Excuses, excuses!
Ik ben tijdelijk onder constructie (nee echt).
I'll be back though!
23 maart 2010
2 maart 2010
[Puberpaps]
“Waarom zit mijn zoon op de bank?” vroeg de papa van Melle me.
“Hij heeft de regels overtreden, daar hebben we van tevoren afspraken over gemaakt.”
“Mijn kind doet zoiets niet” zei de papa van Melle stellig.
“Toch wel” zei ik.
“Maar daar kun je een kind van vijf niet om straffen, dat snapt hij niet!” riep de vader van Melle verontwaardigd.
“Toch wel hoor” zei ik.
“En nou moet hij de hele middag op de bank zitten? Dat kun je niet maken.”
Ik keek op mijn horloge.
“Vijf minuten. Nog één minuut en hij mag bewijzen dat hij zich aan de regels kan houden.”
“Belachelijk! Kom Melle, we gaan.”
Opmerkelijk. Maar daarmee was de kous nog niet af. De volgende dag kwam papa binnen zonder mij te groeten. Hij richtte zich direct tot zijn zoontje waar ik vlak naast zat.
“Hoi Melle, heb je nog straf gehad?”
Melle keek even op van zijn tekening en schudde zijn hoofd.
“Heb je al tegen de juf gezegd wat je van plan bent?”
Melle schudde weer zijn hoofd en tekende ijverig verder.
“Dat je een brief gaat schrijven aan Sinterklaas, dat hij de juffen dit jaar maar geen cadeautjes moet brengen?”
“Hmm” deed Melle terwijl hij geconcentreerd het rode potlood in de slijper stak.
Mijn mond viel nog net niet open. Dit was je reinste kind-octrinatie. Dit was vast papa’s idee en hij durfde het niet eens recht in mijn gezicht te zeggen.
“Zeg maar hoi-je Melle, we gaan.”
Zonder zelf gedag te zeggen nam hij Melle mee naar huis.
De week erop had Melle ruzie met Syl. Het meningsverschil liep uit op een uitbundige vechtpartij. Aan mijn gezicht zagen de knulletjes meteen hoe laat het was.
“Aan tafel” zei ik, “allebei.”
Na een pedagogisch verantwoord gesprekje liet ik hen nog even aan tafel zitten, met wat boekjes. Natuurlijk kwam op dat moment Melles papa binnen. Hij zei niets maar zijn gezicht sprak boekdelen: hij was het hier niet mee eens.
Helaas voor vader en zoon eindigde de volgende dag wéér met een reprimande. Ik voelde de bui al hangen…
“Wat doe jij binnen met dit weer?!” vroeg papa verbaasd.
“Ik moest mee naar binnen om te praten" fluisterde Melle, “want ik heb Syl gestompt.”
Nu richtte papa zich tot mij.
“Dus alle kinderen zijn hier lekker buiten aan het spelen en mijn kind zit binnen. En daar krijg ik elke maand een dikke rekening voor. Papa kan het betalen.”
Hij keek me niet aan terwijl hij sprak.
“Dat Melle een kind stompt kunnen wij niet zomaar tolereren en dat weet hij” verklaarde ik.
Papa was not amused. Hij pakt Melle bij zijn arm en nam hem mee naar buiten. Syl rende achter Melle aan om dag te zeggen.
“Ha Syl,” zei de papa van Melle en vervolgde op overdreven luide toon “heeft jouw papa de rekening al betaald?”
Zo. Dat was nog even een trap na voor mij.
Ik besloot dat ik genoeg geslikt had van deze puberende papa en bedacht drie opties.
1. Hij communiceert met onmiddellijke ingang op een normale, volwassen manier met me,
2. óf ik nodig hem uit voor een gesprek over zijn manier van communiceren,
3. óf hij krijgt een koekje van eigen deeg.
Een nieuwe dag met nieuwe kansen, voor iedereen. De papa van Melle kwam binnen en graaide twee koekjes uit de trommel.
“Oohh! Hij pakt twee koekjes! Dat mag niet!” riep een van de kleuters.
Hoewel ze zelf nogal eens ‘per ongeluk’ de fout in gaan, hebben ze een soort voelsprieten voor de ‘foutjes’ van anderen. Soms is dat best handig.
“Hij moet het ook eerst vragen!” riep de tweede.
Een derde bijdehandje wist er nog aan toe te voegen “en hij heeft niet eens eerst zijn handen gewassen.”
Ineens vulde mijn lijf zich met een tevreden, warm gevoel: wat was ik trots op mijn ukken!
“Dus, nou moet de papa van Melle straf hè?” zei de eerste kleuter.
Ik keek de papa met mijn meest autoritaire blik aan.
De papa keek terug met een blik van wat-krijgen-we-nou?!
De ene helft van de groep begon te giegelen en de andere helft hield van spanning de adem in.
“Tsja papa, ook dat hoort bij de regels. Zoals je merkt weten alle kleuters prima hoe het hoort. Misschien moeten we het even over de afspraken hier hebben?”
“En dan sorry zeggen, hè juf?” maakte Melle het gebruikelijke scenario af.
“Juistum, wijsneus.”
Sommige ouders hebben meer nood aan opvoeding dan hun kinderen. En op die momenten is er niets mooier dan een kind dat zijn ouders het goede voorbeeld geeft. Dat volwassen communicatie de komende tijd waarschijnlijk nog even een no-go is neem ik dan maar voor lief.
“Hij heeft de regels overtreden, daar hebben we van tevoren afspraken over gemaakt.”
“Mijn kind doet zoiets niet” zei de papa van Melle stellig.
“Toch wel” zei ik.
“Maar daar kun je een kind van vijf niet om straffen, dat snapt hij niet!” riep de vader van Melle verontwaardigd.
“Toch wel hoor” zei ik.
“En nou moet hij de hele middag op de bank zitten? Dat kun je niet maken.”
Ik keek op mijn horloge.
“Vijf minuten. Nog één minuut en hij mag bewijzen dat hij zich aan de regels kan houden.”
“Belachelijk! Kom Melle, we gaan.”
Opmerkelijk. Maar daarmee was de kous nog niet af. De volgende dag kwam papa binnen zonder mij te groeten. Hij richtte zich direct tot zijn zoontje waar ik vlak naast zat.
“Hoi Melle, heb je nog straf gehad?”
Melle keek even op van zijn tekening en schudde zijn hoofd.
“Heb je al tegen de juf gezegd wat je van plan bent?”
Melle schudde weer zijn hoofd en tekende ijverig verder.
“Dat je een brief gaat schrijven aan Sinterklaas, dat hij de juffen dit jaar maar geen cadeautjes moet brengen?”
“Hmm” deed Melle terwijl hij geconcentreerd het rode potlood in de slijper stak.
Mijn mond viel nog net niet open. Dit was je reinste kind-octrinatie. Dit was vast papa’s idee en hij durfde het niet eens recht in mijn gezicht te zeggen.
“Zeg maar hoi-je Melle, we gaan.”
Zonder zelf gedag te zeggen nam hij Melle mee naar huis.
De week erop had Melle ruzie met Syl. Het meningsverschil liep uit op een uitbundige vechtpartij. Aan mijn gezicht zagen de knulletjes meteen hoe laat het was.
“Aan tafel” zei ik, “allebei.”
Na een pedagogisch verantwoord gesprekje liet ik hen nog even aan tafel zitten, met wat boekjes. Natuurlijk kwam op dat moment Melles papa binnen. Hij zei niets maar zijn gezicht sprak boekdelen: hij was het hier niet mee eens.
Helaas voor vader en zoon eindigde de volgende dag wéér met een reprimande. Ik voelde de bui al hangen…
“Wat doe jij binnen met dit weer?!” vroeg papa verbaasd.
“Ik moest mee naar binnen om te praten" fluisterde Melle, “want ik heb Syl gestompt.”
Nu richtte papa zich tot mij.
“Dus alle kinderen zijn hier lekker buiten aan het spelen en mijn kind zit binnen. En daar krijg ik elke maand een dikke rekening voor. Papa kan het betalen.”
Hij keek me niet aan terwijl hij sprak.
“Dat Melle een kind stompt kunnen wij niet zomaar tolereren en dat weet hij” verklaarde ik.
Papa was not amused. Hij pakt Melle bij zijn arm en nam hem mee naar buiten. Syl rende achter Melle aan om dag te zeggen.
“Ha Syl,” zei de papa van Melle en vervolgde op overdreven luide toon “heeft jouw papa de rekening al betaald?”
Zo. Dat was nog even een trap na voor mij.
Ik besloot dat ik genoeg geslikt had van deze puberende papa en bedacht drie opties.
1. Hij communiceert met onmiddellijke ingang op een normale, volwassen manier met me,
2. óf ik nodig hem uit voor een gesprek over zijn manier van communiceren,
3. óf hij krijgt een koekje van eigen deeg.
Een nieuwe dag met nieuwe kansen, voor iedereen. De papa van Melle kwam binnen en graaide twee koekjes uit de trommel.
“Oohh! Hij pakt twee koekjes! Dat mag niet!” riep een van de kleuters.
Hoewel ze zelf nogal eens ‘per ongeluk’ de fout in gaan, hebben ze een soort voelsprieten voor de ‘foutjes’ van anderen. Soms is dat best handig.
“Hij moet het ook eerst vragen!” riep de tweede.
Een derde bijdehandje wist er nog aan toe te voegen “en hij heeft niet eens eerst zijn handen gewassen.”
Ineens vulde mijn lijf zich met een tevreden, warm gevoel: wat was ik trots op mijn ukken!
“Dus, nou moet de papa van Melle straf hè?” zei de eerste kleuter.
Ik keek de papa met mijn meest autoritaire blik aan.
De papa keek terug met een blik van wat-krijgen-we-nou?!
De ene helft van de groep begon te giegelen en de andere helft hield van spanning de adem in.
“Tsja papa, ook dat hoort bij de regels. Zoals je merkt weten alle kleuters prima hoe het hoort. Misschien moeten we het even over de afspraken hier hebben?”
“En dan sorry zeggen, hè juf?” maakte Melle het gebruikelijke scenario af.
“Juistum, wijsneus.”
Sommige ouders hebben meer nood aan opvoeding dan hun kinderen. En op die momenten is er niets mooier dan een kind dat zijn ouders het goede voorbeeld geeft. Dat volwassen communicatie de komende tijd waarschijnlijk nog even een no-go is neem ik dan maar voor lief.
1 maart 2010
[Het nieuwe veilig rijden]
Ik ben dus pedagoog. Echter, wegens bezuinigingen ben ik tegenwoordig ook:
- chefkok (ouders en kinderen kunnen bij ons dineren)
- zwembegeleider (als de school geen zwemles aanbiedt, doen wij het wel)
- ergo-coach (lekker de hele dag collega’s aan de kop zeuren over verkeerde houding en bewegingen)
- Vrouw Holle (onze gastvrouw is wegbezuinigd)
- administratief medewerker (u denkt toch niet dat de baas zelf al die formulieren in gaat zitten vullen)
- telefoniste (voor al uw vragen, klachten, bestellingen en overige opmerkingen)
- taxichauffeur (onze professionele chauffeurs zijn ook wegbezuinigd)
Het besturen van de taxibus vind ik zelf wel een kloeke bijkomstigheid. Maar de collega’s begonnen stante pede te steigeren. Eén van hen vond het zo eng dat ze haar ontslag heeft ingediend. Zelfs de speciaal ingelaste rijlessen konden haar daar niet van weerhouden. En dat terwijl ze zich helemaal geen zorgen hoefde te maken!
En wel hierom.
Toen ik voor mijn eerste rit de autosleutel pakte, bungelde er een zilveren hangertje aan. Het was Sint Christoffel, beschermheilige van de reiziger. Dat laatste wist ik toevallig omdat ik de dag ervoor ‘Der Unhold’ had gezien; een film waarin de symboliek van deze heilige werd uitgelegd. Zelf ben ik zo katholiek als een omgekeerd kruis. Mijn beschermheiligen bestonden tot voorkort uit gordels en airbags.
Ik hing Christoffel aan de achteruitkijkspiegel want dat leek me wel zo leuk voor hem, beetje uitzicht enzo. Hij zag er tevreden uit. Toen ik terug kwam met een bus vol kinderen, ongedeerd en wel, vroeg ik mijn baas wie er zo attent was geweest.
“Hoe bedoel je?” vroeg mijn baas.
Ik hield Christoffel voor haar neus.
“Oh!” riep mijn baas. “Die kwam met de zegening!”
“Wablief?!” riep ik verbaasd.
De baas legde uit dat de pastoor een week eerder speciaal was uitgerukt om de taxibus te zegenen en dat hij ons Christoffel had geschonken.
“Als een soort relatiegeschenk bij een hemelse verzekering?” vroeg ik.
Hoewel ik me even later bedacht dat het misschien een wat ongepaste reactie was, schoot ik keihard in de lach.
“Met Christoffel bij de hand, rijd je veilig door het land!” grapte ik verder.
Al snel werd ik tot de orde geroepen. Als heiden in een katholiek bolwerk heb ik nog een hoop te leren. Het zegenen van ‘dingen’ is hier namelijk al heel lang de normaalste zaak van de wereld. Of het nu een auto is of een stoomschip, een rollator of een kunstheup, alles kan gezegend worden. Dat aardse verzekeringsmaatschappijen hier nog werk hebben mag een klein wonder heten.
Bij navraag bleek dat de collega die eerder doodsangsten uitstond zich beduidend veiliger voelde na dit ritueel. Nou, daar was ik dan gezegend mee. Toen ik voor het eerst als passagier bij haar in de taxibus zat, zwiepte Christoffel zo hard heen en weer dat hij bijna de spiegel stuk sloeg. Ik zag paniek in zijn kleine zilveren oogjes. Of was het wagenziekte?
“Morituri te salutant” mompelde ik zachtjes terwijl ik me aan het dashboard vasthield en angstig terug keek naar Christoffel, die inmiddels weer glimlachte. Hij had ondertussen natuurlijk bedacht dat hem, als reisheilige, niets kon overkomen. Bovendien was hij van zilver.
“Whooeeee, aaahhh!” deed mijn collega en pakte een stoeprandje mee. Zo croste in derde versnelling over een rotonde, schold een fietser uit (katholieken vloeken hier meer dan ketters), ramde op de claxon en trapte toen vol op de rem voor een zebrapad.
“Nou, dat ging best lekker” zei de collega toen ze de bus voor de school geparkeerd had.
Ik keek naar Christoffel. Zou hij de reden zijn dat ik nog steeds in die taxi zat in plaats van in een ambulance? Hij was in ieder geval wel de aanstichter van het waaghalsgedrag van mijn collega. Lekkere talisman dan.
“Bedankt hè, Stoffel” zei ik tegen het zilveren mannetje. Ik startte, bij gebrek aan vertrouwen in de stuurkunsten van mijn collega, zelf de motor voor de terugreis.
“Je vindt het vast niet erg dat ik gewoon op mijn gordel en airbag blijf vertrouwen, toch, Stoffel?”
Ik zweer je dat ik hem zag grijnzen.
- chefkok (ouders en kinderen kunnen bij ons dineren)
- zwembegeleider (als de school geen zwemles aanbiedt, doen wij het wel)
- ergo-coach (lekker de hele dag collega’s aan de kop zeuren over verkeerde houding en bewegingen)
- Vrouw Holle (onze gastvrouw is wegbezuinigd)
- administratief medewerker (u denkt toch niet dat de baas zelf al die formulieren in gaat zitten vullen)
- telefoniste (voor al uw vragen, klachten, bestellingen en overige opmerkingen)
- taxichauffeur (onze professionele chauffeurs zijn ook wegbezuinigd)
Het besturen van de taxibus vind ik zelf wel een kloeke bijkomstigheid. Maar de collega’s begonnen stante pede te steigeren. Eén van hen vond het zo eng dat ze haar ontslag heeft ingediend. Zelfs de speciaal ingelaste rijlessen konden haar daar niet van weerhouden. En dat terwijl ze zich helemaal geen zorgen hoefde te maken!
En wel hierom.
Toen ik voor mijn eerste rit de autosleutel pakte, bungelde er een zilveren hangertje aan. Het was Sint Christoffel, beschermheilige van de reiziger. Dat laatste wist ik toevallig omdat ik de dag ervoor ‘Der Unhold’ had gezien; een film waarin de symboliek van deze heilige werd uitgelegd. Zelf ben ik zo katholiek als een omgekeerd kruis. Mijn beschermheiligen bestonden tot voorkort uit gordels en airbags.
Ik hing Christoffel aan de achteruitkijkspiegel want dat leek me wel zo leuk voor hem, beetje uitzicht enzo. Hij zag er tevreden uit. Toen ik terug kwam met een bus vol kinderen, ongedeerd en wel, vroeg ik mijn baas wie er zo attent was geweest.
“Hoe bedoel je?” vroeg mijn baas.
Ik hield Christoffel voor haar neus.
“Oh!” riep mijn baas. “Die kwam met de zegening!”
“Wablief?!” riep ik verbaasd.
De baas legde uit dat de pastoor een week eerder speciaal was uitgerukt om de taxibus te zegenen en dat hij ons Christoffel had geschonken.
“Als een soort relatiegeschenk bij een hemelse verzekering?” vroeg ik.
Hoewel ik me even later bedacht dat het misschien een wat ongepaste reactie was, schoot ik keihard in de lach.
“Met Christoffel bij de hand, rijd je veilig door het land!” grapte ik verder.
Al snel werd ik tot de orde geroepen. Als heiden in een katholiek bolwerk heb ik nog een hoop te leren. Het zegenen van ‘dingen’ is hier namelijk al heel lang de normaalste zaak van de wereld. Of het nu een auto is of een stoomschip, een rollator of een kunstheup, alles kan gezegend worden. Dat aardse verzekeringsmaatschappijen hier nog werk hebben mag een klein wonder heten.
Bij navraag bleek dat de collega die eerder doodsangsten uitstond zich beduidend veiliger voelde na dit ritueel. Nou, daar was ik dan gezegend mee. Toen ik voor het eerst als passagier bij haar in de taxibus zat, zwiepte Christoffel zo hard heen en weer dat hij bijna de spiegel stuk sloeg. Ik zag paniek in zijn kleine zilveren oogjes. Of was het wagenziekte?
“Morituri te salutant” mompelde ik zachtjes terwijl ik me aan het dashboard vasthield en angstig terug keek naar Christoffel, die inmiddels weer glimlachte. Hij had ondertussen natuurlijk bedacht dat hem, als reisheilige, niets kon overkomen. Bovendien was hij van zilver.
“Whooeeee, aaahhh!” deed mijn collega en pakte een stoeprandje mee. Zo croste in derde versnelling over een rotonde, schold een fietser uit (katholieken vloeken hier meer dan ketters), ramde op de claxon en trapte toen vol op de rem voor een zebrapad.
“Nou, dat ging best lekker” zei de collega toen ze de bus voor de school geparkeerd had.
Ik keek naar Christoffel. Zou hij de reden zijn dat ik nog steeds in die taxi zat in plaats van in een ambulance? Hij was in ieder geval wel de aanstichter van het waaghalsgedrag van mijn collega. Lekkere talisman dan.
“Bedankt hè, Stoffel” zei ik tegen het zilveren mannetje. Ik startte, bij gebrek aan vertrouwen in de stuurkunsten van mijn collega, zelf de motor voor de terugreis.
“Je vindt het vast niet erg dat ik gewoon op mijn gordel en airbag blijf vertrouwen, toch, Stoffel?”
Ik zweer je dat ik hem zag grijnzen.
Abonneren op:
Posts (Atom)

