28 februari 2010

[Als ik hier druk, doet het daar pijn]

Elke keer als ik lig te creperen op de bank spoken de woorden van de dokter door mijn hoofd: dit gaat nooit meer over, leer er maar mee leven.
Nee! Denk ik dan. Nee! Nee! en nog eens Nee! Ik accepteer het niet. Liever koppig dan kapot.

Verschillende mensen hebben me het afgelopen jaar aangeraden naar een osteopaat te gaan.
“Een osteopa-haat?” vroeg ik dan, “die doet toch iets met botten?”
Wist ik veel.

Na wat speurwerk ontdekte ik dat osteopaten een soort wonderdokters met gouden handen zijn die wel honderd verschillende chronische klachten kunnen verhelpen. Ook PDS.

Ik las: aan darmklachten liggen vaak verklevingen van ophangstructuren van organen of verminderde aansturing van de darmen door zenuwen vanuit de wervelkolom ten grondslag.

Kleverige ophangstructuren, daar had ik de weledelgeleerde heren doktoren nog nooit over gehoord. Ik had er überhaupt nog nooit van gehoord maar blijkbaar bestaat dat dus en misschien heb ik er wel last van. Er was maar één manier om erachter te komen.

De osteopaat was gelukkig geen oude snorremans met een bril op het puntje van zijn neus en een groot kruis aan de wand achter zich. Daar ben ik altijd bang voor omdat mijn vorige huisarts zo iemand was. Zo’n mannendokter die niks van vrouwendingen snapt. De osteopaat was een jonge vrouw met een vriendelijke uitstraling en een hippe praktijk. En, niet onbelangrijk voor de opperkoukleum die zich al zag vernikkelen zonder kleren, vloerverwarming!

Eerst bespraken we de formulieren die ik van tevoren had ingevuld. Een hele waslijst: welke kinderziektes en vaccinaties, welke operaties en medicijnen, welke therapieën en mijn complete chronologische kwalengeschiedenis. Een half uur later moest ik me uitkleden.

Wat ongemakkelijk ging ik voor de osteopaat staan. ‘Ongemakkelijk’ omdat ik het idee had dat ik een bepaalde pose moest aannemen waarin ik eruit zag alsof ik het doodnormaal vond om me door een vreemde te laten observeren in mijn blote ondergoed. Eigenlijk had ik er helemaal geen probleem mee maar ik was bang dat zij zou denken dat het wel zo was dus ik wilde het tegenovergestelde uitstralen maar omdat ik niet zeker wist hoe ik dat moest doen, zag het er alsnog ongemakkelijk uit. Vandaar. In mijn hoofd bevinden zich rare kronkels.

“Tjee, jij bent niet echt symmetrisch hè?”
Nope. Ik had haar al gewaarschuwd. Mijn ene been is korter dan mijn andere been, daardoor staat mijn ene heup lager en mijn ribbenkas heeft ook een architect van likmevestje gehad.

“Naar voren bukken, naar achteren strekken, naar links, en nu naar rechts en kom maar weer rechtop staan.”
Ditzelfde ritueel moest ik zittend op mijn knieën herhalen en daarna zittend op een bankje. De osteopaat schudde me aan mijn schouders heen en weer en zette streepjes langs mijn wervelkolom. Toen moest ik op mijn buik liggen en vervolgens op mijn rug om mijn benen alle mogelijke kanten op te duwen. Ik stond versteld van mijn eigen lenigheid.

Het laatste onderdeel was het meest vreemde. Eerst begon ze me op allerlei plekken te knijpen en moest ik de pijn een cijfer geven. Daarna duwde ze op mijn ingewanden, naast mijn ingewanden en onder (ja echt! Ze schepte met haar hand als een soort lepeltje zo alles omhoog!) mijn ingewanden. Daarmee was het onderzoek klaar.

“En?” vroeg ik vol spanning. Ik kon me niet voorstellen dat ze naar aanleiding van dit alles iets bijzonders en, nog belangrijker, iets behandelbaars had gevonden maar ik was reuze benieuwd.

“Nou, kort samengevat: het sigmoideum zit vast en je linkereierstok ook. Je bekken, je heiligbeen en je onderste lendenwervel staan scheef. De zenuwen die op dit punt de wervelkolom in gaan worden belemmerd.”

Ik keek haar met grote ogen aan.
“En mijn ophangstructuren dan? En de verklevingen?”
De osteopaat lachte. “Ik ga eerst je organen vrij maken, dan kijken we naar de rest.”
“Dus ehm, het kan zomaar zo zijn dat je mijn klachten kan laten verdwijnen?” vroeg ik.
“Ik ga mijn best voor je doen, bij het grootste deel van de patiënten behaal ik zeer positieve resultaten. Je mag je weer aankleden hoor.”

Ondanks het beurse gevoel in mijn buik liep ik tevreden naar buiten. Wat nou 'leer er maar mee leven'? Wat zou ik tegen de dokter zeggen als ik hem weer zie? Die trekt mijn bezoek aan de osteopaat vast meteen in twijfel. Maar ik ben nu eenmaal koppig. Daar moet híj maar mee leren leven.

19 februari 2010

[Kwaad bloed op de prikpoli]

Ik heb zo ongeveer een abonnement op de huisarts. Het is niet anders. Mijn lijf werkt me nu eenmaal graag tegen. Zo ook de afgelopen week.

Het voornaamste symptoom was buikpijn. What else is new zou je denken, want ik heb chronisch buikpijn. Dat komt door mijn prikkelbare darm. Wist je trouwens dat ‘darm’ een Leids scheldwoord is? Betekent ellendeling. Goed verzonnen. Mijn darmen zijn namelijk ook ellendelingen. Anyway, dit was dus andere buikpijn. Bovendien had ik verhoging, rugpijn en moest ik nóg vaker plassen dan gewoonlijk (mijn OVA noemt me niet voor niets ‘zeikwijf’ wanneer ik ’s nachts voor de vijfde keer onder de dekens vandaan kruip om naar het toilet te sluipen). Ik moest maar even een plasje langs brengen.

Okidoki.
De assistente goot mijn plasje in een kleine centrifuge. Omdat de dokter het zekere voor het onzekere wilde nemen, bevoelde hij mijn darmen, maakte hij een uitstrijkje, beval de assistente een zwangerschapstest te doen en stuurde hij me ook nog even langs de prikpoli waar ik een paar buisjes bloed moest laten aftappen.

“Waarom moet dat allemaal?” vroeg ik argwanend.
“Voor de zekerheid” zei de dokter.
“Welke zekerheid?” vroeg ik.
“Dat er niets ernstigs aan de hand is” zei de dokter.
“Denkt u dat dan?” vroeg ik angstig.

De dokter schudde zijn hoofd en lachte. Hij legde uit dat dit ‘gewoon beleid’ was. Ik legde hem uit dat ik ‘gewoon blaasontsteking’ had. En toch moest ik bloed laten prikken.

Ik strekte mijn arm, de naald ging erin maar het bloed bleef weg.
“Maak eens een vuist” zei de assistente.
Er kwam geen bloed. De assistente klopte met vlakke hand op mijn arm.
“Nou, het wil niet echt stromen hè, dat bloed van jou, even een nieuwe naald proberen.”

Dat heb ik weer. Bloed dat banger is voor de naald dan ikzelf.

De assistente prikte de naald in mijn arm en wachtte maar er gebeurde niets. Ik raakte een beetje geïrriteerd. Wist ze eigenlijk wel waar ze mee bezig was?
“Hm” deed de assistente en begon vervolgens in mijn arm te knijpen.
“Hee!” riep ik, want dat deed zeer.
“Sorry” zei de assistente “soms moet je het bloed een beetje op gang helpen.”
Er gebeurde nog steeds niets.

“Eh, ik heb er natuurlijk geen verstand van” stamelde ik “maar zit ‘ie er wel goed in? Die naald bedoel ik, in de ader.”
“Ja natuurlijk” snauwde de assistente nu, alsof ik zojuist de allerstomste vraag ooit gesteld had en haar ernstig beledigde.

Ik had beter mijn mond kunnen houden. Ze wrikte met de naald heen en weer (auw!), kneep nog eens in mijn arm en toen rolden er drie zielige druppeltjes bloed in het buisje.
“Hm” deed de assistente weer “dat is veel te weinig, je zult wel dik bloed hebben, ik probeer nog een nieuwe naald.”

Welja joh. Tuurlijk. Eerst heb ik bang bloed en nou heb ik weer dik bloed. Nog even en mijn bloed begint te koken! Zou jij niet eens teruggaan naar de prikacademie?

De derde naald ging godzijdank recht mijn ader in. Het buisje stroomde in één keer vol en na drie buisjes was ’t klaar. Mijn arm dacht daar helaas anders over want de naald was eruit maar het bloed bleef als een gek stromen.

“Hm” deed de assistente. Ze deed er een gaasje, een dot watten en een paar pleisters op.
“’t Zal misschien een beetje blauw worden” waarschuwde ze.
Daar twijfelde ik niet aan. Ik maakte me wel een beetje zorgen om mijn plasje, want dit zelfde wicht bediende ook de plascentrifuge.

“Mevrouw!”
Dat was tegen mij. Eindelijk.
“En wat luidt het oordeel? Blaasontsteking zeker hè? Ik zei het toch. Al dat gedoe, geef me dat receptje maar dan heb je van mij geen last meer.”
“Ehh…” zei de assistente.
“Wat, het is toch blaasontsteking? Toch?”

“U bent zwanger.”

Mijn hart schoot spontaan in mijn keel waardoor ik me verslikte en pas na een heftige hoestbui uit kon roepen “Ik ben WAT?!!”

Op dat moment kwam er een andere assistent tevoorschijn met een stapel briefjes. Met het bovenste briefje wapperde hij voor de neus van het wicht en legde het toen op de balie.
“Sorry hoor, mijn collega had het verkeerde potje te pakken. Hier is uw resultaat. Blaasontsteking, vervelend, ik schrijf even een receptje.”

De woorden van de het wicht herhaalden zich in mijn gedachten.

Soms moet je het bloed een beetje op gang helpen.
Maak eens een vuist.


Dus ik balde mijn vuist en sloeg haar in één formidabele klap een bloedneus. Beng!

Nee hoor. Maar geloof me, ik had het met alle plezier gedaan. En dan had ik gewoon mijn zwangerschapshormonen de schuld gegeven.

17 februari 2010

[Op heup van zegen]

Een tijdje geleden besloot ik, in het kader van ‘bijna dertig’ en ‘voor het te laat is’, een complex over boord te zetten.

Twaalf jaar geleden droeg ik voor het laatst een spijkerbroek. Mijn lievelingsbroek in die tijd. Ondanks de slijtplekken en de vervaalde kleur kon ik er geen afscheid van nemen, tot ik op een kwade dag uit ’t kruis scheurde. Ik wilde absoluut geen nieuwe want geen enkele broek zou kunnen tippen aan mijn lievelingsbroek.

Twee jaar later was mijn rouwproces voorbij. Maar op de een of andere manier had het plaatsgemaakt voor een complex met betrekking tot de heupen. In mijn ogen (en onder het juk van de dictatuur der slankheid) waren mijn heupen gigantisch en als de reusachtigheid ervan ergens in benadrukt zou worden, was het wel een spijkerbroek. Dus ik zwoor de spijkerbroek af.

Ik zwoor sowieso alles wat te strak en onthullend was af omdat ik tien jaar geleden meer complexen dan ledematen had. Gelukkig zijn de meeste inmiddels gesneuveld (complexen, niet ledematen) maar dat van die heupen bleek hardnekkig. Heb ik echt super mijn best voor moeten doen. Maar het is gelukt!

Een week geleden begon het ineens te kriebelen. Ik schrok er helemaal van! Hoorde ik mezelf nu echt denken dat ik misschien wel weer eens toe was aan een spijkerbroek?
Ja. Verrek.
En waarom ook niet eigenlijk?
Mijn heupcomplex zou met de aankoop van een spijkerbroek officieel nietig verklaard worden.

Enthousiast sprong ik op de fiets en ging op jacht. Al fietsend bedacht ik me dat ik echt niks weet van spijkerbroeken. En dan voornamelijk op het gebied van maten. Ik herinnerde me dat ik 12 jaar geleden maat 27 had, dus het moest in ieder geval groter zijn dan dat en de lengte moest lang, wegens lange benen.

Omdat ik vijf items naar het pashok mee mocht nemen, pakte ik maat 29 t/m 33.
En omdat ik geen idee had wat hip en hot was maar bijna iedereen in van die huidstrakke exemplaren zie lopen, koos ik voor dat model, ondanks dat ze de heupen accentueren. Ik voelde me dapper.

De verkoopster keek me een beetje vreemd aan. Waarschijnlijk omdat ze de 33 boven op zag liggen en zij wél verstand had van maten. Dat kwartje viel bij mij pas toen ik hem aantrok en ik eruit zag als een van die jochies van Kris Kross (één keer ‘jump’ en de broek lag op mijn enkels).

Toen ik bij de 30 was had ik zowaar een match.
“Whiehoei!” riep ik verheugd terwijl ik een rondje om mijn eigen as draaide.
“Eh, mevrouw?” vroeg de verkoopster voorzichtig “Alles ok?”
Ik zwiepte het gordijn opzij en sprong uit ’t hok. De verkoopster deinsde van schrik een meter terug.
“Jazeker!” riep ik.
“Heeft u hier misschien een leuke riem bij?”

Voor de waarlijk hippe mensheid zijn ze waarschijnlijk alweer ‘zó 2009’ maar voor mij zijn de skinny jeans een mijlpaal!

[Er is iets met die stok] (slot)

“Laat je nou zakken!” zei mijn OVA ongeduldig.
“Jij je zin” zei ik, omdat ik voelde dat mijn handen zo zweterig geworden waren dat ik van de stok af gleed. Met een plof kwam ik op de grond terecht. “Eén.”

Nu was het mijn OVA’s beurt om te lachen. Missie geslaagd: hij zag eindelijk de grappigheid van deze uitsloverij in. Enige minpuntje was dat ik echt verging van de pijn. Niet normaal. Maar mijn OVA bleef lachen. En dat maakte me boos. Zo boos dat ik hem een mep wilde verkopen. Helaas waren mijn armen te verkrampt dus na een laf uithaaltje schoot mijn arm weer terug in de verkrampte uitgangspositie.

“Auhauwauw!” riep ik.
Mijn OVA moest nog veel harder lachen.
Oké. Dit was het moment.
Ik bracht mijn wenkbrauwen in positie, kneep mijn ogen samen, deed een kaakklem, perste mijn lippen samen en beeldde me in dat ik bliksems kon afvuren met mijn ogen.

Mijn OVA raakte in een soort lachstuip. Hij moest zo hard lachen dat hij tegen de muur viel en naar zijn buik greep. Tranen biggelden over zijn wangen. Ik zag dat hij iets wilde zeggen maar dat lukte niet.

“Auw, mijn buik!” schaterde hij uiteindelijk.
“Net goed!” riep ik wraakzuchtig.
“Hahaha, waar heb je dat nou weer geleerd? Hahaha!”

Ik rolde de Quest op.
“Hier” zei ik.
Ik mepte mijn OVA tegen z’n knar met m’n papieren knuppel, net zo lang tot hij ophield met lachen.

“Dat. Was. Niet. Grappig.” zei ik. “Geef toe!”
Mijn OVA richtte zijn blik omlaag. “Nee dat was inderdaad compleet zouteloos. Niks aan.”
“Precies,” zei ik “dat was echt het meest ongrappige dat ik ooit heb meegemaakt.”
“Ja. Die stok heeft duidelijk een lachwekkendheidspotentietekort.”

De bel ging.
Mijn OVA en ik trokken een serieus gezicht.
Ik deed open.
Het was mijn vader.

“Hee, wat hebben we hier?”
Paps bestudeerde de sportstok en vouwde vervolgens zijn handen om het schuimrubber.
“Even kijken of ik ’t nog kan hoor!”

Paps haalde diep adem, trok zich op en pleurde met stok en al naar beneden.

Mijn OVA en ik hielden tegelijk onze adem in.
Toen keken we elkaar aan en ja hoor.
Als de lachbui van daarnet een vloedgolf was, hadden we nu samen een tsunami gecreëerd.

Ik zweer dat er iets met die stok is.

16 februari 2010

[Er is iets met die stok] (deel 3)

Inmiddels kan mijn OVA zich al zeven keer optrekken. Ik ben best wel trots op hem hoor maar het blijft grappig om hem zich zo te horen uitsloven. Omdat hij daar nog steeds geen snars van snapt, besloot ik hem eens na te doen.

Ik vouwde mijn handen om het schuimrubber, haalde diep adem en begon.
“Eeuuhhhrgh... éééhhn... euuhhhrghh... tuhwééé...”

“Ik geloof je niet!” riep mijn OVA vanuit de keuken.
Damn.
“euuhhhrghh... driieee...”
“Wedden dat je nog gewoon op de grond staat?”
Mijn OVA kent me te goed.

“Doe ’t nou eens echt” daagde mijn OVA me uit. “Kom op, laat maar eens zien wat je kunt dan, ik beloof dat ik niet zal lachen.”
Nou. Vooruit dan maar. Ik wilde me niet laten kennen dus ik vouwde mijn handen weer om het schuimrubber, haalde diep adem en begon. Maar nu echt.

Allejezus.

Ik voelde dat mijn hoofd rood aanliep.
Ik voelde elke spier in mijn arm verzuren.
Ik had het gevoel dat ik vijf minuten over deed voordat ik mezelf eindelijk zover had opgetrokken dat ik over de sportstok heen kon kijken.
Ik vond het niet grappig.

“En nou weer langzaam laten zakken” zei mijn OVA alsof hij mijn persoonlijke sportinstructeur was.
“Kan ik niet” piepte ik.
“Wat nou kan ik niet?”

Het was waar. Ik was een grote klomp kramp geworden en het was onmogelijk om mijn armen weer te strekken. Dus daar hing ik. Trillend van inspanning en pijn. Aan zijn stomme sportstok. Ik vroeg me af hoe lang ik dit nog zou volhouden.

15 februari 2010

[Er is iets met die stok] (deel 2)

Toen mijn OVA uitgelachen was, vroeg ik hem of hij nu eindelijk had ingezien dat zijn stoksport gewoon lachwekkend was.

“Nee jij!” zei mijn OVA.
“Dat gezicht dat je net trok, wat moest dat dan weer voorstellen?”
“Dat was boos” verklaarde ik. “Ik mocht van jou niet lachen, dus, vandaar.”
“Boos? Haha! Dat kun jij helemaal niet. Je ziet er hooguit guitig uit, maar boos? Daar zul je echt beter je best voor moeten doen.”

Hm. Ja. Misschien zag ik er ook niet echt boos uit. Maar dat komt omdat ik niet boos was. Ik ben eigenlijk nooit boos op mijn OVA, vandaar dat hij mij nog nooit écht boos heeft zien kijken. Maar ik kon het heus wel. Hoor.

Toch?

Ik begon me zorgen te maken. Misschien kon ik het wel echt niet. Misschien had ik er gewoon het hoofd niet voor. Maar boosheid is een basisemotie. Ik ben heus wel eens boos en als ik boos kan zijn dan zou het best wel erg zijn als ik daar geen gepaste blikken bij had.

Mijn OVA had de nieuwe Quest meegebracht en laat daar nou een stukje in staan over op verantwoorde wijze boos kijken. Ik ging met de Quest voor de spiegel staan en oefende ‘boos’.

Wenkbrauwen dreigend omlaag en naar elkaar toe drukken.
Ogen samen knijpen tot woeste spleetjes.
Kaken op elkaar klemmen en lippen op elkaar persen, een beetje Frank van Putten meets Femke Halsema, maar dan dus boos.

Na dertig keer had ik kramp in elke aangezichtsspier (en was ik meteen een paar rimpels rijker) maar volgens mij had ik ‘m nu aardig onder de knie. Ik kon ‘boos’ en ik was er trots op. Nu nog even een gepaste situatie afwachten om het geleerde in de praktijk te brengen.

14 februari 2010

[Er is iets met die stok] (deel 1)

Mijn OVA heeft een sportstok. Vanaf het moment dat hij het ding meebracht vind ik de sportstok (een stang met schuimrubberen handgrepen die je tussen twee deurposten kunt klemmen en daar kun je je dan aan optrekken) het meest hilarische object in ons huis. Sterker nog: ik vond het al dolkomisch toen hij aankondigde dat hij hem ging kopen.

Mijn OVA trok zich met een hoop “euuhhhrghh” en “aahhh” op, bleef even hangen en plofte toen uitgeput op de grond.
Ik kwam niet meer bij.

“Dat is ééén” proestte ik.
“Lach maar” zei mijn OVA, die zijn nieuwe hobby duidelijk een stuk serieuzer nam dan ik, “ik moet gewoon even oefenen.”
“Uhhu.”
En zo geschiedde.

Vanaf dat moment hing mijn OVA elke avond kreunend aan zijn sportstok.
“Eeuuhhhrghh... ééhhn... euuhhhrghh... tuhwéé... euuhhhrghh..... driieee!”
Gevolgd door een plof.
Ik kon er niets aan doen maar het werkte gigantisch op mijn lachspieren.
Het was gewoon te grappig.

Mijn OVA vond van niet. En hij vond het ook niet grappig dat ik steeds in de lach schoot want dan moest hij ook lachen en dan kon hij zich niet meer optrekken. Het was dus mijn schuld dat hij na een week nog steeds niet verder dan drie kwam. Ik beloofde niet meer te lachen. Niet hardop in ieder geval.

Mijn OVA beweerde dat hij zéker de vijf zou halen als ik het even kon opbrengen me te beheersen.
Daar ging hij.
“Eeuuhhhrghh... ééhhn... euuhhhrghh... tuhwéé...”
Plof.

“Twee?!” riep ik verontwaardigd. “Dat is nog minder dan toen ik wel lachte!”
“Ja maar ik weet gewoon dat je lacht, niet dat ik het hoor maar ik voel het en dan moet ik evengoed lachen” verdedigde mijn OVA zich.
“Dus dan kan ik net zo goed wel lachen hè?” grijnsde ik.
“Nee!” zei mijn OVA.
“Wat dan?” vroeg ik.
“Je moet weg, ga maar even op de wc zitten ofzo.”

Tuurlijk. Alles voor m’n liefje. Je moet een man niet in zijn mannelijkheid krenken. Hoewel ik drie deuren verderop zat, kon ik alles volgen. Mijn OVA had het hoorbaar zwaar. Toen ik na “viijjjjfff” een harde plof hoorde, stormde ik juichend van de wc. Mijn OVA stond met een knalrode kop hijgend in zijn handen te wrijven.

“Ik denk dat ik blaren krijg” zei hij met een licht verontruste blik op zijn gezicht.
Ik schoot alsnog in de lach.
“Ocharm” giegelde ik.
Was niet grappig.
Ik beet op mijn lip en probeerde vervolgens zo boos mogelijk te kijken.
“Nou moet jij eens even goed luisteren meneertje, met je sportstok, ik kan er ook niks aan doen dat jij met je bicepstraining mijn lachspieren traint en...”

Ineens proestte mijn OVA het uit van het lachen. Er liepen zelfs tranen over zijn wangen. Naja! Wat was dit nou weer?

[Pas op! Zoetsappig!]

Mijn OVA gaat op zaterdagochtend altijd verse broodjes halen bij Bakker Bart. Dat is één van de vele redenen waarom hij het allerbeste vriendje ter wereld is. Soms neemt hij nog iets extra’s mee. Saucijzenbroodjes, Duitse broodjes, luxe mueslibollen. Vandaag waren het roombotercroissants.

Mijn OVA sneed zijn croissant open en scande met zijn blik het belegassortiment. Op de radio vertelde de DJ over zijn allermooiste Valentijnsverrassing ooit. Het is vandaag Valentijnsdag, namelijk.

“Ohhh wat romantisch!” zuchtte ik tussen twee happen door.
Mijn OVA verplaatste zijn blik eerst naar mij en toen naar zijn croissant.

“Ik twijfelde of ik misschien iets Valentijnigs voor je mee moest nemen...” zei mijn OVA. Hij friemelde aan zijn croissant waardoor de dunne laagjes bladerdeeg barstten.
“Maarja...”
Ik keek verbaasd op maar mijn OVA, die gebiologeerd leek door de barstjes in zijn brunch, keek niet terug.
“En nou vind je me natuurlijk stom hè?”
Hij zweeg even en hakte toen met zijn mes het puntje van zijn croissant eraf.
“Maar ik hou elke dag van je, niet alleen vandaag, elke dag! Dat weet je toch?”
Ik knikte.

“Aan de andere kant,” vervolgde hij zijn monoloog “straks heb jij iets verzonnen en dan heb ik niks!”
Chop! Daar ging het andere puntje.
“Ohhh! Je haat me hè? Zeg alsjeblieft dat je me niet haat...”
Glimlachend schudde ik mijn hoofd.
“Maar ik heb nog een halve dag! Ik ben nog niet te laat, toch? Of heb ik het nou verpest? Ja zeker...”

Mijn OVA propte een halve croissant in zijn mond kauwde er gefrustreerd op los. Goudbruine deegvlokjes dwarrelden op zijn bord neer. Een vlokje bleef aan zijn stoppeltjesbaard hangen. Hij zag er zo lief uit.

“Niet mij stom vinden...” fluisterde hij beteuterd.

Stom?

Ik werd zachter dan de gesmolten boter op mijn croissantje. Ik voelde me kleffer dan stroop en zoeter dan chocopasta. Geen enkel Valentijnscadeau had dit tafereel kunnen overtreffen!

“Ik ook van jou lieverd.”
Ik bezegelde mijn woorden met een kus.
“Heul veul. En elke dag een beetje meer.”

13 februari 2010

[Mijn vriendje is een cijferneuker]

Mijn OVA ging boodschappen doen met de generaal. De generaal bleef aansluitend een avondje hangen aangezien zijn vrouw carnaval ging vieren. Zelf schijt hij peuken van carnaval en uit pure meelij bood ik daarom aan dit weekend de Miep Gies van de vastelaovend-vluchteling te spelen. Bakkie leut met Bastogne erbij, lekker. Gezellig.

De generaal sopte een Bastognekoek in zijn koffie.
“Het is toch verdomme niet grappig meer!”

Ik keek op. Was er iets mis met de koffie?

“Even een mandje boodschappen, vierenveertig euro! Ka-tsjing! Gekkenhuis. Niet normaal!”

Ik trok een wenkbrauw op. Vierenveertig euro. Daar haal ik een hele kar vol voor! Ik was benieuwd waar hij in godsnaam zijn boodschappen haalde.

“Wij hebben echt moeite met rondkomen. Er gaat tachtig euro per week in het huishoudpotje en het is nooit genoeg omdat alles zo fokking duur is. Vooral de verse producten. Het is nog net niet compleet onbetaalbaar om gezond te eten. Daar zou je toch crimineel van worden?!”

Ik zag het gesopte deel van zijn Bastognekoek langzaam ombuigen tot het afbrak en in de koffie plonsde.

“Kut. Maar anyway, heb jij daar geen last van dan?”

Ik trok mijn andere wenkbrauw op.
Nee, ik bijt het sop-stukje er altijd af voordat het kan afbreken.
Maar dat bedoelde de generaal vast niet.

Wij komen rond met zestig euro per week. Inclusief kattenvoer. We eten bijna elke dag verse groenten en fruit, kopen gewoon vis en vlees en poetsen als ieder normaal mens twee maal daags onze tanden. Maar we letten wel op wat we uitgeven, maken dankbaar gebruik van aanbiedingen en kopen lang niet altijd A-merken. Op zondag kook ik meestal voor twee dagen. Gerechten als curry en pasta lenen zich daar uitstekend voor. Ook vertikken we het om naar dure supermarkten te gaan. Bosje koriander bij de AH: €1,99. Bosje koriander bij de kruidenier: €0,25. Ik bedoel maar.

De generaal lepelde een zompig hoopje koek uit zijn koffie. Ik hoefde geen antwoord te geven op zijn vraag want er volgde alweer een nieuwe. En ook deze voorzag hij zelf van repliek.

“Besef je eigenlijk wel dat jij samenwoont met de grootste cijferneuker ter wereld?”

“Hoezo?” vroeg ik.
Niet dat ik dat niet wist maar ik vind het leuk als de generaal vertelt.

“Ik ben verdomme drie keer de hele Lidl door in de tijd dat hij een potje sperziebonen uitkiest. Serieus, ik heb nog nooit iemand zo lang zien twijfelen tussen twee dezelfde producten. Zelfs geen vrouw. En dan gaat het niet over een flatscreen ofzo. Nee. Sper-zie-bo-nen.”

Ik gniffelde. Heel herkenbaar. Zo is mijn OVA. Impulsiviteit is hem vreemd.

“Een blik van zestien cent, een pot van negentien cent en een blik van drieëntwintig cent. Ik zou zeggen: pak dat blik van zestien cent. Een boon is een boon. Maar eerst moeten de uitlekgewichten, prijzen per kilogram, verpakkingen, uiterste houdbaarheidsdatums en ingrediënten nauwkeurig vergeleken worden. En niet alleen de bonen krijgen deze speciale behandeling. Hij moet het pakje gerookte ham met de minste vetrandjes. Hij moet de broccoli met de kleinste stronk. Hij moet de kwark met de minste calorieën en het meeste vruchtensap. Maar nog even over die bonen. Wat denk je dat hij doet?”

“Nou?” vroeg ik terwijl ik geamuseerd op het puntje van mijn stoel ging zitten om de rest van het verhaal, dat nog altijd zeer herkenbaar klonk, te horen.

“Dit ga je niet geloven. Pakt ‘ie zijn telefoon om een bepaald E-nummer te googlen!”

De generaal hield even zijn klep en keek me verwachtingvol aan, alsof het nu aan mij was om mijn ontzetting te tonen. Maar ik was niet ontzet. Dus dat deed ik niet. Ik zei alleen maar: “Dus?”

De generaal zuchtte.
“jullie zijn echt erg.”

“Hoezo? Mij hoor je niet klagen. Ik heb een man die de beste producten tegen de scherpste prijs meebrengt en ook nog rekening houdt met het milieu en onze gezondheid! Ik geloof dat ik je oorspronkelijke vraag zelf niet beter had kunnen beantwoorden. Nog ’n koekje?”

12 februari 2010

[Alááf!]

“Juf, waar zijn je verkleedkleren?”
“Heb ik aan, duh.”
“Niet waar! Dat zijn je gewone mensenkleren!”
“Jemig, heb je soms een brilletje nodig?”
“Nou-hou, ju-huf, doe niet zo fla-hauw!”
“Ik dacht dat dat juist het idee was van carnaval.”
“Maar als wat ben je dan verkleed?”
“Als Spass Bremse.”

11 februari 2010

[Typisch knak-momentje]

Even over die dertigersdip hè, want ik word dit jaar dertig dus dat onderwerp houdt me bezig. En dan niet zozeer de grote levensvragen maar de kleine, schijnbaar onbenullige dingetjes. Neem nou het winkelen. Ik stel mezelf nog dezelfde vraag als toen ik twintig was als ik in de paskamer voor de spiegel sta, maar ik bedoel hem net even anders.
“Kan ik dit wel hebben?” betekende voorheen zoiets als: staat het leuk, zijn mijn schouders niet te breed en is mijn kont niet te dik? Nu is de eigenlijke vraag: ben ik hier niet een beetje te oud voor?

Ik zocht een truitje. Iets voor de lente omdat ik het zo gehad heb met die winterse praktijken dat ik de winter vanaf nu gewoon ga ontkennen. Winkel in, winkel uit, volgende winkel in en weer uit. Dan toch maar even naar m’n ‘stamshop’. Ik wilde per se niet met lege handen thuis komen want dan zou Koning Winter me natuurlijk keihard uitlachen.

Het was hartstikke druk maar er waren tenminste kledingstukken waar ik potentieel eigendom in zag dus ik paste ze gewoon tussen twee kledingrekken in. Te wijd, te lang, vlek in de mouw. Potver. Ik draaide me om om mijn jas te pakken wegens geen zin meer toen mijn oog op een vrolijk gekleurd truitje viel. Licht getailleerd en met bloemen eraan. Echt precies wat ik zocht! Er hing er maar eentje en het was zowaar mijn maat. Yes!

Er kwam een meisje naast me staan. Ofja, meisje, meer een jonge vrouw. Een jaar of 25 schatte ik haar. Ze bekeek me aandachtig terwijl ik het truitje recht trok.
"Staat je geweldig!"
Hm.
Had ik haar iets gevraagd?
Ik glimlachte flauw haar kant op en bekeek mezelf in de spiegel. Er zat wat in, het stond me goed. Maar kon ik het ook hébben? Ik keek nog eens naar het meisje, dat haar ogen blijkbaar niet van me af kon houden.
"Kan ik ’t wel hebben? Ik bedoel, ben ik er niet een beetje te... oud voor?"
Het meisje fronste.
"Nou zeg, als ik het kan hebben kan jij het ook!"

Yes!
Hm.
Als zij het kan hebben? Zou zij hem ook gepast hebben dan?

Mijn spiegelbeeld gaapte me contemplatief aan. Nouja, wat maakte het ook uit. Het truitje stond goed, zat lekker en had bij dezen mijn middag gered van teleurstelling. Ik moest alleen even vragen wat hij kostte want er hing geen prijskaartje aan. Opgetogen pakte ik mijn spullen bij elkaar en knikte lachend naar het meisje.

"Ehh! Mevrouw!" riep het meisje me na.

Wat nu weer? En waarom zegt ze nou mevrouw? Ik haat het als mensen mevrouw tegen me zeggen. Alsof ik al dertig ben! Ik ben negenentwintig, ja! Dat is nog helemaal niet zo oud dat je...

Mijn innerlijke tirade werd door het meisje onderbroken.

"Mag ik nou m’n truitje weer terug?"

Shit.

10 februari 2010

[Gaten in de markt]

Even los van het feit dat mijn cash ook al jaren de neiging heeft te verdwijnen (en ik heb niet eens een gat in mijn hand): ik wind me op over de krantenkoppen van vandaag. Zelfs al moet ik nog zien dat de voorspelling uitkomt en ben ik ondanks alles wel blij dat ik óók een pinpas heb. Met de nadruk op óók.

“Contant geld verdwijnt binnen vijf jaar”

Er doemen direct allerlei praktische bezwaren op in mijn hoofd:

1. Hoe leer ik mijn kinderen met geld omgaan als ik het onzichtbare zakgeld moet storten op een rekening en ze straks even makkelijk een Game Cube pinnen als een Cornetto?

2. Komen er geen collectanten meer aan de deur met zo’n schudbus, kun je er donder op zeggen dat die stichtingen je brievenbus vol douwen met acceptgiro’s. Nu ben ik zelf vrij makkelijk in het verscheuren van ongewenste post maar het kost bijvoorbeeld bovenmenselijke inspanning om de schoonmams aan het verstand te peuteren dat ze niet elke acceptgiro hoeft in te vullen.

3. Kunnen we niet meer gezellig naar de rommelmarkt (juist een goede plaats om kinderen met geld om te leren gaan).

4. Moet je dalijk chippen voor een straatkrant of pinnen om een dakloze bedelaar een euro te doneren. En hoe gaat de orgelman dat doen?

5. Wij hebben een wekelijks huishoudbudget en als we dat van tevoren pinnen, kunnen we er de rest van de week goed overzicht over bewaren.

6. Personeelspotjes. Er is iemand jarig, er gaat iemand trouwen, er krijgt iemand een kind, allemaal redenen om met de pet langs je collega’s te gaan en van de opbrengst een cadeau te kopen. Gaat ‘m ook niet meer worden.

7. Het is gênant om in een restaurant hardop te moeten zeggen hoeveel fooi je bovenop de rekening wilt geven (ik ben niet zo’n fooienmens, zie: deze post).

8. Moet je in de kroeg elk rondje pinnen, dus daar kunnen ze voortaan ook fluiten naar hun fooien.

9. Als je op je trouwuitnodiging ‘cadeautip: envelopje’ zet omdat je wilt sparen voor een verhuizing, krijg je dan allemaal opgewaardeerde pasjes? Hoe onpraktisch is dat!

10. Je kunt geen anonieme oude sok meer onder het matras verstoppen, je zult er rente over moeten betalen.

11. Stroomstoringen of storingen aan de pinautomaat! Vooral lachen als je in een winkel staat met een kar vol boodschappen...

12. De tieners die wat willen bijverdienen met een oppasbaantje, kappers die in de avonduren aan huis nog wat bijknippen, de handige mannen die op zaterdag hier en daar bijklussen, de huisvrouwen die er een werkhuisje bij nemen. Zwart werken is er niet meer bij, terwijl de zwarte potjes toch ook bijdragen aan de economie.

13. Mijn oma kon haar pincode niet onthouden, dus schreef ze die op een papiertje en bewaarde dat in haar tas. In de stad werd haar tas gestolen en nog geen uur later was haar rekening geplunderd. Vanaf dat moment durfde ze alleen nog met een klein contant bedrag de straat op te gaan.

14. Je kunt zonder cash veel makkelijker uitgeven wat je niet hebt. Zelf heb ik de optie ‘rood staan’ uitgeschakeld maar ik zie bij menigeen de schulden al oplopen.

15. De paranoïde mens in mij ziet al complotten. Je raakt je privacy kwijt en daar zou zomaar misbruik van gemaakt kunnen worden.

16. Het heitje voor een karweitje zal verdwijnen. Ik heb auto's gewassen, ramen gelapt, kaarsen verkocht, parken geharkt en liedjes gezongen voor bejaarden om geld in te zamelen voor een nieuw Scouting clubhuis. Aan het eind van de dag was het altijd spannend want dan werden alle muntjes geteld. We waren zo trots dat we ons eigen steentje bijdroegen. Zonder cash wordt dat een stuk minder leuk. Geldt ook voor dingen als sponsorloop of met een geweldig eindrapport bij oma langs.

17. Ik heb een tijdje in de thuiszorg gewerkt en daar werd ik regelmatig om een boodschap gestuurd door zieke, mentaal uitgedaagde of minder valide cliënten. Je moet wel heel goed van vertrouwen zijn om zomaar je pinpas aan de thuishulp mee te geven.

18. Ook leuk: pas kapot. Dan moet je een nieuwe aanvragen en die krijg je uiteraard pas na enkele werkdagen thuis bezorgd.

19. En komt er een speciaal soort opwaardeerbare pasjes voor toeristen of hebben die voortaan gewoon pech?

Het is maar goed dat we een niet al te daadkrachtig kabinet hebben.

9 februari 2010

[Ongekend talent]

Het is een simpele regel: niet zitten, staan of liggen op de pingpongtafel. Helaas voor mij is bij het woord ‘regel’ de allereerste associatie van kinderen: overtreden. Omdat ik wel politieagent was geworden als ik de hele dag straf wilde uitdelen, of scheidsrechter als ik met rode kaarten wilde zwaaien, moet ik de oplossing voor dit probleem over een pedagogische boeg gooien. Een positieve benadering met een heldere boodschap is daarbij een belangrijk element.

Tijdens het overblijven is er een half uur gereserveerd voor buiten spelen. De uitgelaten meute stuift het plein op met het idee dat als ik ‘spelen’ zeg, ik eigenlijk ‘rottigheid uithalen’ bedoel. Waar ze dat idee vandaan halen weet ik niet maar het blijkt nogal hardnekkig te zijn. Terwijl er een kleuter met een springtouw aan een boom wordt vastgebonden, laat aan de andere kant van het plein een vroeg puberende jongen een meisje struikelen, recht op haar gezicht in de modder. Even later probeert een knul een groepje jongere kinderen hondenbrokken te laten eten, hen wijs makend dat het snoepjes zijn. De groep achters trekken takken van een boom omdat ze katapults willen maken en bij de ingang van het plein probeert een stel tienermeisjes ongezien over het hek te klimmen. Ga er maar eens aan staan!

Natuurlijk zijn er ook altijd blagen die eens even lekker provocatief op de pingpongtafel gaan zitten. Ik moet iets verzinnen en snel want het zit er dik in dat het volgende vergrijp niet lang op zich laat wachten. Wat vinden jongens van negen cool? Zombies. Perfect. Wie door een zombie gepakt wordt, verandert zelf ook in een zombie. De jongens vliegen van de tafel en beginnen enthousiast aan het spel. Zelf doe ik natuurlijk ook mee, om het goede voorbeeld te geven. Ik vind mezelf een heel overtuigende zombie maar de jongens lachen zich krom. “Alsof we daar bang van worden!” Nou zeg, daar doe je dan je best voor.

Van zombie spelen word je moe en als je moe bent moet je uitrusten. De jongens ploffen neer op de pingpongtafel. Wel verdraaid! Denk je ze er eindelijk af te hebben, moet je weer wat nieuws verzinnen. Aangezien ik als zombie eerder op de lachspieren werkte dan eng was, besloot ik een ander ‘talent’ in de strijd te gooien. Ik schraapte mijn keel, nam een pose aan en begon te zingen: “Kom van die tafel! Ik waarschuw niet meer! Neeneeneeneeneenee van die tafel!” etcetera. Mijn publiek vertoonde grote ogen. Vervolgens keken de jongens elkaar aan, hielden hun handen voor hun oren en renden verafschuwd weg. Zo snel waren ze niet van me af. Luid zingend zette ik de achtervolging in totdat het lief afgelopen was. Een van de jongens kwam voorzichtig naar me toe en zei met een bloedserieus gezicht: “dat was echt heel eng”. "Enger dan m'n zombie?" "Absoluut!" Mooi. Missie geslaagd.

Terwijl ik nog op adem stond te komen, kwamen er drie meisjes aan die aanstalten maakten op de tafel te gaan zitten. Ja hoor, dacht ik, daar gaan we weer. Maar voordat ik iets kon zeggen of doen kwam de jongen al aangerend. “Nee! Niet doen! Alsjeblieft! Dalijk gaat ze weer zingen!”

Ik zal wel nooit door de voorrondes van Idols komen, maar mijn talent is tenminste nog ergens goed voor!

[K-k-k-koud he?]

Godsklere wat is het koud! Nog steeds. Duurt lang! Het kost zoveel energie om alles er zelf bij te moeten denken: tsjielpende vogeltjes, zonnestralen, de frisse geur van met ochtendnevel bedekt gras, warmte. Heerlijke warmte die het mogelijk maakt slechts één in plaats van vier lagen kleding aan te trekken. En het kost nog veel méér energie om dingen weg te denken: kippenvel, dooie vingers, bleke, droge winterhuid met waterige ogen en rode neus (van de kou). Dat is zo goed als onmogelijk! De aarde warmt op, er komt een nieuwe ijstijd. Het zal allemaal wel. Ik wil het wintervet eraf sporten maar het is veel te koud om naar de sportschool te fietsen. Ik wil fruitsalades maar mijn lijf schreeuwt om stamppot en snert. Ik wil een natuurlijk kleurtje op mijn huid in plaats van complimenten over mijn kunstmatige teint. En die chronische spierpijn wegens rillen en verkramping ben ik ook spuugzat. Ik wil peentjes zweten in plaats van klappertanden. Zelfs al weet ik nu al dat ik daar tegen die tijd op terug zal komen.

7 februari 2010

[Ik ben een consumindermens] (slot)

“En ten slotte kunt u de verwarming een tikje lager zetten als u gewoon een extra trui aantrekt.”

Briljant! Mijn verwarming kán niet lager. Mijn buren stoken zo hard dat hun warmte via mijn buizen m’n huis op temperatuur houdt en ik heb ’s winters standaard een fleece-dekentje op de bank en een paar warme sloffen voor in huis. Bespaar daar maar eens tegenop. 3 – 0 voor mij.

“Zeg knul” zei ik tegen de aansmeerjongen.
Ik had onmiddellijk spijt van mijn ietwat denigrerende woordkeuze maar aan de andere kant; hij mocht blij zijn dat iemand hem serieus nam.
“Heb jij, op jouw beurt, nog even voor mij?”

“Eh. Ja hoor.” antwoordde de aansmeerjongen.

“Mooi!” riep ik triomfantelijk.

“Van elk apparaat dat ik niet gebruik, trek ik altijd de stekker uit het stopcontact. Ik laat niets op stand by staan. Ik gooi zelden restjes voedsel weg want ik koop en kook bewust. Naar de kapper ga ik nooit want ik verf mijn haar zelf en knippen doet mijn vriend. Waar ik niet ben brandt geen licht. Mijn vriend doet aan droog douchen; even nat maken, kraan uit, inzepen, scrubben, shampoo, kraan aan, afspoelen, klarie. Ik pak vaak de fiets in plaats van de auto, dat scheelt ook meteen een abonnement op de sportschool. In plaats van een stroomvretende waterkoker gebruik ik een ouderwetse fluitketel. Ik heb een telefoonabonnement waarmee ik gratis naar vaste nummers bel. Kleding koop ik meestal in de uitverkoop. Ik scheid trouw mijn afval (plastic, glas, papier en kleding weggooien is gratis). Opladen doe ik op nachtstroom. Ik heb een zuinige oven die niet voorverwarmd hoeft te worden. Pretparkkaartjes zijn op marktplaats supergoedkoop, dan neem ik zelf een fles drinken en een lunchpakket mee zodat ik niet op dure terrasjes hoef te zitten. Ik gebruik azijn in plaats van wasverzachter. Cadeaupapier wordt hergebruikt.”

Toen moest ik stoppen om naar adem te happen.

De aansmeerjongen knipperde met zijn ogen. Hij keek alsof hij niet kon geloven dat er mensen zijn die werkelijk zo spaarzaam leven. Zeker geen protestanten in zijn kennissenkring.

“Nou jij weer” zei ik tevreden.

“U bent zeker niet op zoek naar een bijbaantje hè?” mompelde de aansmeerjongen met een wat ongemakkelijk lachje.

“Nope. Dit waren mijn tips, gratis en vrijblijvend. Doe er je voordeel mee zou ik zeggen.”

6 februari 2010

[Ik ben een consumindermens] (deel 1)

Zuinige protestant.

Zo noemde mijn OVA mij toen we elkaar nog niet zo lang kenden. Plagerij natuurlijk, omdat ik een Hollander ben. Toch zat er een kern van waarheid in. Niet dat protestantse, want ik ben een rechtgeaard atheïst, maar ik leidde noodgedwongen wel een zuinig leven. En dat doe ik nog steeds.

Zaterdagmiddag in de stad.
Een onoplettend ogenblik.
Ik liep recht in de val.

“Mevrouw, heeft u een momentje?”

Neee! Ga weg! Ik heb hier geen zin in! Het is koud, ik moet plassen en ik heb nog een half uur voordat een parkeerwachter me een prent kan geven. Ga huiswerk maken jij puisterige puber! Shoo!

“Eh. Ja hoor.”

Het ging over de crisis. Aanvankelijk, dat is, want na een inleidende monoloog die ik maar half meekreeg omdat ik tegelijkertijd testte of ik mijn boodschappenlijstje nog uit mijn hoofd wist, viel het woord besparing. Of ik interesse had in tips. Jawel. Voor het eerst in mijn leven ben ik staande gehouden door iemand die mij iets wil aansmeren dat gratis en vrijblijvend is. De zuinige protestant in mij werd nieuwsgierig.

“Eh. Ja hoor.”

“Mooi!” brandde de aansmeerjongen los.
“Om te beginnen kunt u spaarlampen gaan gebruiken. Spaarlampen, het woord zegt het al, haha!”

Goh. Daar was ik nog niet opgekomen. Toevallig heb ik laatst van de gemeente 3 gratis spaarlampen gekregen. En tochtstrips. En isolatiemateriaal. En een waterbesparende douchekop. 1 – 0 voor mij.

“U kunt wat minder gebruik maken van uw elektrische apparaten.”

Vandaar dat ik de afwas altijd met de hand doe (ik heb niet eens een vaatwasser!) en een reusachtig droogrek in mijn huiskamer heb staan. 2 – 0 voor mij.

“En ten slotte...”

Ten slotte? Was dat het al? Wat een aanfluiting! Besteed ik daar mijn kostbare tijd aan? Ik zal hem leren, de snotneus! Wedden dat zijn moeder zijn sokken nog wast (en droogt, en strijkt)? Wedden dat hij nog nooit een lamp verwisseld heeft? Wedden dat hij geen flauw benul heeft van wat een brood kost?

3 februari 2010

[In het kader van de 'Limburgering']

Op de BSO in Leiden noemden de kids leverpastei ‘smeerworst’ maar in Limburg zeggen ze ‘paté’. Moest ik even aan wennen. Het valt niet mee om je vocabulaire aan te passen wanneer de woorden uit je moedertaal ineens een andere betekenis krijgen dan je gewend bent.

Vla noem je hier pudding, als je om vla vraagt dan krijg je ’n stuk vlaai.
Limonade heet hier sap en tegen sinas zeg je limonade.
Als ze schudden zeggen, bedoelen ze schenken.

Af en toe ga ik nog de fout in en dan kijken de ukken me onbegrijpend aan. Gelukkig zijn er ook kinderen die een beetje met mij mee denken. Een soort omgekeerde integratie.

Als ik M vraag wat ze op haar broodje wil, denkt ze even na en antwoordt dan vastbesloten: “smerige worst”.