enorm onpraktisch. Zouden zij me misschien iets willen duidelijk maken (ga slapen! ontspan je! al dat geren is niet goed!)? Ach nee. Ik heb nog nooit gehoord van iemand die zich de les laat lezen door een paar benen. Het ligt in mijn natuur dat er steeds iets aan moet schorten. Ik ben een soort levende afbraakinrichting en word gekataboliseerd waar ik bij sta. Gisteren nog maakte mijn lichaam zich plotseling open dat het bloed eruit gutste en ik weet werkelijk niet waarom. Ook scheurden in mijn arm plots allerlei bloedvaatjes. Toch bleef mijn verbazing achterwege. In een wereld waar slagers door varkens in stukken gesneden worden, mensen het recht kunnen kopen een neger te worden maar dan weer niet in hun recht staan wanneer zij het zwarte bij nader inzien willen annuleren, en lichamen sowieso aan de lopende band op de meest afgrijselijke manieren verminkt worden, sta je niet snel perplex van zoiets onbenulligs.

2 december 2007

[Een sfeerlichtje van 400W]

Wat kan het nuttigen van spijs of drank me soms tegenstaan. Het water smaakt naar peut, de koffie naar vloeibaar bakeliet, het speculaas naar verkoekte bison-col – ik maak geen grapje. De soep van twee uur geleden brandt nog na in mijn ingewanden, of ik pure rins naar binnen gelepeld heb. Ik kijk er vanavond bepaald niet naar uit te sloven achter het fornuis om vervolgens het in elkaar gesloofde te verorberen. Een digestieve foltering te ondergaan van wagensmeer, mottenballen en oud ijzer. Alsof ik vanavond eregast ben in de onvermaarde Drek club. Een betwijfelbare eer. Meer een lijfstraf. Dit gedoe moet een dehydraterend effect hebben; ik heb onwaarschijnlijk veel dorst. Boven alles wil ik me legen.

Iets anders dan. De rusteloosheid is eindelijk onderweg naar mij, door weer en wind. In deze wetenschap zwelt het gevoel ook binnen in me aan, samen met een ongedurig hunkeren. Nog twee, hooguit drie dagen wachten. Ik heb wel meer geduld op moeten brengen. Het leven is vol wachtkamers en andere lijdzaamheideisers.

1 december 2007

[Kleurloze groene ideeën slapen woest]

Zijn ogen verweten mij niets. Ook in zijn stem kon ik nog niet het kleinste sprankje blaam horen. Weer waren het de woorden die het op mijn schuldgevoel gemunt hadden. Kon het nog hardvochtiger? Iets met een zeker trappetje. Iedereen schijnt het te beklimmen, mijzelf dan daargelaten. De aanmerking liet me ogenschijnlijk koud, kalm en bedaard. Maar dat was alleen omdat de woorden tekort schoten en ik niet over het vermogen beschikte om ter plekke te ontvlammen. Had ik dat gekund dan had ik het zeer zeker gedaan.

Ik heb het beklimmen van de trap met de anderen al minstens evenzoveel keren besproken als er treden zijn. Als dit zich zo voortzet, zal ik aanstonds een ongekende hoogte kunnen bereiken vanwaar ik over al hun hoofden uitkijk en zal ik hen zien trappelen en hinniken en, dat is nog wel het mooiste, niet meer hoeven horen. Wanneer zij aan mijn deur komen om te zien of hier nog wat te ambeteren valt (decaputeren zeg ik! eraf met hun hoofden!), zullen ze me niet thuis treffen.

De anderen vervelen me snel. Ze doen er alles aan om hun eigen verveling maar niet te hoeven bekennen, vallen er de wereld mee lastig zodat ze kunnen zeggen: wij hebben iets te doen en hoeven ons derhalve niet te vervelen, nee, ons zul je daar niet op betrappen. Maar zie hen koortsachtig trekken met mondhoeken, zie hen fronsen en geeuwen, zelfs knikkebollen. Zie hun blikken die alle kanten op schieten en zich toch nergens aan hechten. Ze schreeuwen om verlossing zonder het zelf te beseffen. Geef me een reden om hen te benijden en ik zal weigeren.