28 februari 2010
[Als ik hier druk, doet het daar pijn]
Nee! Denk ik dan. Nee! Nee! en nog eens Nee! Ik accepteer het niet. Liever koppig dan kapot.
Verschillende mensen hebben me het afgelopen jaar aangeraden naar een osteopaat te gaan.
“Een osteopa-haat?” vroeg ik dan, “die doet toch iets met botten?”
Wist ik veel.
Na wat speurwerk ontdekte ik dat osteopaten een soort wonderdokters met gouden handen zijn die wel honderd verschillende chronische klachten kunnen verhelpen. Ook PDS.
Ik las: aan darmklachten liggen vaak verklevingen van ophangstructuren van organen of verminderde aansturing van de darmen door zenuwen vanuit de wervelkolom ten grondslag.
Kleverige ophangstructuren, daar had ik de weledelgeleerde heren doktoren nog nooit over gehoord. Ik had er überhaupt nog nooit van gehoord maar blijkbaar bestaat dat dus en misschien heb ik er wel last van. Er was maar één manier om erachter te komen.
De osteopaat was gelukkig geen oude snorremans met een bril op het puntje van zijn neus en een groot kruis aan de wand achter zich. Daar ben ik altijd bang voor omdat mijn vorige huisarts zo iemand was. Zo’n mannendokter die niks van vrouwendingen snapt. De osteopaat was een jonge vrouw met een vriendelijke uitstraling en een hippe praktijk. En, niet onbelangrijk voor de opperkoukleum die zich al zag vernikkelen zonder kleren, vloerverwarming!
Eerst bespraken we de formulieren die ik van tevoren had ingevuld. Een hele waslijst: welke kinderziektes en vaccinaties, welke operaties en medicijnen, welke therapieën en mijn complete chronologische kwalengeschiedenis. Een half uur later moest ik me uitkleden.
Wat ongemakkelijk ging ik voor de osteopaat staan. ‘Ongemakkelijk’ omdat ik het idee had dat ik een bepaalde pose moest aannemen waarin ik eruit zag alsof ik het doodnormaal vond om me door een vreemde te laten observeren in mijn blote ondergoed. Eigenlijk had ik er helemaal geen probleem mee maar ik was bang dat zij zou denken dat het wel zo was dus ik wilde het tegenovergestelde uitstralen maar omdat ik niet zeker wist hoe ik dat moest doen, zag het er alsnog ongemakkelijk uit. Vandaar. In mijn hoofd bevinden zich rare kronkels.
“Tjee, jij bent niet echt symmetrisch hè?”
Nope. Ik had haar al gewaarschuwd. Mijn ene been is korter dan mijn andere been, daardoor staat mijn ene heup lager en mijn ribbenkas heeft ook een architect van likmevestje gehad.
“Naar voren bukken, naar achteren strekken, naar links, en nu naar rechts en kom maar weer rechtop staan.”
Ditzelfde ritueel moest ik zittend op mijn knieën herhalen en daarna zittend op een bankje. De osteopaat schudde me aan mijn schouders heen en weer en zette streepjes langs mijn wervelkolom. Toen moest ik op mijn buik liggen en vervolgens op mijn rug om mijn benen alle mogelijke kanten op te duwen. Ik stond versteld van mijn eigen lenigheid.
Het laatste onderdeel was het meest vreemde. Eerst begon ze me op allerlei plekken te knijpen en moest ik de pijn een cijfer geven. Daarna duwde ze op mijn ingewanden, naast mijn ingewanden en onder (ja echt! Ze schepte met haar hand als een soort lepeltje zo alles omhoog!) mijn ingewanden. Daarmee was het onderzoek klaar.
“En?” vroeg ik vol spanning. Ik kon me niet voorstellen dat ze naar aanleiding van dit alles iets bijzonders en, nog belangrijker, iets behandelbaars had gevonden maar ik was reuze benieuwd.
“Nou, kort samengevat: het sigmoideum zit vast en je linkereierstok ook. Je bekken, je heiligbeen en je onderste lendenwervel staan scheef. De zenuwen die op dit punt de wervelkolom in gaan worden belemmerd.”
Ik keek haar met grote ogen aan.
“En mijn ophangstructuren dan? En de verklevingen?”
De osteopaat lachte. “Ik ga eerst je organen vrij maken, dan kijken we naar de rest.”
“Dus ehm, het kan zomaar zo zijn dat je mijn klachten kan laten verdwijnen?” vroeg ik.
“Ik ga mijn best voor je doen, bij het grootste deel van de patiënten behaal ik zeer positieve resultaten. Je mag je weer aankleden hoor.”
Ondanks het beurse gevoel in mijn buik liep ik tevreden naar buiten. Wat nou 'leer er maar mee leven'? Wat zou ik tegen de dokter zeggen als ik hem weer zie? Die trekt mijn bezoek aan de osteopaat vast meteen in twijfel. Maar ik ben nu eenmaal koppig. Daar moet híj maar mee leren leven.
19 februari 2010
[Kwaad bloed op de prikpoli]
Het voornaamste symptoom was buikpijn. What else is new zou je denken, want ik heb chronisch buikpijn. Dat komt door mijn prikkelbare darm. Wist je trouwens dat ‘darm’ een Leids scheldwoord is? Betekent ellendeling. Goed verzonnen. Mijn darmen zijn namelijk ook ellendelingen. Anyway, dit was dus andere buikpijn. Bovendien had ik verhoging, rugpijn en moest ik nóg vaker plassen dan gewoonlijk (mijn OVA noemt me niet voor niets ‘zeikwijf’ wanneer ik ’s nachts voor de vijfde keer onder de dekens vandaan kruip om naar het toilet te sluipen). Ik moest maar even een plasje langs brengen.
Okidoki.
De assistente goot mijn plasje in een kleine centrifuge. Omdat de dokter het zekere voor het onzekere wilde nemen, bevoelde hij mijn darmen, maakte hij een uitstrijkje, beval de assistente een zwangerschapstest te doen en stuurde hij me ook nog even langs de prikpoli waar ik een paar buisjes bloed moest laten aftappen.
“Waarom moet dat allemaal?” vroeg ik argwanend.
“Voor de zekerheid” zei de dokter.
“Welke zekerheid?” vroeg ik.
“Dat er niets ernstigs aan de hand is” zei de dokter.
“Denkt u dat dan?” vroeg ik angstig.
De dokter schudde zijn hoofd en lachte. Hij legde uit dat dit ‘gewoon beleid’ was. Ik legde hem uit dat ik ‘gewoon blaasontsteking’ had. En toch moest ik bloed laten prikken.
Ik strekte mijn arm, de naald ging erin maar het bloed bleef weg.
“Maak eens een vuist” zei de assistente.
Er kwam geen bloed. De assistente klopte met vlakke hand op mijn arm.
“Nou, het wil niet echt stromen hè, dat bloed van jou, even een nieuwe naald proberen.”
Dat heb ik weer. Bloed dat banger is voor de naald dan ikzelf.
De assistente prikte de naald in mijn arm en wachtte maar er gebeurde niets. Ik raakte een beetje geïrriteerd. Wist ze eigenlijk wel waar ze mee bezig was?
“Hm” deed de assistente en begon vervolgens in mijn arm te knijpen.
“Hee!” riep ik, want dat deed zeer.
“Sorry” zei de assistente “soms moet je het bloed een beetje op gang helpen.”
Er gebeurde nog steeds niets.
“Eh, ik heb er natuurlijk geen verstand van” stamelde ik “maar zit ‘ie er wel goed in? Die naald bedoel ik, in de ader.”
“Ja natuurlijk” snauwde de assistente nu, alsof ik zojuist de allerstomste vraag ooit gesteld had en haar ernstig beledigde.
Ik had beter mijn mond kunnen houden. Ze wrikte met de naald heen en weer (auw!), kneep nog eens in mijn arm en toen rolden er drie zielige druppeltjes bloed in het buisje.
“Hm” deed de assistente weer “dat is veel te weinig, je zult wel dik bloed hebben, ik probeer nog een nieuwe naald.”
Welja joh. Tuurlijk. Eerst heb ik bang bloed en nou heb ik weer dik bloed. Nog even en mijn bloed begint te koken! Zou jij niet eens teruggaan naar de prikacademie?
De derde naald ging godzijdank recht mijn ader in. Het buisje stroomde in één keer vol en na drie buisjes was ’t klaar. Mijn arm dacht daar helaas anders over want de naald was eruit maar het bloed bleef als een gek stromen.
“Hm” deed de assistente. Ze deed er een gaasje, een dot watten en een paar pleisters op.
“’t Zal misschien een beetje blauw worden” waarschuwde ze.
Daar twijfelde ik niet aan. Ik maakte me wel een beetje zorgen om mijn plasje, want dit zelfde wicht bediende ook de plascentrifuge.
“Mevrouw!”
Dat was tegen mij. Eindelijk.
“En wat luidt het oordeel? Blaasontsteking zeker hè? Ik zei het toch. Al dat gedoe, geef me dat receptje maar dan heb je van mij geen last meer.”
“Ehh…” zei de assistente.
“Wat, het is toch blaasontsteking? Toch?”
“U bent zwanger.”
Mijn hart schoot spontaan in mijn keel waardoor ik me verslikte en pas na een heftige hoestbui uit kon roepen “Ik ben WAT?!!”
Op dat moment kwam er een andere assistent tevoorschijn met een stapel briefjes. Met het bovenste briefje wapperde hij voor de neus van het wicht en legde het toen op de balie.
“Sorry hoor, mijn collega had het verkeerde potje te pakken. Hier is uw resultaat. Blaasontsteking, vervelend, ik schrijf even een receptje.”
De woorden van de het wicht herhaalden zich in mijn gedachten.
Soms moet je het bloed een beetje op gang helpen.
Maak eens een vuist.
Dus ik balde mijn vuist en sloeg haar in één formidabele klap een bloedneus. Beng!
Nee hoor. Maar geloof me, ik had het met alle plezier gedaan. En dan had ik gewoon mijn zwangerschapshormonen de schuld gegeven.
17 januari 2010
[Happy pills]
2. Er bestaat geen medicijn tegen
3. Het gaat nooit meer over
Dat was de korte samenvatting die de dokter gaf nadat hij mijn pijnklachten een naam had gegeven: het prikkelbare darmsyndroom. Ik was negenentwintig jaar, ontelbare artsen, specialisten, therapeuten, psychologen en zelfs een Chinese kruidendokter, tientallen onderzoeken, gesprekken, therapieën, pillen, poeders en drankjes verder. Om uiteindelijk dit te horen te krijgen.
“Maar…” zei de dokter “je kunt er honderd mee worden hoor!”
Toen ik thuis kwam en zijn woorden tot me doordrongen, barstte ik in tranen uit. Pijn, dag in dag uit. Altijd pijn. Zo heftig dat ik gillend tegen de muur op ren. Ik héb geen pijn, ik bén de pijn. Het beheerst mijn leven. Ik slaap niet, ik kan alleen maar liggen en huilen. Omdat het zeer doet, omdat ik niet meer normaal kan functioneren, omdat het me frustreert, omdat ik kwaad ben op mijn lijf. Ziedend!
Ik wilde hier geen honderd mee worden. Sterker nog, als dit de rest van mijn leven zo door zou gaan dan hoopte ik dat het snel voorbij zou zijn. En dat was voor mijn OVA de druppel. Hij sleurde me mee naar de huisarts en dwong me met hem te praten. Mijn OVA wil namelijk heel graag honderd met mij worden.
“Waar kan ik je mee helpen?” vroeg de dokter vriendelijk.
Ik zei niks omdat druk bezig was mijn tranen weg te slikken.
“Wat zijn de klachten?” vroeg de dokter door.
“Het... eh... gaat niet zo goed...” piepte ik.
“Dat zie ik” zei de dokter rustig “maar je moet me wel precies vertellen wat er niet zo goed gaat.”
Na drie keer slikken en een diepe ademteug kwam het verhaal met horten en stoten naar buiten. Mijn OVA hield mijn hand vast. De dokter humde en knikte. Toen deed hij iets wat geen enkele andere arts ooit gedaan had: hij erkende mijn gevoel. En dat niet alleen, hij gaf me een optie. Niet 'leer er maar mee leven' of 'je kunt er honderd mee worden' maar 'we gaan er iets aan doen'. Wel heb je ooit...
“Het straalt aan alle kanten van je af” zei de dokter rustig. “Je ziet er zo intens ongelukkig uit” vervolgde hij “en al die pijn en dat verdriet is dodelijk vermoeiend hè?”
Ik knikte.
“Ik kan me voorstellen dat het zo niet langer gaat.”
Ik knikte nog een keer.
“Hoe sta je tegenover antidepressiva?”
Zo hee. Wat moest ik daar nou op zeggen? Ik heb depressieve cliënten gehad, depressieve vrienden, een depressief broertje. Kennelijk was het nu mijn beurt. En het enige dat ik wilde was beter worden. Mijn buik de baas zijn. Slapen. Energie. Zin in mijn leven. Dus ik knikte maar weer.
“Ok” zei ik “ik probeer het.”
Ik slik de pillen nu twee maanden. De pijn is er nog maar er is een wereld voor me open gegaan. Geen huilbuien en stemmingswisselingen meer. Rust in mijn hoofd. Geen paniekaanvallen meer. En ik slaap! Ik heb het gevoel dat ik tien jaar slaaptekort aan het inhalen ben. Heerlijk!
Eigenlijk moet ik blij zijn met deze depressie.
Ik heb me in tijden niet zo goed gevoeld.
18 juni 2008
[The sky then breaks up into different shapes]
I woke up and instantly regretted it.
4 juni 2008
[Scheiss Tiere!]
Hallo dan. Sommige mensen vallen ten prooi aan nietmachines (don't ask, ik was het niet). Kan ons allemaal gebeuren. Ik weet niet precies waar ik afgelopen weekend door aangevallen ben maar het was waarschijnlijk een Duitse sluipvlieg die er nog niet van op de hoogte gesteld was dat de oorlog voorbij is en het nodig vond om zijn zaagkaken in een mogelijk vijandig doelwit, zijnde mijn lijf, te zetten. Een Brems die heel niet wist waar de rem zat. Heel fijn.
Loving nature doesn’t mean it’ll love you back. Mijn OVA’s mama is 76 geworden. Een hele leeftijd die helaas de nodige gebreken met zich meebrengt. Omdat ze in haar eentje niet veel meer uitstapjes maakt dan naar de winkel, het ziekenhuis of de kerk, besloten we haar uit wandelen te nemen in het bos waar ze vroeger vaak kwam om daarna in een oude molen een hapje te eten. Schnitzel, jah. En ijsjes. Mijn OVA had goede zin, zijn mama straalde van geluk en het was prachtig weer. Zo mooi om te zien hoe ze samen hand in hand liepen te keuvelen en herinneringen ophaalden. Beetje jammer dus dat ik zelf in een half uur tijd ongeveer vijfentachtigduizend keer moest niezen, mijn ogen nog net niet uit de kassen plopten van de jeuk, zich allerhande bronchiospastische benauwdheidstoestanden voordeden en mijn neus niet meer zonder zakdoek kon. Hooikoorts en niet zo’n beetje ook. Natuurlijk had ik wel door dat er allerlei ongedierte om me heen zoemde maar ik had het te druk met sniffen en snuiten om die ellendelingen van me af te slaan. Zodoende het bijtincident.
Begon met twee jeukplekjes die 's avonds begonnen op te zwellen. De volgende ochtend waren die plekjes uitgegroeid tot twee enorme keiharde gezwellen die in de loop van de dag vuurrood werden en behoorlijk zeer deden. Aan het eind van de dag kon ik mijn arm en been niet meer buigen en waren de ledematen twee keer zo dik als normaal. Ik had geprobeerd: koude kompressen, prrrikweg, antihistamine. Hielp niks. Misschien toch maar even naar de dokter.
"Wat is er loos?"
"Ik heb een wat uit de kluiten gewassen muggenbult ofzo. Twee stuks zelfs."
Ik wees. De dokter keek, schrok zich kapot (hij keek alsof ik de builenpest had – uncleeaaan! – noujazeg) en verklaarde mijn omschrijving tot understatement van het jaar. Had 'ie nog nooit gezien. Toen ik zei dat ik morgennacht naar Turkije ga, raakte hij half in paniek (altijd geruststellend). Turkse artsen, dat moest ik niet willen. Mijn idee.
Diagnose: heftige allergische reactie met een infectie er bovenop (dat monster had met zijn ongeschrobde bakkes een hap uit mijn arm en been geknaagd). Ik ga niet dood maar amputaties zijn onvermijdelijk. Grapje. Actie: ontstekingsremmende zalf en een stootkuur van corticosteroïdenhormonen. Morgen terug komen voor verdere inspectie en antibiotica. Ik mocht blij zijn dat ik niet recht in een ader gebeten was want dat had ik waarschijnlijk niet kunnen navertellen. Weet ik dat ook weer.
Maargoed. Woensdagnacht met de Angels naar Konstantinopel. Gezwellen of niet, ik ben d'r klaar voor. Hammam; here we come!
5 maart 2008
[Vreemdspraak]
Ik heb de behoefte noch ambitie om me die taal eigen te maken maar ik mag toch hopen dat ik het eens leer verstaan – wel zo handig. Maargoed, dan kom je als Leidse bij je toekomstige Limburgse huisarts en wat is het eerste dat de beste man in zijn beste Hollands vraagt: “spreek je eigenlijk Nederlands?”. Nee, Swahili, nou goed (okay, gezien de demografische samenstelling van de leefomgeving van mijn OVA zou ik zeggen: had gekund, maar come on, daar zou mijn OVA toch zeker niet mee aan komen zetten).
Dat van die dokter was mijn OVA’s idee. Zelf ben ik meer van het type eerst de dood in de ogen kijken en als het dan nog niet te laat is de dokter. Not where he comes from. Mijn OVA is erg zorgzaam en stond op een totale up check. Ik had een pijnlijk pijntje, precies hetzelfde pijntje waarvan ik vorig jaar dacht dat het op een overspannen darm wees maar dat bleek een verwaarloosde urineweginfectie te zijn. Ik legde dus mijn vermoeden van een blaasontsteking op het bureau van de dokter van mijn OVA.
De dokter vond dat ik een overspannen blinde darm had, maar geen zorgen, daar kon ik honderd mee worden. Nou, dan is het goed. Voor de zekerheid toch even in een döppe pisse en wat bleek? Blaosóntsjtaeking. Tegen de tijd dat ik dat woord vloeiend mijn strot uit krijg zal ik er wel van genezen zijn.
12 januari 2008
[Breedspraak, terug naar fit]
Het was tijd om de lamlendigheid overboord te zetten en genadeloos te kielhalen. Mijn slapeloze nachten konden niet langer het excuus vormen voor absenteïsme. Ik nam nog twee pijnstillers en schonk mezelf wat vloeibare okidokine in. Ik schoof de krik onder mijn gemoed om het in opwaartse richting te doen bewegen. Tijdens de koffie las ik mijn horoscoop, welke me vandaag van een welkome schop onder mijn kont bediende: haast je naar de sportschool! Lekker verhaal, dacht ik nog, alsof ik dat niet allang van plan was. Zij het schoorvoetend. Maar het is altijd fijn als de sterren het met je eens zijn. Zelfs al hebben zij andere motieven dan ik.
“Ga sporten om je overtollige energie kwijt te raken” stond er. Had ik die dan? Soms weten de sterren meer dan ik. Echter, volgens mij bedoelden ze massa. Daar kan ik in bepaalde zones feitelijk wel iets van missen. Hoe dan ook, na vijf weken vol smoezen om mijn verstek te rechtvaardigen (gekneusde hand, de hort op, feestdagen, mijn sportmaatje is hem gesmeerd naar Canada, migraine, spontane drempelvrees) moest het er inderdaad maar weer eens van komen. Al was het maar om mijn vermoeidheid het hoofd over de kling te jagen zodat ik eindelijk een nacht fatsoenlijk zou slapen. Ik had totaal geen zin. Maar ik moest.
Vooruit – ik heb een kontcomplex. Wat had je gewild? Ik ben een vrouw. Noem me een vrouw die geen complex heeft. Daaraan ondergeschikt lijd ik aan een dijcomplex. Ga met mij voor de pret eens de stad in om de perfect passende broek te vinden en je zult begrijpen hoe ik eraan kom. Schuld van ‘de mode’. Maar geen man overboord, met een BMI van 21 is er geen reden tot bezorgdheid, al kan ik gezien de gemiddelde omvang van mijn familieleden wel begrijpen hoe ze aan haar malle idee gekomen is. Mocht de ramp van ’53 zich ooit herhalen dan is er in ieder geval één familie die gegarandeerd blijft drijven op lichaamseigen zwembandjes: de mijne. Eventueel ook dijken mee te verzwaren of gaten mee te dichten.
De mams opperde samen boodschappen doen. Nu moet u weten dat de mams de kunst van het overdrijven als geen ander beheerst. Het komt meestal hierop neer dat zij van alles in mijn karretje deponeert wat ik er dan weer zo onopvallend mogelijk uit haal en terug in het schap frommel. En neem nu kleding. De mams sleurde me een boetiekje in en dwong me een jurkje te passen. Ik verzoop in een S. “Vast verkeerd gelabeld”, merkte ik schouderophalend op. De mams kwam met een trui aan. Zo’n heupmodel. Vreselijke dingen maar ‘de mode’ is nu eenmaal onverbiddelijk. Toch vind ik dat je geen dingen moet dragen die zowel kont als heupen als buik accentueren, tenzij je van het type strijkplank met borsten bent. “En wat ben jij dan wel niet?” sprak de mams verontwaardigd. “Als jij nog één gram vet verliest verklaar ik je anorectisch, hoor je me?” De kunst van het overdrijven dus.
Ik griste mijn sportkleding bij elkaar en stopte deze in mijn tas. “Zo en doe me nou maar een paar van die mokkabonen want van al deze inspanning zou ik nog afvallen. Daarmee maak ik natuurlijk geen indruk op de vijand.” Eerst nordic walking en nou dit weer. Grootheidswaan. Even uit het raam kijken of er in plaats van een Citroên een glimmende Porsche op de parkeerplaats stond. Gelukkig – (nog) geen midlife crisis. “Geen tijd!” riep ik, terwijl ik de ouwe lui de deur uit werkte. “Een tompouce dan?” probeerde de paps nog. “Geen sprake van! Ik ga me breed maken en zal ‘ze’ wel eens even laten zien wat een Hoogeveen in huis heeft.” Terwijl ik de mams een kus gaf, kreeg ik een knipoog van mij pa, die een ‘that’s my girl’ bakkes trok. Het mag dan een kerel zijn, hij blijkt keer op keer meer kaas van vrouwenkronkels gegeten te hebben dan je zou vermoeden en bezit de gave me op unieke en ludieke wijze te motiveren precies dat te doen waar ik het meest tegenop zie.
11 januari 2008
3 december 2006
[All we know is: she isn't called the Stig]
Dan is het dus niet gaaf als de vlaggenman voor je voorganger's neus als een idioot met een blauw vlaggetje (pas op u wordt ingehaald) staat te zwiepen en die voorganger gaat niet aan de kant. En dat hij dan de binnenbocht neemt in plaats van de afgesproken buitenbocht. En dat hij net wanneer ik hem dan maar links wil passeren besluit om tóch die buitenbocht te nemen. Op zo'n krap stukje is uitwijken niet mogelijk en van een remweg van een halve meter is al evenmin sprake, al stamp je nog zo hard op het rempedaal.
Zo belandde ik dus met een formidabele smak frontaal tegen een muur. Spectaculair! Die muur was hard en gaf geen millimeter mee. Boem is ho zeggen ze dan. Dit is heel geen botsauto.
De oranje zwaailichten gingen aan (zelf zag ik de eerste vijf minuten alleen maar sterretjes) en er kwam een mannetje in een overall aangerend. Of het wel ging, vroeg hij. "Nou nee" piepte ik. Ik voelde me net een levende Picasso, alsof niets meer op de goede plaats zat en iemand zojuist geprobeerd had mijn nek- en ruggewervels als trekzak te gebruiken. Ik had overal pijn en kon me niet bewegen.
"Ik wil mijn helm af" jammerde ik toen ik weer een beetje bij mijn positieven was, maar dat mocht niet. Ik moest stil zitten en op de hulptroepen wachten, die zouden zo nodig een ambulance bellen. Bij het woord ambulance kreeg ik zowat een zenuwinzinking. Ik begon uit alle macht met mijn tenen te wiebelen en stak mijn duim op om te bewijzen dat ik het nog deed en dat een ambulance dus volstrekt niet nodig was. Dat ik de rest van mijn lichaam zo gauw niet uit de kreukels kreeg en ik door twee man sterk uit mijn kart gehesen en van het circuit gedragen moest worden, deed er niet toe.
Een kwartier op het kneuzenbankje en een glaasje water later was ik weer in staat om piepend en krakend overeind te krabbelen. Vermoedelijk houd ik nog wel even last van geklutste hersenen, ben ik nog zeker een week zo stijf als een plank en zal ik elke beweging (voor zover ik kan bewegen) voelen. Maar zodra ik me beter voel, ga ik terug want als troost kreeg ik twee cadeaubonnen voor gratis racen.
Poe hee. Nou. Kom maar op met die vooroordelen over vrouwen achter het stuur, ik kan je nu toch niks maken. Zul je zien. Sta je je eerst een soort van flink te voelen als enige vrouw tussen al die snelle jongens, kun je een half uur later met het schaamrood op je wangen (toch nog een voordeel van de helm) van de baan gesjouwd worden. Wat een flater. Maar! Ondanks de megaklapper was ik niet de traagste van de heat (dat was mijn voorganger, die ik bij deze even hatelijk wil bedanken voor zijn rijgedrag).
Tijgerbalsem is sadistenpasta. And on that bombshell zeg ik goedenacht.
8 september 2006
[Een wit voetje en een bijna blonde god]
Of ik tegen de operatie op zag, vroeg mijn collega. Nou nee, het kon me eerlijk gezegd niet snel genoeg gebeuren en erger dan de vorige keer, toen de verdoving niet bleek te werken en men dit pas ontdekte op het moment dat het scalpel in mijn voet gestoken werd en de orthopeed nog net niet richting de kaakdokter hoefde, zou het naar alle waarschijnlijkheid niet worden. Wat me wel enige zorg baarde was het feit dat mijn voordeur alleen te bereiken is via het trappenhuis en waar traplopen normaal gesproken geen punt is, wordt dat met een net geopereerde voet toch wat lastig.
Maar daar heb je toch dat reuze handige set krukken voor? Welzeker heb ik dat. Ik kan ze alleen niet gebruiken wegens een stukke schouder waarin ik bij de geringste vorm van kracht zetten vreselijk veel pijn heb. Was het één trap geweest dan had ik de kiezen wel even op elkaar geklemd maar om bijna zestig keer mijn eigen lichaamsgewicht met één arm omhoog te kunnen duwen moet ik toch echt nog even iets meer spierbal kweken.
Of ik dan niet tijdelijk mijn onderkomen zou kunnen vinden in een traploze residentie. Over die kwestie had ik mij al gebogen en het enige begane grondgebied waar ik naartoe had gekund en gewild, namelijk mijn ouderlijk huis, is reeds geclaimd door een familielid in acute nood waarvoor men zelfs broerlief tijdelijk bij zijn vriendinnetje geparkeerd heeft. Voordat ik ook maar kon protesteren sprong de collega op. Even een telefoontje plegen, zo terug. Ze kwam inderdaad snel terug en duwde me een briefje met daarop een naam en een telefoonnummer in mijn handen. Bel zodra je klaar bent dit nummer dan komt hij meteen jouw kant op om je persoonlijk die zeven trappen op te dragen, service desgewenst tot aan het bed.
Nu heeft mijn collega recentelijk beweerd het wel leuk te vinden dat ik niet helemaal normaal ben, wat ik toen maar als compliment opvatte, maar nu begon ik me toch echt af te vragen of zij zelf wel helemaal fris tussen de oren was. Een blonde god, een fanatiek fitnessend filosoof en voormalig verhuizer die ik nog nooit gezien had, was na één telefoontje bereid een wildvreemde op zijn rug te hijsen en naar de bovenste verdieping van mijn flatgebouw te torsen. Laat één ding bij deze heel duidelijk zijn: er zijn gekkere figuren dan ik.
In het ziekenhuis was het bijzonder saai. Je moet daar op alles wachten (behalve op de koffie), vooral dingen die dringend zijn. Zo is het niet gaaf om bijna drie kwartier te moeten wachten op iemand die jou toestemming geeft je bed te verlaten om te gaan plassen terwijl je al drie keer de noodknop hebt ingedrukt. De ervaring leert dat het beter werkt om gewoon heel hard te schreeuwen, hoewel dat ook weer niet voor elke situatie geldt. Op de platspuitafdeling kwam ik naast een razende bejaarde maniak te liggen die de hele derde verdieping bij elkaar schreeuwde, als ze hem nou godgloeiendegodver nog één spuit gaven zou hij de plietsie bellen.
Dat had ik wel mee willen maken maar er kwam een groen mannetje met een dikke stift een soort van schatkaart op mijn been tekenen. De ok-assistent vertelde me dat ik de laatste patiënt was en stond zichtbaar te popelen om naar huis te kunnen, waarop ik antwoordde dat zij het vooral uit haar hoofd moest laten de klus even snel af te raffelen. Als blikken konden doden had ik de ok niet levend verlaten. Nog steeds geen greintje humor daar.
Ik verzocht de chirurg vriendelijk van tevoren te controleren of de verdoving wel werkte, waarop de sadist keihard in mijn voet kneep op een plek die niet verdoofd was, precies daar waar mijn bot eerder doormidden gecirkelzaagd was en de schroef de boel al die tijd bij elkaar gehouden had. Alsof die spuiten nog niet gemeen genoeg waren geweest. Toen zette hij het mes in mijn voet, greep de schroevendraaier, kneep mijn voet nog wat verder tot moes en voelde ik slag voor slag hoe de schroef uit mijn voet kwam. Kennelijk was de binnenkant van mijn voet minder verdoofbaar dan de huid eromheen. Omdat de platspuitkamer vol was, werd ik in de gang geparkeerd en daar lag ik dan met mijn malle groene mutsje en een schroef in een potje als trofee voor mijn dapperheid.
Wat was ik blij dat ik na wachten, wachten en nog eens wachten eindelijk mijn ontslagformulier overhandigd kreeg. Ik kreeg een doe-het-zelf verbandpakketje mee naar huis, de pijnstillers sloeg ik af want ik houd niet van pillen slikken. In de auto dacht ik ineens weer aan de blonde god. Zou ik hem bellen? Met de pijn viel het op zich wel mee, de krukken had ik ingeruild voor een rolstoel waarmee ik het tot de deur wel zou redden en van de verpleegster mocht ik gewoon op mijn hiel steunen zolang de pijn draaglijk was. Ik had al een fles wijn en een doos chocolaatjes gekocht bij wijze van bedankje maar ik werd geplaagd door een hardnekkig mentaal plaatje van mij angstvallig vastgeklampt aan de brede torso van een knappe blonde spierbundel (ik heb achterop-angst en hoogtevrees) en op de een of andere manier begon de hele situatie toch een tikkeltje gênant aan te voelen.
Ik besloot de klim uiteindelijk toch maar zelfstandig aan te gaan met één goed been, één goede arm en op hoop van zege. Dan maar geen blonde god. Ik heb hem nog wel even opgebeld om hem te zeggen dat ik zijn gebaar bijzonder op prijs stelde maar dat het me wegens het onverwacht dermate voorspoedige verloop van de hele voetentoestand niet nodig leek dat hij zijn rug voor mij op het spel zette. Hij klonk zowaar een beetje teleurgesteld... Misschien dat ik hem zodra ik weer mobiel ben toch die fles wijn en snoepjes nog even breng, gewoon omdat ik vind dat dit soort onbaatzuchtige gestes een beloning waard zijn. Maar nu eerst het pootje omhoog en hersteltijd uitzitten.
8 maart 2006
[Opgehokte kippen vervelen zich te pletter]
Ik had mezelf die dag al drie keer verkleed wegens lekke poriën en het logische gevolg hierop, te weten uitwringbare kleding. Daar viel dus met de beste wil van de wereld niet tegenop te drinken. Een geheel nieuwe ervaring voor de opperkoukleum. Ik zou het bijna koukleumschennis noemen zoals ik daar ineens de stoomketel lag uit te hangen, hoewel je het dan wel weer heel snel steenkoud krijgt wanneer je met je klamme goed aan tussen je klamme lakens vandaan kruipt. En waar snak je dan naar? Exact: een hete douche. De ziekte uit je lamme lijf stomen en de bacillen van je gloeiende huid schrobben. Het laatste waar je dan op zit te wachten? Juist: een stukke thermostaatkraan en vele liters ijskoud water. Ja lieve mensen, het is weer afzien in de Mozartstraat. En dan word je ook nog geacht een leuk verhaaltje te schrijven.
Ik voelde me niet optimaal toen ik naar mijn werk ging, maar was ervan overtuigd dat dat kwam doordat men mij gedwongen had op een absurd vroeg tijdstip van de partij te zijn bij een 'pittige training' plus het feit dat men mij op dit onbetamelijke tijdstip de al even onbetamelijke vraag 'wil je straks bij de lunch een kroket of liever een kaassoufflé?' durfde te stellen. Om acht uur 's ochtends staat mijn hoofd dus niet naar kroketten en pittige trainingen. Even doorbijten leek me de beste oplossing. En veel koffie natuurlijk, om het wakker worden te bevorderen.
Maar na twee uur stond mijn hoofd nog steeds niet naar kroketten. Na de eerste helft van de pittige training, waarbij het met de stem nabootsen van Caribische muziekinstrumenten en het doen van tamelijk aparte dansjes een verplicht onderdeel was, kreeg ik verhoging. Ik dacht dat het de opwinding was. Ik kon niet ziek worden want ik was net ziek geweest. Ik was de dag ervoor bij de bedrijfsarts op bezoek geweest die me op een briefje mee naar huis gaf dat er 'voor de komende periode geen risico op verhoogd verzuim' bestaat. Dan is het vanzelfsprekend niet zo netjes om de volgende dag op je werk doodleuk het tegendeel te gaan liggen bewijzen, vond ik. Dus ik maalde met mijn verstand op nul die kleffe kroket weg, haalde diep adem en hoestte er onwaarschijnlijk luid op los. Dat had ik al als slecht voorteken kunnen interpreteren, ware het niet dat door mijn geblaf de optimist in mij ontwaakte. En dat terwijl ik de pittige trainster net duidelijk had geprobeerd te maken dat ik beter ben in radicaal realisme dan in romantiek. Timing.
Bij 38 graden dacht ik, oké, ik ben dus best wel verkouden. Bij 39 graden dacht ik, ik ben misschien toch een soort van… ziek. Toen mijn lichaamstemperatuur nóg hoger werd dacht ik dat ik dood ging. Vooruit, laat mij ook eens dramatisch doen. De laatste restjes buikgriep hadden mijn lichaam nog niet goed en wel verlaten of de volgende kwaal diende zich aan en ik kon wederom de huisarts raadplegen. Ik ben een ziekelijk tiepje. Altijd al geweest. Dat er voor mij in deze tijd van allerhande epidemieën nog geen ophokplicht bestaat is ronduit opmerkelijk. Vroeger was ik al zo'n kind dat bijvoorbeeld niet gewoon één, maar twee keer de waterpokken kreeg. Het is in de wereld oneerlijk verdeeld. Dat ik op de basisschool niet het kneusje van de klas was, heb ik enkel en alleen te danken aan mijn hyperastmatische klasgenootje Muis, die na het beklimmen van de drie reusachtige trappen in ons monumentale schoolgebouw steevast over haar lessenaar gedrapeerd lag te piepen als een set ongesmeerde gietijzeren kloosterkerkhekscharnieren. Van dat geluid kreeg zelfs een kerngezond mens het Spaans benauwd.
De huisarts keek me verontrust aan. Kom maar op, zei ik, ik heb het de afgelopen dagen al vaak genoeg gehoord, de man vindt het, de baas vindt het, zelfs mijn bloedeigen moeder draaide er niet omheen, ik kan er wel tegen. De dokter zei dat ik er inderdaad niet heel gezond uitzag. Bravo voor dit fraaie understatement. Of ik me even van mijn bovenkleding wilde ontdoen om gebukt over het bureau een paar keer zwoel te zuchten. Dat maakte genoeg indruk om de diagnose bacteriële luchtweginfectie, in de volksmond ook wel blafsars genoemd, en een grote doos pillen mee naar huis te krijgen.
De afgelopen dagen heb ik braaf de koorts uit mijn kladden gezweet, heb ik er zonder overdrijven vijf kilo perssinaasappels doorheen gejaagd en ben ik twee ribben lichter omdat ik een nieuwe douchekraan moest laten monteren. Het goede nieuws is dat ik inmiddels weer heet kan douchen en me een stuk beter voel. Nu alleen dat leuke verhaaltje nog... Maar eerst is het tijd voor kicks voor niks. Derhalve ga ik nu het lege melkpak plat stampen.
6 februari 2006
[Het is weer maandag]
29 januari 2006
[Geluk zit in kleine dingen]
Alle gekheid op een tandenstoker, naar aanleiding van de Happy Derm ('voor een gelukkige huid') reclame vraag ik me nu al weken af: wat is in hemelsnaam een welzijnsmolecuul? L'Oréal Nederland bv beweert dat met deze term de werking (dus niet een specifieke molecuul) van de endorfine die in het product verwerkt is omschreven wordt. Is het welzijnsmolecuul een populaire benaming voor β-endorfine of is het een verzinsel, een slimme term die de gedehydrateerde consument moet overhalen zo snel mogelijk de hand op het zoveelste vochtinbrengende product te leggen? Wat moet ik me voorstellen bij een feelgoodtextuur? Wat wordt verstaan onder humeurcellen? En dan nog iets: hoe kan je huid nu in euforische staat verkeren? Ik heb altijd gedacht dat euforie een gemoedstoestand is maar misschien ben ik onvolledig geïnformeerd.
Je ziet zo'n commercial, je denkt "goh, interessant" en vervolgens weet je nog niks, maar je koopt het wel, want hee, welzijnsmoleculen kunnen je leven alleen maar beter maken! Het kost een lieve duit, maar dan heb je ook wat: een potje vol positieve emoties in smeervorm. Het spul breng je aan op de huid, dringt dan door tot de humeurcellen et voila: binnen no time is je huid compleet euforisch en met een blik in de spiegel is je zondag ook weer goed. Sim-pel.
21 augustus 2005
[Ontschroevingswerkzaamheden]
Het patiëntje spelen in een ziekenhuis gaat me nog altijd niet erg goed af. Ik help liever mensen dan dat ik zelf geholpen word, zodoende liep ik tot vlak voordat ik afgevoerd werd naar de operatiekamer nog kreupele mensen te helpen. Zelfs in de uitslaapzaal kregen ze me in de eerste instantie niet plat omdat naast me een oude vrouw met een enkelfractuur lag die als de dood was voor de ruggenprik die ze zou krijgen. De operatieassistente kreeg haar met geen mogelijkheid rustig dus ik voelde me geroepen het arme mens op haar gemak te stellen, wat nog lukte ook.
Ineens stond de chirurg aan mijn voeteneind en moest ik stil liggen. Hij nam plaats aan mijn linkerzijde en ik moest mijn been buiten de dekens steken, wat ik braaf deed, alleen niet aan de kant die de chirurg verwachtte. Hij fronste, wierp een boze blik naar de operatieassistente, stond op en krabbelde wat op het formulier dat aan mijn bed vast geplakt zat. "Hadden we toch bijna de verkeerde voet te pakken gehad!"
De chirurg duwde op het litteken en zette met een markeerstift een grote zwarte stip op de plaats waar hij dadelijk zou moeten snijden. Vervolgens haalde hij een van de twee verdovingspuiten uit zijn borstzak en stak deze boven in mijn voorvoet. Ik telde tot tien en verbaasde me over het feit dat de felle pijn slechts zo kort duurde, het leek veel langer. De tweede spuit kreeg ik in de onderkant van mijn voorvoet, wat zo mogelijk nog meer pijn deed, maar ik bleef vriendelijk lachen. De operatieassistente weigerde, ondanks het verzoek van de chirurg, mijn hand vast te houden. Blij toe, ik was toch niet van plan die muts in haar hand te knijpen.
Vijf minuten later werd ik de operatiekamer binnengereden. Een van de assistenten rolde me in een verwarmd dekentje en een andere assistent smeerde jodium op mijn voet. Een derde assistent vroeg me of ik mee wilde kijken, waarop ik enigszins vertwijfeld knikte. De chirurg zette zijn scalpel in mijn voet en van schrik schopte ik de beste man bijna in zijn gezicht.
"Aaauuuww!"
Dat deed pijn.
De chirurg stopte met snijden en fronste wederom. Ik had al zo mijn twijfels over de verdoving, aangezien ik nog vrolijk met mijn tenen kon wiebelen en precies kon voelen wat ze met mijn voet uitspookten voordat het mes erin gezet werd. Aan de andere kant dacht ik dat die mensen wel zouden weten waar ze mee bezig waren dus vertrouwde ik er maar op dat het goed zou zijn. De verdoving bleek niet aan te slaan en terwijl een van de assistenten op zoek ging naar een nieuwe spuit, sijpelde het bloed in straaltjes langs mijn wreef. Ik beet op mijn lip en staarde naar het plafond.
