30 juli 2007
[Bijdehandjes]
"Nou, eerst was er dus die oerkwal, toen kwamen de ruigtanden enzo maar die stierven uit want het regende apen en dat zijn dus later mensen geworden."
J en I kunnen niet wachten tot ze écht groot zijn.
"Als ik tien ben, ben ik een tiener."
"Ja maar dan moet je eerst een neger worden."
Onze oude pc loopt niet alleen regelmatig vast; het ding heeft ook de neiging kleine kleutertjes gevangen te nemen...
"Help! Juf! M zit vast in de kjomjoeter!"
In het kinderkookcafé: "Ik lust geen pizza met spionnen." (champignons)
"R heeft zich ergens verstoppeld." (verstopt)
T maakt bijna een spagaat, waarop P vol bewondering opmerkt: "Zo hee! Kan jij in de spaghetti!"
18 juli 2007
15 juli 2007
[Dat blief ik niet]
"Sorry? Hoor ik jou nou zeggen dat je geen bier lust?!"
Zeer correct. Bier is vies. Van alle drankjes die ik absoluut niet te hachelen vind, valt bier binnen de top drie, om de eerste plaats vechtend met allerhande zuiveldrankjes en grapefruitsap (braaknasmaak!) puur en ongezoet. De zogenaamd niet naar bier smakende bieren smaken dus mooi wel naar bier, mij neem je niet in de maling. Bij de eerste dappere poging tot een slok nemen mijn smaakpapillen al met dusdanig afgrijzen kennis van de dreigende massa-invasie van biermoleculen dat de nekharen me te berge rijzen.
Zonder verder te vragen spoelt de barman een lang, dun glas om en tapt een piepklein biertje. Ik kan dwars door het vaal gelige vocht heen kijken. Bovenop drijft een stevige laag schuim. Aanlokkelijk is anders maar de barman dringt vriendelijk aan. "Probeer maar, het is Duits hoor". Zie ik er soms uit alsof ik nu vrolijk "ein proooosit" ga roepen, mijn glas zal heffen en het bier vervolgens enthousiast achterover zal slaan? De nieuwsgierige ogen van de barman zijn op me gericht wanneer ik voorzichtig een minuscuul slokje neem. Omdat ik daar een beetje nerveus van word en hem ook niet meteen teleur wil stellen neem ik nog maar een slokje.
Brrr. Bah. Water met een biersmaak. "En?" vraagt hij hoopvol, "hoe smaakt dat?". Hoe zal ik het zeggen? Ik trek een gezicht. "Als bier zonder ruggengraat" stel ik vast. De barman kijkt eerst verbaasd en dan krullen zijn mondhoeken omhoog. Hij rent naar achteren, komt terug met een bol glas, spoelt deze om en tapt er een ander soort bier in. Knalrood. Die jongen is een volhouder. Tevreden slaat hij zijn armen over elkaar en werpt me een bemoedigende blik toe. Behoedzaam voldoe ik aan zijn woordeloos verzoek om vervolgens een grimas te trekken alsof ik onder dwang al mijn tanden met volle kracht in een citroen heb moeten vastbijten.
Getver! Het kan niet anders of dit is een extreem zure, mousserende rode wijn die per ongeluk onder een verkeerd label in de tap is beland en dientengevolge van een bierig aroma voorzien is. "Ik vind het niet zo lekker" mompel ik op verontschuldigende toon, in de hoop dat hij er nu geen sport van gaat maken om mij koste wat het kost bier te leren lusten. Dat is nog nooit iemand gelukt.
Ik herinner me een gesprek van eerder op de dag waarin min of meer gesteld werd dat vrouwen gerust een avondje zonder cash op stap kunnen gaan en dat het principe van een tongzoen voor een tequila (ook al zo iets vies) dan nog niet eens van toepassing hoeft te zijn. Zelf ben ik daar niet zo zeker van. Wanneer een vreemde je een drankje aanbiedt is hij naar mijn ervaring ofwel ernstig van 't pad af of hij moet wat van je. Hoewel de barman er eervol uitziet en zijn functie naar alle waarschijnlijkheid ook van hem verlangt zich hiernaar te gedragen, retourneer ik na het moeizaam doorslikken van het kersenbier hoofdschuddend het glas. "Bewaar dit spul maar voor drinkers die het wel kunnen waarderen".
Later op de avond geef ik het bier nog twee maal een kans. Een mening moet immers goed onderbouwd zijn, zeker wanneer de rest van het gezelschap er een volstrekt tegenovergestelde opinie op na houdt. Het Rauchbier proeft naar bittere drap waar sigaretten en rookworst in hebben gedreven, een verschrikkelijke smaak. De bijbehorende ossenworst met mosterd kwam mij trouwens ook niet bepaald voor als een godenspijs. De smaak van het laatste bier is het best te omschrijven als een antieke boekenkast vol met desintegrerende boeken in vloeibare vorm. Ik geloof dat ik toch liever muffe, oude boeken lees dan drink.
Mijn tong is voorlopig wel genoeg geteisterd. Ik zoek mijn heil in de koele weldaad van een Strongbow, om de barman niet helemaal teleur te stellen, maar het bier zweer ik definitief af.
6 juli 2007
5 juli 2007
[Gruž, het vergas-terras, file tot Pile, weer thuis]
Laatste dag in Dubrovnik. Het lijkt ook wel de heetste dag te zijn en omdat we toch geen concrete plannen gemaakt hebben, hijsen we de badkleding aan en verplaatsen wij onze luie achterwerken richting strand. Dat is twee uurtjes leuk, daarna wordt het echt te heet en zoeken we de schaduw op. Aan de boulevard vinden we een nogal obscuur uitziende lunchroom met kleine kraantjes aan het plafond waar onder luid gesis een soort van wolkjes uit komen. Ik kan er niets aan doen maar krijg er acuut vernietigingskampassociaties bij: het vergas-terras. Er zit ook helemaal niemand. Dit etablissement moeten we maar eens van binnen bekijken. Barbarossa! (wel geen Sovjet Unie maar vooruit, ik heb een rijke fantasie). Het blijkt verfrissingsnevel te zijn. Loos alarm dus maar wel lekker, evenals de sandwiches.
Met onze hoofden in de nevelwolken komen we weer een beetje bij. Wat zullen we eens gaan doen? Flaneren langs Marina Gruž, de grote jachthaven van Dubrovnik want daar waait het lekker hard en je kunt er leuk bootjes kijken. Nou, zeg maar rustig boten. Knoeperts van luxe cruiseschepen. Tussendoor varen zeilboten en ergens aan de kant ligt een replica van een historische karaka (Karakas waren de grootste schepen op de Adriatische zee van de vroeg vijftiende tot zeventiende eeuw). Na anderhalf uur wandelen belanden we op een markt waar groenten en fruit maar voornamelijk bloemen verkocht worden. Ik ga echter voor een espresso want om op de laatste dag de hotelkamer nog op te leuken met een paar kleurige ruikers…
’s Avonds voel ik me gegrild dus is het niet meer dan toepasselijk dat we dan ook maar voor een gegrilde maaltijd gaan. Eens zien wat er vandaag weer uit zee gehengeld en geschept is. Vis heet hier gewoon vis, ongeacht welke soort, tenzij het tonijn of zalm is. Nu ben ik geen kenner dus geen flauw idee wat ik aan het eten ben, het is in ieder geval een hele uitdaging om het zeewezen te ontleden én verorberen voordat hij koud is. Een laatste cocktail, een laatste zonsondergang, een laatste avondwandeling en dan slapen.
De volgende dag kunnen we nog rustig ontbijten voordat we uitchecken. Als ik heel ruim reken hebben we twee uur nodig om op het vliegveld te komen maar in een ruim uur is het ook te doen. Mis! Waar in Dubrovnik zelden sprake van is, is vandaag een feit van grote omvang: er staat file. Van het hotel tot Pile. Wij moeten drie verschillende bussen nemen, die alle drie een stukje door het centrum moeten. Ineens krijg ik het onplezierig vermoeden dat we nog wel eens krap in de tijd kunnen komen te zitten. En ja hoor, na vijftig minuten als langzaam gaar kokende sardines in de eerste bus vast gezeten te hebben, is de rekensom simpel: op deze manier missen we ons vliegtuig. De man houdt een taxi aan. Moet dat kosten? Tweehonderd Kuna tot het vliegveld. Ik kiep alle Kuna’s die ik nog heb op de passagiersstoel en trek een smekend gezicht waarop de chauffeur onze bagage begint in te laden. Mooi!
