30 november 2007

[De onuitstaanbaarheid van groen plastic]

Vannacht, toen ik dan eindelijk sliep, krabbelde hij stiekem op en beet (nood aan zekere uitsluiting) me de strot (expressief vermogen) door. Ik had hem niet horen naderen. Ook had ik hem niet gezien, niet kúnnen zien, daar hij de exacte kleur van het donker, waarin ik sowieso al geen hand voor ogen zag, aangenomen had. Koud kunstje voor een prins der Duisternis. Ineens drukte hij zijn wijd opengesperde mond, die verdacht menselijk aandeed, tegen mijn keel – ik schrok niet, wat ik achteraf nogal opmerkelijk vind maar in slaapwanen gebeuren die dingen. Eerst zoog hij zich vast. Het leek uren te duren, een vreselijk gevoel. En de hitte, steeds heter werd het, ik baadde in mijn eigen zweet. Toen beet hij. Ik hoorde aderen knappen, gebeente kraken. Pezen werden losgerukt van de larynx. Mijn strotklep klapperde zo hard dat het afbrak. Mijn keel mocht aan gort liggen, de rest van mijn lijf bleef intact en dat wilde ik graag zo houden. Het spreekt vanzelf dat ik hem wel móest vermoorden.
De nachtmerrie was zo zwart dat mijn hoofd verkoolde. In die toestand was ik bang dat het in stof uiteenviel. (hm)
Een korte, droomloze slaap volgde. Toen schraapte iets van metaal op bakstenen me wakker.

Woorden die ik gisteren las, en kennelijk de hele nacht stilletjes boven mijn hoofd gehangen hebben, kletteren op me neer. Ik vraag me er van alles bij af doch twijfel niet aan hun waarheid. Moet ze echter wel van me af laten glijden. Niet in de waan geraken dat ik er wellicht iets mee van doen heb. Zelfs al is mijn onschuld niet bewezen – moge dat zo blijven. Wie heeft de hoop uitgevonden? Zij is kwaadaardig!

Kwaadaardig is ook de verleiding. Heerlijk wanneer je het je kunt permitteren. Het neemt bezit van de zenuwen wanneer er interdictie op rust en je wikt en je weegt, wel, niet, wel, niet. Vandaag zeer zeker wel. Met 'Verschijningen' in bruin papier gewikkeld, reed ik verheugd naar huis. Ik dwaal graag rond in de onwerkelijke werelden van de anderen. Het is een der meest onweerstaanbare verleidingen. Maar zoals de herfst vandaag nukkig aan mijn lijf rukte, zal ik me nu van hun mijmeringen, dromen en hallucinaties moeten losrukken. De werkelijke wereld doet een beroep op mijn gastvrijheid (dank u sinterklaasje). En plastic.

29 november 2007

[Trepanatie]

Ik ben gemankeerd maar blijf erbij dat het beter is mank te lopen dan kreupel te denken. Ik piep en knars als ongeoliede scharnieren, slijtage, het ouder worden is een wreed proces (alsof ik 36 ben in 1964: ik sta niet langer ik lig en verga (sv), hoor maar – moet je toch eens horen!). Ook zijn mijn schenen beurs. Bont, blauw. Maar dat is geheel te wijten aan jongerdom anno 2007. Wat veel erger is: de duivel is in mij gekomen, werpt zich onophoudelijk met vol gewicht tegen mijn schedelwand. Voortdurend hoor ik zijn schelle sardonische schaterlach. Ik word gereduceerd tot een door de kwelling van de Hel geteisterd wezen. Het is om stapelkrankzinnig van te worden. Met dronken schreden zwalkt hij door mijn lijf en eist daarmee al mijn aandacht op. Aandacht die ik nodig heb om mij op een belangrijke missie te voor te bereiden. Morgen. Ondanks alles is nog niets verloren. Nu een anesthetisch grapje uithalen. Zes maal 500 mg acetaminophen, dat hij zich eindelijk gedeisd houdt.

[Er bewolkt uitzien]

Oh herfst - stortbad van melancholie. Nu eens verkleum je me niet tot op het bot en ook blaas je me geen bontgekleurde loper van dorre bladeren voor de voeten. In plaats daarvan overspoel je me met weemoedige waterlanders. Wat scheelt eraan? In mijn vraag vergeefse hoop op weerklank.

28 november 2007

[Verzadiging en purificatie]

Soms ben ik zo in de war dat er ineens een wolk van kalmte op me neerdaalt. Ik hoef maar te springen en mijn hoofd zit erin vast. Als ik maar voorzichtig beweeg, blijft die wolk gerust uren om mijn kop geklemd zitten. Soms dagen, dan neem ik hem ook mee naar bed. Dat slaapt heerlijk, zo'n wolk om je hoofd. Was hij er maar elke nacht; het zou met de insomnie voorgoed gedaan zijn. Het is niet zo dat mijn zicht erdoor belemmerd wordt. Dat zich een mistwaas voor mijn ogen manifesteert waardoor de wereld steeds vervormt of dat ik door de duizenden minuscule ijskristallen de dingen zie als door een caleidoscoop, dat is een misvatting. Ik kan namelijk prima zien door deze wolk heen. Alles is juist heel helder, zonder bijbedoelingen of verborgen agenda's. Alles is zoals het is en zo is het alleen met die wolk om mijn kop, anders niet.

Vroeg of laat verdwijnt de wolk weer. Meestal verdampt hij maar soms regent hij uit. Een grote post nubila stortvloed. Ik kan de dreiging al voelen.

27 november 2007

[De jaren van verstand]

We zien er jonger uit dan we ons voelen en ouder dan we zijn. (mb)
Lang zal ik leven!


Ik strekte mijn lichaam uit, van het puntje van mijn tenen tot mijn kruin, hief mijn armen, drukte mijn handen plat tegen elkaar aan, ademde diep in, uit en nog eens in, zakte beheerst een klein stukje door mijn knieën, zwaaide mijn armen naar achteren en dook. Met een plons, ik ben nooit een begenadigd duiker geweest, kwam ik in mijn eigen levenspoel terecht.

Klaar voor mijn speurtocht, klaar om dat te zoeken wat ik tot nu toe voor mezelf verborgen hield. Ik kon alle kanten op. Waar zou ik als eerste heen zwemmen? Omlaag, meteen de diepte in, via mijn dij door de knieën, langs mijn kuit naar mijn tenen. De schatten die daar op de bodem voor mij verstopt lagen! Het waren er ontelbaar veel. Als ik echt iets wilde, ontdekte ik nu, hoefde ik het dus maar uit mijn tenen te halen en de meest onvoorstelbare dingen zouden gebeuren. Ik wist niet dat ik het in me had.

Het lag ook zo diep, nogal wiedes dat je daar als mens met je verstand niet makkelijk bij kunt. Ik mag dan zes zwemdiploma's bezitten, mijn brein heeft nooit leren zwemmen, hooguit watertrappelen. Blij toe dat het nooit een poging gewaagd heeft; ik zie mijn brein toch niet graag verdrinken. Dat ik op een dag niet meer wakker word en men de lijkschouwer erbij haalt en dat deze dan al fronsend op zijn lip bijt en moet constateren dat mijn brein die nacht is aangespoeld ter hoogte van mijn linker bil. Een drenkeling, een onfortuinlijk kwabbig grijs hoopje drilpudding. Niets meer aan te redden. Dat zou al te tragisch zijn.

Ik zwom terug omhoog en dook nog vele schatten op. Tot in de topjes van mijn vingers, zelfs achter mijn oren wemelde het ervan. Wie had al deze rijkdom ooit kunnen vermoeden? Ik niet.

[Beeldkunst, kunstbeen, beengebreek, breakbeat]



Marcel Duchamp (experimentele film uit de jaren '20) versus Venetian Snares (Szamar Madar).

26 november 2007

[In memoriam]

Eerst was ze daar in donkerblauw, met fonkelende stippels. Ik herinner me dat ik vol verbazing naar haar staarde en me afvroeg of ik ooit iets mooiers gezien had. Zo bleef ze een tijd lang in mijn geheugen gegrift staan. Later werd ze voorzichtig paars en nog later rood en steeds roder en roder. Van alles wat rood is, moet zij toch wel het roodst geweest zijn. Tot ze op een dag grijs werd. Daar schrok ze zelf van maar er was niets aan te veranderen, hoe zeer ze ook haar best deed. Allerlei verschillende tinten grijs is ze geweest voordat ze zwart werd. Er leek geen eind aan te komen, al dat grijs. Ze is ook wel eens groen geweest met gele stippen. En roze met zilveren randjes. Een enkele keer, in een gekke bui, kwam ze voor de dag als een soort van bonte lappendeken. Maar dat is lang geleden. Ze werd zwart en liet zich geen kleuren meer aanmeten. In het begin hing het zo'n beetje om haar heen, het zwart, nogal onverschillig vond ik zelf. Waarschijnlijk was ze er zelf ook niet helemaal tevreden mee want al snel begon ze ijverig te draperen en te plooien, hier een steekje, daar een speld, en ging daar een tijdje mee door tot het uiteindelijk naar haar zin was. Kort daarop stierf ze. Vandaag herdenk ik haar en vraag me af of ik misschien een rouwbericht had moeten plaatsen, toen.

25 november 2007

[Mais vous tremblez]

Een rilling. Inderdaad, dat is het. Een gevaarlijke rilling, dat wel. Een onheilspellende rilling. Een rilling die onschuldig begint en zich ontpopt tot een verwoestende beving. Die beving kan op zich laten wachten, maar komen zal hij. Altijd weer. De rilling is voorwaardelijk. Zonder rilling geen beving. De rilling heeft een ontspannend en tegelijk opwekkend effect. Je kunt je er comfortabel in nestelen of er euforisch in rondtollen. Het voelt als een droom, een hallucinatie. En mede daarom is het zo gevaarlijk. De rilling verdooft, verlamt, vergiftigt, schakelt alle alarmsystemen uit, zodat de beving je altijd overvalt. En het lullige is dat je het gewoon had kunnen weten. Je wist dat het zou komen omdat je wist van de regel: als rilling, dan beving.

Ik graaf in mijn herinneringen oude rillingen op. Los van hun oorspronkelijke context kunnen ze vrij veilig herbeleefd worden zonder dat daar een beving bij komt kijken. Ze blijken redelijk chronologisch opgeslagen en zodoende stuit ik als eerste op een kale, licht glooiende vlakte. Zevenendertig graden, schat ik. Wanneer ik mijn wang ertegenaan duw, absorbeert mijn huid de warmte. Het is een idyllisch plekje waar mijn slapeloosheid er niet toe doet. Ik word gehypnotiseerd door een zacht geruis en een dof ritmisch getik, adem langzaam en oppervlakkig in de maat, ga op in een poel van rust. Stel je voor dat dit het einde van de wereld is, wat zou het een geluk zijn om hier, nu, te mogen sterven. Ik voel mijn glimlach verslappen en van mijn lippen glijden. De slaap dient zich aan. Ik zal niet leven en toch ouder worden maar die gedachte kan mij niet onthutsen. Ik zal ontwaken en daar voor deze keer vrede mee hebben omdat ik weet dat zodra ik mijn ogen ontsluit, het zomer zal zijn. En dat is bijzonder, in tijden van herfst.

Nu herfst het onstuimig (er rest geen spoor van zomer - helaas); een prima voorwaarde voor slaap en toch is de slaap in geen velden of wegen te bekennen. Moe worden van jezelf helpt niet. Lezen over slapen helpt evenmin. Het inspireert, niet tot slapen maar tot overpeinzen en experimenteren.

Slapen is een hele klus, soms zelfs een helse. Ten eerste zijn de dekens reeds ontzettend zwaar en (...) de lakens, dat is een soort plaatstaal. Als je alle dekens weghaalt weet elk mens wat er gebeurt. Na een paar overigens onmiskenbaar rustige ogenblikken word je de ruimte in geslingerd. Het dalen vindt vervolgens plaats met abrupte rukken waar je adem van stokt. Of je trekt (...) je knieën op naar je kin. Dat is niet aan te raden want dan gaat het water in je buik aan het draaien (...); met zo'n tol kan je niet slapen. Sommigen gaan daarom resoluut op hun buik liggen maar dan vallen ze meteen - ze weten het, maar zeggen: pech gehad - in een of ander diep ravijn, en hoe laag ze ook liggen, er is altijd wel iemand die ze een trap onder hun achterwerk verkoopt om ze nog verder omlaag te krijgen, almaar lager. Vandaar dat bedtijd door zovelen wordt ervaren als een ongeëvenaarde foltering. (hm)

24 november 2007

[Drijfveren]

Is er iets in mij waarvan ik vervuld ben, waarvan ik verlost moet worden? Het is onmogelijk, want zodra ik van mijn vervulling verlost ben, zal ik er des te meer van vervuld zijn. Wat kan de plaats van dit 'iets' innemen? Wat zal er precies op die plek passen en zich er thuis voelen? Ik kan er geen woorden voor vinden of ze verlaten me voordat ik hen de weg naar mijn tong kan wijzen.

Hoe kan ik me zo vast klampen aan iets dat ongrijpbaar is? Een concept waarvan ik slechts voel dat het bestaat maar wat ik onmogelijk kan beschrijven. En hoe kan ik het loslaten als ik het niet eens kan beet pakken? Er zouden messen aan te pas moeten komen om het uit me te snijden. En na deze amputatie zou ik pillen moeten slikken om de achtergebleven fantomen te verdrijven. Bij de gedachte word ik al moe.

Ik sta geblinddoekt aan het front tegenover vijanden die ik niet kan identificeren. Ze verplaatsen zich snel en geluidloos. Het werkt op mijn zenuwen maar ik weet dat ze niet zullen aanvallen. Ze zijn zich ervan bewust dat hun aanwezigheid voldoende is. Althans; dat is wat ik denk. Ze maken me boos. De woede balt zich in mij. Ziedend. Des duivels. Kwader kan niet! (bv)

Maar er zijn geen vijanden. Geen monsters of bevechtbare beesten. Ik kan ze niet te lijf gaan want ze hebben helemaal geen lijf. Mijn woede ebt onverrichter zake weg, wellicht door vermoeidheid (...), en toch kan ik niet om de illusie heen dat mijn vijanden zijn weggevlucht zonder het gevecht aan te gaan. (hm)

17 november 2007

[Pietenplaag]

De goeie ouwe heiligman staat nog niet koud met zijn schimmel op de kade of ik heb mijn eerste presentje al in mijn schoen. En ik had 'm nog niet eens gezet want ik moest hem nog afrekenen, dus feitelijk was het nog niet echt mijn schoen maar ik had hem al wel geannexeerd. Goed dat ik de pinpas nog niet door de gleuf getrokken had want het presentje bestond uit een fikse-korting-op-je-nieuwe-schoenen-coupon. Toevallig precies wat ik op dat moment graag wilde. Hoe weet zo’n oude man dat nou? Had nog niet eens de kans gekregen er even gauw een verlanglijstje met klontje voor de knol in te proppen.

Word wel een beetje iebel van die zwarte putschisten die zich nu kennelijk ook buiten het Land van Sint bevinden en ineens vanuit allerlei hoeken en gaten opduiken. Hoge hoogtepiet bijvoorbeeld. Wegens brutale mond ("zeg, je hoeft nu niet meteen zo uit de hoogte te doen hè") geen handje strooigoed voor ondergetekende. Tsja. Had die pedante slungel ook maar niet op zo'n kleinerende toon moeten zeggen dat hij op die manier goed op mij neer kon kijken toen ik opmerkte dat dat hij op dat setje overdreven lange kuierlatten op mij wel een tikkeltje intimiderend overkwam. Zo wens ik door een wildvreemde niet toegesproken te worden. Ook niet als het een zwarte piet van twee-en-een-halve meter lang betreft. Stel ik geen prijs op.


Boodschappen doen wordt er met dat pietengespuis ook niet makkelijker op. Eerst wordt me de toegang tot een winkel belet omdat de een of andere wethoudende piet een lintje moet spannen dat de knippiet vervolgens met veel bombarie doorknipt. Dan springt er een paparazzipiet voor mijn neus om de feestelijke toestand vast te leggen op de gevoelige plaat. Vervolgens moet ik bij de kassa een hele tijd wachten omdat geile piet de enige kassajuf ontvoert naar het magazijn. Dan kan ik er weer niet uit omdat er een banketpiet taart uit staat te delen bij de uitgang waar de klanten als mieren op siroop op af stevenen. Krijg ik eindelijk de kans het pand te verlaten, word ik bijna onder de voet gelopen door een twintigtal fanfarepieten. Halleluja. Er liepen zelfs SP-pieten rond. Ik maak geen grap! Gratis schuursponzen uit de zak van Sint Marijnissen.

Vonden de kinderen niet leuk. Die willen natuurlijk pepernoten zien want hoe grappig zij die pieten ook vinden, uiteindelijk komen ze voor de vreterij. Daar zal het de komende weken wel snor mee zitten denk ik zo. Tegenwoordig kun je op vijf december scrabble, of op z'n minst galgje spelen met al je banket- en chocoladeletters. Denk je in de supermarkt een bloemkool, bananen en een karbonade in je mandje te leggen, zijn het marsepeinen exemplaren. Krijg je 's ochtends je schoen niet aan dan moet je hem voor de gein eens ondersteboven houden: kruidnoten! Getverdemme. Dat vind ik wel zo'n onfrisse aangelegenheid, etenswaar in je schoenen stoppen.

En dan moeten wij begrijpen waarom er vijf jaar geleden zoveel ophef ontstond om het feit dat het islamitische suikerfeest op vijf december viel. Dat hele sinterklaasfeest is toch één groot suikerfeest, of zie ik dat nu verkeerd? Het enige verschil zit 'm hierin dat wij westerlingen biechten na de zonde, om zo maar te zeggen, op laste van het voedingscentrum. Wij noemen dat hier een balansweek. Wat is er gebeurd met de appeltjes van oranje? Of is dat nu een hele Pietluttige vraag?