Het mag duidelijk zijn wat onze kleuters dit jaar op hun verlanglijstje hebben gezet:
"Siiiinterklaasje kom maar binnen met je KNEX!"
4 december 2009
25 september 2009
[Tussen 'geboren' en 'gebaard']
M (5 jr): "Waarom heb jij krullen?"
Stagiare: "Die heb ik altijd al gehad, ik ben ermee geboren."
M: "Oh."
Stagiaire: "Jij hebt juist heel stijl haar he?"
M: "Ja, mijn mama heeft mij geboord zonder krullen."
Stagiare: "Die heb ik altijd al gehad, ik ben ermee geboren."
M: "Oh."
Stagiaire: "Jij hebt juist heel stijl haar he?"
M: "Ja, mijn mama heeft mij geboord zonder krullen."
27 juni 2009
[Lachen met mij?]
W: "Niemand vindt mij grappig :("
A: "Daar is jouw humor ook veel te avant garde voor lieverd."
*knipper*
A: "Daar is jouw humor ook veel te avant garde voor lieverd."
*knipper*
26 juni 2009
[Lachen met Axel]
Wij volgen House MD. Omdat het grappig is.
En als ik niet om House lach, dan lach ik wel om de droge opmerkingen die Axel erbij plaatst...
"Pickwicksyndroom? Is dat dat je een slappe zak krijgt als je 'm in warm water hangt?"
En als ik niet om House lach, dan lach ik wel om de droge opmerkingen die Axel erbij plaatst...
"Pickwicksyndroom? Is dat dat je een slappe zak krijgt als je 'm in warm water hangt?"
[Nog effe gauw de stad in - deel 2]
Een willekeurige drogisterij op zaterdagmiddag. Lange rij wegens 4-halen-2-betalen. Uiteraard is er maar één kassa open. Wie staat er voor me? Een zeldzame, want bijna uitgestorven losgeldlapper.
“Dat is dan €3,85”
“Hier heeft u €50,-”
“Heeft u dat niet wat kleiner?”
“Ben bang van niet.”
“Eén euro vijftien erbij dan?”
“Helaas.”
Het kassameisje bijt op haar lip en bekent spijtvol dat ze geen wisselgeld heeft. Ze roept haar collega erbij om in de andere kassa naar wisselgeld te zoeken. Elly, zo heet de collega want dat staat op haar naamkaartje, zoekt haar sleutel, identificeert zich, opent de andere kassa en laat het kleingeld rinkelen. Er zit geen één euro vijftien in de kassa. Over en weer worden moeilijke gezichten getrokken.
“En u kunt echt niet pinnen?”
De klant kan echt niet pinnen. De klant trekt een specifiek soort gezicht naar de caissière. Met een blik die wilde zeggen: luister miep, ik heb je genoeg geld gegeven en ik ga niet weg voordat jij mij elke cent die ik teveel betaald heb, teruggegeven hebt. Het zweet breekt het radeloze kassameisje uit, wat te doen? Dan steekt de klant achter me haar beurs omhoog.
“Ik kan wel wisselen hoor!”
Ik denk: pure mats. Ik zag de opgedirkte losgeldlapper het kassameisje al over de balie trekken en op brute wijze toetakelen, met haar vingers tussen de kassala enzo. Gruwelijk. Dat had ik haar nou ook weer niet gegund, zelfs met mijn mensen-achter-een-balie-aversie. Ik leg mijn producten op de toonbank en besluit om toch maar niet voor de grap met een briefje van vijftig te wapperen. Je moet het ongeluk niet zelf over je afroepen natuurlijk. Met nog trillende handjes scant het kassameisje mijn shampoo en energy drankje.
“Oh, gelukkig! U heeft een pinpas!”
Nog ‘even gauw’ een drukbezochte modewinkel in voor een nieuwe broek. Twee van de drie kassa’s zijn gesloten en voor de enige geopende staat een gigantische stoet mensen. Ik staar naar het bordje met de bekende, commercieel aantrekkelijke kreet en probeer mezelf te kalmeren. De caissières kunnen er ook niet altijd iets aan doen. Voor me staan twee meisjes met een enorme lading koopwaar. Ze blijken Duits te zijn. Op de toonbank, dus praktisch recht voor hun Duitse neuzen, staat een bordje. Op het bordje staat, in het Duits, dat Duitse pinpassen in deze winkel niet werken. Aangezien losgeldlappers schaars zijn, vrees ik het ergste. Daarnaast vrees ik dat het kassameisje, dat driftig bezig is alle artikelen te scannen, mijn vrees niet deelt.
Dus wat doet het Duitse meisje als het eindbedrag verschijnt? Ze haalt haar Duitse pinpas door de Hollandse gleuf. Ik zucht. Het kassameisje wijst naar het bordje. Geen paniek, haar eveneens Duitse vriendin moet toch nog een bikini afrekenen en wil het andere bedrag ook wel even betalen. Denk je dat ze doet? Ze haalt een Duitse pinpas tevoorschijn, pint, faalt. Ook zij heeft geen cash. Mijn OVA, die weet wat ik denk, gniffelt en fluistert “sind Sie blond?”. Sta je dus weer twintig minuten voor niks te wachten. Het kassameisje scant mijn broek en zucht: wat was dat dom zeg! Ik mompel iets terug over een ezel. Dat ze de eerste keer niet op Duitse blondheid bedacht was: tot daar aan toe, maar de tweede had ze moeten zien aankomen. Met kramp in mijn kromme tenen loop ik de winkel uit. Mijn probleem met mensen-achter-een-balie heeft zich uitgebreid tot probleem met mensen-voor-dan-wel-achter-een-balie. Of alles wat zich mogelijkerwijs rond een balie kan afspelen.
Als er dan bij de supermarkt een of andere kampbewoner voor mijn voeten springt, dus voordringt, en ziedend half over de toonbank gaat hangen, is de maat vol. Haar komkommer deugt niet. Bonnetje? Heeft ze niet. Waar is dan die komkommer? Thuis. En dat is maar goed ook want ik had hem ongetwijfeld ergens geduwd waar de zon niet schijnt.
“Dat is dan €3,85”
“Hier heeft u €50,-”
“Heeft u dat niet wat kleiner?”
“Ben bang van niet.”
“Eén euro vijftien erbij dan?”
“Helaas.”
Het kassameisje bijt op haar lip en bekent spijtvol dat ze geen wisselgeld heeft. Ze roept haar collega erbij om in de andere kassa naar wisselgeld te zoeken. Elly, zo heet de collega want dat staat op haar naamkaartje, zoekt haar sleutel, identificeert zich, opent de andere kassa en laat het kleingeld rinkelen. Er zit geen één euro vijftien in de kassa. Over en weer worden moeilijke gezichten getrokken.
“En u kunt echt niet pinnen?”
De klant kan echt niet pinnen. De klant trekt een specifiek soort gezicht naar de caissière. Met een blik die wilde zeggen: luister miep, ik heb je genoeg geld gegeven en ik ga niet weg voordat jij mij elke cent die ik teveel betaald heb, teruggegeven hebt. Het zweet breekt het radeloze kassameisje uit, wat te doen? Dan steekt de klant achter me haar beurs omhoog.
“Ik kan wel wisselen hoor!”
Ik denk: pure mats. Ik zag de opgedirkte losgeldlapper het kassameisje al over de balie trekken en op brute wijze toetakelen, met haar vingers tussen de kassala enzo. Gruwelijk. Dat had ik haar nou ook weer niet gegund, zelfs met mijn mensen-achter-een-balie-aversie. Ik leg mijn producten op de toonbank en besluit om toch maar niet voor de grap met een briefje van vijftig te wapperen. Je moet het ongeluk niet zelf over je afroepen natuurlijk. Met nog trillende handjes scant het kassameisje mijn shampoo en energy drankje.
“Oh, gelukkig! U heeft een pinpas!”
Nog ‘even gauw’ een drukbezochte modewinkel in voor een nieuwe broek. Twee van de drie kassa’s zijn gesloten en voor de enige geopende staat een gigantische stoet mensen. Ik staar naar het bordje met de bekende, commercieel aantrekkelijke kreet en probeer mezelf te kalmeren. De caissières kunnen er ook niet altijd iets aan doen. Voor me staan twee meisjes met een enorme lading koopwaar. Ze blijken Duits te zijn. Op de toonbank, dus praktisch recht voor hun Duitse neuzen, staat een bordje. Op het bordje staat, in het Duits, dat Duitse pinpassen in deze winkel niet werken. Aangezien losgeldlappers schaars zijn, vrees ik het ergste. Daarnaast vrees ik dat het kassameisje, dat driftig bezig is alle artikelen te scannen, mijn vrees niet deelt.
Dus wat doet het Duitse meisje als het eindbedrag verschijnt? Ze haalt haar Duitse pinpas door de Hollandse gleuf. Ik zucht. Het kassameisje wijst naar het bordje. Geen paniek, haar eveneens Duitse vriendin moet toch nog een bikini afrekenen en wil het andere bedrag ook wel even betalen. Denk je dat ze doet? Ze haalt een Duitse pinpas tevoorschijn, pint, faalt. Ook zij heeft geen cash. Mijn OVA, die weet wat ik denk, gniffelt en fluistert “sind Sie blond?”. Sta je dus weer twintig minuten voor niks te wachten. Het kassameisje scant mijn broek en zucht: wat was dat dom zeg! Ik mompel iets terug over een ezel. Dat ze de eerste keer niet op Duitse blondheid bedacht was: tot daar aan toe, maar de tweede had ze moeten zien aankomen. Met kramp in mijn kromme tenen loop ik de winkel uit. Mijn probleem met mensen-achter-een-balie heeft zich uitgebreid tot probleem met mensen-voor-dan-wel-achter-een-balie. Of alles wat zich mogelijkerwijs rond een balie kan afspelen.
Als er dan bij de supermarkt een of andere kampbewoner voor mijn voeten springt, dus voordringt, en ziedend half over de toonbank gaat hangen, is de maat vol. Haar komkommer deugt niet. Bonnetje? Heeft ze niet. Waar is dan die komkommer? Thuis. En dat is maar goed ook want ik had hem ongetwijfeld ergens geduwd waar de zon niet schijnt.
[Nog effe gauw de stad in - deel 1]
Ken je die kreet?
“3 in de rij? Wij openen er graag een kassa bij!”
Maar ze doen het niet. Of ‘wij’ zijn er toevallig nooit op het moment dat ik als vierde, vijfde, zesde, of nog verder achteraan aansluit. Dat schreeuwerige bord lijkt altijd zijn belofte te breken. Ik krijg op zo’n moment spontaan zin om de kreet een beetje aan te passen.
“3 in de rij? Er is tenminste een kassa open, weest u blij!”
“3 in de rij? Bestel online, dat geeft minder zeikerij!”
“3 in de rij? Leve onze consumptiemaatschappij!”
“3 in de rij? Loopt u even terug voor een knolselderij!”
Bekt minstens zo lekker en het is wel zo eerlijk, maar dat zie je nergens. Het is commercieel aantrekkelijker om de klant een leugen voor te houden, namelijk. Dus ondanks die kreet boven de kassa sta ik er regelmatig wortel te schieten. En dat is niet zelden slechts het begin van mijn ergernis.
Volgens mijn OVA heb ik namelijk een chronisch probleem met alles wat zich achter een balie bevindt. Hij ziet het gebeuren. Mijn blik wordt ernstig, mijn handen ballen tot vuisten, lucht wordt met grote kracht uit mijn neusgaten geperst en mijn tenen lijken zich vast te nagelen in de grond. Dat kan zo zijn, maar het is niet mijn schuld dat ik steevast het type kassameisje of baliekluiver tref dat mijn frustratietolerantiegrens tart.
Een willekeurige kledingboetiek. Uitverkoop met stickersysteem. Geel is 20% korting, oranje 25%, rood 30%, et cetera. Als ik ergens de zenuwen van krijg is het een winkelbediende die achter me gaat staan als ik in de spiegel kijk en me dan overlaadt met commercieel aantrekkelijke complimentjes. Dan denk ik: terug achter je balie met dat kassakadaver, vanaf dat punt kun je me nog genoeg ambeteren! Maar dat zeg ik niet. Ik lach vriendelijk en bedank, maar mijn OVA weet beter. Die weet dat mijn tenen zich al in mijn schoenzool boren voordat ik het bewuste item op de balie gelegd heb.
Er zit een oranje sticker op het item. Ik reken: 25% van €50,- is €12,50. Ik moet €37,50 betalen. Kassakadaver slaat aan en dat is dan €25,-. Pinnen? Ik denk: pure mats! Kassakadaver denkt: oeps! Dan begint een lang correctieproces. Eerst vijf minuten met de rekenmachine in de weer om uit te rekenen hoeveel ik te weinig betaald heb. Dan vijf minuten op de kassa rammen om het juiste bedrag op de display te krijgen. Ik kan het betaalde bedrag cash terug krijgen en opnieuw pinnen, maar ik wil gewoon het resterende bedrag pinnen. Dat kan niet. Inmiddels bemoeien twee andere kassakadavers zich met de kwestie. Eén van hen neemt de kassa over en na wat gekibbel deelt ze me mede dat ik €12,50 terug krijg. Ik denk: pure mats. Kassakadaver denkt: oeps! Uiteindelijk ziet een van hen het licht en slaat €12,50 aan. U kunt pinnen. Het mocht godverdomme tijd worden. Tasje erbij? Ja. Mag ik het haakje hebben? Nee. Dacht ik al. Goedemiddag. Ja, tot ik jou zag.
Nou Wen, als dat alles is.
Nee. Het drama zette zich voort.
Let maar eens op.
“3 in de rij? Wij openen er graag een kassa bij!”
Maar ze doen het niet. Of ‘wij’ zijn er toevallig nooit op het moment dat ik als vierde, vijfde, zesde, of nog verder achteraan aansluit. Dat schreeuwerige bord lijkt altijd zijn belofte te breken. Ik krijg op zo’n moment spontaan zin om de kreet een beetje aan te passen.
“3 in de rij? Er is tenminste een kassa open, weest u blij!”
“3 in de rij? Bestel online, dat geeft minder zeikerij!”
“3 in de rij? Leve onze consumptiemaatschappij!”
“3 in de rij? Loopt u even terug voor een knolselderij!”
Bekt minstens zo lekker en het is wel zo eerlijk, maar dat zie je nergens. Het is commercieel aantrekkelijker om de klant een leugen voor te houden, namelijk. Dus ondanks die kreet boven de kassa sta ik er regelmatig wortel te schieten. En dat is niet zelden slechts het begin van mijn ergernis.
Volgens mijn OVA heb ik namelijk een chronisch probleem met alles wat zich achter een balie bevindt. Hij ziet het gebeuren. Mijn blik wordt ernstig, mijn handen ballen tot vuisten, lucht wordt met grote kracht uit mijn neusgaten geperst en mijn tenen lijken zich vast te nagelen in de grond. Dat kan zo zijn, maar het is niet mijn schuld dat ik steevast het type kassameisje of baliekluiver tref dat mijn frustratietolerantiegrens tart.
Een willekeurige kledingboetiek. Uitverkoop met stickersysteem. Geel is 20% korting, oranje 25%, rood 30%, et cetera. Als ik ergens de zenuwen van krijg is het een winkelbediende die achter me gaat staan als ik in de spiegel kijk en me dan overlaadt met commercieel aantrekkelijke complimentjes. Dan denk ik: terug achter je balie met dat kassakadaver, vanaf dat punt kun je me nog genoeg ambeteren! Maar dat zeg ik niet. Ik lach vriendelijk en bedank, maar mijn OVA weet beter. Die weet dat mijn tenen zich al in mijn schoenzool boren voordat ik het bewuste item op de balie gelegd heb.
Er zit een oranje sticker op het item. Ik reken: 25% van €50,- is €12,50. Ik moet €37,50 betalen. Kassakadaver slaat aan en dat is dan €25,-. Pinnen? Ik denk: pure mats! Kassakadaver denkt: oeps! Dan begint een lang correctieproces. Eerst vijf minuten met de rekenmachine in de weer om uit te rekenen hoeveel ik te weinig betaald heb. Dan vijf minuten op de kassa rammen om het juiste bedrag op de display te krijgen. Ik kan het betaalde bedrag cash terug krijgen en opnieuw pinnen, maar ik wil gewoon het resterende bedrag pinnen. Dat kan niet. Inmiddels bemoeien twee andere kassakadavers zich met de kwestie. Eén van hen neemt de kassa over en na wat gekibbel deelt ze me mede dat ik €12,50 terug krijg. Ik denk: pure mats. Kassakadaver denkt: oeps! Uiteindelijk ziet een van hen het licht en slaat €12,50 aan. U kunt pinnen. Het mocht godverdomme tijd worden. Tasje erbij? Ja. Mag ik het haakje hebben? Nee. Dacht ik al. Goedemiddag. Ja, tot ik jou zag.
Nou Wen, als dat alles is.
Nee. Het drama zette zich voort.
Let maar eens op.
Labels:
is nooit grappig,
maatschappij
23 juni 2009
[Bruine tragi-comedy]
M: "En toen vertelde hij dus dat een maat van hem eens met een geleende slipper een drol door het doucheputje gedrukt heeft!"
W: "Gatverdamme - wat is dat toch met jou?"
M: "Hoezo?! Dat heb ik toch niet gedaan?"
W: "Nee, maar alle poep-en-pies-verhalen die ik ken, ken ik omdat jij ze me verteld hebt."
M: "Hm, ja, dat is niet zo mooi nee..."
W: "Ben je stiekem bezig met een nieuw literair genre? 'Excrementie annalen', zo iets?"
M: "Hahaha!"
W: "Een soort bruine tragi-comedy, met bestsellers als: 'De bruine trui', 'De verdwijning van de Jan-Dammer en de geleende slipper', 'De bejaarde bruinwerker'..."
M: "Hm, verdomd, ik zie er wel potentie in!"
W: "Gatverdamme - wat is dat toch met jou?"
M: "Hoezo?! Dat heb ik toch niet gedaan?"
W: "Nee, maar alle poep-en-pies-verhalen die ik ken, ken ik omdat jij ze me verteld hebt."
M: "Hm, ja, dat is niet zo mooi nee..."
W: "Ben je stiekem bezig met een nieuw literair genre? 'Excrementie annalen', zo iets?"
M: "Hahaha!"
W: "Een soort bruine tragi-comedy, met bestsellers als: 'De bruine trui', 'De verdwijning van de Jan-Dammer en de geleende slipper', 'De bejaarde bruinwerker'..."
M: "Hm, verdomd, ik zie er wel potentie in!"
16 juni 2009
[Taal is zeg maar echt mijn ding]
Kassameisje 1: "D-i-s..."
Kassameisje 2: "Nee, nee, d-y-s-l-e..."
Kassameisje 1: "x-y. Nee, ie."
Kassameisje 2: "Je zal het maar hebben, dan kun je het niet eens spellen!"
Kassameisje 1: "Nou, daar hoef je het niet eens voor te hebben hoor."
Kassameisje 2: "Toch is het knap lullig, wie verzint nou zo iets?"
Wen: "Inderdaad een tamelijk ironische kwelling."
Kassameisje 2: "Dus d-y-s-l-e-x-i-e."
Wen: "Jep."
Kassameisje 1: "Toch sneu voor al die dyslexische mensen."
Wen: "Dyslectische. Het is dyslexie en dyslectisch. Dat is om het makkelijk te houden."
Kassameisje 2: "Zo, jij weet er een hoop vanaf!"
Ik leg het boek van Paulien Cornelisse op de toonbank om het af te rekenen.
Wen: "Mja, taal is zeg maar echt mijn ding."
Kassameisje 1: "Haha, 'taal is zeg maar...', zo heet dat boek! Haha!"
Kassameisje 2: "Dat is dan twaalf euro vijfenzeventig, dank je wel, en zeven euro vijfenzeventig terug."
Wen: "Kijk, en dat heet dyscalculie, d-y-s-c-a-l-c-u-l-i-e."
Kassameisje 2: "Nee, nee, d-y-s-l-e..."
Kassameisje 1: "x-y. Nee, ie."
Kassameisje 2: "Je zal het maar hebben, dan kun je het niet eens spellen!"
Kassameisje 1: "Nou, daar hoef je het niet eens voor te hebben hoor."
Kassameisje 2: "Toch is het knap lullig, wie verzint nou zo iets?"
Wen: "Inderdaad een tamelijk ironische kwelling."
Kassameisje 2: "Dus d-y-s-l-e-x-i-e."
Wen: "Jep."
Kassameisje 1: "Toch sneu voor al die dyslexische mensen."
Wen: "Dyslectische. Het is dyslexie en dyslectisch. Dat is om het makkelijk te houden."
Kassameisje 2: "Zo, jij weet er een hoop vanaf!"
Ik leg het boek van Paulien Cornelisse op de toonbank om het af te rekenen.
Wen: "Mja, taal is zeg maar echt mijn ding."
Kassameisje 1: "Haha, 'taal is zeg maar...', zo heet dat boek! Haha!"
Kassameisje 2: "Dat is dan twaalf euro vijfenzeventig, dank je wel, en zeven euro vijfenzeventig terug."
Wen: "Kijk, en dat heet dyscalculie, d-y-s-c-a-l-c-u-l-i-e."
[Humorbemiddeling]
Waar Hoogeveenen bekend staan om hun aan Sahelklimaatgrenzend droge humor, staan de Schrama's vooral bekend om hun onderbroekenlolletjes. Aangezien ik uit beide families wel wat genen bezit, valt er voor mij op familiebijeenkomsten altijd wel iets te lachen. Het grappigst wordt het wanneer een Hoogeveen een typische Hoogeveengrap aan een Schrama probeert over te brengen, of vice versa.
Hoogeveen: Een koning die tot in de late uurtjes werkt.
Schrama: Ehhh, eh, eeuuuuhhh....
Hoogeveen: Nou? Het is een cryptogram, weet je het al?
Schrama: Ja eh, dat is me te moeilijk hoor.
Hoogeveen: Een nachtvorst, haha!
Schrama: Oh...
U vangt mijn tocht. We probeerden het nog eens.
Hoogeveen: Een Topper op de plee.
Schrama: Ehh, René Froger?
Hoogeveen: Ja waar slaat dat nou weer op?
Schrama: Die zal toch ook wel eens op de poepdoos moeten?
Hoogeveen: Ja. Toch is het fout.
Schrama: Okay, Jeroen dinges, hoe heet-ie...
Hoogeveen: Nee.
Schrama: Nee? Als ik hem was zou ik de schijt krijgen van die andere twee.
Hoogeveen: Zo moeilijk is het niet, kom, denk na!
Schrama: Ik geef het op.
Hoogeveen: Gordon sanitaire! Hahaha!
Schrama: *stil* Is dat het? Nou, daar vind ik nou geen ene reet aan.
Hoewel je mij op dit punt al bijna kon opdweilen (niet zo zeer om de grappen als wel om de reacties), was dit mopje verder weinig sfeerbevorderend. Nu treft ons het geluk dat we er tegenwoordig een bemiddelende factor bij hebben die de naam Keijzer draagt. Hoedie-utdoetdoetie-ut, maar hij heeft de lachers van beide partijen binnen no time op zijn hand. Iedereen blij.
Keijzer: Een topper die een blauwtje loopt.
Hoogeveen: Ehhh...
Schrama: Euh...
In stereo: Gordon bleu! Hahahahaha!
Nadeel is dat ik voortaan niet naar een familiefeest kan zonder een grote bus zout mee te brengen.
Hoogeveen: Een koning die tot in de late uurtjes werkt.
Schrama: Ehhh, eh, eeuuuuhhh....
Hoogeveen: Nou? Het is een cryptogram, weet je het al?
Schrama: Ja eh, dat is me te moeilijk hoor.
Hoogeveen: Een nachtvorst, haha!
Schrama: Oh...
U vangt mijn tocht. We probeerden het nog eens.
Hoogeveen: Een Topper op de plee.
Schrama: Ehh, René Froger?
Hoogeveen: Ja waar slaat dat nou weer op?
Schrama: Die zal toch ook wel eens op de poepdoos moeten?
Hoogeveen: Ja. Toch is het fout.
Schrama: Okay, Jeroen dinges, hoe heet-ie...
Hoogeveen: Nee.
Schrama: Nee? Als ik hem was zou ik de schijt krijgen van die andere twee.
Hoogeveen: Zo moeilijk is het niet, kom, denk na!
Schrama: Ik geef het op.
Hoogeveen: Gordon sanitaire! Hahaha!
Schrama: *stil* Is dat het? Nou, daar vind ik nou geen ene reet aan.
Hoewel je mij op dit punt al bijna kon opdweilen (niet zo zeer om de grappen als wel om de reacties), was dit mopje verder weinig sfeerbevorderend. Nu treft ons het geluk dat we er tegenwoordig een bemiddelende factor bij hebben die de naam Keijzer draagt. Hoedie-utdoetdoetie-ut, maar hij heeft de lachers van beide partijen binnen no time op zijn hand. Iedereen blij.
Keijzer: Een topper die een blauwtje loopt.
Hoogeveen: Ehhh...
Schrama: Euh...
In stereo: Gordon bleu! Hahahahaha!
Nadeel is dat ik voortaan niet naar een familiefeest kan zonder een grote bus zout mee te brengen.
2 juni 2009
[Groeten uit Boedapest]
- Een bloederig brein. Boedapest had goede cocktails die dienst deden als pleister op de wond die het slechte weer veroorzaakt had.- Het warme, zonnige zomerweer in Boedapest was beduidend kouder en natter dan ingecalculeerd – zodoende ijsmuts en moessonponcho’s gekocht en lekker anoniem voor lul gelopen.
- De Donau is niet blauw maar grauw, liedje moet worden aangepast naar ‘An die schöne graue Donau’.
- Hongarije is mijn eerste vakantieland waarvan ik aan de taal echt geen touw kan vastknopen (ok, gulash, daar dan), zelfs Pools was makkelijker.
- Hoewel met 10 graden aan de frisse kant toch buiten gaan zwemmen – had verdomme niet voor niks nieuwe bikini gekocht en nat waren we toch al.
- Boedapest is een relaxte stad, niets moet – alles mag, maar wel op eigen risico (voedselvergiftiging, instortingsgevaar, vergassing etc).
- Gemiddeld 25 km per dag gelopen – toeristen-OV-pasjes zijn voor mieten.
- Kont eraf gevroren in nucleaire bunker en andere geheime ondergrondse onderkomens.
- Huzaren gezien, heuse echte! En mosterdgulash is een aanrader.
- Als je kip gevuld met pruimen en blauwe kaas bestelt, krijg je er ‘complimentary mosquitos’ bij, dood welteverstaan – spreekwoord moet worden aangepast naar ‘iemand blij maken met een dode mug’.
- Aan de oostblokgrens door de varkenspestscanner gehaald – vooralsnog clean.
- In het vliegtuig stappen, 3 verschillende kranten aangeboden krijgen, alledrie groot voorpaginanieuws vliegramp... Nein danke.
Meer foto's: klik!
Abonneren op:
Posts (Atom)