De chauffeur ziet er ook aardig doorgesudderd uit, veegt zuchtend zijn zweterige haar uit zijn gezicht en laat ons dan met een brede lach instappen. “So much hot and so much traffic, so much hot is normal, so much traffic is ridiculous, bloody cruiseships!” Blijkbaar zijn er vandaag zoveel cruiseschepen aangekomen dat Marina Gruž helemaal vol ligt en dan mogen die schepen ook bij Ploce aanmeren. Zodoende moeten er honderden rijke toeristen naar de andere kant van de stad vervoerd worden en daardoor begint de infrastructuur een beetje te flippen. Wij koken rustig verder in de stapvoets rijdende taxi. De chauffeur babbelt een eind heen en terwijl ik uit het raam hang voor een beetje frisse lucht roept hij na twintig minuten ineens “watch out!” en sluit het raam. Snuggere Henkie heeft een helder moment: “I have airco!”. Joh! Waarom zou je hem ook gebruiken, het is hier slechts vijfenveertig graden. Maar het moet gezegd: deze man is een held. Na drie kwartier zoeven we met hoge snelheid over de bergweggetjes richting Cilipi en zijn we op tijd voor onze vlucht. Hier al mijn Kuna’s en duizend maal dank, rennen en dan vliegen.
We zijn weer in Wenen. De berichten op het scherm zijn ook om te wenen. Flinke vertraging, niemand weet waarom. Het gaat weer laat worden. Als er na vier uur eindelijk een vliegtuig wordt verwacht, komt er een Austrian-mannetje op ons af. Of we misschien nog vier uur later willen vliegen. Zie ik zo bleek? Ik wil naar huis! Uit wraak, omdat de omkoping niet succesvol verliep, maken ze onderweg een deel van onze bagage kwijt waardoor we op Schiphol nog langs drie loketten moeten om vervolgens slechts met een telefoonnummer van de vermeende boosdoener de trein naar huis te pakken. Die spullen zien we niet meer terug. Het regent dat het giet, de temperaturen liggen ver beneden het normale gemiddelde, kortom: het is oer-Hollands hondenweer. Maar zoals men in Kroatië zegt: neem slechts herinneringen mee en laat enkel voetsporen achter. Ik ben weer thuis en een prachtige ervaring rijker.
“Those who seek paradise on earth should come to Dubrovnik” - George Bernhard Shaw
4 juli 2007
[Lokrum, Napo's fort, scheef eten]
Een eiland verderop beschikt klaarblijkelijk niet over de luxe van een blussysteem want als we via een steile rots omlaag klauteren voor onze picknick aan zee zien we daar enorme rookwolken opstijgen. Even later vliegt er een blushelikopter over. De man voelt zich dapper en klimt nog verder naar beneden via de grote, ruwe rotsen om te controleren hoe het hier gesteld is met de golfslag. Ik wed met mezelf dat hij er niet verder in gaat dan tot zijn knieën en dan besluit dat het misschien toch niet zo verstandig is om hier te water te gaan. Ik krijg gelijk. De golven slaan meters boven hem uit tegen de kust, hij zou nooit meer levend aan wal raken.
Het is tijd om de klim naar het hoogste punt van het eiland te maken. Dat is geen kinderachtig heuveltje. De paden zijn steil en denk maar niet dat je er comfortabel kunt wandelen want het zit vol met kuilen en bestaat voornamelijk uit los liggende stenen. Niet dat we ons daardoor tegen laten houden want aan de top staat het fiere napoleontische Fort Royale, gebouwd door het Franse leger in 1806 en het uitzicht schijnt er nogal mooi te zijn. Even de kuitspieren laten werken dus. Fort Royale is niet zo groot en in architectonisch opzicht wat mij betreft ook niet waanzinnig spectaculair (waarschijnlijk omdat het tegenwoordig een ruïne is) maar iets aan dat Fort fascineert me. Bovenop het eens zo machtige maar nu in afbrokkelende staat verkerende stuk steen staat namelijk, en vraag me nou niet waarom, een oude strandstoel met iets wat ooit een parasol geweest moet zijn. Wat je noemt Keizerlijk. Zal Napo het hier even naar zijn zin gehad hebben terwijl hij zijn troepen in de brandende zon liet ploeteren… Het uitzicht is inderdaad adembenemend. Je kunt helemaal naar Cavtat kijken en aan de andere kant zie je het historische centrum van Dubrovnik liggen.
Naar beneden gaat een stuk sneller. We maken een boswandeling en komen dan uit bij Mrtvo More (dode zee), een zoutwatermeer op het eiland waar je kunt zwemmen en slingeren aan touwen. Er zijn hier iets te veel toeristen naar mijn smaak en de man heeft vandaag toevallig zijn lendendoek niet bij zich dus we zetten de wandeling voort naar de rand van het eiland, waar we een grote platte rots vinden. Poging twee van de man om een stukje te zwemmen. Dat moet hier wel lukken en hij bedenkt zich ook geen twee keer, na een flinke aanloop verdwijnt hij met een enorme plons in de golven. Die redt zich wel. Ik spreid mijn handdoek uit en staar liggend in de verte. Af en toe wagen de golven zich op de kade en krimp ik ineen van de onverwachte koude douche die in retrospect, dat is zodra de warme zomerbries tegen mijn natte huid blaast, een prettige verfrissing vormt. De zon zakt langzaam in de zee wanneer de man eruit komt, wat een teken is dat we ons zo zoetjes aan weer eens richting haven moeten begeven want de laatste boot vertrekt om 20:00u. Er is nog wel tijd voor een drankje op het terras waar een oude, kettingrokende man typische Hawaï-deuntjes uit zijn gitaar tovert. Hij doet ook verzoeknummers maar ‘Op een onbewoond eiland’ kent hij niet.
Terug in Stari Grad kiezen we zomaar een steegje uit en klimmen een stukje omhoog tot we een leuk restaurantje vinden. Dit kan nog wel eens gevaarlijk worden, aangezien we op een hellend vlak moeten zitten. Terwijl de man zich schrap zet om niet voorover van zijn stoel te glijden, doe ik mijn best niet met stoel en al achterover te kiepen. Soep gaat het dus niet worden. Zodra deze geserveerd wordt, zal hij ongetwijfeld in mijn schoot belanden. Voor de zekerheid bestel ik ook maar een halve liter water, dat staat vast steviger dan een normaal glas. Ik roep de pizza uit tot het veiligste gerecht van de avond. Een goede keuze want pizza’s bakken kunnen ze hier wel. Aangezien de man nog wat wil werken, duik ik met Reve (mijn andere reisgenoot) het bed in.
3 juli 2007
[Teringmuggen, Uvala Lapad, Nema stroom]
Tijdens het ontbijt vouwen we de kaart uit om een nieuwe wandelroute uit te stippelen. We beginnen met het beklimmen van een berg die ons aan de noordkant van Babin Kuk brengt en een schitterend uitzicht over Gruž biedt. Er gaat ook wel een bus naar de top maar het is natuurlijk leuker om je een ochtend flink uit te sloven terwijl de mussen (van dit bedreigde diersoort wemelt het hier) van het dak vallen en bussen vol verlepte toeristen je om het kwartier in stilte voor gek verklaren. Nee, je moet lekker in zo´n sauna op wielen gaan zitten. Na tien minuten kun je aan het zuurstof en heb je een beurs zitvlak. Ik prefereer mijn eigen kuierlatten boven het stadsvervoer.
De afdaling voltrekt zich via een soort botanische route, alles is begroeid met gekleurde, zoetgeurende bloemen. We komen langs een sculpturentuin waarin allerlei uit steen gehakte koppen afgewisseld worden met cactussen en op het terras staat een groot beeld van een naakte vrouw die in de aanslag staat haar kind een flinke dreun te verkopen. Een interessante verschijning te midden van de verder zo vredige omgeving. Zou dit het toonbeeld van de Kroatische pedagogiek zijn? Aan de voet van de andere kant van de berg eindigen we op de promenade van Lapad. Daar staan allemaal schommelbankjes met parasolletjes, een uitstekende gelegenheid voor pivo, chi-chi en vers fruit.
´s Middags verkennen we een ander kiezelstrand in Uvala Lapad: het populaire Lapad beach. De meeste locale strandbezoekers zijn of zeer minderjarig, of de uiterste houdbaarheidsdatum reeds lange tijd voorbij. Vooral de Kroatische oma´s zien er heel typisch uit; lijfeigen zwembandjes in felgekleurde badpakken gehuld en snorren op de bovenlippen. Het andere uiterste vormen de jonge toeristen waaronder het Paris Hiltongehalte opmerkelijk groot is. Terwijl ik het gevoel heb bij leven mijn eigen crematie mee te maken, mijn tweede fles zonnebrand open draai en me onder een pijnboom installeer, jammert een walnootbruine Engelse in luipaardprintminibikini naast me “It’s no use, I am never getting any browner – sigh sigh sigh”. Hum. De man wil graag een kajak huren maar als ik voor zes uur nog een keer in de zon kom, vrees ik dat de vlammen uit me zullen slaan (toch nog die armageddongarantie). Klinkt wat dramatisch maar mijn Hollandse huid heeft blijkbaar enige tijd nodig om aan dit klimaat te wennen. Als ik in het hotel wat natte handdoeken over mijn benen leg, hoor ik ze nog net niet sissen. Maar ik zinder.
Op een strandterras boven het water genieten we van een bontgekleurde zonsondergang en een dubbele espresso. Een beetje loomheid op z´n tijd is best lekker maar zodra ik me een duf konijn ga voelen, is het tijd om het cafeïneniveau weer op pijl te krijgen. Ik wil even douchen maar moet dit op de tast doen want de artiest van vanavond heeft met zijn geluidsinstallatie de stoppen doen doorslaan waardoor de stroom uitgevallen is. Nema problema, eten doen we wel bij de concurrent, een sjiek hotel aan de overkant waar het eten voortreffelijk blijkt. De band die hier optreedt, is ook een stuk leuker dan de muzikale stroomterrorist in het Adriatic, die zich nu akoestisch moet bewijzen. Maargoed, voor twee sterren moet je ook weer niet te veel verwachten en al komt de kwaliteit hier niet uit de lucht vallen, als je naar de hemel kijkt heb je daar de rest van je sterren.
2 juli 2007
[Trsteno, hoe je hier een bus vangt]
Opschieten is voor de stadsbuschauffeurs hier Nema problema. Met de ene razende maniak sjezen we naar het centrum, daar pakken we de volgende rammelende doch razendsnelle bus naar Marina Gruž, kopen een ticket en vijf minuten later zitten we in een luxe touringcar die op zijn weg naar Zagreb wel even wil stoppen in Trsteno. Hoewel de reis prachtig is, heb ik weer een half uur lang peentjes zitten zweten (en het was al zo heet) wegens hoogtevrees met als letterlijk en figuurlijk hoogtepunt de Franjo Tudmanbrug. Het is een gigantische brug die er behoorlijk solide uitziet maar ik heb ergens gelezen dat het ding op sommige plaatsen aan afbrokkeling onderhevig is.
Om elf uur komen we aan in Trsteno, twintig kilometer boven Dubrovnik. Het lijkt er volledig uitgestorven en om nu te zeggen dat men er scheutig is met bordjes in de trant van “Arboretum die kant op” besluiten we bij gebrek aan een stoep of berm met gevaar voor eigen leven een stukje terug te lopen over de weg. Ik meen onderweg namelijk de ingang gezien te hebben. Het zweet loopt ons nu al tappelings langs de ruggengraat, eerst maar eens wat vocht tanken bij een oud vrouwtje dat in de tuin van haar huis koffie, thee en limonade verkoopt.
Trsteno is beroemd om zijn arboretum, de oudste botanische tuin in dit deel van de wereld. Het is in de vijftiende eeuw aangelegd door een familie die scheepskapiteins opdroeg zaden en planten mee te brengen van hun verre reizen. Wanneer het arboretum precies ontstaan is, is onbekend maar in 1492 is er een vijftien meter lang aquaduct gebouwd om het park te irrigeren. Verder staat er een vijftiende-eeuws zomerhuis en is er een gigantische vijver met waterspuwende beelden. Er zijn meer dan tweehonderd verschillende boomsoorten en diverse exotische planten en bloemen. Aan de rand van het arboretum bevindt zich een terras vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de Adriatische zee. Het is hier zo rustig dat we in het hele park slechts drie andere toeristen tegenkomen. Van de schade die de brand aangericht heeft, is helemaal niets meer te zien. In de schaduw van de bomen en enorme planten sjokken we een uur of twee rond en dan hebben we het wel gezien. Nog even wat drinken en zien hoe we terug in Dubrovnik komen.
Dat valt nog niet mee. We vinden een bushokje met een nagenoeg onleesbaar dienstrooster en gaan er dus maar vanuit dat er binnen een uur wel een bus voorbij zal komen. Dat gebeurt maar hoewel we allebei opstaan en onze handen opsteken, scheurt de oude rammelbak ons zo voorbij. Een half uur later zoeft een tweede bus ons voorbij en dan vind ik de grap niet meer grappig. Aan de overkant van de weg zit een oude, tandeloze man naast drie grote postzakken een sjekkie te roken, wachtend op de postophaalman. Ik vraag of hij Engels spreekt en vrolijk knikt hij van ja. Wat moet je hier doen om een bus te laten stoppen, vraag ik, ervoor springen? Weer knikt de man enthousiast van ja. Je moet hier inderdaad voor de bus springen, met minimaal drie personen en woest zwaaiend met al je ledematen, anders kun je het schudden. De man kijkt op zijn horloge en voorspelt dat er over twintig minuten weer een bus komt. Hij heeft nog gelijk ook want twintig minuten later (zijn post is allang opgehaald maar hij besluit vrijwillig voor ons op de uitkijk te gaan staan en een seintje te geven als de bus komt) roept hij heel hard “Bus! Bus! Come! Jump!”. Met z’n drieën springen we midden op de weg, zes armen in de lucht, en roepen heel hard “STOP!”. We kunnen nog net opzij springen want zonder ook maar enige vaart te minderen en met een moeilijk gezicht steekt de chauffeur verontschuldigend zijn handen omhoog. Hij kan niet stoppen omdat hij ons vanuit de bocht pas zag en er zitten twee dure snelheidsduivels op zijn hielen die hij kennelijk niet in zijn achterbak geparkeerd wil hebben. Terwijl ik nog sta bij te komen van de schrik staat de oude man alweer enthousiast op en neer te stuiteren. “Another bus! Jump!”. Eindelijk: een chauffeur die weet waar de rem zit en hem nog gebruikt ook.
Terug in de oude stad eten we bij wijze van lunch een ijsje en luieren we wat in de zon op een stijger. Met dit weer is de honger veelal ver te zoeken dus ook de avondmaaltijd blijft vandaag karig, een broodje met een obscuur Kroatisch prutje waarvan het laatste restje eetlust als sneeuw voor de zon verdwijnt. Broodje is lekker, prutje spoel ik maar door de wc zonder dat het eerst mijn hele spijsverteringskanaal foltert. Hoe die lui het weg krijgen, ik weet het niet.
1 juli 2007
[Babin Kuk, ufo's]
Het belooft weer een loeihete dag te worden maar gelukkig staat er een frisse zeebries die de warmte draaglijk, zelfs aangenaam maakt. We gaan een dagje klimmen en klauteren aan de zuidkant van Babin Kuk. Eerst lopen we over smalle bergpaadjes langs de rotskust om te zien tot hoe ver we te voet kunnen komen. Het is hier zo mooi dat ik de rust niet in me kan vinden om te ontspannen. Ik heb het gevoel dat ik ogen tekort kom. Als Hollander met een geringe hoeveelheid reiservaring ben ik zoveel natuurschoon niet gewend. Die bollenvelden zijn na een tijdje ook niets nieuws onder de zon, mocht deze eens schijnen. Als we het meest westelijke puntje van Babin Kuk bereikt hebben, willen we een strandje bezoeken maar dat is aan deze kant afgesloten en blijkt later een homorots te zijn. En ik maar denken dat ik op een fata morgana gestuit ben. Ik bestel snel een cocktail in de meest chemische kleur roze en de man giet nog maar eens een Karlovačko naar binnen.
Uiteindelijk vinden we een mooi stuk steen, verstopt achter wat rotsen en onder palmbomen. Het is precies groot en plat genoeg om twee badlakens neer te leggen maar voor we zover zijn dienen we nog wel even een behoorlijk steile afdaling te maken. Je moet wat overhebben voor je eigen privéstrandje maar dan heb je ook wat. Ik waan me in een klein paradijs op een onbewoond eiland. Er is geen mens te bekennen, zo ver als ik kijken kan strekt de zee zich voor me uit en in de verte ligt het eiland Daksa dat tussen het golfgeklots de met groen begroeide rots in de branding vormt. Het is een idyllisch tafereel en ik kan mijn aandacht moeilijk bij mijn boek houden omdat ik nog altijd een constante drang voel om in het rond te kijken.
Wanneer je hier tot je schouders in het water staat, kun je met gemak je tenen op de bodem zien rusten. Dan zie je meteen wat er nog meer aan leven huist in dit water. Krabben! Niet van die kinderachtige exemplaartjes maar hele flinke knapen van krabben die de hele dag niets beters te doen hebben dan zich met de stroming mee te laten sleuren om vervolgens weer zijwaarts over de bodem terug te krabbelen (ik begrijp ineens waar dat woord vandaan komt). Je zal ineens zo´n ding aan je teen hebben hangen. Bij dat idee laat ik het zwemmen aan de man over en houd ik in de schaduw van een grote pijnboom een siësta. Heerlijk dat geluier, ik wist niet dat ik het kon maar goed voorbeeld doet volgen. De lokale bevolking doet hier overdag namelijk alles op een Mediterraan tempo. Dat wil zeggen: slof, slof, slof. Ik zeg alles, maar automobilisten en buschauffeurs vormen hierop een uitzondering want Kroaten zijn temperamentvolle wegpiraten die de claxon met evenveel enthousiasme indrukken als het gaspedaal. Hier geldt het recht van de snelste. De meest maniakale bestuurders halen op een bochtig bergweggetje gerust grote bussen in met een gemiddelde snelheid die je hartslag doet verdubbelen.
Uiteindelijk wordt de middagzon te heet en gaan we via de promenade (Little Stradun) terug naar het hotel om ons op te frissen en een lichte lunch te nuttigen. We besluiten daarna naar het centrum te gaan waar als we de vele aanplakbiljetten moeten geloven elke avond wel iets te beleven valt. Op het plein voor de St. Blaisekerk (opgedragen aan Sveti Vlaho, de beschermheilige van Dubrovnik) is een groot orkest bezig de instrumenten te stemmen. Als ik de dirigent aanspreek, blijken het Engelsen te zijn die samen het Imperial College Sinfonietta vormen. Ze moeten wachten tot de grote klok geluid heeft (tweemaal, men luidt hier namelijk de klok om te waarschuwen dat de klok gaat luiden) en dan beginnen ze te spelen, eerst een stuk van Prokofiev en vervolgens Tschaikovski. Heel mooi.
Als het donker wordt, beklimmen we een van de vele smalle trappensteegjes en komen we uit op de Prijeko (eetstraatje) die parallel ligt aan de Stradun maar dan een stuk hoger. Er zijn hier wel honderd restaurantjes en op elk terras staat een gastheer of –vrouw die hele menukaarten uit het hoofd staat op te dreunen. Hoewel het vreselijk smal is en je je zijwaarts langs de terrasjes moet manoeuvreren, kun je er toch rustig zitten en van je maaltijd genieten. Doordat er een algemeen verbod op neonlicht lijkt te gelden, dineer je in kaarslicht of onder een gedimde lantaarn wat de sfeer absoluut ten goede komt.
We horen zwaluwen, lachende mensen, Kroatische muziek en het zachte getik van bestek.
Op de terugweg beklimmen we de trappetjes die naar fort Lovrijenac (dat de westzijde van de stad moet beschermen tegen gevaar vanaf land of zee) leiden, waar we opgewacht worden door een Adriatische muggenleger dat vrijwel onmiddellijk de angels vastschroeft en een massakamikaze uitvoert op mijn benen. Nog even ongestoord van het uitzicht genieten zit er kennelijk niet in maar gelukkig kan dit vanaf ons balkon ook. Nema problema! - zoals ze hier dan roepen.

