“Iv?”
“Ja?”
“Droom ik of ben ik wakker?”
“Moeilijk te zeggen, dat weet je met jou maar nooit, maar ik kan het wel even testen door je te kn-”
“Auw!”
Geschrokken trek ik mijn arm weg en sla ermee op Ivar’s hoofd. Hij lacht. Hij weet heus wel dat mijn vraag niet letterlijk bedoeld was maar hij plaagt me graag en neemt de te incasseren meppen voor lief.
“Ik denk dat we veilig aan kunnen nemen dat we allebei klaarwakker zijn.”
“Het zal ook eens niet” zeg ik, terwijl ik me op mijn linkerzij rol om op de wekker te kijken. Het is 04:22 uur. Normale mensen dolen nu rond in dromenland. Ik niet. Ik lig naar mijn plafond te staren en bedenk lastige vragen om Ivar mee te bestoken. Een slapeloze nacht is immers niet compleet zonder nachtelijke contemplatie.
“Wat gebeurt er met een droom wanneer deze ineens doordringt tot de wakkere wereld?”
“Dan is het geen droom meer.”
“Maar wat is het dan?”
“Wat wil je dat het is?”
Typisch Iv, een vraag met een vraag beantwoorden om me zo zelf achter de antwoorden te laten komen. Wat wil ik dat het is? Goeie vraag.
“Een belofte, denk ik, met garantie. Zoiets. Een proloog voor een nieuw hoofdstuk in mijn boek met oneindig veel onbeschreven pagina’s erachter die smachtend wachten op nieuwe nachten vol nieuwe dromen die ik al schrijvende uit kan laten komen.”
Ivar knikt, wat niet wil zeggen dat mijn antwoord goed is. Het is ook niet gezegd dat mijn antwoord fout is. Het is een bemoedigend knikje. Hij wil voorkomen dat ik een hulpeloze vrager word. Zoals hulpeloze klagers eindeloos over problemen jeremiëren zonder ook maar enige constructieve actie te ondernemen. Antwoorden zijn er altijd, het is de kunst om de juiste vragen te stellen.
“Iv?”
“Ja?”
“Wat nou als een wakkere droom weer indut?”
“Zorg jij er nu maar voor dat je zelf eens indut.”
28 januari 2008
[Nachtbraken]
26 januari 2008
21 januari 2008
[Palimpsest of het verleden door het heden lezen]
“Je ziet er moe uit” zegt Ivar. Ik weet het. Ik hoef niet eens in de spiegel te kijken want ik kan het voelen. Hier kunnen geen middeltjes tegen gezwollen oogleden en donkere kringen tegenop. Ik leef hard en ik slaap weinig, al weken, en dat begint zijn sporen achter te laten. Ivar zit naast me en samen turen we naar de zwarte hemel waaraan de volle maan dof op ons neer schijnt. “Wat doe je eraan hè?” antwoord ik. Ik schop een steentje weg, wiebel met mijn voeten, sta op en begin rondjes om ons bankje te lopen. Ik haat ijsberen, krijg ik het heen en weer van. Loop liever aan een stuk door.
Ondertussen babbelt Ivar rustig verder. Dat er zoveel op me af komt dat het wel moeilijk zal zijn om alle inkomende informatie te verwerken en prioriteiten te stellen. Dat de lijst met dingen die ik wil doen moet opboksen tegen de lijst met dingen die ik moet doen en dat schrappen, met name in de eerstgenoemde lijst, onvermijdelijk is. “Moet dat?” Ivar kijkt me aan en haalt zijn schouders op of hij zeggen wil: zelf weten. Hij weet ook wel dat ik een hekel heb aan strepen in mijn agenda maar het is natuurlijk kolderiek om zo’n neurotisch trekje voorrang te geven op mijn gezondheid welke zich momenteel in een kwetsbare toestand bevindt. Ik ga weer zitten. “Ja dus” mompel ik.
“Hoe moet het nou verder Iv? Zeg het me. Wat nu?” Hij glimlacht en draait zich naar me toe, veegt mijn haar opzij en kijkt me aan. “Jij bent net een boek. Een heel dik, ingewikkeld boek met verschillende verhalen die zich parallel aan elkaar afspelen en waartussen jij de bindende factor bent.” Typisch Iv. Gebruikt graag metaforen en laat mij er vervolgens mee stoeien om erachter te komen wat ze precies betekenen. Soms denk ik dat hij de werkelijkheid ermee wil verfraaien maar waarschijnlijk blijft hij zo vaag omdat hij vindt dat ik De Dingen op mijn manier moet interpreteren.
“Ik wou dat ik eruit kon stappen. Dit boek irriteert me, de verhalen modderen maar wat voort, er komt verdomme geen einde aan!” Ivar steekt zijn hand in de lucht, de palm in mijn richting, zoals een verkeersagent een naderende auto tot stilstand maant. Ik ben de schrijver, niet de lezer. Zodra ik het boek dichtsla, ontken ik mijn bestaan. Dat kan niet de bedoeling zijn. “Je bent een vechter. Je weet dondersgoed dat je niet kunt opgeven. Nog geen half uur later zou je getergd dat rotboek weer open slaan en het te lijf gaan met de scherpste pen die binnen handbereik is.”
Hij heeft gelijk. Hij kent me door en door. Dat ik een eigenwijze troela ben. Dat het me allemaal veel meer raakt dan ik laat zien. Dat er achter mijn montere bravoure grote angsten schuilen, voor verlies, afwijzing, falen. Ik moet niet bang zijn. Het is tijd om los te laten. Waarom zou ik angstvallig de gebaande paden blijven bewandelen als ik ook nieuwe wegen kan aanleggen? Ik adem diep in en zucht. Kon ik maar slapen. Hij slaat een arm om me heen, drukt mijn wang tegen zijn borst en streelt mijn haar. “Ik weet het…” zegt hij zachtjes.
Als ik wakker word, vind ik een pen naast mijn kussen. Er is een briefje omheen gevouwen.
“Je kunt het.”
17 januari 2008
[Bijdehandjes]
"Oh, en geitenkaas dan?"
"Oja. Van geitenmelk."
"Er bestaat ook schapenkaas."
"Van schapenmelk hè?"
"Inderdaad. En schimmelkaas, waar is dat van gemaakt denk je?"
"Eh, het paard van Sinterklaas z'n melk!"
16 januari 2008
14 januari 2008
[Dingen]
“Ik zit vast Iv, ‘stuck’. Ik heb een blokkade. Lekke banden. De brandstof is op. En misschien moet ik een wegenatlas aanschaffen, of beter nog: gps...”
“Mal mens.”
“Wat nou? Ik meen het. Tot mijn oksels in de drek, kijk dan! Zo kan ik toch geen kant op? En met al die obstakels op de weg kan ik niet eens zien wat de beste kant zou zijn.”
Ivar lacht. Ik vind het niet grappig en doe mijn best een zo serieus mogelijk gezicht te trekken terwijl ik met twee armen tegelijk allerlei onzichtbare belemmeringen aanwijs, wat kennelijk alleen maar meer op zijn lachspieren werkt. Dan laat ik mijn schouders zakken. Mijn armen bungelen moedeloos langs mijn lichaam.
“Mijn hoofd kan dit niet aan.”
“Die 9 voor drama blijkt maar weer eens welverdiend, maar je staat hier niet op het toneel bij meneer van Elst.”
“Maar moet je m’n voet zien...” sputter ik quasi verongelijkt. Ivar schudt zijn hoofd.
“Als je nou gewoon even je klep houdt en stopt met dat gestampvoet...”
Mijn gestampvoet is slechts voor een zeer select publiek weggelegd. Voor mensen die me begrijpen en daarom weten dat ik ook wel weet dat deze infantiele gewoonte me niks oplevert maar dat ik het gewoon zo nu en dan graag doe. Stampvoeten. Omdat het kan. Ik moet al de hele dag volwassen zijn. Ik hoor al sinds mijn vierde dat ik de oudste ben en dus de wijste moet zijn. Ik moet altijd maar het goede voorbeeld geven. Wanneer mag ik mijn kont eens lekker heel onredelijk tegen de kribbe gooien? Ik bedoel maar. Gun mij die lol. Maar vooruit, even serieus dan.
“Goed. Vertel het maar tegen de zuster. Ik ben één en al oor.”
“Mooi. Zet schrap dat oor en knoop het volgende erin: alles heeft een plaats en een functie. Dat geldt niet alleen voor dingen, maar ook voor mensen. Veel mensen realiseren zich dit niet en zitten daarom op de verkeerde plekken verkeerde functies te vervullen. Worden ze niet gelukkig van maar desondanks blijven ze halsstarrig proberen trommels met strijkstokken te bespelen en peren in bananenjasjes te wurmen. Zie je het voor je?”
Ik knik, al zijn mijn associatieve visualisaties misschien niet dezelfde als de door Ivar beoogde.
“Misschien zijn ze ervan overtuigd dat Het Nu Eenmaal Niet Anders Is? Zitten ze ook vast, net als ik, muurvast in de dikke drek.”
“Dat dénken ze misschien, maar feitelijk negeren ze willens en wetens het simpele principe dat Dingen Zijn Zoals Ze Zijn. Die mensen luisteren niet naar zichzelf en zolang ze zichzelf niet horen, laat staan verstaan, zullen ze ook niet weten waar ze wel en niet thuishoren en blijven ze maar wat aanmodderen.”
“Maar is de acceptatie van de gedachte dat Dingen Zijn Zoals Ze Zijn niet juist een soort berusting? Hebben die mensen het niet gewoon opgegeven naar oplossingen te zoeken en proberen ze maar het beste van het probleem te maken?”
“Kijk jij nu eens naar jezelf want daar gaat het immers om. Je ademt hoog en oppervlakkig. Je hartslag is versneld en onregelmatig. Je hoofd heeft geen moment rust. Je slaapt nauwelijks. Dat is geen teken van acceptatie. Dat is pure onrust. En dat is omdat jij heel goed weet dat het geen kwestie is van Het Is Nu Eenmaal Niet Anders. Dat Dingen Zijn Zoals Ze Zijn juist betekent dat je níet moet berusten in dat waanidee maar ervoor moet zorgen dat Dingen de kans krijgen om te Zijn Zoals Ze Zijn.”
Ik knipper met mijn ogen. Hij zal me eens niet doorhebben. En hij zal me eens niet weken in een badje vol met mijn eigen wijsheid. Me genadeloos hard met mijn snufferd op datgene drukken wat ik eigenlijk al wist. Het moest alleen nog even tot me doordringen.
12 januari 2008
[Breedspraak, terug naar fit]
Het was tijd om de lamlendigheid overboord te zetten en genadeloos te kielhalen. Mijn slapeloze nachten konden niet langer het excuus vormen voor absenteïsme. Ik nam nog twee pijnstillers en schonk mezelf wat vloeibare okidokine in. Ik schoof de krik onder mijn gemoed om het in opwaartse richting te doen bewegen. Tijdens de koffie las ik mijn horoscoop, welke me vandaag van een welkome schop onder mijn kont bediende: haast je naar de sportschool! Lekker verhaal, dacht ik nog, alsof ik dat niet allang van plan was. Zij het schoorvoetend. Maar het is altijd fijn als de sterren het met je eens zijn. Zelfs al hebben zij andere motieven dan ik.
“Ga sporten om je overtollige energie kwijt te raken” stond er. Had ik die dan? Soms weten de sterren meer dan ik. Echter, volgens mij bedoelden ze massa. Daar kan ik in bepaalde zones feitelijk wel iets van missen. Hoe dan ook, na vijf weken vol smoezen om mijn verstek te rechtvaardigen (gekneusde hand, de hort op, feestdagen, mijn sportmaatje is hem gesmeerd naar Canada, migraine, spontane drempelvrees) moest het er inderdaad maar weer eens van komen. Al was het maar om mijn vermoeidheid het hoofd over de kling te jagen zodat ik eindelijk een nacht fatsoenlijk zou slapen. Ik had totaal geen zin. Maar ik moest.
Vooruit – ik heb een kontcomplex. Wat had je gewild? Ik ben een vrouw. Noem me een vrouw die geen complex heeft. Daaraan ondergeschikt lijd ik aan een dijcomplex. Ga met mij voor de pret eens de stad in om de perfect passende broek te vinden en je zult begrijpen hoe ik eraan kom. Schuld van ‘de mode’. Maar geen man overboord, met een BMI van 21 is er geen reden tot bezorgdheid, al kan ik gezien de gemiddelde omvang van mijn familieleden wel begrijpen hoe ze aan haar malle idee gekomen is. Mocht de ramp van ’53 zich ooit herhalen dan is er in ieder geval één familie die gegarandeerd blijft drijven op lichaamseigen zwembandjes: de mijne. Eventueel ook dijken mee te verzwaren of gaten mee te dichten.
De mams opperde samen boodschappen doen. Nu moet u weten dat de mams de kunst van het overdrijven als geen ander beheerst. Het komt meestal hierop neer dat zij van alles in mijn karretje deponeert wat ik er dan weer zo onopvallend mogelijk uit haal en terug in het schap frommel. En neem nu kleding. De mams sleurde me een boetiekje in en dwong me een jurkje te passen. Ik verzoop in een S. “Vast verkeerd gelabeld”, merkte ik schouderophalend op. De mams kwam met een trui aan. Zo’n heupmodel. Vreselijke dingen maar ‘de mode’ is nu eenmaal onverbiddelijk. Toch vind ik dat je geen dingen moet dragen die zowel kont als heupen als buik accentueren, tenzij je van het type strijkplank met borsten bent. “En wat ben jij dan wel niet?” sprak de mams verontwaardigd. “Als jij nog één gram vet verliest verklaar ik je anorectisch, hoor je me?” De kunst van het overdrijven dus.
Ik griste mijn sportkleding bij elkaar en stopte deze in mijn tas. “Zo en doe me nou maar een paar van die mokkabonen want van al deze inspanning zou ik nog afvallen. Daarmee maak ik natuurlijk geen indruk op de vijand.” Eerst nordic walking en nou dit weer. Grootheidswaan. Even uit het raam kijken of er in plaats van een Citroên een glimmende Porsche op de parkeerplaats stond. Gelukkig – (nog) geen midlife crisis. “Geen tijd!” riep ik, terwijl ik de ouwe lui de deur uit werkte. “Een tompouce dan?” probeerde de paps nog. “Geen sprake van! Ik ga me breed maken en zal ‘ze’ wel eens even laten zien wat een Hoogeveen in huis heeft.” Terwijl ik de mams een kus gaf, kreeg ik een knipoog van mij pa, die een ‘that’s my girl’ bakkes trok. Het mag dan een kerel zijn, hij blijkt keer op keer meer kaas van vrouwenkronkels gegeten te hebben dan je zou vermoeden en bezit de gave me op unieke en ludieke wijze te motiveren precies dat te doen waar ik het meest tegenop zie.
11 januari 2008
9 januari 2008
[Digestieve armageddon]
Met mij was ook niks mis toen B me vanmorgen kwam vragen of ik me wel goed voelde. In verband met de pieren. Zelf zag ze een beetje bleek. Haar vijftien veilige rijstkorrels hadden zich midden in de nacht verhonderdvoudigd en een antiperistaltische weg naar buiten gebaand. Een spuugsessie van jewelste die onmiddellijk met mij geassocieerd werd, omdat ze weet hoe panisch ik reageer op braakgerelateerde aangelegenheden en hoopte dat mij een beter lot gegund was. Dit alles leidde vanmorgen tot een tamelijk opmerkelijke binnenkomer die de voorhoofden van een aantal meeluisterende omstanders acuut in fronsrimpelreliëfs deed veranderen.
"Toen ik vannacht om twee uur boven de plee hing te kotsen, en om half drie en om drie uur nog een keer, kon ik alleen maar aan jou denken."
Hartverwarmend.
3 januari 2008
[Bijdehandjes]
D: "Ohhh je moet je hand voor je mond als je hoest anders krijg ik beestcillen op mijn boterham en daar word ik verkouden van!"
J: "Ja, ik niesde een keer op mijn poes en toen werd 'ie ziek uit z'n neus met allemaal nat."
D: "Ik heb ook een natte poes!"
B: "Ik heb een kater."
Voordat de ukken van tafel mogen, moeten ze eerst even melden wat ze gaan doen. D heeft een goed idee en zegt met een bloedserieuze bakkes: "ik ga met mijn doos spelen". De daaropvolgende minuten hebben wij even heel onpedagogisch voor het opvegen gelegen.

