10 december 2007

[Spreken is zinloos, zwijgen maakt koud]

How can I stay with you when all this talk is all I am, always going out of the warm mouth into thin air? (rk)

Zolang er maar geen stilte valt. Of wij elkaars taal nu spreken of niet. In stilte worden wij te zeer met elkaar geconfronteerd. In stilte wordt pijnlijk duidelijk hoe weinig wij elkaar zeggen. Dus zoeken we naar woorden, wanhopig, om elkaar dit leed te besparen. Maar ook de woorden zeggen ons weinig of niets. Horen we ze eigenlijk wel? Het zijn de woorden die de sprekende stilte steeds in de rede vallen. We verschuilen ons achter de woorden zodat we elkaar niet écht zien. We gebruiken de woorden om de ander op het verkeerde been te zetten, de ander een spiegel voor te houden, de ander te laten denken dat het laatste woord nog niet gesproken is - ook al zijn we in feite al lang uitgepraat, om te vechten voor een triviaal gelijk. Het is zinloos. Elk woord hernieuwt de stilte en zij weegt zwaar en alsmaar zwaarder.

Human beings can reach such desperate solitude that they may cross a boundary beyond which words cannot serve and at such moments there is nothing left fort hem but to bark. (an)

Ik verdrink nog liever in je kille stilte dan te moeten spartelen in deze onmetelijke zee van woorden, wetend dat ik uiteindelijk door haar schuimende golven verzwolgen zal worden.

Geen opmerkingen: