Is er iets in mij waarvan ik vervuld ben, waarvan ik verlost moet worden? Het is onmogelijk, want zodra ik van mijn vervulling verlost ben, zal ik er des te meer van vervuld zijn. Wat kan de plaats van dit 'iets' innemen? Wat zal er precies op die plek passen en zich er thuis voelen? Ik kan er geen woorden voor vinden of ze verlaten me voordat ik hen de weg naar mijn tong kan wijzen.
Hoe kan ik me zo vast klampen aan iets dat ongrijpbaar is? Een concept waarvan ik slechts voel dat het bestaat maar wat ik onmogelijk kan beschrijven. En hoe kan ik het loslaten als ik het niet eens kan beet pakken? Er zouden messen aan te pas moeten komen om het uit me te snijden. En na deze amputatie zou ik pillen moeten slikken om de achtergebleven fantomen te verdrijven. Bij de gedachte word ik al moe.
Ik sta geblinddoekt aan het front tegenover vijanden die ik niet kan identificeren. Ze verplaatsen zich snel en geluidloos. Het werkt op mijn zenuwen maar ik weet dat ze niet zullen aanvallen. Ze zijn zich ervan bewust dat hun aanwezigheid voldoende is. Althans; dat is wat ik denk. Ze maken me boos. De woede balt zich in mij. Ziedend. Des duivels. Kwader kan niet! (bv)
Maar er zijn geen vijanden. Geen monsters of bevechtbare beesten. Ik kan ze niet te lijf gaan want ze hebben helemaal geen lijf. Mijn woede ebt onverrichter zake weg, wellicht door vermoeidheid (...), en toch kan ik niet om de illusie heen dat mijn vijanden zijn weggevlucht zonder het gevecht aan te gaan. (hm)
24 november 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten