28 december 2007

[Geen feest zo dol of er is wel een stol]

Het moet maar eens afgelopen zijn met de uitbuiting van de stol. Heb dit jaar al aan mijn neus voorbij zien komen:
- paasstol
- pinksterstol (was er ook een hemelvaartstol?)
- moederdagstol (waardoor een vaderdagstol niet uit kon blijven)
- zomerstol (herfststol, kortom: seizoenstollen)
- proefstol (hapklare testbrokken bij uw warme bakker)
- holle stol (potver! geen spijs!)
- sinterklaasstol (de banketletter is uit)
Je kunt het je zo gek niet voorstellen of er bestaat een stol voor. En nou komt het: ze smaken allemaal hetzelfde! Dan heb ik het natuurlijk nog niet gehad over de vele variaties op de standaardstollen. Pistachestol, Schwarzwalder Kirschstol, Mueslistol, Pina Colada staafstol, kwarkstol en verzin het allemaal maar.

Al deze verwaande luxe krentenbroden met spijs en soms een verdwaalde noot, wat stukjes sucade of een zoet laagje in de vorm van poeder of glazuur hebben er dus voor gezorgd dat ik niet meer optimaal kan uitkijken naar en genieten van mijn traditioneel stukje kerstbrood op kerstochtend. Want dat was vroeger iets om naar uit te kijken. Je kreeg het maar één keer per jaar en keek de paps dan net zo lang met grote Bambi-ogen aan tot hij smolt van vertedering, zijn stukje spijs uit zijn brood peuterde en op jouw krentenunit smeerde. Sinds er voor elke gelegenheid zo'n godvergeten stol bestaat, is de magie verdwenen. De stol is zo gewoon geworden als een plakje kruidkoek. Men solt met de stol. We worden lam gestold. De stol is de nieuwe multi-inzetbare gelegenheidsversnapering voor jong en oud.


Binnenkort ook:

- trouwstol (weg met die bruidstaart)

- afstudeerstol (weg met bitterballen)

- geboortestol (weg met bemuisde beschuitjes)

- valentijnsstol (zoet, klef en roze)

- crematiestol (vers uit de oven)

- suikerfeeststol (want de stol is er voor iedereen, denk ook hanukkahstol)

- Abrahamstol (of Sarahstol)

- bevrijdingsstol (met Hollandse vlaggetjes)

- paracetastol (hoe overleef ik derde kerstdag)

- nieuwjaarsstol (we kunnen geen oliebol meer zien maar van de stol krijgen we geen genoeg!)

Et cetera. Ik voorspel het u.

24 december 2007

[Laat maar komen]

I cannot sleep and I do not expect to sleep - I do not even hope to sleep. In de nacht het geluid van stervende dromen. Kreunend en klagend aan mijn bedrand. Dan langzaam en moedeloos uiteenvallend. Zich overgevend aan het verleden. I cannot sleep while I lie awake. I cannot dream while I lie awake. I do not dare to dream for dreams will die. Elke gestorven droom vormt een stukje van mijn eigen dood. To live means to dream. To dream means to die. Ik ben moe. Te moe om te denken. Te moe om te voelen. Te moe om te slapen. I cannot sleep. I cannot sleep. I cannot sleep! The only thing not sleeping is my inability to sleep. Een verlangen worstelt zich vrij. Naar een nieuwe droom, ongeacht haar sterfelijkheid. Naar de slaap waarin zij zich kan manifesteren. Naar het aanbreken van de dag waarop ik met hernieuwde moed haar bestaan durf te erkennen. Misschien zelfs durf te leven. New dreams are born where old ones die.

23 december 2007

[Ontstoffing]

Zaterdagavond. Niets te doen. Even de ouders bellen voor ‘n bakkie. “Bakkie? Bakkie? Nou vooruit, effe gauw dan en wel op tijd komen want daarna gaat er bruut gefeest worden en dan kan er van koffie voorlopig geen sprake meer zijn.” Dat ik het even wist. Mijn ouders (en de mamakant van mijn familie) ontpoppen zich soms spontaan tot woeste feestbeesten. Een beetje vreemd misschien maar wel erg gezellig. Voor vertrek zag ik in mijn mailbox een uitnodiging voor een reünie. De locatie lag toevallig op de route dus why ook not. Mij wordt wel eens verweten dat ik ‘verstof’ of ‘onder een steen leef’ dus dit leek me een goede gelegenheid om even met de plumeau langs mijn stoffige imago te gaan.

Dat zou ik weten ook. Bij aankomst kreeg ik meteen een roodzwarte boa omgeworpen (“Meeiiid, leuk bij je haar!” – die middag smeerde ik er in een wilde bui een tube knalrode verf in om te zien of dat na vijf jaar nog wat deed, met stoplichteffect als gevolg). Dacht ik dat we naar een fatsoenlijke kroeg gingen dan had ik het mooi mis. Het bleek namelijk een soort schuur (‘privécafé’) te zijn. Midden in een weiland. Vol gekleurde lampjes en met een podium, een bar en een openhaard. Het deed me een beetje denken aan de kraakfeestjes van vroeger, maar dan sfeervol. En lekker warm.

Mijn pa, die naar eigen zeggen doodziek wordt van die eeuwige kutpinda’s overal, trok uit zijn binnenzak twee doosjes kaaskoekjes, stalde ze uit op onze statafel en nodigde me uit toe te tasten (“koekjederbij?”). Voor ik het wist, had ik een glas wijn in mijn hand en werd ik heen en weer geslingerd in de dansende menigte. “Zo Wen, aan de vino?” riep mijn tante Co verheugd. Mams stond er ook van te kijken. Zelfs ik moest er even aan wennen want ik heb twee weken geleden pas geleerd het te waarderen. “Beter laat dan niet” besloot ze “goede smaak komt net zoals ouderdom met de jaren”. Of ik dan wel eens door wilde hijsen want het volgende rondje was in aantocht. Als ik niet op zou passen zou ik terplekke een praktijkles Co-ma-zuipen krijgen.

Paps greep mijn arm, keek me indringend aan en brulde toen vol overtuiging “Booorn to be wiiiiild!”. Mams keek verzot in zijn richting. Paps deed een mal dansje en gaf mams een knipoog. Zou ik geluk moeten omschrijven dan zou het dat wat mijn ouders bindt zijn. Dat zij na dertig jaar nog zo blij met elkaar zijn, is in tijden van scheidingen, huiselijk geweld, vervreemding en zeventig-urige werkweken toch iets bijzonders.

Er klonk een luid gegil, gefluit en geapplaudisseer, The Good Fellows (de stoere mannenband van mijn oom) beklommen het podium. Je weet niet wat je meemaakt wanneer die los gaan. Althans, ik als voormalig muurbloempje had toch zeker een nummer nodig om van de schrik te bekomen. Meer tijd kreeg ik niet want paps trok me naar voren om een potje te rocken, mijn tante Co stak me nog gauw een nieuw drankje toe en sloeg de barman, die haar eigen glas waar nog een centimeter bier in zat mee wilde nemen, tegen zijn hoofd. “Daar zit nog zeker voor een euro in hoor!” Je kunt veel van de Schrama’s zeggen maar je maakt ze dus niks.

Mams en ik bleken hetzelfde lievelingsnummer te hebben (Slowdown) en riepen na afloop heel hard om deze specifieke encore. Mams waagde het hierbij zelfs een barkruk te beklimmen, tot groot vermaak van mijn oom en tante. Omdat paps dit gevaarlijk vond, liep hij naar voren om bij Arie ons liedje aan te vragen. De lieverd. We dansten en we zongen. We lachten en we dronken. Ik voelde me dwaas en gelukkig tegelijk.

Toen het afgelopen was, kwam paps met een dampende bak leut aan lopen. “Tiet veur ’n bakske!” riep hij vrolijk. Oja. Ik was bijna vergeten dat ik de vrieskou nog in moest. Dit was slechts een opwarmertje voor de reünie van het jongerencentrum waar ik in mijn studententijd vaak kwam. “De tiet van gaan is gekomen” zei ik, groette iedereen en ging naar Magni. Ik zag geen bekenden. Beteuterd liep ik een rondje. Bijna wilde ik weer rechtsomkeert maken toen één van de dj’s me aanhield en ik toch nog bekenden spotte. “Strak outfit, lekker militaristisch, goed shirt ook, Laibach, ga ik meteen voor je draaien maar dan moet je nou wel als de sodemieter die dansvloer op!”. Zo geschiedde. Ik liet de steen, die ik voor de zekerheid toch weer met me meegetorst had, achter in de garderobe en danste het stof van me af.

22 december 2007

[Sneeuwsnakken]

Ik had sneeuw besteld. Niet dat je bij het KNMI een aanvraagformulier voor bepaalde weersomstandigheden kunt indienen of zoiets. Ik wilde gewoon bovengemiddeld graag dat het vandaag zou gaan sneeuwen en staarde de hele middag met een smachtende blik naar het grijze wolkendek, alsof de hand van Zeus elk moment gehoor zou kunnen geven aan mijn wens.

Dat kun je wel eens hebben. Een onstilbaar verlangen naar sneeuw, heel veel sneeuw. Van die helderwitte, vederzachte, droge sneeuw. Van die sneeuw die knispert onder je schoenen. Van die sneeuw waar je mieterse sneeuwpoppen van kunt bouwen. Van die sneeuw die zelfs boven op je hoofd nog geruime tijd blijft liggen. Van die sneeuw die de boomtakken onder het gewicht ervan krakend doet neerbuigen. Van die sneeuw waar de wereld tijdelijk een heel stuk mooier van wordt. Sneeuw van dien aard.

De kou heeft de sloten bevroren. Er zijn wedstrijden geschaatst op natuurijs. De wereld is prachtig wit, dat wel, maar ijzig wit. Niet sneeuwwit. Kennelijk zit het er niet in dat ik dit jaar nog getrakteerd zal worden op mijn favoriete atmosferische verschijnsel. Helaas. Dan maar een gedichtje en extra veel poedersuiker op de pannenkoek vanavond.

Licht, als water;
schitterklater,
tranenlach -
wonderwitte winterdag.
Verlangen gevangen
in blinkend blauw;
stiltesmacht -
wonderwitte winternacht.

20 december 2007

[Het zijn verwarrende tijden]

"Weten jullie eigenlijk wel wat er gevierd wordt als het kerstmis is?"
"Dat de kerstman jarig is!" roept kleuter 1.
"Echt niet!" roept kleuter 2 "Die komt alleen effe cadeautjes brengen voor onder de kerstboom."
"Ja, omdat hij dus jarig is dus." zegt kleuter 1.
"Nee, omdat het kerst is."
"Ja joh" valt een derde kleuter hem bij "en de kerstman kan helemaal niet jarig zijn want Jezus is al jarig met kerst."
"Maar juf" fluistert kleuter 4 in mijn oor "Jezus is toch gewoon de kerstman? Toch? Met een opplakbaard."

17 december 2007

[In een foto stappen]

Jij hebt de dingen niet nodig om te kunnen zien; de dingen hebben jou nodig om gezien te kunnen worden. ♥

11 december 2007

[Hersenstorm]

Gedachten schieten als ongeleide projectielen door mijn kop, ontploffen en de chaos wordt almaar groter. Ik kom niet uit mijn woorden tenzij ik schrijf, op papier dat niets terug zegt en niets verwacht. Het communiceren door dingen heen (telefoon, computer) lukt gewoon niet. Ik kan alleen nog maar dingen opnemen en niets terug geven. Ik word er vreselijk passief van. Ik lees en ik luister, daar word ik rustig van, maar als het ophoudt is het stil. Ik denk niet een of twee maar tien dingen tegelijk, kan niet beslissen welke ik als antwoord moet gebruiken en tegen de tijd dat ik eruit ben, heeft de ander de stilte alweer doorbroken of erger nog, er een punt achter gezet. Ik word er stapelgek van. Waar ik wakker van lig? Geen idee. Van die hersenstorm die niet wil gaan liggen. De tijd vliegt voorbij en ik heb al drie dagen niets gedaan. Alleen maar lezen en schrijven. Ik kan me tot niets anders zetten. Hopelijk kan ik slapen, lang en aan een stuk door. Hopelijk ben ik morgen fit. Hopelijk verval ik niet in lange stiltes. Ik wil niet leven in mijn hoofd, ik wil écht leven.

10 december 2007

[Spreken is zinloos, zwijgen maakt koud]

How can I stay with you when all this talk is all I am, always going out of the warm mouth into thin air? (rk)

Zolang er maar geen stilte valt. Of wij elkaars taal nu spreken of niet. In stilte worden wij te zeer met elkaar geconfronteerd. In stilte wordt pijnlijk duidelijk hoe weinig wij elkaar zeggen. Dus zoeken we naar woorden, wanhopig, om elkaar dit leed te besparen. Maar ook de woorden zeggen ons weinig of niets. Horen we ze eigenlijk wel? Het zijn de woorden die de sprekende stilte steeds in de rede vallen. We verschuilen ons achter de woorden zodat we elkaar niet écht zien. We gebruiken de woorden om de ander op het verkeerde been te zetten, de ander een spiegel voor te houden, de ander te laten denken dat het laatste woord nog niet gesproken is - ook al zijn we in feite al lang uitgepraat, om te vechten voor een triviaal gelijk. Het is zinloos. Elk woord hernieuwt de stilte en zij weegt zwaar en alsmaar zwaarder.

Human beings can reach such desperate solitude that they may cross a boundary beyond which words cannot serve and at such moments there is nothing left fort hem but to bark. (an)

Ik verdrink nog liever in je kille stilte dan te moeten spartelen in deze onmetelijke zee van woorden, wetend dat ik uiteindelijk door haar schuimende golven verzwolgen zal worden.

8 december 2007

[Nordmannspar]

Een kerstboom kopen met mijn vader. Van de driehonderdachtentachtig exemplaren wil hij natuurlijk precies díe boom die net door iemand anders uitgekozen is.

"Meneer, neemt u die boom?"
"Ik denk er nog over" (tegen zijn vrouw) "Kaar, hou jij 'm even vast?" (meneer kijkt paps bedenkelijk aan en richt zich dan weer tot zijn vrouw) "Niet loslaten hoor!"
Meneer loopt weg om de rest van de bomen te inspecteren, paps grijpt zijn kans.
"Hmm. Mevrouw, heeft u antieke meubelen?"
"Ehh, ja. Hoezo?"
"Ohh zet 'm dan maar terug hoor, die boom."
Mevrouw kijkt paps verbaasd aan.
"Zit houtworm in, in die boom, hele families houtworm. Funest voor uw meubels!"
"Meent u dat nou?"
"Ja. Beslist niet geschikt voor u, gezien uw inrichting. Dat is vragen om problemen. Ik zou 'm niet nemen."
"Maar hoe weet u dat? Van die houtwormen, bedoel ik."
"Nou, die boom is ziek, dat zie ik aan de stam. Een héle zieke boom. Ziet u die plekjes hier? Daar heeft de houtworm zich verschanst."
"Oh..." (tegen haar man) "Schat, misschien moeten we toch maar een andere boom uitkiezen."
"Mieters!!"
Paps grist de boom uit haar handen en mikt hem in de inpakmachine.
"Maar u zegt net..."
"Geen zorgen mevrouwtje, wij hebben alles Ikea. Gelamineerd spaanplaat houden ze niet van, de houtwormen."

7 december 2007

[Latentie]

Ik moest huilen. Tegen mijn zin in maar het gebeurde toch. Misschien liet ik mijn hand expres vastgeklemd zitten tussen de auto en de bijbehorende deur. Nu voelde ik pijn. Een scherpe, stekende, kloppende pijn. Fysieke pijn. Logische pijn. De tranen sprongen in mijn ogen. Eerst verzette ik me ertegen, zoals ik tegen al mijn zwaktes in opstand kom, maar er was niets tegen te beginnen. Om mijn gevoel te kunnen laten stromen, had ik die pijn nodig.

Eenmaal vermand vouwde ik mijn gekneusde vingers om het stuur en reed met een verbeten en betraand gezicht naar huis. Nu niet meer jammeren, daar is men thuis niet op gesteld. Ik fatsoeneerde me, om me niet te laten kennen en ook in de wetenschap dat er bezoek zou zijn. Mijn hand vormde nauwelijks een onderwerp van belangstelling. Ikzelf evenmin. Ons afscheid was eenzijdig en afstandelijk. De ander, zijn ogen half geopend, sloeg enkel wartaal uit. Ik sloeg met de deur, omdat ik wist dat geen van mijn woorden tot hem doorgedrongen waren. Zoals ik in dit kleine universum tot niets lijk door te kunnen dringen. Het is niet de verwijdering die ik betreur, maar de verontachtzaming, de faliekante ontkenning.

5 december 2007

[Nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil]

Frappant dat uitgerekend híj dat moet zeggen. Dat de ander, die mijn taal niet eens spreekt en mij dus niet kan verstaan, moet beweren dat de woorden bij mij absoluut in zeer goede handen zijn. De ander, die lang geleden op het randje uit zijn oren lag te bloeden en daar misschien wel een zekere doofheid aan overgehouden heeft. Hij moest eens weten. Op dit moment maakt hij het me wel erg moeilijk. Hij blaast alle gedachtestof uit mijn hoofd voordat ik er gedachten van kan maken. Wat een kabaal – zo kan een mens toch niet contempleren! Ik kauw op zinledige zinflarden tot mijn mond droog is en ik moet drinken. (Maar dan spoel ik alles weg! Jammer dan; mijn dorst is groter dan mijn wil om te spreken.) Liters water giet ik in me. Het woordengeklots bezorgt me maagpijn. Vanzelfsprekend. Ze horen daar niet thuis. De bovengebleven woorden schamen zich nu woorden te zijn en ik, hun onwaardige waardin, weet me er vanavond geen raad mee. Er laait geen taal. Mij versta ik niet. (lb) Alleen ben ik maar niet de enige weet ik.

4 december 2007

[Het eindeloos komen en gaan en mijn bedankt bestaan]

Bedankt, voor het medeleven, sprak de treurnis. Waar leven is, wordt gestorven. Daar kan geen mens omheen. Waar het een door velen zo gretig benoemd wordt, schuwt men het aanhalen van het andere. Lef is voor de bangen (wie geen angst kent, heeft het immers niet nodig). Fatsoen voor de burgerlijken (vaak onbeduidend). De dood (als definitieve staat van niet-meer-zijn) jaagt mij geen schrik aan. Ik heb stervenden gezien, gestorvenen, zelfs de abrupte overgang van zijn naar niet meer zijn; het werkelijke sterfmoment. Dat grijpt je bij de strot, rammelt je flink door elkaar en laat je tijdelijk verlamd achter. Dát is zonder meer angstaanjagend, omdat het ons dwingt stil te staan en te voelen wat we niet willen voelen omdat het ons wezen beschadigt. Dát is de wond die verzorgd moet worden. De leegte die op de een of andere manier ongedaan gemaakt moet worden, of opnieuw gevuld. Het leed dat smacht naar troostende verzachting.

Dank je wel, voor het luisteren, sprak de onmacht. Het was koud. Er stond een straffe wind en de mensen op het plein verwijderden zich er haastig van, naar meer behaaglijke plekken, stel ik mij zo voor. Ik kon mijn vingertoppen niet meer voelen ondanks dat ik mijn handen in handschoenen en deze weer in de zakken van mijn jas had gestoken. De wind sneed kloven in mijn lippen maar mijn woorden klommen er vastberaden en onverstoorbaar overheen. Het was ijzig koud en toch stonden wij daar, onder een grijs wolkendek waar dadelijk wel de een of andere vorm van neerslag uit zou komen vallen. Ze zei niet wat ze bedoelde, illustreerde daarmee onbedoeld de kwestie, maar ik begreep het. Ik begreep het al te goed. Eenzelfde gevoel knaagt sinds enige tijd ook aan mijn gemoedsrust.

Dank en nog eens dank, voor de hulp, sprak de chaos. Het was donker geworden. We hadden nog zes minuten. Als een ranke maar felle werveling stoof zij, schijnbaar nog onzeker van haar eindbestemming, van boven naar onder, weer naar boven en toen wat in het rond. Er dwarrelde van alles achter haar aan: memo's, post it's, snippers van verscheurde facturen en verpropte notitieblaadjes. Ik zag niet precies wat ik deed. Ik zag alleen die lach. Voor ik het wist was ze weer verdwenen. Nog niet voorgoed, maar toch. Ik denk nu al in de toekomst aan haar terug met het heimwee waarvan ik weet dat ik het zal hebben. (bs)


Hier ben ik dan, sprak de rusteloosheid. De bode zij dank, antwoordde ik.

3 december 2007

[Het voordeel van verre reizen]

Alles gaat te snel of het schiet voor den donder niet op. Dat je hoofd wel dertig meter voor ligt op je handen en voeten (meestal niet andersom) waardoor er van samenwerking geen sprake meer kan zijn en dan stagneert de hele boel. Al het wachten duurt te lang en tegelijk zijn er te weinig uren in een dag. Vreselijk! Ik lig nogal wakker van mijn slapeloosheid. Mijn been slaapt wel, alsof het zeggen wil: zoek het uit met je onheilige vigiliën, daar doe ik niet aan mee. In het andere heeft zich sinds vorige week een kramp vastgebeten. Heel venijnig en daarbij enorm onpraktisch. Zouden zij me misschien iets willen duidelijk maken (ga slapen! ontspan je! al dat geren is niet goed!)? Ach nee. Ik heb nog nooit gehoord van iemand die zich de les laat lezen door een paar benen. Het ligt in mijn natuur dat er steeds iets aan moet schorten. Ik ben een soort levende afbraakinrichting en word gekataboliseerd waar ik bij sta. Gisteren nog maakte mijn lichaam zich plotseling open dat het bloed eruit gutste en ik weet werkelijk niet waarom. Ook scheurden in mijn arm plots allerlei bloedvaatjes. Toch bleef mijn verbazing achterwege. In een wereld waar slagers door varkens in stukken gesneden worden, mensen het recht kunnen kopen een neger te worden maar dan weer niet in hun recht staan wanneer zij het zwarte bij nader inzien willen annuleren, en lichamen sowieso aan de lopende band op de meest afgrijselijke manieren verminkt worden, sta je niet snel perplex van zoiets onbenulligs.

2 december 2007

[Een sfeerlichtje van 400W]

Wat kan het nuttigen van spijs of drank me soms tegenstaan. Het water smaakt naar peut, de koffie naar vloeibaar bakeliet, het speculaas naar verkoekte bison-col – ik maak geen grapje. De soep van twee uur geleden brandt nog na in mijn ingewanden, of ik pure rins naar binnen gelepeld heb. Ik kijk er vanavond bepaald niet naar uit te sloven achter het fornuis om vervolgens het in elkaar gesloofde te verorberen. Een digestieve foltering te ondergaan van wagensmeer, mottenballen en oud ijzer. Alsof ik vanavond eregast ben in de onvermaarde Drek club. Een betwijfelbare eer. Meer een lijfstraf. Dit gedoe moet een dehydraterend effect hebben; ik heb onwaarschijnlijk veel dorst. Boven alles wil ik me legen.

Iets anders dan. De rusteloosheid is eindelijk onderweg naar mij, door weer en wind. In deze wetenschap zwelt het gevoel ook binnen in me aan, samen met een ongedurig hunkeren. Nog twee, hooguit drie dagen wachten. Ik heb wel meer geduld op moeten brengen. Het leven is vol wachtkamers en andere lijdzaamheideisers.

1 december 2007

[Kleurloze groene ideeën slapen woest]

Zijn ogen verweten mij niets. Ook in zijn stem kon ik nog niet het kleinste sprankje blaam horen. Weer waren het de woorden die het op mijn schuldgevoel gemunt hadden. Kon het nog hardvochtiger? Iets met een zeker trappetje. Iedereen schijnt het te beklimmen, mijzelf dan daargelaten. De aanmerking liet me ogenschijnlijk koud, kalm en bedaard. Maar dat was alleen omdat de woorden tekort schoten en ik niet over het vermogen beschikte om ter plekke te ontvlammen. Had ik dat gekund dan had ik het zeer zeker gedaan.

Ik heb het beklimmen van de trap met de anderen al minstens evenzoveel keren besproken als er treden zijn. Als dit zich zo voortzet, zal ik aanstonds een ongekende hoogte kunnen bereiken vanwaar ik over al hun hoofden uitkijk en zal ik hen zien trappelen en hinniken en, dat is nog wel het mooiste, niet meer hoeven horen. Wanneer zij aan mijn deur komen om te zien of hier nog wat te ambeteren valt (decaputeren zeg ik! eraf met hun hoofden!), zullen ze me niet thuis treffen.

De anderen vervelen me snel. Ze doen er alles aan om hun eigen verveling maar niet te hoeven bekennen, vallen er de wereld mee lastig zodat ze kunnen zeggen: wij hebben iets te doen en hoeven ons derhalve niet te vervelen, nee, ons zul je daar niet op betrappen. Maar zie hen koortsachtig trekken met mondhoeken, zie hen fronsen en geeuwen, zelfs knikkebollen. Zie hun blikken die alle kanten op schieten en zich toch nergens aan hechten. Ze schreeuwen om verlossing zonder het zelf te beseffen. Geef me een reden om hen te benijden en ik zal weigeren.

30 november 2007

[De onuitstaanbaarheid van groen plastic]

Vannacht, toen ik dan eindelijk sliep, krabbelde hij stiekem op en beet (nood aan zekere uitsluiting) me de strot (expressief vermogen) door. Ik had hem niet horen naderen. Ook had ik hem niet gezien, niet kúnnen zien, daar hij de exacte kleur van het donker, waarin ik sowieso al geen hand voor ogen zag, aangenomen had. Koud kunstje voor een prins der Duisternis. Ineens drukte hij zijn wijd opengesperde mond, die verdacht menselijk aandeed, tegen mijn keel – ik schrok niet, wat ik achteraf nogal opmerkelijk vind maar in slaapwanen gebeuren die dingen. Eerst zoog hij zich vast. Het leek uren te duren, een vreselijk gevoel. En de hitte, steeds heter werd het, ik baadde in mijn eigen zweet. Toen beet hij. Ik hoorde aderen knappen, gebeente kraken. Pezen werden losgerukt van de larynx. Mijn strotklep klapperde zo hard dat het afbrak. Mijn keel mocht aan gort liggen, de rest van mijn lijf bleef intact en dat wilde ik graag zo houden. Het spreekt vanzelf dat ik hem wel móest vermoorden.
De nachtmerrie was zo zwart dat mijn hoofd verkoolde. In die toestand was ik bang dat het in stof uiteenviel. (hm)
Een korte, droomloze slaap volgde. Toen schraapte iets van metaal op bakstenen me wakker.

Woorden die ik gisteren las, en kennelijk de hele nacht stilletjes boven mijn hoofd gehangen hebben, kletteren op me neer. Ik vraag me er van alles bij af doch twijfel niet aan hun waarheid. Moet ze echter wel van me af laten glijden. Niet in de waan geraken dat ik er wellicht iets mee van doen heb. Zelfs al is mijn onschuld niet bewezen – moge dat zo blijven. Wie heeft de hoop uitgevonden? Zij is kwaadaardig!

Kwaadaardig is ook de verleiding. Heerlijk wanneer je het je kunt permitteren. Het neemt bezit van de zenuwen wanneer er interdictie op rust en je wikt en je weegt, wel, niet, wel, niet. Vandaag zeer zeker wel. Met 'Verschijningen' in bruin papier gewikkeld, reed ik verheugd naar huis. Ik dwaal graag rond in de onwerkelijke werelden van de anderen. Het is een der meest onweerstaanbare verleidingen. Maar zoals de herfst vandaag nukkig aan mijn lijf rukte, zal ik me nu van hun mijmeringen, dromen en hallucinaties moeten losrukken. De werkelijke wereld doet een beroep op mijn gastvrijheid (dank u sinterklaasje). En plastic.

29 november 2007

[Trepanatie]

Ik ben gemankeerd maar blijf erbij dat het beter is mank te lopen dan kreupel te denken. Ik piep en knars als ongeoliede scharnieren, slijtage, het ouder worden is een wreed proces (alsof ik 36 ben in 1964: ik sta niet langer ik lig en verga (sv), hoor maar – moet je toch eens horen!). Ook zijn mijn schenen beurs. Bont, blauw. Maar dat is geheel te wijten aan jongerdom anno 2007. Wat veel erger is: de duivel is in mij gekomen, werpt zich onophoudelijk met vol gewicht tegen mijn schedelwand. Voortdurend hoor ik zijn schelle sardonische schaterlach. Ik word gereduceerd tot een door de kwelling van de Hel geteisterd wezen. Het is om stapelkrankzinnig van te worden. Met dronken schreden zwalkt hij door mijn lijf en eist daarmee al mijn aandacht op. Aandacht die ik nodig heb om mij op een belangrijke missie te voor te bereiden. Morgen. Ondanks alles is nog niets verloren. Nu een anesthetisch grapje uithalen. Zes maal 500 mg acetaminophen, dat hij zich eindelijk gedeisd houdt.

[Er bewolkt uitzien]

Oh herfst - stortbad van melancholie. Nu eens verkleum je me niet tot op het bot en ook blaas je me geen bontgekleurde loper van dorre bladeren voor de voeten. In plaats daarvan overspoel je me met weemoedige waterlanders. Wat scheelt eraan? In mijn vraag vergeefse hoop op weerklank.

28 november 2007

[Verzadiging en purificatie]

Soms ben ik zo in de war dat er ineens een wolk van kalmte op me neerdaalt. Ik hoef maar te springen en mijn hoofd zit erin vast. Als ik maar voorzichtig beweeg, blijft die wolk gerust uren om mijn kop geklemd zitten. Soms dagen, dan neem ik hem ook mee naar bed. Dat slaapt heerlijk, zo'n wolk om je hoofd. Was hij er maar elke nacht; het zou met de insomnie voorgoed gedaan zijn. Het is niet zo dat mijn zicht erdoor belemmerd wordt. Dat zich een mistwaas voor mijn ogen manifesteert waardoor de wereld steeds vervormt of dat ik door de duizenden minuscule ijskristallen de dingen zie als door een caleidoscoop, dat is een misvatting. Ik kan namelijk prima zien door deze wolk heen. Alles is juist heel helder, zonder bijbedoelingen of verborgen agenda's. Alles is zoals het is en zo is het alleen met die wolk om mijn kop, anders niet.

Vroeg of laat verdwijnt de wolk weer. Meestal verdampt hij maar soms regent hij uit. Een grote post nubila stortvloed. Ik kan de dreiging al voelen.

27 november 2007

[De jaren van verstand]

We zien er jonger uit dan we ons voelen en ouder dan we zijn. (mb)
Lang zal ik leven!


Ik strekte mijn lichaam uit, van het puntje van mijn tenen tot mijn kruin, hief mijn armen, drukte mijn handen plat tegen elkaar aan, ademde diep in, uit en nog eens in, zakte beheerst een klein stukje door mijn knieën, zwaaide mijn armen naar achteren en dook. Met een plons, ik ben nooit een begenadigd duiker geweest, kwam ik in mijn eigen levenspoel terecht.

Klaar voor mijn speurtocht, klaar om dat te zoeken wat ik tot nu toe voor mezelf verborgen hield. Ik kon alle kanten op. Waar zou ik als eerste heen zwemmen? Omlaag, meteen de diepte in, via mijn dij door de knieën, langs mijn kuit naar mijn tenen. De schatten die daar op de bodem voor mij verstopt lagen! Het waren er ontelbaar veel. Als ik echt iets wilde, ontdekte ik nu, hoefde ik het dus maar uit mijn tenen te halen en de meest onvoorstelbare dingen zouden gebeuren. Ik wist niet dat ik het in me had.

Het lag ook zo diep, nogal wiedes dat je daar als mens met je verstand niet makkelijk bij kunt. Ik mag dan zes zwemdiploma's bezitten, mijn brein heeft nooit leren zwemmen, hooguit watertrappelen. Blij toe dat het nooit een poging gewaagd heeft; ik zie mijn brein toch niet graag verdrinken. Dat ik op een dag niet meer wakker word en men de lijkschouwer erbij haalt en dat deze dan al fronsend op zijn lip bijt en moet constateren dat mijn brein die nacht is aangespoeld ter hoogte van mijn linker bil. Een drenkeling, een onfortuinlijk kwabbig grijs hoopje drilpudding. Niets meer aan te redden. Dat zou al te tragisch zijn.

Ik zwom terug omhoog en dook nog vele schatten op. Tot in de topjes van mijn vingers, zelfs achter mijn oren wemelde het ervan. Wie had al deze rijkdom ooit kunnen vermoeden? Ik niet.

[Beeldkunst, kunstbeen, beengebreek, breakbeat]



Marcel Duchamp (experimentele film uit de jaren '20) versus Venetian Snares (Szamar Madar).

26 november 2007

[In memoriam]

Eerst was ze daar in donkerblauw, met fonkelende stippels. Ik herinner me dat ik vol verbazing naar haar staarde en me afvroeg of ik ooit iets mooiers gezien had. Zo bleef ze een tijd lang in mijn geheugen gegrift staan. Later werd ze voorzichtig paars en nog later rood en steeds roder en roder. Van alles wat rood is, moet zij toch wel het roodst geweest zijn. Tot ze op een dag grijs werd. Daar schrok ze zelf van maar er was niets aan te veranderen, hoe zeer ze ook haar best deed. Allerlei verschillende tinten grijs is ze geweest voordat ze zwart werd. Er leek geen eind aan te komen, al dat grijs. Ze is ook wel eens groen geweest met gele stippen. En roze met zilveren randjes. Een enkele keer, in een gekke bui, kwam ze voor de dag als een soort van bonte lappendeken. Maar dat is lang geleden. Ze werd zwart en liet zich geen kleuren meer aanmeten. In het begin hing het zo'n beetje om haar heen, het zwart, nogal onverschillig vond ik zelf. Waarschijnlijk was ze er zelf ook niet helemaal tevreden mee want al snel begon ze ijverig te draperen en te plooien, hier een steekje, daar een speld, en ging daar een tijdje mee door tot het uiteindelijk naar haar zin was. Kort daarop stierf ze. Vandaag herdenk ik haar en vraag me af of ik misschien een rouwbericht had moeten plaatsen, toen.

25 november 2007

[Mais vous tremblez]

Een rilling. Inderdaad, dat is het. Een gevaarlijke rilling, dat wel. Een onheilspellende rilling. Een rilling die onschuldig begint en zich ontpopt tot een verwoestende beving. Die beving kan op zich laten wachten, maar komen zal hij. Altijd weer. De rilling is voorwaardelijk. Zonder rilling geen beving. De rilling heeft een ontspannend en tegelijk opwekkend effect. Je kunt je er comfortabel in nestelen of er euforisch in rondtollen. Het voelt als een droom, een hallucinatie. En mede daarom is het zo gevaarlijk. De rilling verdooft, verlamt, vergiftigt, schakelt alle alarmsystemen uit, zodat de beving je altijd overvalt. En het lullige is dat je het gewoon had kunnen weten. Je wist dat het zou komen omdat je wist van de regel: als rilling, dan beving.

Ik graaf in mijn herinneringen oude rillingen op. Los van hun oorspronkelijke context kunnen ze vrij veilig herbeleefd worden zonder dat daar een beving bij komt kijken. Ze blijken redelijk chronologisch opgeslagen en zodoende stuit ik als eerste op een kale, licht glooiende vlakte. Zevenendertig graden, schat ik. Wanneer ik mijn wang ertegenaan duw, absorbeert mijn huid de warmte. Het is een idyllisch plekje waar mijn slapeloosheid er niet toe doet. Ik word gehypnotiseerd door een zacht geruis en een dof ritmisch getik, adem langzaam en oppervlakkig in de maat, ga op in een poel van rust. Stel je voor dat dit het einde van de wereld is, wat zou het een geluk zijn om hier, nu, te mogen sterven. Ik voel mijn glimlach verslappen en van mijn lippen glijden. De slaap dient zich aan. Ik zal niet leven en toch ouder worden maar die gedachte kan mij niet onthutsen. Ik zal ontwaken en daar voor deze keer vrede mee hebben omdat ik weet dat zodra ik mijn ogen ontsluit, het zomer zal zijn. En dat is bijzonder, in tijden van herfst.

Nu herfst het onstuimig (er rest geen spoor van zomer - helaas); een prima voorwaarde voor slaap en toch is de slaap in geen velden of wegen te bekennen. Moe worden van jezelf helpt niet. Lezen over slapen helpt evenmin. Het inspireert, niet tot slapen maar tot overpeinzen en experimenteren.

Slapen is een hele klus, soms zelfs een helse. Ten eerste zijn de dekens reeds ontzettend zwaar en (...) de lakens, dat is een soort plaatstaal. Als je alle dekens weghaalt weet elk mens wat er gebeurt. Na een paar overigens onmiskenbaar rustige ogenblikken word je de ruimte in geslingerd. Het dalen vindt vervolgens plaats met abrupte rukken waar je adem van stokt. Of je trekt (...) je knieën op naar je kin. Dat is niet aan te raden want dan gaat het water in je buik aan het draaien (...); met zo'n tol kan je niet slapen. Sommigen gaan daarom resoluut op hun buik liggen maar dan vallen ze meteen - ze weten het, maar zeggen: pech gehad - in een of ander diep ravijn, en hoe laag ze ook liggen, er is altijd wel iemand die ze een trap onder hun achterwerk verkoopt om ze nog verder omlaag te krijgen, almaar lager. Vandaar dat bedtijd door zovelen wordt ervaren als een ongeëvenaarde foltering. (hm)

24 november 2007

[Drijfveren]

Is er iets in mij waarvan ik vervuld ben, waarvan ik verlost moet worden? Het is onmogelijk, want zodra ik van mijn vervulling verlost ben, zal ik er des te meer van vervuld zijn. Wat kan de plaats van dit 'iets' innemen? Wat zal er precies op die plek passen en zich er thuis voelen? Ik kan er geen woorden voor vinden of ze verlaten me voordat ik hen de weg naar mijn tong kan wijzen.

Hoe kan ik me zo vast klampen aan iets dat ongrijpbaar is? Een concept waarvan ik slechts voel dat het bestaat maar wat ik onmogelijk kan beschrijven. En hoe kan ik het loslaten als ik het niet eens kan beet pakken? Er zouden messen aan te pas moeten komen om het uit me te snijden. En na deze amputatie zou ik pillen moeten slikken om de achtergebleven fantomen te verdrijven. Bij de gedachte word ik al moe.

Ik sta geblinddoekt aan het front tegenover vijanden die ik niet kan identificeren. Ze verplaatsen zich snel en geluidloos. Het werkt op mijn zenuwen maar ik weet dat ze niet zullen aanvallen. Ze zijn zich ervan bewust dat hun aanwezigheid voldoende is. Althans; dat is wat ik denk. Ze maken me boos. De woede balt zich in mij. Ziedend. Des duivels. Kwader kan niet! (bv)

Maar er zijn geen vijanden. Geen monsters of bevechtbare beesten. Ik kan ze niet te lijf gaan want ze hebben helemaal geen lijf. Mijn woede ebt onverrichter zake weg, wellicht door vermoeidheid (...), en toch kan ik niet om de illusie heen dat mijn vijanden zijn weggevlucht zonder het gevecht aan te gaan. (hm)

17 november 2007

[Pietenplaag]

De goeie ouwe heiligman staat nog niet koud met zijn schimmel op de kade of ik heb mijn eerste presentje al in mijn schoen. En ik had 'm nog niet eens gezet want ik moest hem nog afrekenen, dus feitelijk was het nog niet echt mijn schoen maar ik had hem al wel geannexeerd. Goed dat ik de pinpas nog niet door de gleuf getrokken had want het presentje bestond uit een fikse-korting-op-je-nieuwe-schoenen-coupon. Toevallig precies wat ik op dat moment graag wilde. Hoe weet zo’n oude man dat nou? Had nog niet eens de kans gekregen er even gauw een verlanglijstje met klontje voor de knol in te proppen.

Word wel een beetje iebel van die zwarte putschisten die zich nu kennelijk ook buiten het Land van Sint bevinden en ineens vanuit allerlei hoeken en gaten opduiken. Hoge hoogtepiet bijvoorbeeld. Wegens brutale mond ("zeg, je hoeft nu niet meteen zo uit de hoogte te doen hè") geen handje strooigoed voor ondergetekende. Tsja. Had die pedante slungel ook maar niet op zo'n kleinerende toon moeten zeggen dat hij op die manier goed op mij neer kon kijken toen ik opmerkte dat dat hij op dat setje overdreven lange kuierlatten op mij wel een tikkeltje intimiderend overkwam. Zo wens ik door een wildvreemde niet toegesproken te worden. Ook niet als het een zwarte piet van twee-en-een-halve meter lang betreft. Stel ik geen prijs op.


Boodschappen doen wordt er met dat pietengespuis ook niet makkelijker op. Eerst wordt me de toegang tot een winkel belet omdat de een of andere wethoudende piet een lintje moet spannen dat de knippiet vervolgens met veel bombarie doorknipt. Dan springt er een paparazzipiet voor mijn neus om de feestelijke toestand vast te leggen op de gevoelige plaat. Vervolgens moet ik bij de kassa een hele tijd wachten omdat geile piet de enige kassajuf ontvoert naar het magazijn. Dan kan ik er weer niet uit omdat er een banketpiet taart uit staat te delen bij de uitgang waar de klanten als mieren op siroop op af stevenen. Krijg ik eindelijk de kans het pand te verlaten, word ik bijna onder de voet gelopen door een twintigtal fanfarepieten. Halleluja. Er liepen zelfs SP-pieten rond. Ik maak geen grap! Gratis schuursponzen uit de zak van Sint Marijnissen.

Vonden de kinderen niet leuk. Die willen natuurlijk pepernoten zien want hoe grappig zij die pieten ook vinden, uiteindelijk komen ze voor de vreterij. Daar zal het de komende weken wel snor mee zitten denk ik zo. Tegenwoordig kun je op vijf december scrabble, of op z'n minst galgje spelen met al je banket- en chocoladeletters. Denk je in de supermarkt een bloemkool, bananen en een karbonade in je mandje te leggen, zijn het marsepeinen exemplaren. Krijg je 's ochtends je schoen niet aan dan moet je hem voor de gein eens ondersteboven houden: kruidnoten! Getverdemme. Dat vind ik wel zo'n onfrisse aangelegenheid, etenswaar in je schoenen stoppen.

En dan moeten wij begrijpen waarom er vijf jaar geleden zoveel ophef ontstond om het feit dat het islamitische suikerfeest op vijf december viel. Dat hele sinterklaasfeest is toch één groot suikerfeest, of zie ik dat nu verkeerd? Het enige verschil zit 'm hierin dat wij westerlingen biechten na de zonde, om zo maar te zeggen, op laste van het voedingscentrum. Wij noemen dat hier een balansweek. Wat is er gebeurd met de appeltjes van oranje? Of is dat nu een hele Pietluttige vraag?

27 oktober 2007

[Bijdehandjes]

"Wat is dat, Naturalis?"
"Dat is een dierentuin vol met neppe dieren."

"Ik moest gepleisterd want de hechtwinkel was dicht."

"Oeps! Mijn poep liet een boertje!"

"Als je vier bent, zoals ik bijvoorbeeld, dan word je daarna meestal vijf."

28 september 2007

[Spoken bestaan]

Over de ontwikkeling van angst in het jonge kind. Voor het eerst gepubliceerd in een écht blad, op écht papier. Mijn woorden. Deze keer geen amateuristisch gedoe, het is menens. Pegels voor mijn geploeter. Nu maar wachten op de eerste kritieken. Stiekem ben ik stervensnerveus (over angst gesproken).

27 september 2007

26 september 2007

[Onstoffelijkheden]

Ik ergerde me aan de draadloosheid van de telefoon (bevrijdende technologie noemde men dat) omdat ik nu pas merkte dat ik vroeger de gewoonte had om, wanneer ik tijdens het telefoneren om wat voor reden dan ook nerveus werd, onbewust het snoer strak om mijn vinger te wikkelen totdat deze paars kleurde en koud werd – iets wat ik na het opleggen van de hoorn, wat toch beduidend bevredigender voelde dan het 'gesprek beëindigen' knopje indrukken (de moderne wereld is altijd zo expliciet!), pas door had en wat me dan toch zeker dertig seconden afleiding en daarmee uitstel van piekerdrift gaf.

De hoorn gleed als een nat stuk zeep uit mijn hand en bleef liggen op mijn schouder. Mijn gedachten dwaalden af, noordwaarts en terug in de tijd. Zuidwaarts, het heden voorbij. Een dun laagje ademdamp hechtte zich aan het spreekgedeelte van de hoorn en werd in twee klamme eilandjes gedeeld door het spoor dat een door zwaartekracht omlaag gedwongen traan zojuist had achtergelaten terwijl uit het andere eind een monotoon stemgeluid dat net niet overstemd werd door het geruis van een slechte verbinding kalm voort bromde. Plukkend aan het kussen waaronder ik genesteld lag, eveneens een oude gewoonte – het kussen zag er daarom niet meer uit maar ik weigerde er afstand van te doen zoals een peuter van een knuffellap, concentreerde ik me op mijn ademhaling. In twee drie (verman je), uit vijf zes (ontspan je).

Even verstomde het geruis en kon ik uit het gebrom weer verstaanbare woorden destilleren. Het schip der lotsbestemming had een anker in de tijd geworpen. Je zou verwachten dat de klok zou haperen, de wereld zou ophouden zich om zijn as te wentelen maar in plaats daarvan leek ik zelf te bevriezen. De verbinding werd verbroken. Mijn geest wankelde. Wilde de mens niet immer bedrogen worden en vormde dit bedrog tegelijk niet zijn grootste angst? Tussen de tuut-klanken door slalomde ik over dit spiegelgladde vraagstuk totdat ik na een laatste lange tuut tot stilstand kwam aan de voet van de berg die stilte heette. Hoe kwam het toch dat alle wegen, als ze niet richting volstrekt betekenisloze banaliteiten voerden, naar dit punt leken te leiden?

25 september 2007

[Moment van bezinning]

We hebben gegierd van het lachen dat de tranen ons over de wangen liepen. Net als vroeger. De zusters hadden het zo bont nog niet meegemaakt. "Dood gaan is toch geen feestje mevrouw Lepel?" preekten die soms ernstig. "Nee, zusters die een bek trekken alsof ik al heen ben, dat is lekker gezellig! Bovendien ga ik niet dood, ik ga hemelen. Op een roze wolk, dat jullie het weten".

Ik had nooit gedacht dat iemand zo dapper en vol levensvreugde zou kunnen zijn na de stempel 'terminaal' opgedrukt te hebben gekregen. Oma wel. Na zo'n zware, lange strijd was dit voor haar het verlossende woord en ze zou verdomme genieten van haar laatste dagen ook. "Geen jankerts aan mijn bed hoor, ik lig hier toch zeker als een goudkarper, ik voel me helemaal niet terminaal!".

Dat was oma, immer optimistische klare taal. We mochten nog drie weken samen zijn. Mooie herinneringen ophalen met koffie, taartjes en een peukie op de rand van haar bed, al had 'die pekingeend', zoals mijn oma een van haar minder favoriete verpleegsters noemde, het haar nog zo verboden. Dood ging ze toch. "Lang leve de lol hoor jongens", riep ze dan, "laat die lui de hik maar krijgen". Zo is dat. Ik bracht haar fresia's, haar lievelings, de gele want die ruiken het lekkerst. Op haar graf wilde ze er perse geen. "Hou jij je zuurverdiende centen nou maar lekker in je zak" had ze gezegd. Op elk protest volgde steevast "dan ben jij goed gek".

Dat kan wel wezen, ik heb mijn eigenwijsheidsgenen niet van een wildvreemde. Nu rust ze onder bloemen, in haar eigenste achtertuintje. Over jankerts aan haar graf heeft ze gelukkig niets gezegd, maar we hebben gelachen door onze tranen heen. Zoals ze gewild had.

14 september 2007

Ze slaapt bijna alleen nog maar. Ik heb haar nog een paar minuten wakker gezien. Heel even, misschien een seconde, lichtten haar ogen op en zag ik iets van een glimlach. Ze is op. Volgens mama praat ze in haar slaap over me. Ik kan alleen nog maar wensen dat ze geen pijn heeft en rustig inslaapt. Het is goed zo. Ik stopte haar in en kuste haar. Welterusten oma. Haar handen waren zo koud. Misschien was dit de laatste keer dat ze me vasthielden…

13 september 2007

[Wat een gebulder]

Het ging con en verder neerwaarts. Ik voelde me een soort vlek. Ik wist niet waar ik begon en waar ik ophield (mp) maar liet de rechtlijnige schijn bedriegen, het was voor hun eigen bestwil. Verloren tussen holle conversaties, die als zeepbellen om me heen dansten en die ik probeerde te ontwijken zodat ze niet zouden barsten want dan zou er slechts bittere stilte overblijven, stelde ik me voor hoe het moest zijn om enerzijds schaduw te verliezen en anderzijds te verschaffen. Ik besloot dat, hoewel de thematiek op dit moment binnen diverse contexten relevant was, het te vroeg zowel als te laat was om me hierdoor van haar mijn te laten beroven en daarbij was het volslagen zinloos. Toch vielen die avond enkele Bataillaanse puzzelstukjes ineens op hun plaats. Ik mocht de theorie betreffende (dis)continuïteit dan hekelen, onbewust leefde ik precies de regels na.

Ik zag de tijd aan de anderen rukken en trekken, hen tot herbepaling van rollen dwingend. Ook ik werd niet ontzien. Ik voelde de verwachtingsvolle blikken tegen me aan spatten, waardoor de vlek in omvang toenam.

Mijn heer P. en mevrouw H. maakten zoals wel vaker onaangekondigd hun entree. Dan diende snel het sjieke servies opgeborgen te worden en moest men plaats nemen op een stevige ondergrond, liefst met rug- en armleuningen. Waar of het handboek 'Wat te beginnen met lijders aan emotieverwerkbaarheidpotentietekorten' gebleven was. Dat had ik weer. Wie dacht de ander eigenlijk dat ik was? Het een of andere orakel? Ik zuchtte onhoorbaar, hield rug en schouders recht.

Krimpschaduw en zwellicht. Imploderend licht. Non savoir. Kun je jezelf vinden door te verdwalen? Het is dit moment dat zich hult in mijn zwijgen en in dit zwijgen trekt mijn bewustzijn zich terug (gb).

9 september 2007

[Die Schwelle zum Nichts]

“Haaa Wen” Ik was de slaapkamer nog niet binnen of ze had me al in de smiezen. Een goed teken. Ik ben steeds weer bang voor wat ik zal aantreffen. Ze was blij me te zien. “Wij blijven toch lachen hè Wen” Ze heeft zo graag mensen om zich heen maar kan er niet tegen wanneer zij huilen. Ze begrijpt het wel maar wil liever blijven lachen zolang het nog kan.

Dat zal waarschijnlijk niet lang meer zijn. Na tien minuutjes viel ze in slaap. Ze drinkt minder, is snel moe, spreekt langzamer en voelt zich ziek. Ik wil niet dat ze lijdt maar ze is zo vreselijk eigenwijs. Ze weigert paracetamol te slikken tegen haar hoofdpijn. Ook wil ze geen morfinepleisters. Nicotinepleisters noemt ze die, alsof we haar nu nog even gauw van het roken af zouden willen helpen. Ik denk dat ze gewoon bang is dat ze er in een keer dood van gaat.

Mijn eerste breekmoment kwam toen ik mams voor mijn ogen zag instorten. Als ik zie hoe het haar aangrijpt, komt het ineens zo angstaanjagend dichtbij dat ik haar verdriet kan voelen. Ik moet niet denken aan de dag waarop ik in mijn moeders schoenen zal staan. “Stil maar meisje” probeerde oma haar te troosten “ik begrijp het wel maar het komt heus goed”. Ik zat verstijfd op mijn stoel en probeerde er één mee te worden. Wenste tegen beter weten in dat dit allemaal niet gebeurde en dat ik niet in die kamer zat. Grote ogen vol verdriet. Mijn keel voelde aan als dor hout. “Denk erom dat je goed voor je moeder zorgt” zei ze later. Ik beloofde het.

Het lood in mijn schoenen wordt elke dag zwaarder. Toch vind ik dat dit me niet moet tegenhouden er voor haar te zijn. Ik heb nog elke keer die twinkeling in haar ogen gezien zodra ik haar kamer binnen kwam. Ik doe het niet voor niets.

6 september 2007

[Abschied]

Het kan een dag duren, een week, hooguit een maand maar dat is waarschijnlijk te optimistisch. Afscheid. Ik kan niet wennen aan het idee. Ik wil er niet aan wennen. Ik weet niet hoe het moet. Ik kan toch niet zomaar dag zeggen? Ik zag er met bergen tegenop maar ben toch meteen naar haar toe gegaan.

Zo had ik het niet verwacht. “Weet je nog Wen…” ging het de hele avond. Ze herinnert zich nog zoveel. Mijn eerste schaatsjes (ze was zo bang om zelf het ijs op te moeten). De eindeloze middagen in het openluchtzwembad (kleine waterrat, noemde ze me). De zomers in Scheveningen (in het donker vuurwerk kijken vanaf de pier). Die keer dat we voor de gein een piek in de fruitautomaat gooide en er een hele lading knaken uitrolde (we hebben ons ziek gegeten aan gebraden kip, patat en appelmoes om het te vieren). Het is ruim twintig jaar geleden maar ze vertelde erover alsof het gisteren was. De herinneringen spelen zich in mijn hoofd af als een film.

Het was niet zo pijnlijk of moeilijk als ik dacht. Ze is helder en vrolijk en ziet er helemaal niet uit alsof ze binnenkort zal sterven. Het is fijn om nog samen te kunnen lachen en praten. Vol trots vertelt ze aan iedereen dat ik haar eerste kleindochter ben. De enige dochter van haar enige dochter. En dat ik ook een beetje haar kind ben. Haar meissie. Haar prinses. Zo lief. Ik ga haar zo missen.

17 augustus 2007

[Bijdehandjes]

Ik introduceer een nieuw soort broodbeleg maar S vertrouwt het plakkerige goedje voor geen cent en wel hierom: "In sommige honingen zitten geen bijen maar in de meeste honingen wel dus dat neem ik echt niet op mijn boterham."

"Bloed! Snel, pak een handwasje!" (washandje)

D en Q halen kattenkwaad uit en komen er vervolgens achter dat ze vlak voor het politiebureau staan. "Oh oh, wegwezen! Straks worden we gevideocameraad!"

I probeert me uit te leggen wat 'tegenover' betekent: "voor je neus en dan rechtdoor"

D kan de kleinste pijntjes meesterlijk dramatiseren: "Ik heb een zere knie maar je mag niet door mijn broekspijp omhoog spieken want anders raak je met je neus mijn pijnigheid aan."

K heeft er na een potje ruzie spijt van dat hij A op zijn partijtje heeft uitgenodigd, maar weet wel een oplossing: "Morgen krijg jij dus een afnodiging."

11 augustus 2007

[Vooruitzicht]

Er is zwaar weer op komst, daar kun je donder op zeggen. Dikke, grijze wolken verzamelen zich. Hotsend, botsend en klotsend tot zij zich met veel geweld ledigen - eindelijk!

Beter zoekt men dekking want wanneer de bliksem in je slaat, is het vrijwel zeker dat je naar de bliksem gaat. (mt)

30 juli 2007

[Bijdehandjes]

L en I vatten even een stukje geschiedenis samen na een bezoek aan Naturalis.
"Nou, eerst was er dus die oerkwal, toen kwamen de ruigtanden enzo maar die stierven uit want het regende apen en dat zijn dus later mensen geworden."

J en I kunnen niet wachten tot ze écht groot zijn.
"Als ik tien ben, ben ik een tiener."
"Ja maar dan moet je eerst een neger worden."

Onze oude pc loopt niet alleen regelmatig vast; het ding heeft ook de neiging kleine kleutertjes gevangen te nemen...
"Help! Juf! M zit vast in de kjomjoeter!"

In het kinderkookcafé: "Ik lust geen pizza met spionnen." (champignons)

"R heeft zich ergens verstoppeld." (verstopt)

T maakt bijna een spagaat, waarop P vol bewondering opmerkt: "Zo hee! Kan jij in de spaghetti!"

15 juli 2007

[Dat blief ik niet]

"Sorry? Hoor ik jou nou zeggen dat je geen bier lust?!" Zeer correct. Bier is vies. Van alle drankjes die ik absoluut niet te hachelen vind, valt bier binnen de top drie, om de eerste plaats vechtend met allerhande zuiveldrankjes en grapefruitsap (braaknasmaak!) puur en ongezoet. De zogenaamd niet naar bier smakende bieren smaken dus mooi wel naar bier, mij neem je niet in de maling. Bij de eerste dappere poging tot een slok nemen mijn smaakpapillen al met dusdanig afgrijzen kennis van de dreigende massa-invasie van biermoleculen dat de nekharen me te berge rijzen.

Zonder verder te vragen spoelt de barman een lang, dun glas om en tapt een piepklein biertje. Ik kan dwars door het vaal gelige vocht heen kijken. Bovenop drijft een stevige laag schuim. Aanlokkelijk is anders maar de barman dringt vriendelijk aan. "Probeer maar, het is Duits hoor". Zie ik er soms uit alsof ik nu vrolijk "ein proooosit" ga roepen, mijn glas zal heffen en het bier vervolgens enthousiast achterover zal slaan? De nieuwsgierige ogen van de barman zijn op me gericht wanneer ik voorzichtig een minuscuul slokje neem. Omdat ik daar een beetje nerveus van word en hem ook niet meteen teleur wil stellen neem ik nog maar een slokje.

Brrr. Bah. Water met een biersmaak. "En?" vraagt hij hoopvol, "hoe smaakt dat?". Hoe zal ik het zeggen? Ik trek een gezicht. "Als bier zonder ruggengraat" stel ik vast. De barman kijkt eerst verbaasd en dan krullen zijn mondhoeken omhoog. Hij rent naar achteren, komt terug met een bol glas, spoelt deze om en tapt er een ander soort bier in. Knalrood. Die jongen is een volhouder. Tevreden slaat hij zijn armen over elkaar en werpt me een bemoedigende blik toe. Behoedzaam voldoe ik aan zijn woordeloos verzoek om vervolgens een grimas te trekken alsof ik onder dwang al mijn tanden met volle kracht in een citroen heb moeten vastbijten.

Getver! Het kan niet anders of dit is een extreem zure, mousserende rode wijn die per ongeluk onder een verkeerd label in de tap is beland en dientengevolge van een bierig aroma voorzien is. "Ik vind het niet zo lekker" mompel ik op verontschuldigende toon, in de hoop dat hij er nu geen sport van gaat maken om mij koste wat het kost bier te leren lusten. Dat is nog nooit iemand gelukt.

Ik herinner me een gesprek van eerder op de dag waarin min of meer gesteld werd dat vrouwen gerust een avondje zonder cash op stap kunnen gaan en dat het principe van een tongzoen voor een tequila (ook al zo iets vies) dan nog niet eens van toepassing hoeft te zijn. Zelf ben ik daar niet zo zeker van. Wanneer een vreemde je een drankje aanbiedt is hij naar mijn ervaring ofwel ernstig van 't pad af of hij moet wat van je. Hoewel de barman er eervol uitziet en zijn functie naar alle waarschijnlijkheid ook van hem verlangt zich hiernaar te gedragen, retourneer ik na het moeizaam doorslikken van het kersenbier hoofdschuddend het glas. "Bewaar dit spul maar voor drinkers die het wel kunnen waarderen".

Later op de avond geef ik het bier nog twee maal een kans. Een mening moet immers goed onderbouwd zijn, zeker wanneer de rest van het gezelschap er een volstrekt tegenovergestelde opinie op na houdt. Het Rauchbier proeft naar bittere drap waar sigaretten en rookworst in hebben gedreven, een verschrikkelijke smaak. De bijbehorende ossenworst met mosterd kwam mij trouwens ook niet bepaald voor als een godenspijs. De smaak van het laatste bier is het best te omschrijven als een antieke boekenkast vol met desintegrerende boeken in vloeibare vorm. Ik geloof dat ik toch liever muffe, oude boeken lees dan drink.



Mijn tong is voorlopig wel genoeg geteisterd. Ik zoek mijn heil in de koele weldaad van een Strongbow, om de barman niet helemaal teleur te stellen, maar het bier zweer ik definitief af.

5 juli 2007

[Gruž, het vergas-terras, file tot Pile, weer thuis]

Laatste dag in Dubrovnik. Het lijkt ook wel de heetste dag te zijn en omdat we toch geen concrete plannen gemaakt hebben, hijsen we de badkleding aan en verplaatsen wij onze luie achterwerken richting strand. Dat is twee uurtjes leuk, daarna wordt het echt te heet en zoeken we de schaduw op. Aan de boulevard vinden we een nogal obscuur uitziende lunchroom met kleine kraantjes aan het plafond waar onder luid gesis een soort van wolkjes uit komen. Ik kan er niets aan doen maar krijg er acuut vernietigingskampassociaties bij: het vergas-terras. Er zit ook helemaal niemand. Dit etablissement moeten we maar eens van binnen bekijken. Barbarossa! (wel geen Sovjet Unie maar vooruit, ik heb een rijke fantasie). Het blijkt verfrissingsnevel te zijn. Loos alarm dus maar wel lekker, evenals de sandwiches.

Met onze hoofden in de nevelwolken komen we weer een beetje bij. Wat zullen we eens gaan doen? Flaneren langs Marina Gruž, de grote jachthaven van Dubrovnik want daar waait het lekker hard en je kunt er leuk bootjes kijken. Nou, zeg maar rustig boten. Knoeperts van luxe cruiseschepen. Tussendoor varen zeilboten en ergens aan de kant ligt een replica van een historische karaka (Karakas waren de grootste schepen op de Adriatische zee van de vroeg vijftiende tot zeventiende eeuw). Na anderhalf uur wandelen belanden we op een markt waar groenten en fruit maar voornamelijk bloemen verkocht worden. Ik ga echter voor een espresso want om op de laatste dag de hotelkamer nog op te leuken met een paar kleurige ruikers…

’s Avonds voel ik me gegrild dus is het niet meer dan toepasselijk dat we dan ook maar voor een gegrilde maaltijd gaan. Eens zien wat er vandaag weer uit zee gehengeld en geschept is. Vis heet hier gewoon vis, ongeacht welke soort, tenzij het tonijn of zalm is. Nu ben ik geen kenner dus geen flauw idee wat ik aan het eten ben, het is in ieder geval een hele uitdaging om het zeewezen te ontleden én verorberen voordat hij koud is. Een laatste cocktail, een laatste zonsondergang, een laatste avondwandeling en dan slapen.

De volgende dag kunnen we nog rustig ontbijten voordat we uitchecken. Als ik heel ruim reken hebben we twee uur nodig om op het vliegveld te komen maar in een ruim uur is het ook te doen. Mis! Waar in Dubrovnik zelden sprake van is, is vandaag een feit van grote omvang: er staat file. Van het hotel tot Pile. Wij moeten drie verschillende bussen nemen, die alle drie een stukje door het centrum moeten. Ineens krijg ik het onplezierig vermoeden dat we nog wel eens krap in de tijd kunnen komen te zitten. En ja hoor, na vijftig minuten als langzaam gaar kokende sardines in de eerste bus vast gezeten te hebben, is de rekensom simpel: op deze manier missen we ons vliegtuig. De man houdt een taxi aan. Moet dat kosten? Tweehonderd Kuna tot het vliegveld. Ik kiep alle Kuna’s die ik nog heb op de passagiersstoel en trek een smekend gezicht waarop de chauffeur onze bagage begint in te laden. Mooi!

De chauffeur ziet er ook aardig doorgesudderd uit, veegt zuchtend zijn zweterige haar uit zijn gezicht en laat ons dan met een brede lach instappen.
“So much hot and so much traffic, so much hot is normal, so much traffic is ridiculous, bloody cruiseships!” Blijkbaar zijn er vandaag zoveel cruiseschepen aangekomen dat Marina Gruž helemaal vol ligt en dan mogen die schepen ook bij Ploce aanmeren. Zodoende moeten er honderden rijke toeristen naar de andere kant van de stad vervoerd worden en daardoor begint de infrastructuur een beetje te flippen. Wij koken rustig verder in de stapvoets rijdende taxi. De chauffeur babbelt een eind heen en terwijl ik uit het raam hang voor een beetje frisse lucht roept hij na twintig minuten ineens “watch out!” en sluit het raam. Snuggere Henkie heeft een helder moment: “I have airco!”. Joh! Waarom zou je hem ook gebruiken, het is hier slechts vijfenveertig graden. Maar het moet gezegd: deze man is een held. Na drie kwartier zoeven we met hoge snelheid over de bergweggetjes richting Cilipi en zijn we op tijd voor onze vlucht. Hier al mijn Kuna’s en duizend maal dank, rennen en dan vliegen.

We zijn weer in Wenen. De berichten op het scherm zijn ook om te wenen. Flinke vertraging, niemand weet waarom. Het gaat weer laat worden. Als er na vier uur eindelijk een vliegtuig wordt verwacht, komt er een Austrian-mannetje op ons af. Of we misschien nog vier uur later willen vliegen. Zie ik zo bleek? Ik wil naar huis! Uit wraak, omdat de omkoping niet succesvol verliep, maken ze onderweg een deel van onze bagage kwijt waardoor we op Schiphol nog langs drie loketten moeten om vervolgens slechts met een telefoonnummer van de vermeende boosdoener de trein naar huis te pakken. Die spullen zien we niet meer terug. Het regent dat het giet, de temperaturen liggen ver beneden het normale gemiddelde, kortom: het is oer-Hollands hondenweer. Maar zoals men in Kroatië zegt: neem slechts herinneringen mee en laat enkel voetsporen achter.
Ik ben weer thuis en een prachtige ervaring rijker.

“Those who seek paradise on earth should come to Dubrovnik” - George Bernhard Shaw

4 juli 2007

[Lokrum, Napo's fort, scheef eten]

Vandaag slaan we bij een kleine buurtsupermarkt een picknick in want we gaan een dagje naar een onbewoond eiland: Lokrum. Wij hebben de watertaxi ontdekt en de rest van de dag zien we wel waar de paadjes ons naartoe leiden. In de oude haven kunnen we meteen aan boord van een wat grotere taxiboot en na een kwartiertje varen worden we afgezet op het eiland. We struikelen bij het uitstappen zowat over een sliert pauwenkuikens. Het is hier dus niet 100% onbewoond. Alleen bij de aanmeerplaats treffen we een handjevol mensen aangezien zich hier een terrasje en de toiletten bevinden maar de rest van de dag komen we nagenoeg niemand tegen – en dat terwijl het eiland nou ook weer niet zó groot is. Het is niet alleen maar bomen, rotsen en strandjes wat de klok hier slaat. Lokrum is een Dalmatisch eiland met, zoals men zegt, keizerlijke allures. Maximiliaan van Habsburg (later keizer van Mexico) kocht het in 1859 en liet het daar reeds aanwezige Benedictijnse klooster ombouwen tot een paleis. Na zijn dood confisqueerde Franz Jozef’s zoon Rudolf het paleis als winterverblijf. Tegenwoordig doet het dienst als restaurant. Deze kerel heeft ook een botanische tuin aan laten leggen en staat onder meer vol met gigantische cactussen. Hoewel het er over het algemeen nog steeds prachtig uitziet na al die jaren, moet ik zeggen dat men hier en daar wel even met een gietertje langs de aanwezige flora zou mogen wandelen. Het eiland is sowieso droog als kurk, om die reden liggen er kilometers brandslang langs de paden.

Een eiland verderop beschikt klaarblijkelijk niet over de luxe van een blussysteem want als we via een steile rots omlaag klauteren voor onze picknick aan zee zien we daar enorme rookwolken opstijgen. Even later vliegt er een blushelikopter over. De man voelt zich dapper en klimt nog verder naar beneden via de grote, ruwe rotsen om te controleren hoe het hier gesteld is met de golfslag. Ik wed met mezelf dat hij er niet verder in gaat dan tot zijn knieën en dan besluit dat het misschien toch niet zo verstandig is om hier te water te gaan. Ik krijg gelijk. De golven slaan meters boven hem uit tegen de kust, hij zou nooit meer levend aan wal raken.

Het is tijd om de klim naar het hoogste punt van het eiland te maken. Dat is geen kinderachtig heuveltje. De paden zijn steil en denk maar niet dat je er comfortabel kunt wandelen want het zit vol met kuilen en bestaat voornamelijk uit los liggende stenen. Niet dat we ons daardoor tegen laten houden want aan de top staat het fiere napoleontische Fort Royale, gebouwd door het Franse leger in 1806 en het uitzicht schijnt er nogal mooi te zijn. Even de kuitspieren laten werken dus. Fort Royale is niet zo groot en in architectonisch opzicht wat mij betreft ook niet waanzinnig spectaculair (waarschijnlijk omdat het tegenwoordig een ruïne is) maar iets aan dat Fort fascineert me. Bovenop het eens zo machtige maar nu in afbrokkelende staat verkerende stuk steen staat namelijk, en vraag me nou niet waarom, een oude strandstoel met iets wat ooit een parasol geweest moet zijn. Wat je noemt Keizerlijk. Zal Napo het hier even naar zijn zin gehad hebben terwijl hij zijn troepen in de brandende zon liet ploeteren… Het uitzicht is inderdaad adembenemend. Je kunt helemaal naar Cavtat kijken en aan de andere kant zie je het historische centrum van Dubrovnik liggen.

Naar beneden gaat een stuk sneller. We maken een boswandeling en komen dan uit bij Mrtvo More (dode zee), een zoutwatermeer op het eiland waar je kunt zwemmen en slingeren aan touwen. Er zijn hier iets te veel toeristen naar mijn smaak en de man heeft vandaag toevallig zijn lendendoek niet bij zich dus we zetten de wandeling voort naar de rand van het eiland, waar we een grote platte rots vinden. Poging twee van de man om een stukje te zwemmen. Dat moet hier wel lukken en hij bedenkt zich ook geen twee keer, na een flinke aanloop verdwijnt hij met een enorme plons in de golven. Die redt zich wel. Ik spreid mijn handdoek uit en staar liggend in de verte. Af en toe wagen de golven zich op de kade en krimp ik ineen van de onverwachte koude douche die in retrospect, dat is zodra de warme zomerbries tegen mijn natte huid blaast, een prettige verfrissing vormt. De zon zakt langzaam in de zee wanneer de man eruit komt, wat een teken is dat we ons zo zoetjes aan weer eens richting haven moeten begeven want de laatste boot vertrekt om 20:00u. Er is nog wel tijd voor een drankje op het terras waar een oude, kettingrokende man typische Hawaï-deuntjes uit zijn gitaar tovert. Hij doet ook verzoeknummers maar ‘Op een onbewoond eiland’ kent hij niet.

Terug in Stari Grad kiezen we zomaar een steegje uit en klimmen een stukje omhoog tot we een leuk restaurantje vinden. Dit kan nog wel eens gevaarlijk worden, aangezien we op een hellend vlak moeten zitten. Terwijl de man zich schrap zet om niet voorover van zijn stoel te glijden, doe ik mijn best niet met stoel en al achterover te kiepen. Soep gaat het dus niet worden. Zodra deze geserveerd wordt, zal hij ongetwijfeld in mijn schoot belanden. Voor de zekerheid bestel ik ook maar een halve liter water, dat staat vast steviger dan een normaal glas. Ik roep de pizza uit tot het veiligste gerecht van de avond. Een goede keuze want pizza’s bakken kunnen ze hier wel. Aangezien de man nog wat wil werken, duik ik met Reve (mijn andere reisgenoot) het bed in.

3 juli 2007

[Teringmuggen, Uvala Lapad, Nema stroom]

Wederom ben ik ten prooi gevallen aan een onbekend bloeddorstig insect en zodoende vertonen mijn kuiten kwa reliëf nu enige gelijkenis met het berglandschap hier. En het jeukt: als de neten! Als ik er aan het eind van de dag lichte druk op uitoefen, ontploft het en komt er een doorzichtige vloeistof uitgespat. Bah! Ik weet niet wat dat voor monstermug geweest is, wie Joost heet mag het zeggen, maar irritant is het zeker. Ratna zastava in zijn richting in ieder geval. Ter zake. Een aantal witte wolken heeft zich om de hoogste bergtoppen gedrapeerd dus vandaag rollen we voor de verandering eens niet badend in het zweet het bed uit. Niettemin breekt even later de zon door en loopt de temperatuur alsnog tegen de veertig graden. Gelukkig maar want voor wolken hadden we evengoed in ons koude kikkerland kunnen blijven.

Tijdens het ontbijt vouwen we de kaart uit om een nieuwe wandelroute uit te stippelen. We beginnen met het beklimmen van een berg die ons aan de noordkant van Babin Kuk brengt en een schitterend uitzicht over Gruž biedt. Er gaat ook wel een bus naar de top maar het is natuurlijk leuker om je een ochtend flink uit te sloven terwijl de mussen (van dit bedreigde diersoort wemelt het hier) van het dak vallen en bussen vol verlepte toeristen je om het kwartier in stilte voor gek verklaren. Nee, je moet lekker in zo´n sauna op wielen gaan zitten. Na tien minuten kun je aan het zuurstof en heb je een beurs zitvlak. Ik prefereer mijn eigen kuierlatten boven het stadsvervoer.

De afdaling voltrekt zich via een soort botanische route, alles is begroeid met gekleurde, zoetgeurende bloemen. We komen langs een sculpturentuin waarin allerlei uit steen gehakte koppen afgewisseld worden met cactussen en op het terras staat een groot beeld van een naakte vrouw die in de aanslag staat haar kind een flinke dreun te verkopen. Een interessante verschijning te midden van de verder zo vredige omgeving. Zou dit het toonbeeld van de Kroatische pedagogiek zijn? Aan de voet van de andere kant van de berg eindigen we op de promenade van Lapad. Daar staan allemaal schommelbankjes met parasolletjes, een uitstekende gelegenheid voor pivo, chi-chi en vers fruit.

´s Middags verkennen we een ander kiezelstrand in Uvala Lapad: het populaire Lapad beach. De meeste locale strandbezoekers zijn of zeer minderjarig, of de uiterste houdbaarheidsdatum reeds lange tijd voorbij. Vooral de Kroatische oma´s zien er heel typisch uit; lijfeigen zwembandjes in felgekleurde badpakken gehuld en snorren op de bovenlippen. Het andere uiterste vormen de jonge toeristen waaronder het Paris Hiltongehalte opmerkelijk groot is. Terwijl ik het gevoel heb bij leven mijn eigen crematie mee te maken, mijn tweede fles zonnebrand open draai en me onder een pijnboom installeer, jammert een walnootbruine Engelse in luipaardprintminibikini naast me “It’s no use, I am never getting any browner – sigh sigh sigh”. Hum. De man wil graag een kajak huren maar als ik voor zes uur nog een keer in de zon kom, vrees ik dat de vlammen uit me zullen slaan (toch nog die armageddongarantie). Klinkt wat dramatisch maar mijn Hollandse huid heeft blijkbaar enige tijd nodig om aan dit klimaat te wennen. Als ik in het hotel wat natte handdoeken over mijn benen leg, hoor ik ze nog net niet sissen. Maar ik zinder.

Op een strandterras boven het water genieten we van een bontgekleurde zonsondergang en een dubbele espresso. Een beetje loomheid op z´n tijd is best lekker maar zodra ik me een duf konijn ga voelen, is het tijd om het cafeïneniveau weer op pijl te krijgen. Ik wil even douchen maar moet dit op de tast doen want de artiest van vanavond heeft met zijn geluidsinstallatie de stoppen doen doorslaan waardoor de stroom uitgevallen is. Nema problema, eten doen we wel bij de concurrent, een sjiek hotel aan de overkant waar het eten voortreffelijk blijkt. De band die hier optreedt, is ook een stuk leuker dan de muzikale stroomterrorist in het Adriatic, die zich nu akoestisch moet bewijzen. Maargoed, voor twee sterren moet je ook weer niet te veel verwachten en al komt de kwaliteit hier niet uit de lucht vallen, als je naar de hemel kijkt heb je daar de rest van je sterren.

2 juli 2007

[Trsteno, hoe je hier een bus vangt]

We beginnen de dag met een bezoekje aan het Tourist Information Centar. Ik wil graag naar het Arboretum in Trsteno, waar je niet meer op excursie naartoe kunt sinds er in 2000 een hevige bosbrand heeft gewoed die daar ongeveer 120000 vierkante meter aan natuur verwoest heeft. De man van de lokale VVV spreekt Engels zoals de meeste Kroaten hier (een minimale woordenschat, halve zinnen en veel ge-“uhhh”). Je vraagt iets, ze doen of ze je begrijpen, geven een volslagen onzinnig antwoord en kijken je dan aan alsof ze zeggen willen: “Anders nog iets?”. Het kost dus enige moeite de nodige informatie te ontfutselen maar uiteindelijk kan hij ons wel aanwijzen welke bus we moeten nemen. Als we opschieten, halen we de eerstvolgende nog.

Opschieten is voor de stadsbuschauffeurs hier Nema problema. Met de ene razende maniak sjezen we naar het centrum, daar pakken we de volgende rammelende doch razendsnelle bus naar Marina Gruž, kopen een ticket en vijf minuten later zitten we in een luxe touringcar die op zijn weg naar Zagreb wel even wil stoppen in Trsteno. Hoewel de reis prachtig is, heb ik weer een half uur lang peentjes zitten zweten (en het was al zo heet) wegens hoogtevrees met als letterlijk en figuurlijk hoogtepunt de Franjo Tudmanbrug. Het is een gigantische brug die er behoorlijk solide uitziet maar ik heb ergens gelezen dat het ding op sommige plaatsen aan afbrokkeling onderhevig is.

Om elf uur komen we aan in Trsteno, twintig kilometer boven Dubrovnik. Het lijkt er volledig uitgestorven en om nu te zeggen dat men er scheutig is met bordjes in de trant van “Arboretum die kant op” besluiten we bij gebrek aan een stoep of berm met gevaar voor eigen leven een stukje terug te lopen over de weg. Ik meen onderweg namelijk de ingang gezien te hebben. Het zweet loopt ons nu al tappelings langs de ruggengraat, eerst maar eens wat vocht tanken bij een oud vrouwtje dat in de tuin van haar huis koffie, thee en limonade verkoopt.

Trsteno is beroemd om zijn arboretum, de oudste botanische tuin in dit deel van de wereld. Het is in de vijftiende eeuw aangelegd door een familie die scheepskapiteins opdroeg zaden en planten mee te brengen van hun verre reizen. Wanneer het arboretum precies ontstaan is, is onbekend maar in 1492 is er een vijftien meter lang aquaduct gebouwd om het park te irrigeren. Verder staat er een vijftiende-eeuws zomerhuis en is er een gigantische vijver met waterspuwende beelden. Er zijn meer dan tweehonderd verschillende boomsoorten en diverse exotische planten en bloemen. Aan de rand van het arboretum bevindt zich een terras vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de Adriatische zee. Het is hier zo rustig dat we in het hele park slechts drie andere toeristen tegenkomen. Van de schade die de brand aangericht heeft, is helemaal niets meer te zien. In de schaduw van de bomen en enorme planten sjokken we een uur of twee rond en dan hebben we het wel gezien. Nog even wat drinken en zien hoe we terug in Dubrovnik komen.

Dat valt nog niet mee. We vinden een bushokje met een nagenoeg onleesbaar dienstrooster en gaan er dus maar vanuit dat er binnen een uur wel een bus voorbij zal komen. Dat gebeurt maar hoewel we allebei opstaan en onze handen opsteken, scheurt de oude rammelbak ons zo voorbij. Een half uur later zoeft een tweede bus ons voorbij en dan vind ik de grap niet meer grappig. Aan de overkant van de weg zit een oude, tandeloze man naast drie grote postzakken een sjekkie te roken, wachtend op de postophaalman. Ik vraag of hij Engels spreekt en vrolijk knikt hij van ja. Wat moet je hier doen om een bus te laten stoppen, vraag ik, ervoor springen? Weer knikt de man enthousiast van ja. Je moet hier inderdaad voor de bus springen, met minimaal drie personen en woest zwaaiend met al je ledematen, anders kun je het schudden. De man kijkt op zijn horloge en voorspelt dat er over twintig minuten weer een bus komt. Hij heeft nog gelijk ook want twintig minuten later (zijn post is allang opgehaald maar hij besluit vrijwillig voor ons op de uitkijk te gaan staan en een seintje te geven als de bus komt) roept hij heel hard “Bus! Bus! Come! Jump!”. Met z’n drieën springen we midden op de weg, zes armen in de lucht, en roepen heel hard “STOP!”. We kunnen nog net opzij springen want zonder ook maar enige vaart te minderen en met een moeilijk gezicht steekt de chauffeur verontschuldigend zijn handen omhoog. Hij kan niet stoppen omdat hij ons vanuit de bocht pas zag en er zitten twee dure snelheidsduivels op zijn hielen die hij kennelijk niet in zijn achterbak geparkeerd wil hebben. Terwijl ik nog sta bij te komen van de schrik staat de oude man alweer enthousiast op en neer te stuiteren. “Another bus! Jump!”. Eindelijk: een chauffeur die weet waar de rem zit en hem nog gebruikt ook.

Terug in de oude stad eten we bij wijze van lunch een ijsje en luieren we wat in de zon op een stijger. Met dit weer is de honger veelal ver te zoeken dus ook de avondmaaltijd blijft vandaag karig, een broodje met een obscuur Kroatisch prutje waarvan het laatste restje eetlust als sneeuw voor de zon verdwijnt. Broodje is lekker, prutje spoel ik maar door de wc zonder dat het eerst mijn hele spijsverteringskanaal foltert. Hoe die lui het weg krijgen, ik weet het niet.

1 juli 2007

[Babin Kuk, ufo's]

Het belooft weer een loeihete dag te worden maar gelukkig staat er een frisse zeebries die de warmte draaglijk, zelfs aangenaam maakt. We gaan een dagje klimmen en klauteren aan de zuidkant van Babin Kuk. Eerst lopen we over smalle bergpaadjes langs de rotskust om te zien tot hoe ver we te voet kunnen komen. Het is hier zo mooi dat ik de rust niet in me kan vinden om te ontspannen. Ik heb het gevoel dat ik ogen tekort kom. Als Hollander met een geringe hoeveelheid reiservaring ben ik zoveel natuurschoon niet gewend. Die bollenvelden zijn na een tijdje ook niets nieuws onder de zon, mocht deze eens schijnen. Als we het meest westelijke puntje van Babin Kuk bereikt hebben, willen we een strandje bezoeken maar dat is aan deze kant afgesloten en blijkt later een homorots te zijn. En ik maar denken dat ik op een fata morgana gestuit ben. Ik bestel snel een cocktail in de meest chemische kleur roze en de man giet nog maar eens een Karlovačko naar binnen.

Uiteindelijk vinden we een mooi stuk steen, verstopt achter wat rotsen en onder palmbomen. Het is precies groot en plat genoeg om twee badlakens neer te leggen maar voor we zover zijn dienen we nog wel even een behoorlijk steile afdaling te maken. Je moet wat overhebben voor je eigen privéstrandje maar dan heb je ook wat. Ik waan me in een klein paradijs op een onbewoond eiland. Er is geen mens te bekennen, zo ver als ik kijken kan strekt de zee zich voor me uit en in de verte ligt het eiland Daksa dat tussen het golfgeklots de met groen begroeide rots in de branding vormt. Het is een idyllisch tafereel en ik kan mijn aandacht moeilijk bij mijn boek houden omdat ik nog altijd een constante drang voel om in het rond te kijken.


Wanneer je hier tot je schouders in het water staat, kun je met gemak je tenen op de bodem zien rusten. Dan zie je meteen wat er nog meer aan leven huist in dit water. Krabben! Niet van die kinderachtige exemplaartjes maar hele flinke knapen van krabben die de hele dag niets beters te doen hebben dan zich met de stroming mee te laten sleuren om vervolgens weer zijwaarts over de bodem terug te krabbelen (ik begrijp ineens waar dat woord vandaan komt). Je zal ineens zo´n ding aan je teen hebben hangen. Bij dat idee laat ik het zwemmen aan de man over en houd ik in de schaduw van een grote pijnboom een siësta. Heerlijk dat geluier, ik wist niet dat ik het kon maar goed voorbeeld doet volgen. De lokale bevolking doet hier overdag namelijk alles op een Mediterraan tempo. Dat wil zeggen: slof, slof, slof. Ik zeg alles, maar automobilisten en buschauffeurs vormen hierop een uitzondering want Kroaten zijn temperamentvolle wegpiraten die de claxon met evenveel enthousiasme indrukken als het gaspedaal. Hier geldt het recht van de snelste. De meest maniakale bestuurders halen op een bochtig bergweggetje gerust grote bussen in met een gemiddelde snelheid die je hartslag doet verdubbelen.


Uiteindelijk wordt de middagzon te heet en gaan we via de promenade (Little Stradun) terug naar het hotel om ons op te frissen en een lichte lunch te nuttigen. We besluiten daarna naar het centrum te gaan waar als we de vele aanplakbiljetten moeten geloven elke avond wel iets te beleven valt. Op het plein voor de St. Blaisekerk (opgedragen aan Sveti Vlaho, de beschermheilige van Dubrovnik) is een groot orkest bezig de instrumenten te stemmen. Als ik de dirigent aanspreek, blijken het Engelsen te zijn die samen het Imperial College Sinfonietta vormen. Ze moeten wachten tot de grote klok geluid heeft (tweemaal, men luidt hier namelijk de klok om te waarschuwen dat de klok gaat luiden) en dan beginnen ze te spelen, eerst een stuk van Prokofiev en vervolgens Tschaikovski. Heel mooi.

Als het donker wordt, beklimmen we een van de vele smalle trappensteegjes en komen we uit op de Prijeko (eetstraatje) die parallel ligt aan de Stradun maar dan een stuk hoger. Er zijn hier wel honderd restaurantjes en op elk terras staat een gastheer of –vrouw die hele menukaarten uit het hoofd staat op te dreunen. Hoewel het vreselijk smal is en je je zijwaarts langs de terrasjes moet manoeuvreren, kun je er toch rustig zitten en van je maaltijd genieten. Doordat er een algemeen verbod op neonlicht lijkt te gelden, dineer je in kaarslicht of onder een gedimde lantaarn wat de sfeer absoluut ten goede komt.

We horen zwaluwen, lachende mensen, Kroatische muziek en het zachte getik van bestek. Het is niet vreemd dat Dubrovnik de parel van de Adriatische kust genoemd wordt. Of het nu in zon-, maan- of kaarslicht is; de stad wordt te allen tijde gesierd door een parelmoerachtige glans. Na het eten steken we de Stradun weer over. Het Sinfonietta blijkt ook over een big band te beschikken en speelt nu Frank Sinatra. Omdat het zo gezellig is, besluiten we nog wat te drinken op een naburig terras. Plotseling doemen er vanachter de hoge gebouwen tientallen kleine oranje lichtjes op. Het worden er steeds meer en ze komen steeds dichterbij maar wat het nou precies is, is me een raadsel. Ze zijn te groot voor vuurvliegjes en voor armageddon ziet het er veel te gemoedelijk uit. Een serveermeneer weet ons in alle ernst te vertellen dat het om ufo´s gaat. Juist. Doe mij er ook nog maar eentje.

Op de terugweg beklimmen we de trappetjes die naar fort Lovrijenac (dat de westzijde van de stad moet beschermen tegen gevaar vanaf land of zee) leiden, waar we opgewacht worden door een Adriatische muggenleger dat vrijwel onmiddellijk de angels vastschroeft en een massakamikaze uitvoert op mijn benen. Nog even ongestoord van het uitzicht genieten zit er kennelijk niet in maar gelukkig kan dit vanaf ons balkon ook. Nema problema! - zoals ze hier dan roepen.

30 juni 2007

[Stari Grad, rotsenklots, plaatselijke horecagebruiken]

De eerste ochtend in Dubrovnik. Terwijl de man zich nog eens omdraait, loop ik naar het balkon want om acht uur is het in de hotelkamer (geen kunstmatige klimaatbeheersing) al niet te harden. Mijn zintuigen draaien op volle toeren. Nu het licht is, bestaat Dubrovnik globaal uit vier hoofdkleuren: het helderblauw van de zee en de hemel (soms is het moeilijk te zien waar aan de horizon het water in de lucht overgaat), het groen van de bomen en planten, het grijs van de kalkstenen, bergen en rotsen en het oranje van de talloze pannendaken. Hier en daar accentueren slierten fel paarse en roze bloemen het landschap. Ik adem eens diep in en snuif de frisse zeelucht op, vermengd met een subtiele geur van bloemen en bomen. ’s Nachts maakten de krekels een immens kabaal, nu hoor ik slechts het ruisen van wind en zee en af en toe het geschetter van zwaluwen. Rechts ligt de enorme berg Srd, voor me uitgestrekt de baai van Lapad met daarachter Babin Kuk, links zie ik zee en eilanden en achter me bevindt zich de berg Petka. Nu ik dit alles in me heb opgenomen kan ik de man wakker porren en zullen we eens zien of het ontbijt hier een beetje binnen te houden is.

Voor een twee sterrenhotel overstijgt het hele ontbijtgebeuren al mijn verwachtingen. In een ruime zaal staat een luxe ontbijtbuffet klaar: verse vruchten, allerlei soorten brood en andere graanproducten, een ruime keuze aan beleg, Kroatisch gebak, pudding, kwark, schapenkaas, eieren, saucijsjes en allerlei warme en koude dranken. We nemen onze borden mee naar een tafeltje vanwaar we een prachtig uitzicht over de zee en het strand hebben. Het is hier helemaal zo gek nog niet.


Met een goed gevulde maag beginnen we aan onze eerste wandeling die ons van Lapad via de kust naar Stari Grad (de oude stad) brengt. Het is een graad of 38 dus veel haast hebben we niet. Bovendien moet ik om de honderd meter even stil staan om “ohh” en “ahh” te roepen want de omgeving is werkelijk prachtig. Hoewel Dubrovnik in het hoogseizoen bekend staat als toeristentrekpleister, komen we onderweg - op wat locals na - maar weinig mensen tegen. Die liggen natuurlijk allemaal op het strand hun kater te verwerken dan wel hun huid enkele tinten bruiner (of roder) te bakken. Fout! Als we vanaf de laatste heuvel voor Stari Grad op het centrum neerkijken, zien we een grote krioelende mensenmassa waaruit bordjes omhoog steken die vastgehouden worden door reisgidsen. Precies voor de poort van Pile, op een smal bruggetje dat aan de noordkant toegang biedt tot het centrum. We manoeuvreren ons door de menigte en belanden in het voorportaal van Stari Grad waar een driekoppig ensemble een fraai stukje Bach staat te spelen. Zodra ze daarna Strauss inzetten weet ik niet hoe gauw ik de benen moet nemen, we zijn hier verdorie niet in Wenen ja!

Haastige spoed is hier echter niet goed, de kalkstenen paden zijn namelijk spekglad. Ze glimmen in het zonlicht alsof ze nat zijn maar in werkelijkheid zijn ze door miljoenen schoenzolen gepolijst (en worden niet, zoals de man suggereert, elke nacht door slaven tot in de kleinste groefjes grondig opgepoetst). Ik les een grandioze dorst met ijskoud water uit de grote, ronde fontein van Onofrio de la Cava, een indrukwekkend vijftiende-eeuws bouwwerk met zestien kranen waaruit water stroomt dat afkomstig is uit een bron in Rijeka Dubrovacka, twintig kilometer verderop. In 1667 is de fontein zwaar getroffen door een catastrofale aardbeving maar wonderlijk genoeg functioneert hij nog steeds. Aan het eind van de Stradun (hoofdstraat) staat nog een kleine Onofrio fontein maar daar zitten zoveel duiven op dat je een ondergekakte bakkes riskeert wanneer je eruit drinkt. Natuurlijk heb ik de zonnebrand in het hotel gelaten want ik zag ´s ochtends een verdwaalde wolk en concludeerde daaruit dat het nooit zo bloedverziekend heet zou kunnen worden als het uiteindelijk werd. De billen neervleiend op het plaveisel bega ik een heuse steengrillervaring en later op de dag kleuren diverse onbedekte ledematen Austrian-rood. Dat ga ik vanaf heden dus anders aanpakken.

Stari Grad is een doolhof van steegjes, trappetjes en pleintjes omheind door een twee kilometer lange en 25 meter hoge stadsmuur (gradske zidine) met diverse torens, bastions en forten. Vanaf het hoogste punt, fort Revelin, kijk je uit over de hele stad, de oude haven, honderden oranje pannendaken, de zee en vele eilanden. Tussen de kriskras door elkaar gebouwde huisjes hangen allemaal waslijntjes (wel apart om steeds onder de Kroatische onderbroeken door te moeten kruipen), door de steegjes lopen zwerfkatten, de inlanders hangen uit hun ramen naar elkaar te tetteren en aan veel van de pittoreske huisje hangen grote, ontsierende schotels. Weer beneden kopen we op de markt verse pruimen, extreem zure appels en vijgen die we in de schaduw opeten. We bekijken de kerken en paleizen en besluiten dan dat het tijd is voor een terras om de voeten (bereids voorzien van blaren wegens geen sokken en door het zweten blijven die rotpleisters niet plakken) wat rust te gunnen en mensjeskijkend te loungen onder een luifel. Onder het genot van een ijskoude grasshopper houd ik dat wel een uurtje vol.

Rond het middaguur wandelen we naar de haven bij Ploce. Pootjebaden en vissen kijken in het heldere zeewater. We zien een vis een andere vis verorberen die groter is dan hijzelf. Net Animal Planet maar dan live. Ik voorzie het gebeuren van een gepaste Steve Irwin imitatie. Er komen hier gigantische cruiseschepen voorbij die vier keer zo groot zijn als ons hotel. Tussen die joekels door varen allerlei kleine bootjes, van kajak tot watertaxi en van waterfiets tot speedboot. Er zijn ook nog lieden met flippers die geen angst kennen en zo van een rots af springen om tussen al dit waterverkeer door een stukje te gaan zwemmen. Zwemmen, daar heb ik zelf ook wel zin in, maar dan wel op een wat minder drukke plaats.

Terug naar het hotel om badkleding, handdoeken en zonnebrand op te halen. Drie keer struikelen en je ligt op het strand. De Kroatische kust kent nauwelijks zandstranden, wat ik niet erg vind want ik heb een uitgesproken hekel aan kleefzand, dus een kuil graven om je waterfles koel te houden (of gewoon uit wannabe duitsheid) zit er niet in. Het enige voordeel van zand is dat het wat comfortabeler ligt dan kiezels en keien maar desondanks lig ik toch tien keer liever aan Lapad Bay dan Katwijk aan zee. Het is er zo rustig, schoon, adembenemend mooi en een golfslagbad is er niets bij, kwa golfslag. Als je te dicht bij de rotsen komt, word je er met een genadeloze rotklap tegenaan gesmeten, ik spreek uit ervaring. Niets gebroken gelukkig.

Om een uur of zeven spoel ik onder de douche het zout van mijn lijf (je droogt helemaal wit op als je hier uit de zee komt) en vraag bij de receptie aan monseigneur Leclerc of hij een restaurant kan aanbevelen. Met een vragende blik staart hij me door zijn jampotbodems aan en antwoordt: "Huh? What you mean? Restaurant?" Zelf vind ik het niet zo´n rare vraag maar Leclerc´s voorhoofd verandert op slag in een groot peinsrimpelreliëf. Hij zwijgt een tijdje, maakt wat armbewegingen naar rechts en mompelt dan "Pergola". Waarom die tent zo heet, laat zich raden.

Een lesje Kroatische horecagebruiken: bestel hier snel en aarzel geen moment, haal tussendoor vooral geen adem want dan denken ze dat je uitgepraat bent en zijn ze verdwenen. Als je ongevraagd een voorgerecht voor je neus krijgt, wees er dan stellig van overtuigd dat je het lekker gaat vinden en stuur het anders linea recta terug naar de kok want je moet er wél een paar kuna´s voor neertellen. Laat tijdens het eten je bestek niet te lang los want dan denken ze dat je uitgedineerd bent en halen ze zonder pardon je bord onder je snufferd vandaan. Bestel ook geen koffie maar espresso als je, zoals ik, van lauwe leut met melk braakneigingen krijgt. Wel leuk is dat er elke dag vers uit de zee geschepte vis in ijsvitrines ligt waarvan je er zelf eentje mag aanwijzen. Die vis stoppen ze dan vol met kruiden en citroen, gaat op de grill en wordt (dat is dan wel weer een beetje de anti-climax) geserveerd met gekookte hoge-bloeddruk-piepers en verlepte groenten in het een of andere hoge-bloeddruk-papje. Na de officiële onthoofding, ontstaarting en ontgrating heb je vervolgens wel een plaatselijke delicatesse op je bord en kan Kapitein Iglo wel inpakken met zijn viscuisine.

Na het eten wandelen we nog een stukje langs de baai van Lapad waar we herhaaldelijk staande gehouden worden door mensen die ons allerlei georganiseerde bus- en bootexcursies proberen aan te smeren. Stuk voor stuk beweren ze dat zij de beste/goedkoopste zijn. Dat zal allemaal best, maar ik verken de omgeving liever op eigen houtje dan dat ik de hele dag achter een onverstaanbare doch duurbetaalde gids met een strohoed en een bordje aan hobbel. Ik weet na een grondige voorlichting nu echter precies waar ik wel en niet naartoe moet. Aan het eind van de baai drinken we op een terras nog wat en luisteren we naar een band die traditionele Kroatische muziek speelt. Als de volle maan over de Srd komt gluren, lopen we langs het glinsterende water terug naar het hotel om van een welverdiende nachtrust te genieten.