Een derde naald doorboorde mijn huid en ik voelde hoe de vloeistof in mijn voet gespoten werd. Het beloofde niet veel goeds maar ik moest het er maar mee doen. De assistenten drentelden onrustig om me heen. De arts sneed verder en verwisselde even later zijn scalpel voor een schroevendraaier. Ik beet op mijn kiezen en voelde het bloed uit mijn hoofd wegtrekken.
"Praat dan met haar!" beval de chirurg de muts-assistente die naast me stond.
"Oh eh, wat doe je zoal? In het dagelijks leven bedoel ik." mompelde ze nauwelijks hoorbaar.
"Ik werk op een na-ha-aaauw-schoolse opvang."
"Zeker spw gedaan aan het ROC?" vroeg de muts-assistente op neerbuigende toon.
"SPH. En orthopedagogiek."
"Oh... zeker te moeilijk een baan op niveau te vinden..."
De chirurg zuchtte.
"Ik had inderdaad beter geneeskunde kunnen studeren."
"Ja, en dan zit je na jaren studeren een beetje met een schroevendraaier in iemands voet te porren. Ben je klaar mee." zei de chirurg.
"Handig toch?" antwoordde ik. "U bent nu vast een uitstekend doe-het-zelver."
De chirurg lachte.
Ik kneep mijn ogen samen en wenste dat het voorbij was. Na enkele minuten hield de chirurg de schroef tussen duim en wijsvinger. De muts assistente spoelde het bloederige ding af, stopte het in een potje en legde het potje onder mijn kussen. De andere assistenten dichtten de wond en hulden mijn voet in een dik pak verband.
"En, viel het mee?" vroeg de muts-assistente.
"Ja hoor, voelde er níks van."
De chirurg zuchtte en ik volgde zijn voorbeeld.
15 augustus 2005
[Eureka!]
"Zit dat nou lekker, dat gips?"
"Zitten gaat wel, lopen, dat is lastig. Het is niet echt comfortabel maar er valt best mee te leven."
"Wel zwaar zeker?"
"Valt reuze mee, het is synthetisch, weegt bijna niks."
"Oh, bestaat dat tegenwoordig ook?"
"Ja, kennelijk."
"Je zult wel blij zijn als je het er 's avonds even af kunt halen he?"
"Nou, als dat eens zou kunnen..."
"Hoezo, kan dat niet dan?"
"Ehm, nee. Dat is nou het idee van gips."
20 juli 2005
[Watergruwel, tenenkaas, familie-uitje]
Door eerdere ervaringen met de zogenaamde beschermhoezen van de thuiszorgwinkel heb ik besloten dat het regelrechte ondingen zijn. Hoe je ze ook om je voet bevestigt, ze lekken bijna net zo erg als een vergiet en daar betaal je dan twintig euro voor. Omdat ik tijdens mijn vorige herstelperiode zeer tevreden was over mijn eigen professorische oplossing, het vastducttapen van een plastic zak om mijn gipsvoet, besloot ik deze keer dezelfde methode toe te passen. Tot op heden ochtend beviel dat uitstekend maar nadat ik vandaag, zoals elke dag, druk in de weer was geweest met de zoveelste plastic zak en een rol ducttape en vervolgens onder de douche stapte, bleek dat ook plastic zakken niet zomaar blindelings te vertrouwen zijn.
Helaas kwam ik er iets te laat achter dat er een klein scheurtje in het betreffende exemplaar zat waardoor ik na enkele minuten nattigheid voelde. Toen ik de zak verwijderde om de schade in te schatten, bleek de verbandlaag al redelijk doorweekt te zijn, zodoende strompelde ik met een in het gips soppende voet naar de slaapkamer om de föhn erop te zetten. In de handleiding 'Omgaan met Ingegipste Ledematen voor Dummies' stond namelijk dat dit de eerst te nemen maatregel moest zijn in geval van nat gipsverband.
"Gips- en kunststofverband mag niet nat worden omdat de onderlaag zeer slecht droogt. De huid blijft te lang vochtig wat huidcomplicaties zoals irritatie, verweking en blaarvorming kan opleveren. Indien uw gips- of kunststofverband nat geworden is, kunt u proberen het met een föhn op de minst warme stand droog te blazen. Wanneer dit binnen een half uur niet helpt, neemt u contact op met de gipskamer."
Na ruim een half uur föhnen was het gewenste resultaat nog altijd niet bereikt. Mijn tenen waren inmiddels oververhit, mijn föhn heeft namelijk maar één stand, en het verband was nog steeds kleddernat. In gedachten zag ik een ranzig rottingsproces voor me: huidvraat, een langzaam desintegrerende voet met een tot organisch bederf overgaande wond en tenen die er stuk voor stuk afvallen. Dat soort dingen. Reden genoeg om gipsmeester Gert te bellen.
Gipsmeester Gert had geen tijd om de telefoon op te nemen, zodoende kreeg ik de eerste hulp aan de lijn. Of ik onmiddellijk naar het ziekenhuis wilde komen want nattigheid was slecht nieuws en bovendien zou gipsmeester Gert binnen niet al te lange tijd zijn biezen pakken. Omdat ik zelf geen kant op kon en manlief onvindbaar bleek, belde ik mijn pa die altijd in is voor een beetje spanning en sensatie. Op voorwaarde dat hij mee mocht naar de behandelkamer kwam hij me ophalen en bracht hij me naar het ziekenhuis. Mama kwam mee voor morele ondersteuning, wat volgens mij slechter voor haar hart was dan goed voor het mijne, maar het was een lief gebaar.
Gipsmeester Gert plantte me neer op de gipstafel en betastte het doorweekte verband terwijl mijn pa zijn ogen uitkeek. Toen de grote zaagmachine tevoorschijn getoverd werd begonnen zijn ogen te glimmen. "Net Ingang Oost!" zei paps verheugd en ging er even goed voor zitten. De zaag werd in het gips gezet en uiteraard kon de vraag "Zaagt u nou vaak in iemands voet?" niet uitblijven. "Oja hoor, dat komt wel eens voor." antwoordde gipsmeester Gert op bloedserieuze toon. Mams werd bijna geveld door een flauwte. Fijn stel ouders heb ik.
Het grote geluk bij dit kleine ongeluk was dat mijn ongewassen voet, waar na een twee weken durende hittegolf toch wel een tamelijk akelig aroma aan begon te kleven, de gelegenheid kreeg even te luchten. Ik mocht hem zelfs grondig schoonpoetsen met speciale opfrisdoekjes, een hemels genot. De voet zag eruit alsof ik er vijf uur mee in een warm bad had gelegen, wit en verschrompeld, maar de wond zag er gelukkig nog netjes uit. Een ander pluspunt bij deze interventie was dat de gipsmeester mijn voet in aanmerking liet komen voor vervroegde vrijlating. Na wat telefoontjes met radiologie en orthopedie wist hij zowaar een week van mijn gipsperiode af te praten.
Na vijf minuten was het gedaan met de pret en legde de gipsmeester opnieuw een gipsschoen aan. Omdat mijn voet sinds de operatie een stukje geslonken was, zou het nieuwe gips iets strakker zitten dus om te voorkomen dat de voet nu weer op gaat zwellen, waar in dit gips helemaal geen ruimte meer voor is en daarom zou zorgen voor dikke tenen, moet ik wederom een paar dagen met het pootje omhoog. Het zij zo.
Aangezien ik in de haast mijn krukken was vergeten en het gips nog een half uur moest drogen voordat het de maximale hardheid bereikt had, regelde mijn pa een rolstoel en duwde hij me zo snel als hij kon de ambulanceoprit op terwijl hij heel hard "taaa-tuuuuut" riep. Het zwaailicht ontbrak er nog maar net aan. We hadden net zo goed de lift kunnen nemen maar papa slooft zich nu eenmaal graag uit.
Een half uur was precies voldoende om een enorme sloot koffie naar binnen te gieten. Bij de restauratie van het Leidse Diac doen ze niet aan Hollandse kopjes of Haagse bakkies dus als je er een koekje bij bestelt kun je er gerust een half uur voor uittrekken. Pa wilde bij het raam vlak voor de eerste hulp zitten, de echte ramptoerist gaat natuurlijk niet op de tweede rang zitten. Mijn iets minder heldhaftige mama prefereerde het uitzicht op een foeilelijke nepkamerplant en keerde haar rug subtiel en tactisch richting een stel kermende patiënten die in de centrale hal zaten te wachten. Nerveus scheurde ze een zakje suikervrije suiker open en schudde de inhoud eruit. Naast haar kopje. Tussen mijn blote tenen, om precies te zijn.
Nadat ik mijn moeder vriendelijk bedankt had en de Candarel voor zover dat mogelijk was vliegensvlug tussen mijn tenen vandaan geschud had, sloeg ik voor de zekerheid de folder met gips tips er nog even op na.
"Ook wanneer er iets in uw gips gevallen is, neemt u direct contact op met de gipsmeester."
7 juli 2005
[Meer blauw op straat]
Terug in de gipskamer kon ik de foto's bewonderen op een schermpje en kon ik precies zien waar het bot doorgezaagd was en waar de schroef zit. De behandeltafel ging omhoog en gipsmeester Gert knipte met de verbandschaar het gaas en de zwachtels los. Ik had al drie dagen vreselijk veel jeuk op mijn wreef dus de opluchting was groot toen mijn voet heel even aan frisse lucht werd blootgesteld. Het leverde echter wel een allerminst florissant plaatje op.
Mijn voorvoet was, zoals ik al vermoedde, enorm opgezwollen en er zaten flink wat blauwe plekken en bloeduitstortingen op, meer dan de vorige keer. Als ik dacht dat ik toen een toverbalvoet had dan was dit zonder enige twijfel de overtreffende trap ervan. De wond zelf zag er gelukkig keurig uit, geen vreemde kleurtjes of verontrustende substanties die eruit dropen. De orthopeed kwam de wond inspecteren en gaf een kort, goedkeurend knikje. Het is een ernstige man van weinig woorden en ik verdenk hem ervan dat hij er een sport van maakt om zijn patiënten nooit langer dan zestig seconden achter elkaar te zien, met uitzondering van de tijd die hij in de operaties steekt maar dan bevindt hij zich achter een gordijntje. Voor ik het wist was hij weer verdwenen en ik ging er maar vanuit dat hij hiermee wilde zeggen dat alles in orde was.
Gipsmeester Gert pakte mijn voet in en zwachtelde er een lap lichtgewichtgips (polyester, lichter en modieuzer dan het ouderwetse gips dat letterlijk een blok aan je been is) omheen, blauw deze keer. Ondertussen was er op de behandelplank naast me een meisje, niet veel jonger dan ik, komen zitten die dezelfde operatie ondergaan had en verlost werd van haar loopgips. Met grote ogen bekeek ze de foto's van mijn voet die nog steeds te zien waren op het schermpje. We wisselden ervaringen uit maar toen ik over het verwijderen van de schroef begon werd het meisje een beetje bleek.
"Heb je gezien hoe ze dat ding eruit haalden?!"
"Eh, ja."
"Krijg je daar geen volledige narcose voor dan? Zelfs geen ruggenprik?!"
Ik legde het meisje uit dat je een aantal spuiten in je voet krijgt, dat er een klein sneetje in je voet gemaakt wordt en dat de schroef er dan met een schroevendraaier uitgedraaid wordt. Het meisje was even stil.
"Doet dat pijn?"
Vervolgens was ik even stil. Ik herinnerde me hoe vreselijk pijnlijk ik de injecties had gevonden en hoe naar het was om een scalpel in mijn voet te voelen snijden omdat de verdoving niet werkte.
"Nouja, je voelt het wel even." besloot ik te antwoorden.
Het meisje keek haar moeder aan.
"Oké, die schroef zit mij dus wel best in die voet hè."
Arm kind. Ik ben blij dat ik niet echt bang was voor de operaties of de pijn. Tegenzin, dat was het overheersende gevoel bij alles wat ik moest ondergaan, maar echt bang was ik voor slechts één ding en dat had niets te maken met spuiten of schroevendraaiers of bloederige praktijken.
Gipsmeester Gert zweeg en wreef het gips in model, net zo lang totdat het hard werd en er een zelfvoldane blik in zijn ogen verscheen. Met de kniptang verwijderde hij de uitstekende randjes en werkte zijn sculptuur netjes af waarna hij, precies zoals de orthopeed dat gedaan had, een tevreden knikje gaf. Medici in actie moet je verdraaid goed in de smiezen houden, zeker wanneer ze weinig spraakzaam zijn, het maakt hun gezichtsuitdrukkingen van grote waarde.
Even leek het erop dat ik op het laatste moment naar mijn loopgips kon fluiten want gips mag pas loopgips heten wanneer je er een bijpassend schoentje bij krijgt zodat je er ook daadwerkelijk op kunt lopen. Logisch. Geloof het of niet, Gert beschikte niet over mijn maat. 'Gelukkig' heb ik mijn leven lang al moeite met het vinden van een geschikt paar nieuwe schoenen dus ik gaf lachend te kennen dat ik het wel gewend was en stak geduldig mijn voet uit om na het passen van vijf verschillende schoenen in te stemmen met een maatje kleiner.
Ik mocht de ingegipste voet een half uur niet belasten, daarna mocht ik erop lopen. Mooi niet dus, want in de tussentijd was mijn voet zo opgezwollen dat ik bang was voor ontploffingsgevaar en hoewel ik mezelf niet superkleinzerig vind, deed dit toch best wel zeer. Om die reden verliet ik het gebouw zoals ik binnen gekomen was, hupsend op één voet en mijn setje krukken, om thuis met het pootje omhoog mijn zitmarathon voort te zetten.
30 juni 2005
[Blij dat ik geen duizendpoot ben (2)]
Het euvel bleek niet in mijn voet te zitten maar in de cirkelzaag. Het ding functioneerde niet naar behoren en er ontbrak een adapter. Toen na een tijdje het haperende geluid overging als iets dat klonk als een Whitehouse plaat en ik het gezaag tot in mijn ruggengraat voelde trillen nam ik maar aan dat het probleem opgelost was. "U hoort misschien wat verontrustende geluiden maar ik kan u verzekeren dat alles goed gaat hoor mevrouw" sprak de orthopeed vanachter het gordijn. Hij tilde mijn been in de lucht om het te bewijzen terwijl ik een van de assistenten hoorde mopperen omdat de schroevendraaier kwijt was. Een gele, opengesneden voet stak boven het gordijn uit terwijl ik het gevoel had dat die voet nog onaangeraakt op de operatietafel lag. "Eh, ja, prachtig."
Veertig minuten later werd ik dichtgenaaid en ingepakt, in mijn bed getild en naar de uitslaapzaal gereden. Een wat oudere, streng uitziende zuster hing het infuus op en koppelde alle loshangende draadjes aan een nieuwe monitor. De anesthesist had me een kacheltje beloofd omdat ik zo onderhand lag te klappertanden en mijn vingertoppen net ijsklontjes waren maar de zuster, die net zo streng bleek als ze eruit zag, was het daar niet mee eens.
"Dan wordt het hier bloedheet!"
De anesthesist keek een beetje onthutst en daarna verontwaardigd maar zweeg.
"Ja, wat heb je liever? Een zuster die haar werk doet of een zuster die op de grond ligt?"
De anesthesist keek me aan vanuit zijn ooghoeken en richtte zijn blik weer op de zuster.
"Ik heb liever een zuster die zich niet zo aanstelt."
Ha! Net goed. De zuster stampte boos weg en ik kreeg mijn kacheltje. Naast me lag een oude man die net een vijf uur durende operatie ondergaan had en niet begreep waarom hij met dit mooie weer in bed lag en aan de andere kant een vrouwtje die de strenge zuster tot waanzin dreef omdat ze haar zinnen net als ik op een kacheltje gezet had. Ik viel in slaap en werd een half uur later wakker omdat ik mijn naam door de intercom hoorde.
Terug op mijn kamer werd mijn bed in de juiste positie gebracht en kwam de chirurg even langs om naar mijn voet te kijken. Hij begon meteen te mopperen want de verpleegkundigen hadden het verband er verkeerd omheen gedaan dus hij trok de hele boel los en knoopte het naar zijn eigen zin weer vast. Op dat moment ging de eerste felle pijnscheut door mijn voet en wist ik dat het lijden kon beginnen. Ik vroeg om een paracetamol maar kreeg een dikke spuit in mijn been, waar ik heel boos van werd omdat de verpleegster pas na het prikken opbiechtte dat ik er waarschijnlijk wel ziek van zou worden. Wat had ik nou gezegd?!
Gelukkig kwam er bezoek tijdens het bezoekuur zodat ik even wat afleiding had. Lorenza had een prachtige bos zonnebloemen meegebracht, kwam haar vakantiefoto's laten zien, hield een chocoladetaart onder mijn neus die ik natuurlijk niet mocht opeten en zorgde ervoor dat ik weer even kon lachen. Die lach verdween helaas snel toen de verpleegster vroeg of ik één of twee nachtjes zou blijven. "Ik ben hier voor een dagopname!" riep ik verontwaardigd "Kijk maar op de verwijsbrief, ik heb zelfs de anesthesist nog gebeld om het te checken!"
Met een hele stapel papieren onder de arm kwam de verpleegster hoofdschuddend terug. Nergens stond geschreven of gedrukt dat ik dezelfde dag naar huis zou mogen. Niemand wist er iets van. Het was ook helemaal niet gebruikelijk dat mensen voor een dagbehandeling op de verpleegafdeling lagen en er werd nog een heel blik smoezen open getrokken om te zorgen dat ik van gedachten veranderde maar ik liet me niet ompraten. Ik voldeed aan alle voorwaarden: ik had braaf op de bedpo geplast, ik was niet misselijk of duizelig, bloeddruk en temperatuur waren in orde en er lekte geen bloed door het verband dus ik wilde naar huis. Geen gezeur.
De verpleegster besloot de artsen op te roepen voor een spoedoverleg en kwam na een half uur terug. "Je wilt wel erg graag naar huis hè?" Nou en of. Ik kwam overeind om te bewijzen hoe fit ik was, trok een vastberaden snuit terwijl ik knikte en negeerde de stekende pijn in mijn voet. "Nou, vooruit dan maar." zei de verpleegster en trok het infuus uit mijn arm. "Kleed je maar aan."
Op voorwaarde dat ik een demonstratie gaf van hoe goed ik het kruklopen onder de knie had, werd ik ontslagen en in een rolstoel naar de uitgang gereden. Over een week moet ik terug komen voor foto's en wondinspectie. Op dit moment verga ik van de pijn omdat de pijnstillers niet werken, de bijwerkingen (trillen, zweten, misselijk, duizelig) doen het helaas wel allemaal dus die krengen gaan vanavond nog de vuilnisbak in. Hupsakee. Vorige keer heb ik het ook overleefd met een doos paracetamol dus dat moet nu ook wel lukken. De eerste week is de ergste...
29 juni 2005
[Blij dat ik geen duizendpoot ben (1)]
De gastvrouw liet me achter bij een verpleegster die me in een hokje stopte voor een laatste onderzoek en het invullen van de standaard vragenlijsten, daarna mocht ik naar mijn kamer. Het was gezellig druk in de kamer en er werd hard gewerkt dus ik nam zo onopvallend mogelijk plaats op een klapstoel in een hoekje.
"Doe ik het goed zo?" vroeg een van de bejaarde vrouwen, worstelend met een ouderwets looprekje en slechts gekleed in een wit hemd en een grote lange onderbroek, zodra ze me in de smiezen had.
"Volgens mij doet u het uitstekend mevrouw, maar dat kunt u beter even aan de therapeut vragen."
"Oh, bent u nog in opleiding soms?"
"Was het maar zo. Eigenlijk wacht ik op mijn bed." Ik wees naar de lege plaats voor me.
Het vrouwtje knikte begripvol, plofte uitgeput neer in een stoel en keuvelde wat met de andere oudjes. Ik inspecteerde de ruimte. Geen kotsbakjes, geen bleke, bevende mensen, geen verontrustende snoertjes en slangetjes. Er waren alleen maar goedlachse bejaarden, de een had een gekneusde heup en een gebroken arm door een val tijdens een partijtje tennis, de ander was zojuist ontslagen en commandeerde vanuit haar rolstoel de bejaarde man die haar tas in moest pakken. Er zouden geen andere patiënten bij komen dus de kust was veilig.
Een kamer verderop was het duidelijk minder gezellig, huilende mensen en iemand die in paniek de gang op vloog omdat een van de patiënten mijn grootste nachtmerrie aan het waarmaken was. Gelukkig was ik op alles voorbereid en bood de mp3-speler uitkomst.
Mijn bed arriveerde en ik moest me direct omkleden. Het ging allemaal veel sneller dan de vorige keer. Ik hoefde niet vier uur te wachten, ik moest zelfs haast maken want een half uur later werd ik op de OK verwacht. Gehuld in een veel te groot blauw hemd kroop ik onder de dekens, die de verpleegster meteen weer van me af trok omdat ik eerst nog een spuit in mijn been moest, tegen trombose. Het wachten was op een telefoontje van de anesthesist en terwijl ik dat deed prees ik mezelf gelukkig met het uitzicht waar het oude vrouwtje zich over aan het beklagen was. Toen ik haar wees op het feit dat er naast hijskranen en steigers ook knappe, gespierde, zongebruinde bouwvakkers met ontblote bovenlijven op het dak rondliepen (coca cola light break!), klaarde haar gezicht weer op en kon de mannenkeuring beginnen. Dat ze dat op haar leeftijd nog mocht meemaken.
Dokter Stefan trok de stekkers uit mijn bed en reed me naar de uitslaapkamer waar ik een mooie groene badmuts over mijn haar kreeg. Er werd efficiënt gewerkt en voor ik er erg in had was mijn voet voorzien van een grote zwarte pijl en ingesmeerd met jodium, had ik diverse elektroden op mijn lichaam, kreeg ik een infuus in mijn hand geprikt en was ik aangesloten op een monitor die meteen de verkeerde piepjes maakte omdat ik in alle consternatie was vergeten dat ik ook nog moest ademen. Mijn temperatuur was een beetje te hoog maar dat was niet erg. Ik moest weer overeind komen, voorover leunen, ontspannen en even op de kiezen bijten toen de verdovingspuiten in mijn rug gestoken werden. Voor de zekerheid vroeg ik de anesthesist om me vast te houden op het moment dat de ruggenprik erin ging, dat blijf ik toch een eng ding vinden. Het viel mee, ik moest op mijn zij liggen en werd afgevoerd naar de koelcel met de martelwerktuigen.
"U kunt overstappen hoor" riep een van de assistenten toen mijn bed naast de operatietafel gereden werd. Goddank, een man met humor! Op de derde tel vloog ik door de lucht en landde ik op de slachtbank. Ik kreeg een wit kleedje over me heen, mijn linkerarm werd uitgestrekt op een plankje gelegd en vastgemaakt met klemmetjes en snoertjes, mijn rechterarm werd in een bloeddrukmeter geschoven en uitgestrekt aan een ander plankje bevestigd. Ik kon nu alleen nog mijn hoofd bewegen en voelde alle warmte met grote snelheid uit mijn lichaam verdwijnen.
Deze keer vergaten ze het gordijntje voor mijn neus te hangen dus ik kon precies zien met hoeveel geweld mijn been behandeld werd. Natuurlijk voelde ik daar niets van maar er werd geduwd en gesjord, mijn been ging een heel eind de lucht in (wat ben ik lenig!) en er werd een band strak omheen gebonden (anders wordt het zo'n ranzig zooitje in de OK, aldus de assistent). Nog een laatste jodium-doop en toen verscheen de grote meester in de deuropening. De anesthesist, mijn steun en toeverlaat, schonk me een bemoedigende glimlach en schoof toen toch maar het gordijntje dicht. Ik vroeg me af of men zich ervan bewust was dat ik het hele gebeuren nog steeds vrij goed kon volgen via de grote lampen die boven me hingen.
Er werden twee zwarte slangen over het gordijntje gehangen, eentje voor de zaag en eentje voor de boor. Ik hoorde een hoop herrie en vervolgens allerlei uitspraken waar ik enigszins bezorgd van werd. Er zat iets vast en in de stem van de orthopeed hoorde ik opgefokte ergernis. Oh-o! Ik zag mensen rondrennen, hoorde wat haperende geluiden uit een van de apparaten komen en ergerde me kapot aan het feit dat niemand me vertelde wat er aan de hand was. Paniek in de tent. Dat kon nooit goed zijn. Zou mijn voet er nog aanzitten?

