“Je ziet er moe uit” zegt Ivar. Ik weet het. Ik hoef niet eens in de spiegel te kijken want ik kan het voelen. Hier kunnen geen middeltjes tegen gezwollen oogleden en donkere kringen tegenop. Ik leef hard en ik slaap weinig, al weken, en dat begint zijn sporen achter te laten. Ivar zit naast me en samen turen we naar de zwarte hemel waaraan de volle maan dof op ons neer schijnt. “Wat doe je eraan hè?” antwoord ik. Ik schop een steentje weg, wiebel met mijn voeten, sta op en begin rondjes om ons bankje te lopen. Ik haat ijsberen, krijg ik het heen en weer van. Loop liever aan een stuk door.
Ondertussen babbelt Ivar rustig verder. Dat er zoveel op me af komt dat het wel moeilijk zal zijn om alle inkomende informatie te verwerken en prioriteiten te stellen. Dat de lijst met dingen die ik wil doen moet opboksen tegen de lijst met dingen die ik moet doen en dat schrappen, met name in de eerstgenoemde lijst, onvermijdelijk is. “Moet dat?” Ivar kijkt me aan en haalt zijn schouders op of hij zeggen wil: zelf weten. Hij weet ook wel dat ik een hekel heb aan strepen in mijn agenda maar het is natuurlijk kolderiek om zo’n neurotisch trekje voorrang te geven op mijn gezondheid welke zich momenteel in een kwetsbare toestand bevindt. Ik ga weer zitten. “Ja dus” mompel ik.
“Hoe moet het nou verder Iv? Zeg het me. Wat nu?” Hij glimlacht en draait zich naar me toe, veegt mijn haar opzij en kijkt me aan. “Jij bent net een boek. Een heel dik, ingewikkeld boek met verschillende verhalen die zich parallel aan elkaar afspelen en waartussen jij de bindende factor bent.” Typisch Iv. Gebruikt graag metaforen en laat mij er vervolgens mee stoeien om erachter te komen wat ze precies betekenen. Soms denk ik dat hij de werkelijkheid ermee wil verfraaien maar waarschijnlijk blijft hij zo vaag omdat hij vindt dat ik De Dingen op mijn manier moet interpreteren.
“Ik wou dat ik eruit kon stappen. Dit boek irriteert me, de verhalen modderen maar wat voort, er komt verdomme geen einde aan!” Ivar steekt zijn hand in de lucht, de palm in mijn richting, zoals een verkeersagent een naderende auto tot stilstand maant. Ik ben de schrijver, niet de lezer. Zodra ik het boek dichtsla, ontken ik mijn bestaan. Dat kan niet de bedoeling zijn. “Je bent een vechter. Je weet dondersgoed dat je niet kunt opgeven. Nog geen half uur later zou je getergd dat rotboek weer open slaan en het te lijf gaan met de scherpste pen die binnen handbereik is.”
Hij heeft gelijk. Hij kent me door en door. Dat ik een eigenwijze troela ben. Dat het me allemaal veel meer raakt dan ik laat zien. Dat er achter mijn montere bravoure grote angsten schuilen, voor verlies, afwijzing, falen. Ik moet niet bang zijn. Het is tijd om los te laten. Waarom zou ik angstvallig de gebaande paden blijven bewandelen als ik ook nieuwe wegen kan aanleggen? Ik adem diep in en zucht. Kon ik maar slapen. Hij slaat een arm om me heen, drukt mijn wang tegen zijn borst en streelt mijn haar. “Ik weet het…” zegt hij zachtjes.
Als ik wakker word, vind ik een pen naast mijn kussen. Er is een briefje omheen gevouwen.
“Je kunt het.”
21 januari 2008
[Palimpsest of het verleden door het heden lezen]
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


1 opmerking:
he.lo gl.itch gir.l
Een reactie posten