29 januari 2006

[Volg nooit een man zijn hol in anders brand je je aan de draak]

“Vier punt één hoeft niet aan.”

Hij negeert haar opmerking en richt al zijn aandacht op de crèmekleurige afstandbediening in zijn hand. Ik vraag me af bij welke hippe gadget die nu weer hoort. Het is zo’n beetje de gewoonte geworden dat me bij elk bezoek een gloednieuwe moderniteit (dit gaat van volautomatische roestvrijstalen melkopschuimers tot achtpersoons bubbelbaden) wordt gepresenteerd, dus ik wacht vol spanning op dat wat komen gaat. Zelf kom ik uit een tamelijk conservatief arbeidersgezin waarbij een magnetron al een grote mate van argwaan plus daarmee samenhangende weerstand opwekt maar dit is een heel andere wereld.

“Vier punt één hoeft niet aan” herhaalt ze, elk afzonderlijk woord nu overdreven articulerend en de pauzes tussen elk woord net iets langer aanhoudend dan normaal wat de zin een onnatuurlijk karakter geeft. Het is vergeefse moeite: hij is vastberaden zijn nieuwste aanwinst te demonstreren.

“Ah! Hebbes!”

Hij drukt een knopje in; vier punt één. Er klinkt een knal, er schiet een vonk omhoog en daarna wordt de kamer gevuld met rook. Verrassend spectaculair, vond ik.

“Kut met peren!”

Dat was vier punt één. Een fraai vormgegeven schemerlamp in exact dezelfde kleur als de afstandbediening.

“Ik zei toch, vier punt één hoeft ni…”

“Ach mens krijg wat!”

“Laat nou zitten dat lampje, straks brand je je vingers nog!”

Eigenwijs als hij is, pakt hij het lampje vast waarna hij een verwrongen gezicht trekt.

“Ik zei toch…”

De rest van de zin slikt ze wijselijk in. Tussen duim en wijsvinger houdt hij een lampje dat zijn fitting mist. Geamuseerd kijk ik toe hoe de goede oude man zijn vingers nog meer geweld aandoet door de fitting bij zijn scherpe rand vast te pakken om hem uit de houder te peuteren. Ik zwijg, met in mijn achterhoofd een wijze raad van Dr. Gray: Wanneer u een man ongevraagd van advies dient, gaat u er in zijn ogen vanuit dat hij niet weet wat hij doet of dat hij het zelf niet kan. Een man is tevreden wanneer hij een probleem tot in de kleinste details kan oplossen. De grootste angst van een man is dat hij niet goed genoeg of onbekwaam is. Een man gaat langzaam dood als niemand hem nodig heeft.

Zulk een tragedie dient natuurlijk te allen tijde voorkomen te worden, zélfs wanneer dit betekent dat we de rest van het avond in het donker moeten zitten.

[Geluk zit in kleine dingen]

Hoewel de zondag zeker zijn charme heeft, zijn er aan deze dag ook nadelen verbonden. Zo zijn bijvoorbeeld alle nabijgelegen drogisterijen gesloten en laat ik nu precies vandaag heel sterk de behoefte voelen een potje Happy Derm aan te schaffen. U weet wel, dat befaamde goedje van L'Oréal dat een aantal zeer bijzondere ingrediënten bevat. Ik voel me namelijk al geruime tijd ver van fruitig en frivool en kan wel wat welzijnsmoleculen gebruiken. Deze schijnen in dit huideuforiserende smeerseltje met zogenaamde feelgoodtextuur te zitten. Dankzij een formule die de humeurcellen beïnvloedt, kan deze crème het effect dat positieve emoties op de huid hebben nabootsen. Smeerbare antidepressiva. Oja! Ik moet het! Mijn welzijn hangt er vanaf!

Alle gekheid op een tandenstoker, naar aanleiding van de Happy Derm ('voor een gelukkige huid') reclame vraag ik me nu al weken af: wat is in hemelsnaam een welzijnsmolecuul? L'Oréal Nederland bv beweert dat met deze term de werking (dus niet een specifieke molecuul) van de endorfine die in het product verwerkt is omschreven wordt. Is het welzijnsmolecuul een populaire benaming voor β-endorfine of is het een verzinsel, een slimme term die de gedehydrateerde consument moet overhalen zo snel mogelijk de hand op het zoveelste vochtinbrengende product te leggen? Wat moet ik me voorstellen bij een feelgoodtextuur? Wat wordt verstaan onder humeurcellen? En dan nog iets: hoe kan je huid nu in euforische staat verkeren? Ik heb altijd gedacht dat euforie een gemoedstoestand is maar misschien ben ik onvolledig geïnformeerd.

Je ziet zo'n commercial, je denkt "goh, interessant" en vervolgens weet je nog niks, maar je koopt het wel, want hee, welzijnsmoleculen kunnen je leven alleen maar beter maken! Het kost een lieve duit, maar dan heb je ook wat: een potje vol positieve emoties in smeervorm. Het spul breng je aan op de huid, dringt dan door tot de humeurcellen et voila: binnen no time is je huid compleet euforisch en met een blik in de spiegel is je zondag ook weer goed. Sim-pel.

25 januari 2006

[Een kopje koffie]

Dat ik 's ochtends mijn kop versgezette koffie krijg of ik voel de gehele dag een zekere onvolledigheid, onrust. Dat is iets van de laatste jaren, het is er langzaam ingeslopen. Vroeger had ik dat niet, maar toen dronk ik ook nog geen koffie dus daar zou het heel goed aan kunnen liggen. Nu drink ik het graag. Een ochtend zonder koffie kan ik missen als een acute appendicitis. Het liefst heb ik een mok robuuste koffie met een schepje suiker. Een slap bakkie is als een slappe handdruk, dat bevalt me niet. Een dubbele espresso hoeft wat mij betreft ook weer niet, zoals ik er niet van gediend ben wanneer iemand mij de hand tot moes knijpt. Wist u dat de gemiddelde koffiedrinkende Nederlander per jaar zo'n 142 liter koffie naar binnen slurpt? Dat is niet niks.

Koffie, of wat daar soms voor door moest gaan, heb ik leren drinken toen ik nog een ambulant manusje-van-alles van beroep was en tijdens een willekeurige dienst bij gemiddeld twaalf verschillende cliënten langs moest waarvan zeker de helft me niet liet weggaan, of me ook maar een vinger uit liet steken, voordat ik een kopje koffie gedronken had. Omdat ik een beleefd meisje ben, heb ik daar altijd braaf gehoor aan gegeven. Daarbij was het mijn taak de klant binnen de grenzen van mijn moraal en functieprofiel zo tevreden mogelijk te stemmen. Wist u dat men de Arabieren, die reeds in de vijftiende eeuw van dit goedje genoten, als de eerste koffiedrinkers beschouwt? U leert nog eens iets.


Dus dronk ik koffie. Vele liters. Van Euroshopper tot Max Havelaar, van tot vijf keer toe hergebruikte koffieprut tot vers gemalen bonen, van magnetronkoffie tot senseo met een crema laagje. U bedenkt het zo gek niet of ik heb het gehad. De enige keer dat ik vriendelijk bedankt heb, was toen ik mijn mok gevuld zag met eenderde deel slappe koffie, tweederde deel karnemelk en drie eetlepels suiker. Dit verzin ik niet. Ik zou zoiets weerzinwekkends niet kunnen verzinnen als ik het niet met mijn eigen ogen had gadegeslagen. Het deed me walgen. De bewuste koffiebarbaar dronk het echter als ranja en gebruikte hiertoe zelfs een rietje. Geen grap!

Toen ik klein was, voerde mijn opa me wel eens lepeltjes koffie. Wanneer hij op visite was, en dat was bijna dagelijks, zat ik meestal op zijn schoot, weggedoken onder een flap van zijn jasje. Samen doopten we onze koekjes in zijn koffie. Vaak waren dit zandkoekjes met een streepje roze glazuur erop. Er waren ook krakelingen maar die zijn aanzienlijk minder leuk om te dopen. In het gezin waaruit ik kom werd veel gedoopt, en dan bedoel ik niet de Katholieke manier. Vooral mijn vader was een fervent doper. Op zaterdagmiddag doopte hij bijvoorbeeld steevast zijn witte boterham met boter en pindakaas in de thee. Ik vond dat maar raar, bovendien gaf het kruimels in de thee en van kruimels ben ik nooit een groot voorstander geweest. Kom mij dus vooral niet aan met ontbijt op bed want van kruimels in mijn bed word ik kribbig, breng me liever een kop koffie.

Mijn vader is sowieso een rare als het op eetgewoonten aankomt. Hij is zo iemand die sla door zijn bieten met spek husselt en er dan appelmoes overheen strijkt, een boterham met grove mosterd besmeert om er zijn boerenkoolprakkie op te kwakken, het gestolde spekvet van uitgebakken kaantjes op een beschuitje smeert en er vervolgens suiker overheen strooit. Dit laatste moet beter zijn dan kaviaar. Als dat zo is, dan is kaviaar een zwaar overschatte delicatesse. De manier waarop hij zijn koffie blieft is hiermee vergeleken oersaai.

Opa rook naar dingen waarvan ik de lucht slecht verdragen kon en kan, zoals kapot gekookte kapucijners en frituurvet. Maar ook naar dingen waarvan de geuren nog altijd dierbare herinneringen bij me oproepen. Kippenvoer, verse potgrond, veldbloemen, zware Van Nelle shag. En koffie. Opa dronk zijn koffie zoals zoveel mensen met een scheutje melk en twee klontjes suiker, altijd uit een wit kopje met een bruin randje, gekocht in 1986 bij Douwe Egberts in de Wagenstraat te 's Gravenhage. Ik weet dat want ik was er zelf bij. Ontelbare zegeltjes heb ik ervoor moeten plakken. Mijn tong was na afloop buitengewoon moe en gehavend. Maar door het apparaat van mijn ouders zou nooit een andere koffie pruttelen dan die van Douwe en het was niet meer dan normaal dat deze dan ook uit gepast servies genuttigd zou worden.

U begrijpt dat bij mijn ouders thuis de senseo doodgezwegen wordt. Ik vind senso-apparaten al even grote vermaledijde ondingen als afwasmachines. Wij hebben er eentje, een senseo, maar waar het goed voor is? In ieder geval niet voor een kop koffie waarvan je zegt "dat is nou nog eens een lékker bakkie koffie!". Voor dat crema laagje hoef je het ook beslist niet te doen. Ik vrees dat de afwasmachine er binnenkort eveneens gaat komen en laat mij u dit zeggen: dat zal geheel zonder mijn goedkeuring geschieden. Overbodige luxe, dat is wat het is. Mijn opa zei het ook al en dat was een wijs man. De gebruiker zal zich er spoedig van overtuigen niet meer zonder te kunnen maar dergelijke schijnverslavingen zijn voor slampampers. Kent u dat liedje van VOF de Kunst? Ik houd van beschaving, ik wil een keurig nette verslaving en na al die jaren weet ik het wel, dus ik bestel…

24 januari 2006

[Sneeuw]

Ik schrok wakker van een stem die via de wekkerradio een heleboel woorden, waaronder het woord sneeuw, de stilte in tetterde. In een fractie van een seconde zat ik rechtop. Ik sprong mijn bed uit, negeerde de kou en schoof het gordijn open. Sneeuw! De hemel zij geprezen. De wereld is vannacht verdwenen onder een deken van helderwitte, vederzachte sneeuw. Verheugd stak ik mijn nog half van slaap doordrongen hoofd onder de kraan en kleedde me warm aan. Wanneer het in Nederland sneeuwt, moet je geen tijd verspillen en onmiddellijk je kansen waarnemen.

Ik stapte met gesloten ogen de sneeuw in. Het knisperde en kraakte precies zoals ik het wilde. Jammer genoeg lag er niet voldoende om een mieterse sneeuwpop te kunnen bouwen maar aangezien mijn verrukte gezichtsuitdrukking al genoeg verbazing leek te wekken bij de buren die klappertandend de sneeuw van hun autoruiten veegden, was dit misschien maar goed ook.

Vanaf een steiger klonk een luid "Mogguh!" en een hoop gefluit. Twee schilders waren bezig de oude verfresten van een kozijn te schuren. Ik zwaaide en wandelde de wijk uit (fietsen leek me gezien de gladheid iets te riskant) op weg naar mijn werk.

Toen ik weer thuis was, zag ik door mijn raam de schilders nog steeds zwoegen in de kou. De schuurklus was blijkbaar geklaard. Buis voor buis braken zij hun steiger af en de losse onderdelen werden vakkundig op het dak van een busje vastgebonden. Toen de steiger helemaal afgebroken was en de mannen weer met beide voeten in de sneeuw stonden, zag ik hen eerst de buizen tellen en vervolgens peinzend om zich heen kijken.

"Ik zie ik zie wat jullie niet zien" mompelde ik grijnzend. Op het dak van de flat die boven de mannen uit torende, lagen vier lange glimmende buizen...

[En toch doe je het]

De mens streeft naar bevrediging van zijn behoeften maar dikwijls is het juist de aandrang waarvan men het meest geniet. Geloof je het niet? Het is als fisherman’s friend. Of sambal. Toe, neem maar een hap. Even denk je dat het lekker is maar al snel, en reeds te laat, besef je dat je er gruwelijk en genadeloos ingeluisd bent. Het doet pijn!

22 januari 2006

[Schoenmaker blijf bij je leest]

Het moest er natuurlijk een keer van komen en u heeft zonder twijfel het moment af zitten wachten dat ik mezelf van een geweldige stroomstoot zou voorzien. Geen paniek: uit het feit dat ik dit schrijf kunt u concluderen dat het hier niets dodelijks betreft. Ik heb er geen kruimel kaas van gegeten, van zaken die de elektriciteit betreffen. Dat zijn zaken die mij de pet te boven gaan, de spreekwoordelijke variant dan want zelf draag ik geen petten. Heeft u mij recentelijk een pet zien dragen? Dat dacht ik niet. Ik heb daar geen hoofd voor. Ik heb sowieso geen hoofd voor dergelijke accessoires; petten, hoeden, zonnekleppen, mijters, tulbanden, noem het maar op. Geen pan. Een hoofddoekje, daar zou ik me dan nog iets bij kunnen voorstellen maar sinds ik bejaard noch moslima ben en we ook niet meer in de eerste helft van de vorige eeuw leven, wat ik in bepaalde opzichten zeg maar rustig betreurenswaardig vind maar dat is dan weer een heel ander verhaal, zou dat als een tiet op een tafel slaan. Ja. Hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik me er een voorstelling bij kan maken die mij niet op de lachspieren werkt. Die hoofddoek gaat 'm ook niet worden.

Beter had ik een valhelm kunnen dragen. Of het me nu sierde of niet, ik had me op die manier een flinke buil op de knijter kunnen besparen. Maar dat is achteraf gepraat want als hadden komt is hebben geweest en het heeft zoals we allemaal weten geen zin om te jeremiëren om geknoeide melk. Dat vind ik een mooi gezegde, heel treffend. Zelf jammer ik alleen om ongeknoeide melk. Daar heb ik zo mijn redenen voor maar u moet niet denken dat ik die hier zomaar uit de doeken zal doen. Er zijn grenzen.


Een ieder die mij kent weet dat ik soms een klein beetje koppig ben. Dat dit niet geheel los van risico's is, is mij inmiddels welbekend. I walk on the wildside, I laugh in the face of danger: muhahaha! U zou het misschien niet direct achter mij zoeken, maar zo'n dwaas ben ik soms. Dat u die verhouding wel even in ogenschouw neemt. De waarheid gebiedt mij te bekennen dat dit meestal resulteert in wat ik 'mijn mindere momenten' noem maar een mens moet zo nu en dan eens plat op de bek gaan. Dat houdt hem wakker. Dat levert hem een leermoment op en dan kan hij met recht zeggen: "bij Jupiter (of welk belangwekkend figuur dan ook), ik leef!". Mits hij de gevolgen van zijn eigen koppigheid overleeft natuurlijk. Noem het een uitdaging.

De man zou mijn juweeltje van zwart organza wel even op het lichtnet aansluiten. Het ding was me echter dierbaar vanaf het moment dat ik het aanschafte dus dat dacht ik even niet. Met de nadruk op even want ik meen me te herinneren dat ik niet langer dan twee minuten met die lamp op mijn keukentrap gestaan heb. De man deed er niet moeilijk over en gaf de klus gewillig uit handen. Hij is wel zo modern dat hij niet denkt in termen van mannenwerk. Wel in termen van vrouwenwerk. Zijn hart zou er goed voor zijn maar ook hij heeft zijn grenzen en die liggen spijtig genoeg nog vóór het uit eigen beweging kuisen van het toilet of het lappen van de ruiten.

Met de lamp in mijn linkerhand en een schroevendraaier in de rechter beklom ik dapper mijn trappetje. Driemaal is scheepsrecht, zegt men. Eerder had ik al twee flaters geslagen en deze keer was ik vastbesloten de lamp hangend en lichtgevend te krijgen. Als je ergens aan begint, wil het wel eens helpen erop te vertrouwen dat een zekere kans van slagen aanwezig is. Hoe was het ook alweer? Bruin, blauw, zwart, rood. Inprikken en vastdraaien, appeltje eitje. Jaha. Maarrr...

De man stond erbij en keek ernaar en hield zijn kaken op mekaar. In al mijn enthousiasme was ik vergeten eerst de stroom van de draadjes te halen. Ik heb me dat dus altijd afgevraagd, hoe het precies voelt wanneer je een goeie stoot stroom door de kladden gejaagd krijgt. Een verstandig mens staat 's ochtends niet op met het voornemen vandaag eens een auto-elektrocutiesessie uit te voeren in het kader van de ervaringsleer. Zoiets overkomt je bij toeval. Ik noem het nu toeval, je kunt het evenwel een blunder noemen.

Ik weet niet eens wat ik precies deed want zoals ik al schreef, van elektriciteit heb ik een niet noemenswaardige hoeveelheid kennis, maar voordat ik goed en wel kon beseffen wat ik fout deed, schoot er zo'n hoeveelheid elektriciteit door me heen dat ik van schrik een ijzingwekkende gil slaakte en opsprong, mijn kop tegen het plafond stootte en zo de zwaartekracht het nu eenmaal altijd wil wanneer je omhoog springt, donderde ik kort daarop neerwaarts en belandde ik met een smak op de grond en mijn lamp erbij. Schokkend! Maar uiteindelijk is het wel gelukt (de aanhouder wint) en bij deze is de eerste stap richting sfeer in mijn eigen kamertje gezet.

16 januari 2006

[Insomnia]

Mijn slapeloosheid op momenten dat ik haar net even niet kan gebruiken, begint zo langzamerhand onrustbarende vormen aan te nemen. Om een uur ging ik naar bed. Ik was niet moe maar had mezelf wijsgemaakt dat wachten op moeheid me misschien van vlot inslapen mag verzekeren, het is de pest voor een fatsoenlijk slaap-waakritme en laat ik daar nu een ongelooflijk gebrek aan hebben.

Wakker of niet, het was bedtijd dus kroop ik in bed. Even lezen nog. Bewust koos ik voor een boek waar een normaal mens na afloop onmogelijk wakker van kan liggen, tenzij men het boek eerder uitgelezen heeft dan diens ogen de voortdurende onbedwingbare neiging hebben dicht te vallen. Een neiging die zich in mijn geval meestal paraat stelt wanneer het zaak is bij de les te blijven. Het zou wat te ver gaan om het boek opnieuw te lezen, hoewel het idee wel even in me opkwam. Ik deed het niet. Licht uit, ogen dicht, wachten op de zandman.


Die liet op zich wachten, verdomd als het niet waar was. Ik opende mijn ogen om te zien of hij al in mijn slaapvertrek rondhing maar ontwaarde hem niet. Eerder leek het zo te zijn dat de vriezeman zich ergens niet ver van mijn bed verschanste daar ik me plots realiseerde dat ik tot rillens toe verkleumd was. Verdraaid! Mijn extremiteiten hadden zich ongemerkt tot vleeskleurige ijsklompjes getransformeerd. Hoe was het mogelijk? Toegegeven: het is er de tijd van het jaar voor, hartje winter met gemiddelde middagtemperaturen van rond het vriespunt maar het is toch van de zotte dat een mens zelfs gehuld in pyjama, onder twee dikke dekens en met de verwarming op stand drie nog zo moet liggen blauwbekken in bed. Heette dit waden in welvaart dan vond ik het verrekt onaangenaam. Woon je ondanks je parttime baan met karig salaris als een nog niet compleet minvermogend mens in een tamelijk welvarend land, moet je nog afzien. 't Mos nie magge.

Toen ik klaar was met deze overpeinzing, die uiteindelijk tot slaap noch vernieuwende inzichten leidde, zag ik nog steeds de zandman niet. Ik nam slechts het groengelig schijnsel van een klein stukje lichtgevend plastic waar. Dit stukje plastic hing aan een koordje langs de wand en diende ertoe het koordje in het donker moeiteloos te vinden zodat je er door er eenmaal aan te trekken de lichtschakelaar mee kon bedienen. Ik ergerde me eraan dat er geen algemeen beschaafd Nederlands woord bestaat voor zo’n in het donker oplichtend stukje plastic aan een touwtje. Althans, niet dat ik weet. Allicht kon ik de taak op me nemen er een geschikte term voor te bedenken, het is maar niet handig om een object met een woord aan te kunnen duiden, dat scheelt een hoop ellenlange beschrijvingen die een dergelijk woord zouden moeten benaderen. Ik slaagde er nochtans niet in de taak te volbrengen.

Het was inmiddels drie uur, ik had het nog altijd koud en ik was nog altijd klaarwakker. Tot overmaat van ramp moest ik plassen, ik ben naast een opperkoukleum een ontiegelijke zeikerd en dat maakt het hakken van knopen er echt niet gemakkelijk op, laat me u dat verzekeren. Het is watersnoodramp of de bevriezingsdood. Maar u weet wat men zegt, is de blaas vol en de nood hoog, dan houdt men het niet lang meer droog. Nee hoor, dat verzin ik ter plekke. Er valt niettemin wel iets voor te zeggen. Aldus trotseerde ik de vloek van de vriezeman en voorkwam een miniatuurreconstructie van wat ons land in 1953 te verduren heeft gehad.

Het was vier uur, ik had het koud en was klaarwakker. Een goed moment om alvast een boodschappenlijstje op te stellen, mijn schoenen met vochtbestendigheidspray te behandelen, het telefoonnummer van het Diaconessen planbureau op te zoeken en een ontwerp te maken voor een uitnodiging voor het mijlpalenfeest dat ik volgende maand samen met een collegaatje ga geven. Vervolgens viel ik om van slaperigheid, ging ik weer naar bed en sliep ik als een baby.

Dat jok ik. Was het maar zo. Het was vijf uur, ik lag in bed wakker te wezen en staarde naar het plafond. Nog even en het was de moeite niet eens meer te slapen. Was het wellicht ook mogelijk om een moment nergens aan te denken? Ik weet ook wel dat de zandman niet bestaat en dat de vriezeman een Belgenverzinsel is, dat heel hard proberen te slapen juist leidt tot het tegenovergestelde en dat een cafeïnedeprivatie van 24 uur geen garantie is voor een acceptabele nachtrust. Het zou me niet moeten frustreren. Ik beeldde me tegen mijn zin de stem van mijn ex-zielenknijper in. Ontspan. Ontspan. Ontspan.

Ik herinner me dat ik het half zes zag worden en daarna moet ik ingedut zijn. Om kwart voor zeven ging de wekker. Niet mijn wekker want ik heb middagdienst dus theoretisch gezien had ik lekker kunnen uitslapen, maar die van de man. In een fractie van een seconde zette ik me rechtop in bed. Man, opstaan! Plassenwassentandjespoetsen! Vergeet je laptop niet, neem het boodschappenlijstje mee en vergeet onderweg niet de rekeningen naar de bank te brengen. Volgens de man, die als de wekker gaat eerst moet bedenken op welke planeet hij woont en hoe hij ook alweer heet, is het onmogelijk om bij het ontwaken onmiddellijk helder te kunnen denken maar dan kent hij mij nog niet. Dat is een onzin van jewelste.

Het is twee uur 's middags, het zonnetje schijnt, de wereld is in rep en roer en ik moet weldra naar mijn werk. Ik verlang naar mijn bed. Mijn ogen hebben de onbedwingbare neiging dicht te vallen maar juist nu is het zaak bij de les te blijven. Ik kan niet eens beginnen uit te leggen hoe zeer ik naar een kop koffie verlang...

15 januari 2006

[Der hemeldonderweder!]

Sommige mannen... achter het behang ermee! Vooral die van mij. Kan iemand dit exemplaar op komen halen en kooien tot het huis helemaal klaargeklust is? In elk ander geval zal dit laatste namelijk pas met Sint Juttemis een feit zijn.

De afgelopen weken heb ik meer door de vingers gezien dan ik vingers heb en ik voel de moed nu toch langzaam in mijn schoenen sijpelen. Ik lijd aan woonstress. Nog even en het slaat om in een ware woondepressie, om u maar eens met een stukje drama om de oren te slaan. Je hebt van die dagen. De wind zal vast wel een keer draaien en dan kan ik er weer om lachen. Maar nu even niet. Momenteel is woongenot voor mij slechts een tergend hersenspinsel. Een ingebeeld, schijnbaar onverwezenlijkbaar ontwerp van een volmaakte toestand.

Terwijl de man zijn slaapdeprivatie lag in te halen, leefde ik me met roller en kwast uit op een aantal nog te schilderen houtwerk, waaronder de deurposten. Na een week van lamlendigheid mochten de handen wel weer eens uit de mouwen gestoken worden. Eerder dit weekend ging ik naar de zagerij voor hout-op-maat en sloeg ik een ontilbare hoeveelheid plavuizen in, nu was het weer tijd voor binnenhuiswerkzaamheden. Dus. Opschuur, afplak, schilderdeschilder.

Het werd al donker toen de man eenmaal uitgeslapen was. Ik wees hem op de zojuist geschilderde deurposten ("pas op! nat!") en zette er voor de zekerheid de keukentrap voor zodat hij niet per ongeluk de deur dicht zou trekken. Ik lichtte deze actie verbaal toe en was toen klaar om met een gerust hart boodscappen te doen. Zal ik verder gaan of kunt u wel gissen?

Toen ik terug kwam (en ik had al slechte zin omdat iemand zonodig met veel geweld een fiets met kinderzitje bovenop mij moest parkeren en mij zodoende een buitengewoon pijnlijke arm bezorgde), was de deur gesloten. Erger nog: ik kreeg hem niet open. Duwerdeduw, bonkerdebonk, RAM! Die ram deed 't 'm. De deur zwaaide open en daarmee was mijn schilderwerk naar de gallemiezen. De man keek onschuldig op, verklaarde dat hij last ondervonden had van tocht en om die reden had hij mijn dringend verzoek de deur niet te sluiten genegeerd.

Tocht dus. Moeder Maria op een bijzettafel! Wel, had de arme ziel al last van een beetje tocht dan zou hem de wind van voren wel eens des te meer kunnen tegenvallen. Wat had ik hem die graag gegeven maar dan heb ik het weer gedaan he? Ben ik de hysterische huisvrouw. Dat ik niet zo boos hoef te doen want zo erg is het nou ook weer niet. Het slinks omdraaien van de rollen. Nee, dan is het beter te zwijgen.

Achja. Later lachen we erom. Morgen begin ik gewoon weer van voren af aan.

3 januari 2006

[Jezelf uit het niets trekken]

De zon wil niet schijnen en de bui wil niet vallen. Niet denken… ik wil niet denken… ik denk dat ik niet wil denken. Ik moet niet denken dat ik niet wil denken omdat dit weer een gedachte is. Zo komt er nooit een eind aan. De mist eet mijn uitzicht op en brengt me dichter bij mezelf. Als ik toch eens zou kunnen ophouden met denken, dan zou het al een stuk beter gaan. De gedachten strekken zich uit om niet meer te eindigen. In die gedachten zijn onvoltooide woorden, beginnen van zinnen… De gedachte zet zich voort, ik ontrol haar. En elke gedachte hernieuwt mijn bestaan. Ik wil hier niet zijn.