Een willekeurige drogisterij op zaterdagmiddag. Lange rij wegens 4-halen-2-betalen. Uiteraard is er maar één kassa open. Wie staat er voor me? Een zeldzame, want bijna uitgestorven losgeldlapper.
“Dat is dan €3,85”
“Hier heeft u €50,-”
“Heeft u dat niet wat kleiner?”
“Ben bang van niet.”
“Eén euro vijftien erbij dan?”
“Helaas.”
Het kassameisje bijt op haar lip en bekent spijtvol dat ze geen wisselgeld heeft. Ze roept haar collega erbij om in de andere kassa naar wisselgeld te zoeken. Elly, zo heet de collega want dat staat op haar naamkaartje, zoekt haar sleutel, identificeert zich, opent de andere kassa en laat het kleingeld rinkelen. Er zit geen één euro vijftien in de kassa. Over en weer worden moeilijke gezichten getrokken.
“En u kunt echt niet pinnen?”
De klant kan echt niet pinnen. De klant trekt een specifiek soort gezicht naar de caissière. Met een blik die wilde zeggen: luister miep, ik heb je genoeg geld gegeven en ik ga niet weg voordat jij mij elke cent die ik teveel betaald heb, teruggegeven hebt. Het zweet breekt het radeloze kassameisje uit, wat te doen? Dan steekt de klant achter me haar beurs omhoog.
“Ik kan wel wisselen hoor!”
Ik denk: pure mats. Ik zag de opgedirkte losgeldlapper het kassameisje al over de balie trekken en op brute wijze toetakelen, met haar vingers tussen de kassala enzo. Gruwelijk. Dat had ik haar nou ook weer niet gegund, zelfs met mijn mensen-achter-een-balie-aversie. Ik leg mijn producten op de toonbank en besluit om toch maar niet voor de grap met een briefje van vijftig te wapperen. Je moet het ongeluk niet zelf over je afroepen natuurlijk. Met nog trillende handjes scant het kassameisje mijn shampoo en energy drankje.
“Oh, gelukkig! U heeft een pinpas!”
Nog ‘even gauw’ een drukbezochte modewinkel in voor een nieuwe broek. Twee van de drie kassa’s zijn gesloten en voor de enige geopende staat een gigantische stoet mensen. Ik staar naar het bordje met de bekende, commercieel aantrekkelijke kreet en probeer mezelf te kalmeren. De caissières kunnen er ook niet altijd iets aan doen. Voor me staan twee meisjes met een enorme lading koopwaar. Ze blijken Duits te zijn. Op de toonbank, dus praktisch recht voor hun Duitse neuzen, staat een bordje. Op het bordje staat, in het Duits, dat Duitse pinpassen in deze winkel niet werken. Aangezien losgeldlappers schaars zijn, vrees ik het ergste. Daarnaast vrees ik dat het kassameisje, dat driftig bezig is alle artikelen te scannen, mijn vrees niet deelt.
Dus wat doet het Duitse meisje als het eindbedrag verschijnt? Ze haalt haar Duitse pinpas door de Hollandse gleuf. Ik zucht. Het kassameisje wijst naar het bordje. Geen paniek, haar eveneens Duitse vriendin moet toch nog een bikini afrekenen en wil het andere bedrag ook wel even betalen. Denk je dat ze doet? Ze haalt een Duitse pinpas tevoorschijn, pint, faalt. Ook zij heeft geen cash. Mijn OVA, die weet wat ik denk, gniffelt en fluistert “sind Sie blond?”. Sta je dus weer twintig minuten voor niks te wachten. Het kassameisje scant mijn broek en zucht: wat was dat dom zeg! Ik mompel iets terug over een ezel. Dat ze de eerste keer niet op Duitse blondheid bedacht was: tot daar aan toe, maar de tweede had ze moeten zien aankomen. Met kramp in mijn kromme tenen loop ik de winkel uit. Mijn probleem met mensen-achter-een-balie heeft zich uitgebreid tot probleem met mensen-voor-dan-wel-achter-een-balie. Of alles wat zich mogelijkerwijs rond een balie kan afspelen.
Als er dan bij de supermarkt een of andere kampbewoner voor mijn voeten springt, dus voordringt, en ziedend half over de toonbank gaat hangen, is de maat vol. Haar komkommer deugt niet. Bonnetje? Heeft ze niet. Waar is dan die komkommer? Thuis. En dat is maar goed ook want ik had hem ongetwijfeld ergens geduwd waar de zon niet schijnt.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten