16 januari 2006

[Insomnia]

Mijn slapeloosheid op momenten dat ik haar net even niet kan gebruiken, begint zo langzamerhand onrustbarende vormen aan te nemen. Om een uur ging ik naar bed. Ik was niet moe maar had mezelf wijsgemaakt dat wachten op moeheid me misschien van vlot inslapen mag verzekeren, het is de pest voor een fatsoenlijk slaap-waakritme en laat ik daar nu een ongelooflijk gebrek aan hebben.

Wakker of niet, het was bedtijd dus kroop ik in bed. Even lezen nog. Bewust koos ik voor een boek waar een normaal mens na afloop onmogelijk wakker van kan liggen, tenzij men het boek eerder uitgelezen heeft dan diens ogen de voortdurende onbedwingbare neiging hebben dicht te vallen. Een neiging die zich in mijn geval meestal paraat stelt wanneer het zaak is bij de les te blijven. Het zou wat te ver gaan om het boek opnieuw te lezen, hoewel het idee wel even in me opkwam. Ik deed het niet. Licht uit, ogen dicht, wachten op de zandman.


Die liet op zich wachten, verdomd als het niet waar was. Ik opende mijn ogen om te zien of hij al in mijn slaapvertrek rondhing maar ontwaarde hem niet. Eerder leek het zo te zijn dat de vriezeman zich ergens niet ver van mijn bed verschanste daar ik me plots realiseerde dat ik tot rillens toe verkleumd was. Verdraaid! Mijn extremiteiten hadden zich ongemerkt tot vleeskleurige ijsklompjes getransformeerd. Hoe was het mogelijk? Toegegeven: het is er de tijd van het jaar voor, hartje winter met gemiddelde middagtemperaturen van rond het vriespunt maar het is toch van de zotte dat een mens zelfs gehuld in pyjama, onder twee dikke dekens en met de verwarming op stand drie nog zo moet liggen blauwbekken in bed. Heette dit waden in welvaart dan vond ik het verrekt onaangenaam. Woon je ondanks je parttime baan met karig salaris als een nog niet compleet minvermogend mens in een tamelijk welvarend land, moet je nog afzien. 't Mos nie magge.

Toen ik klaar was met deze overpeinzing, die uiteindelijk tot slaap noch vernieuwende inzichten leidde, zag ik nog steeds de zandman niet. Ik nam slechts het groengelig schijnsel van een klein stukje lichtgevend plastic waar. Dit stukje plastic hing aan een koordje langs de wand en diende ertoe het koordje in het donker moeiteloos te vinden zodat je er door er eenmaal aan te trekken de lichtschakelaar mee kon bedienen. Ik ergerde me eraan dat er geen algemeen beschaafd Nederlands woord bestaat voor zo’n in het donker oplichtend stukje plastic aan een touwtje. Althans, niet dat ik weet. Allicht kon ik de taak op me nemen er een geschikte term voor te bedenken, het is maar niet handig om een object met een woord aan te kunnen duiden, dat scheelt een hoop ellenlange beschrijvingen die een dergelijk woord zouden moeten benaderen. Ik slaagde er nochtans niet in de taak te volbrengen.

Het was inmiddels drie uur, ik had het nog altijd koud en ik was nog altijd klaarwakker. Tot overmaat van ramp moest ik plassen, ik ben naast een opperkoukleum een ontiegelijke zeikerd en dat maakt het hakken van knopen er echt niet gemakkelijk op, laat me u dat verzekeren. Het is watersnoodramp of de bevriezingsdood. Maar u weet wat men zegt, is de blaas vol en de nood hoog, dan houdt men het niet lang meer droog. Nee hoor, dat verzin ik ter plekke. Er valt niettemin wel iets voor te zeggen. Aldus trotseerde ik de vloek van de vriezeman en voorkwam een miniatuurreconstructie van wat ons land in 1953 te verduren heeft gehad.

Het was vier uur, ik had het koud en was klaarwakker. Een goed moment om alvast een boodschappenlijstje op te stellen, mijn schoenen met vochtbestendigheidspray te behandelen, het telefoonnummer van het Diaconessen planbureau op te zoeken en een ontwerp te maken voor een uitnodiging voor het mijlpalenfeest dat ik volgende maand samen met een collegaatje ga geven. Vervolgens viel ik om van slaperigheid, ging ik weer naar bed en sliep ik als een baby.

Dat jok ik. Was het maar zo. Het was vijf uur, ik lag in bed wakker te wezen en staarde naar het plafond. Nog even en het was de moeite niet eens meer te slapen. Was het wellicht ook mogelijk om een moment nergens aan te denken? Ik weet ook wel dat de zandman niet bestaat en dat de vriezeman een Belgenverzinsel is, dat heel hard proberen te slapen juist leidt tot het tegenovergestelde en dat een cafeïnedeprivatie van 24 uur geen garantie is voor een acceptabele nachtrust. Het zou me niet moeten frustreren. Ik beeldde me tegen mijn zin de stem van mijn ex-zielenknijper in. Ontspan. Ontspan. Ontspan.

Ik herinner me dat ik het half zes zag worden en daarna moet ik ingedut zijn. Om kwart voor zeven ging de wekker. Niet mijn wekker want ik heb middagdienst dus theoretisch gezien had ik lekker kunnen uitslapen, maar die van de man. In een fractie van een seconde zette ik me rechtop in bed. Man, opstaan! Plassenwassentandjespoetsen! Vergeet je laptop niet, neem het boodschappenlijstje mee en vergeet onderweg niet de rekeningen naar de bank te brengen. Volgens de man, die als de wekker gaat eerst moet bedenken op welke planeet hij woont en hoe hij ook alweer heet, is het onmogelijk om bij het ontwaken onmiddellijk helder te kunnen denken maar dan kent hij mij nog niet. Dat is een onzin van jewelste.

Het is twee uur 's middags, het zonnetje schijnt, de wereld is in rep en roer en ik moet weldra naar mijn werk. Ik verlang naar mijn bed. Mijn ogen hebben de onbedwingbare neiging dicht te vallen maar juist nu is het zaak bij de les te blijven. Ik kan niet eens beginnen uit te leggen hoe zeer ik naar een kop koffie verlang...

Geen opmerkingen: