Ik moest huilen. Tegen mijn zin in maar het gebeurde toch. Misschien liet ik mijn hand expres vastgeklemd zitten tussen de auto en de bijbehorende deur. Nu voelde ik pijn. Een scherpe, stekende, kloppende pijn. Fysieke pijn. Logische pijn. De tranen sprongen in mijn ogen. Eerst verzette ik me ertegen, zoals ik tegen al mijn zwaktes in opstand kom, maar er was niets tegen te beginnen. Om mijn gevoel te kunnen laten stromen, had ik die pijn nodig.
Eenmaal vermand vouwde ik mijn gekneusde vingers om het stuur en reed met een verbeten en betraand gezicht naar huis. Nu niet meer jammeren, daar is men thuis niet op gesteld. Ik fatsoeneerde me, om me niet te laten kennen en ook in de wetenschap dat er bezoek zou zijn. Mijn hand vormde nauwelijks een onderwerp van belangstelling. Ikzelf evenmin. Ons afscheid was eenzijdig en afstandelijk. De ander, zijn ogen half geopend, sloeg enkel wartaal uit. Ik sloeg met de deur, omdat ik wist dat geen van mijn woorden tot hem doorgedrongen waren. Zoals ik in dit kleine universum tot niets lijk door te kunnen dringen. Het is niet de verwijdering die ik betreur, maar de verontachtzaming, de faliekante ontkenning.
7 december 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten