Frappant dat uitgerekend híj dat moet zeggen. Dat de ander, die mijn taal niet eens spreekt en mij dus niet kan verstaan, moet beweren dat de woorden bij mij absoluut in zeer goede handen zijn. De ander, die lang geleden op het randje uit zijn oren lag te bloeden en daar misschien wel een zekere doofheid aan overgehouden heeft. Hij moest eens weten. Op dit moment maakt hij het me wel erg moeilijk. Hij blaast alle gedachtestof uit mijn hoofd voordat ik er gedachten van kan maken. Wat een kabaal – zo kan een mens toch niet contempleren! Ik kauw op zinledige zinflarden tot mijn mond droog is en ik moet drinken. (Maar dan spoel ik alles weg! Jammer dan; mijn dorst is groter dan mijn wil om te spreken.) Liters water giet ik in me. Het woordengeklots bezorgt me maagpijn. Vanzelfsprekend. Ze horen daar niet thuis. De bovengebleven woorden schamen zich nu woorden te zijn en ik, hun onwaardige waardin, weet me er vanavond geen raad mee. Er laait geen taal. Mij versta ik niet. (lb) Alleen ben ik maar niet de enige weet ik.
5 december 2007
[Nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil]
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten