9 december 2006
[Bijdehandjes]
"Die komen uit je buik!"
"Echt niet! Dan bloed je dood!"
"Ik weet het! Het kindje komt uit je billen, die poep je er zo uit."
"Neehee, kindjes komen niet uit je billen, die komen uit je mamamond."
"Wat is nou weer een mamamond?"
"Ja ehh, dat is waar de kindjes dus uitkomen bij mama. Duh."
"Nou, ik ben toevallig uit papa gekomen."
"Dat kan niet!"
"Jawel want wij zijn een tweeling en R kwam al uit mama dus ik kwam uit papa."
"Nietus. Jouw papa heeft geen mamamond dus je kunt niet uit je papa komen."
"Wel."
"Niet!"
"Weheeeel!"
"Nietuuus!"
"Waarom niet dan?"
"Ja, alsof jij door zijn piemel paste met je dikke kont..."
B had nog een andere theorie:
"Papa stopt een zaadje in mama en mama heeft een eitje dat groeit in haar buik tot ze helemaal dik is en dan komt het kindje als het klaar is eruit ergens beneden. Maar mijn papa heeft het zaadje gewoon in een potje met zand gedaan want ik vond het vies in de buik en mama heeft dat water gegeven en toen kwam ik eruit. Makkie."
3 december 2006
[All we know is: she isn't called the Stig]
Dan is het dus niet gaaf als de vlaggenman voor je voorganger's neus als een idioot met een blauw vlaggetje (pas op u wordt ingehaald) staat te zwiepen en die voorganger gaat niet aan de kant. En dat hij dan de binnenbocht neemt in plaats van de afgesproken buitenbocht. En dat hij net wanneer ik hem dan maar links wil passeren besluit om tóch die buitenbocht te nemen. Op zo'n krap stukje is uitwijken niet mogelijk en van een remweg van een halve meter is al evenmin sprake, al stamp je nog zo hard op het rempedaal.
Zo belandde ik dus met een formidabele smak frontaal tegen een muur. Spectaculair! Die muur was hard en gaf geen millimeter mee. Boem is ho zeggen ze dan. Dit is heel geen botsauto.
De oranje zwaailichten gingen aan (zelf zag ik de eerste vijf minuten alleen maar sterretjes) en er kwam een mannetje in een overall aangerend. Of het wel ging, vroeg hij. "Nou nee" piepte ik. Ik voelde me net een levende Picasso, alsof niets meer op de goede plaats zat en iemand zojuist geprobeerd had mijn nek- en ruggewervels als trekzak te gebruiken. Ik had overal pijn en kon me niet bewegen.
"Ik wil mijn helm af" jammerde ik toen ik weer een beetje bij mijn positieven was, maar dat mocht niet. Ik moest stil zitten en op de hulptroepen wachten, die zouden zo nodig een ambulance bellen. Bij het woord ambulance kreeg ik zowat een zenuwinzinking. Ik begon uit alle macht met mijn tenen te wiebelen en stak mijn duim op om te bewijzen dat ik het nog deed en dat een ambulance dus volstrekt niet nodig was. Dat ik de rest van mijn lichaam zo gauw niet uit de kreukels kreeg en ik door twee man sterk uit mijn kart gehesen en van het circuit gedragen moest worden, deed er niet toe.
Een kwartier op het kneuzenbankje en een glaasje water later was ik weer in staat om piepend en krakend overeind te krabbelen. Vermoedelijk houd ik nog wel even last van geklutste hersenen, ben ik nog zeker een week zo stijf als een plank en zal ik elke beweging (voor zover ik kan bewegen) voelen. Maar zodra ik me beter voel, ga ik terug want als troost kreeg ik twee cadeaubonnen voor gratis racen.
Poe hee. Nou. Kom maar op met die vooroordelen over vrouwen achter het stuur, ik kan je nu toch niks maken. Zul je zien. Sta je je eerst een soort van flink te voelen als enige vrouw tussen al die snelle jongens, kun je een half uur later met het schaamrood op je wangen (toch nog een voordeel van de helm) van de baan gesjouwd worden. Wat een flater. Maar! Ondanks de megaklapper was ik niet de traagste van de heat (dat was mijn voorganger, die ik bij deze even hatelijk wil bedanken voor zijn rijgedrag).
Tijgerbalsem is sadistenpasta. And on that bombshell zeg ik goedenacht.
[Bijdehandjes]
Kleuter: "Zeg, wil jij soms 'es in de pak-slaag-masjien?"
"Dit is helemaal geen leuke sneeuw, deze doet pijn!" (het hagelde)
"Ik kan al heel ver tellen."
"Oja? Tot welk getal kun jij tellen dan?"
"Tienhonderd. Of eigenlijk ontelbaar."
"Zo, dat is ver!"
"Maar ik kan eigenlijk nog verder tellen."
"Verder dan ontelbaar?"
"Ja maar ik weet niet hoe dat heet."
"Is er iemand die dat wel weet?"
"Ja! Ikke!"
"Ga je gang."
"Ontelbaar-en-één, ontelbaar-en-twee, ontelbaar-en-drie. Makkie!"
22 november 2006
[Hebben we er zin an?]
Waar het ook alle schijn van heeft, is dat ik mijn stembiljet vorige maand wel erg goed opgeborgen heb uit angst hem kwijt te raken met als gevolg: onvindbaarheid. Stik. En ik had vandaag met mijn stomme kop in een vlaag van opruimwoede ook al ongeveer vijfhonderd euro aan declarabele bonnetjes kwijt gemaakt. Of ja. Kwijtgemaakt. In de openbare vuilcontainer gemikt. Laat ik het maar eerlijk toegeven. Maar wie maakt er dan ook propjes van die dingen?! Kon de man weer op z'n kop in de prullenbak...
17 november 2006
[Spijker een drol op een plank dan heb je ook kunst]
Maar nu even serieus want, dames en heren stemgerechtigden: het verkiezingsvirus eist bij velen genadeloos tol. Overal in het land heerst kieskoorts en stemstress. Zalig zijn de immunen. De kieswijzers worden als een soort van politieke thermometers tussen de zwetende billen van de samenleving, die zonder al te veel morren voorover bukt, gestoken. Wordt u daar nou wijzer van? Ik niet. Natuurlijk heeft geen enkel weldenkend mens een kieskompas nodig want een mening heeft hij immers al. Het is ook ten onrechte dat wordt gedacht dat al die instrumenten in de eerste plaats zijn ontwikkeld om de kiezer die er zo een twee drie zelf niet uitkomt een helpende hand toe te steken. Waar het om gaat is de opiniekoers, daar kunnen de lijsttrekkers hun voordeel mee doen in de hen nog restende campagnetijd om het oordeel over de nieuwste stunts vervolgens weer aan de kiezer over te laten: slechts een spektakel of een regelracht debacle? Kun je bijna stante pede terug zien wanneer je even naar de politieke barometer punt-enelt.
De zwevers die met kieskoorts dan wel stemstress gediagnostiseerd zijn, kunnen op het wereldwijde web terecht bij diverse dienstverlenende instanties (e.h.b.k.). U kunt uzelf naar hartelust het schompes klikken en uzelf een politieke blackout kieswijzeren indien u dit wenst. Wel dokters, zegt u het maar: wat is de meest geschikte remedie voor het doen verdwijnen van mijn aanhoudend zeurende hoofdpijn?
Remedie aanbevolen door dokter Kieswijzer: SP, CU, GL. Gezondheidsrisico's: EénNL, Groep Wilders, VVD, Fortuyn.
Remedie aanbevolen door dokter Kieskompas: Internet Explorer. Onderhoudskuur: PvdA, CU, SP.
Remedie aanbevolen door dokter Wereld Stemwijzer: SP. Slecht voor de rikketik: EénNL, Groep Wilders, VVD.
Remedie aanbevolen door dokter FNV: SP, GL. Best te vermijden: VVD.
Remedie aanbevolen door dokter 3FM Serious Politics: PvdA, GL, Fortuyn. Serieus ongezond: CDA, EénNL, PvdD.
Interessant. Ontnuchterend zelfs. Desondanks ben ik er nog steeds niet uit op welke landingsbaan ik mijzelf straks zwever-af zal verklaren. Ik zeg maar zo, een mens ken toch maar het beste z'n eige huisarts blijve. Bestaat er eigenlijk al een kieswijzer voor het wijs kiezen van kieswijzers?
En nou nog eens wat, want dat vroeg ik me vanmiddag ineens af: waarom plakt tegenwoordig niemand meer een campagnepostertje van de partij van zijn of haar voorkeur tegen de ruit? Bang dat men de ruit een paar uur later in de vorm van aan diggelen zal terug vinden op de keukenvloer? Vroeger zag je gedurende de verkiezingsperiode massa's politici met hun papieren snufferds voor de ramen hangen. Zie je niet meer. Schuld van de zwevende kiezer?
16 november 2006
[Bijdehandjes}
"Wanneer mag ik nou eens met de flikkerkast?" (flipperkast)
"Getverrr! Er zit een vinger aan mijn smeerkaas!"
"Wat doe jij verdikkeme buiten het hek? Ben je helemaal betoeterd!"
"De bal pakken juf, mocht zeker niet he?"
"Dat heb jij goed gezien."
"Moest ik zeker eerst aan jou vragen he?"
"Inderdaad - dat is juist."
"Ja ehh, als ik alles eerst aan jou moet vragen, blijf ik heen en weer lopen. Ik ben niet gek!"
