Het belooft weer een loeihete dag te worden maar gelukkig staat er een frisse zeebries die de warmte draaglijk, zelfs aangenaam maakt. We gaan een dagje klimmen en klauteren aan de zuidkant van Babin Kuk. Eerst lopen we over smalle bergpaadjes langs de rotskust om te zien tot hoe ver we te voet kunnen komen. Het is hier zo mooi dat ik de rust niet in me kan vinden om te ontspannen. Ik heb het gevoel dat ik ogen tekort kom. Als Hollander met een geringe hoeveelheid reiservaring ben ik zoveel natuurschoon niet gewend. Die bollenvelden zijn na een tijdje ook niets nieuws onder de zon, mocht deze eens schijnen. Als we het meest westelijke puntje van Babin Kuk bereikt hebben, willen we een strandje bezoeken maar dat is aan deze kant afgesloten en blijkt later een homorots te zijn. En ik maar denken dat ik op een fata morgana gestuit ben. Ik bestel snel een cocktail in de meest chemische kleur roze en de man giet nog maar eens een Karlovačko naar binnen.
Uiteindelijk vinden we een mooi stuk steen, verstopt achter wat rotsen en onder palmbomen. Het is precies groot en plat genoeg om twee badlakens neer te leggen maar voor we zover zijn dienen we nog wel even een behoorlijk steile afdaling te maken. Je moet wat overhebben voor je eigen privéstrandje maar dan heb je ook wat. Ik waan me in een klein paradijs op een onbewoond eiland. Er is geen mens te bekennen, zo ver als ik kijken kan strekt de zee zich voor me uit en in de verte ligt het eiland Daksa dat tussen het golfgeklots de met groen begroeide rots in de branding vormt. Het is een idyllisch tafereel en ik kan mijn aandacht moeilijk bij mijn boek houden omdat ik nog altijd een constante drang voel om in het rond te kijken.
Wanneer je hier tot je schouders in het water staat, kun je met gemak je tenen op de bodem zien rusten. Dan zie je meteen wat er nog meer aan leven huist in dit water. Krabben! Niet van die kinderachtige exemplaartjes maar hele flinke knapen van krabben die de hele dag niets beters te doen hebben dan zich met de stroming mee te laten sleuren om vervolgens weer zijwaarts over de bodem terug te krabbelen (ik begrijp ineens waar dat woord vandaan komt). Je zal ineens zo´n ding aan je teen hebben hangen. Bij dat idee laat ik het zwemmen aan de man over en houd ik in de schaduw van een grote pijnboom een siësta. Heerlijk dat geluier, ik wist niet dat ik het kon maar goed voorbeeld doet volgen. De lokale bevolking doet hier overdag namelijk alles op een Mediterraan tempo. Dat wil zeggen: slof, slof, slof. Ik zeg alles, maar automobilisten en buschauffeurs vormen hierop een uitzondering want Kroaten zijn temperamentvolle wegpiraten die de claxon met evenveel enthousiasme indrukken als het gaspedaal. Hier geldt het recht van de snelste. De meest maniakale bestuurders halen op een bochtig bergweggetje gerust grote bussen in met een gemiddelde snelheid die je hartslag doet verdubbelen.
Uiteindelijk wordt de middagzon te heet en gaan we via de promenade (Little Stradun) terug naar het hotel om ons op te frissen en een lichte lunch te nuttigen. We besluiten daarna naar het centrum te gaan waar als we de vele aanplakbiljetten moeten geloven elke avond wel iets te beleven valt. Op het plein voor de St. Blaisekerk (opgedragen aan Sveti Vlaho, de beschermheilige van Dubrovnik) is een groot orkest bezig de instrumenten te stemmen. Als ik de dirigent aanspreek, blijken het Engelsen te zijn die samen het Imperial College Sinfonietta vormen. Ze moeten wachten tot de grote klok geluid heeft (tweemaal, men luidt hier namelijk de klok om te waarschuwen dat de klok gaat luiden) en dan beginnen ze te spelen, eerst een stuk van Prokofiev en vervolgens Tschaikovski. Heel mooi.
Als het donker wordt, beklimmen we een van de vele smalle trappensteegjes en komen we uit op de Prijeko (eetstraatje) die parallel ligt aan de Stradun maar dan een stuk hoger. Er zijn hier wel honderd restaurantjes en op elk terras staat een gastheer of –vrouw die hele menukaarten uit het hoofd staat op te dreunen. Hoewel het vreselijk smal is en je je zijwaarts langs de terrasjes moet manoeuvreren, kun je er toch rustig zitten en van je maaltijd genieten. Doordat er een algemeen verbod op neonlicht lijkt te gelden, dineer je in kaarslicht of onder een gedimde lantaarn wat de sfeer absoluut ten goede komt.
We horen zwaluwen, lachende mensen, Kroatische muziek en het zachte getik van bestek.
Op de terugweg beklimmen we de trappetjes die naar fort Lovrijenac (dat de westzijde van de stad moet beschermen tegen gevaar vanaf land of zee) leiden, waar we opgewacht worden door een Adriatische muggenleger dat vrijwel onmiddellijk de angels vastschroeft en een massakamikaze uitvoert op mijn benen. Nog even ongestoord van het uitzicht genieten zit er kennelijk niet in maar gelukkig kan dit vanaf ons balkon ook. Nema problema! - zoals ze hier dan roepen.
1 juli 2007
[Babin Kuk, ufo's]
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten