30 juni 2007
[Stari Grad, rotsenklots, plaatselijke horecagebruiken]
Voor een twee sterrenhotel overstijgt het hele ontbijtgebeuren al mijn verwachtingen. In een ruime zaal staat een luxe ontbijtbuffet klaar: verse vruchten, allerlei soorten brood en andere graanproducten, een ruime keuze aan beleg, Kroatisch gebak, pudding, kwark, schapenkaas, eieren, saucijsjes en allerlei warme en koude dranken. We nemen onze borden mee naar een tafeltje vanwaar we een prachtig uitzicht over de zee en het strand hebben. Het is hier helemaal zo gek nog niet.
Met een goed gevulde maag beginnen we aan onze eerste wandeling die ons van Lapad via de kust naar Stari Grad (de oude stad) brengt. Het is een graad of 38 dus veel haast hebben we niet. Bovendien moet ik om de honderd meter even stil staan om “ohh” en “ahh” te roepen want de omgeving is werkelijk prachtig. Hoewel Dubrovnik in het hoogseizoen bekend staat als toeristentrekpleister, komen we onderweg - op wat locals na - maar weinig mensen tegen. Die liggen natuurlijk allemaal op het strand hun kater te verwerken dan wel hun huid enkele tinten bruiner (of roder) te bakken. Fout! Als we vanaf de laatste heuvel voor Stari Grad op het centrum neerkijken, zien we een grote krioelende mensenmassa waaruit bordjes omhoog steken die vastgehouden worden door reisgidsen. Precies voor de poort van Pile, op een smal bruggetje dat aan de noordkant toegang biedt tot het centrum. We manoeuvreren ons door de menigte en belanden in het voorportaal van Stari Grad waar een driekoppig ensemble een fraai stukje Bach staat te spelen. Zodra ze daarna Strauss inzetten weet ik niet hoe gauw ik de benen moet nemen, we zijn hier verdorie niet in Wenen ja!
Haastige spoed is hier echter niet goed, de kalkstenen paden zijn namelijk spekglad. Ze glimmen in het zonlicht alsof ze nat zijn maar in werkelijkheid zijn ze door miljoenen schoenzolen gepolijst (en worden niet, zoals de man suggereert, elke nacht door slaven tot in de kleinste groefjes grondig opgepoetst). Ik les een grandioze dorst met ijskoud water uit de grote, ronde fontein van Onofrio de la Cava, een indrukwekkend vijftiende-eeuws bouwwerk met zestien kranen waaruit water stroomt dat afkomstig is uit een bron in Rijeka Dubrovacka, twintig kilometer verderop. In 1667 is de fontein zwaar getroffen door een catastrofale aardbeving maar wonderlijk genoeg functioneert hij nog steeds. Aan het eind van de Stradun (hoofdstraat) staat nog een kleine Onofrio fontein maar daar zitten zoveel duiven op dat je een ondergekakte bakkes riskeert wanneer je eruit drinkt. Natuurlijk heb ik de zonnebrand in het hotel gelaten want ik zag ´s ochtends een verdwaalde wolk en concludeerde daaruit dat het nooit zo bloedverziekend heet zou kunnen worden als het uiteindelijk werd. De billen neervleiend op het plaveisel bega ik een heuse steengrillervaring en later op de dag kleuren diverse onbedekte ledematen Austrian-rood. Dat ga ik vanaf heden dus anders aanpakken.
Stari Grad is een doolhof van steegjes, trappetjes en pleintjes omheind door een twee kilometer lange en 25 meter hoge stadsmuur (gradske zidine) met diverse torens, bastions en forten. Vanaf het hoogste punt, fort Revelin, kijk je uit over de hele stad, de oude haven, honderden oranje pannendaken, de zee en vele eilanden. Tussen de kriskras door elkaar gebouwde huisjes hangen allemaal waslijntjes (wel apart om steeds onder de Kroatische onderbroeken door te moeten kruipen), door de steegjes lopen zwerfkatten, de inlanders hangen uit hun ramen naar elkaar te tetteren en aan veel van de pittoreske huisje hangen grote, ontsierende schotels. Weer beneden kopen we op de markt verse pruimen, extreem zure appels en vijgen die we in de schaduw opeten. We bekijken de kerken en paleizen en besluiten dan dat het tijd is voor een terras om de voeten (bereids voorzien van blaren wegens geen sokken en door het zweten blijven die rotpleisters niet plakken) wat rust te gunnen en mensjeskijkend te loungen onder een luifel. Onder het genot van een ijskoude grasshopper houd ik dat wel een uurtje vol.
Rond het middaguur wandelen we naar de haven bij Ploce. Pootjebaden en vissen kijken in het heldere zeewater. We zien een vis een andere vis verorberen die groter is dan hijzelf. Net Animal Planet maar dan live. Ik voorzie het gebeuren van een gepaste Steve Irwin imitatie. Er komen hier gigantische cruiseschepen voorbij die vier keer zo groot zijn als ons hotel. Tussen die joekels door varen allerlei kleine bootjes, van kajak tot watertaxi en van waterfiets tot speedboot. Er zijn ook nog lieden met flippers die geen angst kennen en zo van een rots af springen om tussen al dit waterverkeer door een stukje te gaan zwemmen. Zwemmen, daar heb ik zelf ook wel zin in, maar dan wel op een wat minder drukke plaats.
Terug naar het hotel om badkleding, handdoeken en zonnebrand op te halen. Drie keer struikelen en je ligt op het strand. De Kroatische kust kent nauwelijks zandstranden, wat ik niet erg vind want ik heb een uitgesproken hekel aan kleefzand, dus een kuil graven om je waterfles koel te houden (of gewoon uit wannabe duitsheid) zit er niet in. Het enige voordeel van zand is dat het wat comfortabeler ligt dan kiezels en keien maar desondanks lig ik toch tien keer liever aan Lapad Bay dan Katwijk aan zee. Het is er zo rustig, schoon, adembenemend mooi en een golfslagbad is er niets bij, kwa golfslag. Als je te dicht bij de rotsen komt, word je er met een genadeloze rotklap tegenaan gesmeten, ik spreek uit ervaring. Niets gebroken gelukkig.
Om een uur of zeven spoel ik onder de douche het zout van mijn lijf (je droogt helemaal wit op als je hier uit de zee komt) en vraag bij de receptie aan monseigneur Leclerc of hij een restaurant kan aanbevelen. Met een vragende blik staart hij me door zijn jampotbodems aan en antwoordt: "Huh? What you mean? Restaurant?" Zelf vind ik het niet zo´n rare vraag maar Leclerc´s voorhoofd verandert op slag in een groot peinsrimpelreliëf. Hij zwijgt een tijdje, maakt wat armbewegingen naar rechts en mompelt dan "Pergola". Waarom die tent zo heet, laat zich raden.
Een lesje Kroatische horecagebruiken: bestel hier snel en aarzel geen moment, haal tussendoor vooral geen adem want dan denken ze dat je uitgepraat bent en zijn ze verdwenen. Als je ongevraagd een voorgerecht voor je neus krijgt, wees er dan stellig van overtuigd dat je het lekker gaat vinden en stuur het anders linea recta terug naar de kok want je moet er wél een paar kuna´s voor neertellen. Laat tijdens het eten je bestek niet te lang los want dan denken ze dat je uitgedineerd bent en halen ze zonder pardon je bord onder je snufferd vandaan. Bestel ook geen koffie maar espresso als je, zoals ik, van lauwe leut met melk braakneigingen krijgt. Wel leuk is dat er elke dag vers uit de zee geschepte vis in ijsvitrines ligt waarvan je er zelf eentje mag aanwijzen. Die vis stoppen ze dan vol met kruiden en citroen, gaat op de grill en wordt (dat is dan wel weer een beetje de anti-climax) geserveerd met gekookte hoge-bloeddruk-piepers en verlepte groenten in het een of andere hoge-bloeddruk-papje. Na de officiële onthoofding, ontstaarting en ontgrating heb je vervolgens wel een plaatselijke delicatesse op je bord en kan Kapitein Iglo wel inpakken met zijn viscuisine.
Na het eten wandelen we nog een stukje langs de baai van Lapad waar we herhaaldelijk staande gehouden worden door mensen die ons allerlei georganiseerde bus- en bootexcursies proberen aan te smeren. Stuk voor stuk beweren ze dat zij de beste/goedkoopste zijn. Dat zal allemaal best, maar ik verken de omgeving liever op eigen houtje dan dat ik de hele dag achter een onverstaanbare doch duurbetaalde gids met een strohoed en een bordje aan hobbel. Ik weet na een grondige voorlichting nu echter precies waar ik wel en niet naartoe moet. Aan het eind van de baai drinken we op een terras nog wat en luisteren we naar een band die traditionele Kroatische muziek speelt. Als de volle maan over de Srd komt gluren, lopen we langs het glinsterende water terug naar het hotel om van een welverdiende nachtrust te genieten.
29 juni 2007
[Op naar de parel van de Adriatische Zee]
Het regent dat het giet, de temperaturen liggen ver beneden het normale gemiddelde, kortom: het is oer-Hollands hondenweer. Het is dan ook een raar idee dat mijn koffer niet veel meer bevat dan wat jurkjes, bikini’s, handdoeken en zonnebrand. Als de zomer niet naar ons toe komt, zoeken wij haar zelf wel op. Ik ben er klaar voor. Over een uur of acht zitten we met een cocktail en een biertje op het strand, zo houd ik mezelf voor. Hier maak ik een inschattingsfout.
Het geduvel begint al bij het inchecken. De vliegtickets zouden klaar liggen bij balie 1 maar de baliedame daar beweert stellig van niet; we kunnen gewoon inchecken en onze bagage afgeven. Na anderhalf uur in de rij gestaan te hebben, krijgen we van baliedame 2 te horen dat zij ons zonder tickets niet in kan checken en stuurt ons naar een derde balie. Baliedame 3 weet van geen tickets af en verwijst ons terug naar balie 1. Het is twee uur later, over drie kwartier vertrekt het vliegtuig en wat zegt baliedame 1? “Oja, niet goed gekeken, hier zijn toch de tickets.” Graag had ik Truus Ticket om haar eigen balie getrokken maar de tijd drong.
Nogmaals anderhalf uur in de rij is geen optie dus ik dring (tot ongenoegen van ongeveer vijfhonderd wachtenden) ongegeneerd voor bij de incheckbalie, dump de bagage en hol met de man naar de juiste gate voor de verplichte controles. Ik vraag of ik mijn riem af moet in verband met piepende poortjes maar dat is volstrekt niet nodig. Twee stappen verder begint het ding al te piepen en word ik apart genomen voor een full body massage. “Voorzichtig! Straks ontplof ik voor ik mijn bestemming heb bereikt!” roep ik terwijl ik dramatisch met mijn ogen rol. Daarop wordt geen prijs gesteld en prompt word ik hardhandig in het kruis betast. Ik moet de bewaakster teleur stellen: geen explosieven in de bilnaad, wapens onder mijn oksels of verdachte kruidenbuiltjes tussen mijn tenen. Was het toch die riem. Ik had het nog zo gezegd.
De vlucht naar Oostenrijk verloopt voorspoedig. We landen ruim op tijd voor de overstap maar het volgende vliegtuig blijkt behoorlijk vertraagd. Na zes uur wachten kennen we het vliegveld van Wenen beter dan onze broekzakken en beginnen uit pure verveling hier alvast maar aan de cocktails, om weer een beetje in de stemming te komen. Dan mogen we eindelijk boarden. Ik heb me nog niet op mijn stoel gevestigd of er wordt ons verzocht het toestel te verlaten. Er blijkt sprake te zijn van een technisch mankement waar nogal vaag over gedaan wordt. Bij navraag weet de een of andere Wiener Schnitzel me op geruststellende toon te verzekeren dat “only breaks are broken, no worries, will be fixed within an hour”. Natuurlijk. Mij zien ze bij het front terroristenparanoia aan voor een gevaarlijke gek maar een vliegtuig waarvan de remmen een uur geleden nog als non-operating geclassificeerd werden, wordt na wat provisorisch gebeunhaas gewoon de lucht in gestuurd. Ik sla een krantje open en lees over armageddongarantie. In gedachten zie ik een vliegtuig ter aarde storten en vlammend uiteen spatten, je moet immers wat als de remmen het uiteindelijk toch niet blijken te doen… Een nasale stem doet me opschrikken uit mijn doemvisioen. We zijn los van de grond.
In het vliegtuig haal ik even diep adem. Waarom schalt er in hemelsnaam Strauss door de speakers? Voor het Mozart-effect moet je toch een andere componist hebben - denk ik zo. Despereer niet, lees ik in de glimlach op de felrood gestifte lippen van de in een eveneens felrood gekleurd mantelpakje gehulde stewardess. Tien kilometer boven de grond wordt er een Weense worst op het uitklaptafeltje voor mijn neus geparkeerd. Ik besluit dat ik er maar beter van kan genieten want het is nog altijd niet uitgesloten dat dit mijn laatste avondmaal zal zijn.
Als ik de worst nog niet koud achter de kiezen heb, wordt Strauss abrupt onderbroken door de stem van de kaptein: “door omstandigheden die verder niet gespecificeerd zullen worden, vliegt dit luchtschip niet verder dan Split, wij danken u voor het vliegen met Austrian en wensen u nog een prettige reis of verblijf”. Wel voor den donder! Het is bijna middernacht en we worden gedumpt in een gehucht ruim 200 kilometer van Dubrovnik. Maar ik despereer niet, neem polshoogte bij het enige exemplaar aan vloerpersoneel dat er rondloopt en krijg twee transferpasjes in mijn handen gedrukt. Over een uur vliegen we naar Cilipi, ondertussen moeten we onze bagage komen aanwijzen zodat ik daar straks niet noodgedwongen naar het nudistenstrand hoef.
Het uitzicht vanuit het vliegtuig is fantastisch. We zweven over de maanverlichte zee waarin honderden eilandjes met duizenden kleine lichtjes drijven. In Cilipi staat een touringcar klaar die ons met een noodvaart over de smalle bergweggetjes langs diepe ravijnen naar Dubrovnik brengt. In tegenstelling tot vliegen, vind ik dit soort ritjes zenuwtergend en zit ik een uur lang met het zweet in de handpalmen, het hart in de keel en de ogen stijf dichtgeknepen allerlei ter plekke verzonnen schietgebedjes te doen. In het centrum van Dubrovnik springen we voor de eerste de beste taxi die aangesneld komt en om half 3 komen we dan eindelijk aan bij het hotel. Zeven uur later dan gepland - de totale vlucht zou oorspronkelijk nog geen vier uur duren - en compleet gesloopt.
Wonder boven wonder blijken de lachspieren nog intact want ik kom pardoes niet meer bij wanneer ik me over de balie buig om te zien of zich onder het bosje grijze haren dat er ligt nog iets bevindt dat in wakkere staat verkeert. Het is net monsigneur Leclerc die bij de Kroatische Hans Anders (Hanslav Drugačije?) zojuist het nieuwste model in montuur gezette jampotbodems heeft aangeschaft. Zijn Engels is zo mogelijk nog beroerder maar uit zijn gebrabbel begrijp ik dat hij blij is dat we er zijn en dat hij een avondmaaltijd voor ons bewaard heeft. Nu is mijn behoefte aan een koude schnitzel met bessenprut om drie uur ’s nachts niet bijzonder groot, het gebaar is niettemin alleszins sympathiek. Eenmaal in de kamer kan het traditioneel testen der bedden beginnen. Als je na vijf keer springen niet door de bodem zakt en een acceptabele vering (niet te hard maar vooral niet te zacht) constateert, dan lig je de rest van de week picobello.