N verliest bij het rennen zijn schoen en roept: "Zo dan juh! Zag je dat? Ik ging sneller dan mijn schoenen!"
"Meisjes hebben moedervlekken maar jongens hebben vadervlekken."
"Stoute schoenen! Hebben mijn veters zichzelf alwéér losgestrikt!"
J ziet een dikke naaktslak in de tuin, komt gillend naar binnen en roept: "er kruipt een piemel in de tuin!"
"Hee! G, haal je vinger uit het stopcontact!"
G doet braaf wat ik zeg en steekt dan zijn neus in het stopcontact.
"Potverdrie, ook niet met je neus erin!"
"Maar ik wou zo graag even neuzen met de muur, kijk, zitten ook ruikgaatjes in."
15 november 2006
[Vader op de zeepkist]
Tijdens de koffie wordt de politiek besproken. Oma vindt het allemaal onbetrouwbare hufters en vader vindt dat iedereen die het recht heeft te stemmen dit recht ook moet gebruiken. En anders moet men de muil dichthouden. De grote vraag is: hoe krijgen wij oma naar het stembureau? Mijn vader heeft nooit erg veel last gehad van tact maar hij bedoelt het goed en maakt zich gelukkig zelden kwaad. Daarbij is oma gek op mijn vader en hij op haar. Laat dat dus maar aan hem over.
"Ja - ho! Wacht effe want dat gaat zomaar niet! Je kan hier niet zonder meer een beetje in het wilde weg gaan zitten fossiliseren terwijl jij door diverse politieke partijen, en dat bedoel ik niet lullig dus vat het nou niet meteen verkeerd op, gezien wordt als een wezenlijk onderdeel van een groot probleem: de ver-grij-zing."
Oma kijkt vader aan alsof hij rijp is voor het gesticht.
"Niet dan? De kranten staan er bol van! Kom op, je leest die dingen toch voordat je ze over de bodem van de kattenbak drapeert? Weet je niet hoeveel ouderen a la vijftig plus er zijn? Goed voor opgeteld meer dan zestig zetels bij elkaar! En het worden er alleen maar meer. De jongeren mogen de toekomst zijn, het grijsfront heeft de potentiële macht hoor, vergis je niet. Tenminste, als ze zich niet laten kisten voordat ze dood zijn."
Oma verklaart dat ze stemautomaten al evenmin vertrouwt als de heren en dames politici.
"Stemautomaten gevaarlijk? Nee: onveilig. Die twee dingen moet je nou niet meteen over dezelfde kam scheren. Het is niet gezegd dat je na het indrukken van de knop exact vijf seconden hebt om de pleit erin te maken wegens ontploffingsgevaar. Je moet natuurlijk wel even netjes je peukie uitdrukken buiten. Maar maak je geen zorgen, dat houden die lui van de burgerserviescode wel in de gaten."
Oma steekt nog een peuk op, trekt met haar schouders en schudt haar hoofd.
"Kom kom. Je ligt nog niet met een luier aan in de plantenkas. De overheid beveelt een dagelijkse dosis actieve lichaamsbeweging en een frisse neus aan. Je bent nog kwiek genoeg om een eigen mening te hebben, maar ga nou niet vanuit een zogenaamd nostalgisch oogpunt op een bepaalde knop zitten rammen want vadertje Drees die is niet meer en als je er niet uitkomt dan stem je desnoods maar blanco. Hoe dan ook: stemmen zal je! Jij hijst op 22 november gewoon die steunkousen aan, trekt je stevige stappers en dat uitgeholde schaap aan, tandjes erin boven en onder, springt achter die turborollator en sjeest effe heen en weer naar dat stemlokaal. En reken maar van yes want ik kom je halen. Vegeteren kun je altijd nog. Daar drink ik op!"
Vader tikt met zijn pint tegen oma's theeglas en knipoogt. Oma fronst en richt zich dan tot mij.
"Die vader van jou he... is die altijd zo vervelend?"
12 november 2006
[Een bakje excuus-hummus]
Daar staan we dus, op de zaterdagmarkt in de rij bij zo'n allochtonenkraam waar van die uitheemse luchtjes vanaf dampen aan alle kanten, dat als je te diep door je neus inademt, dat je temet over je huig gaat van al die dingetjes in de assortimentsvitrine. Hele vieze dingetjes hebben ze d'rbij. Ken je dat? Van die weke dieren met een stuk of wat zuignaptentakels. En van die kleine ronde, van die natte gladde, van die grijsgroenige dooie ex-zeedieren of wat daar voor door moet gaan. Of dat ze nog leven, want dat weet je met die lui ook maar nooit. De ene keer moet het ritueel geslacht worden en de volgende keer nemen ze de moeite maar helemaal niet. Kun je thuis gaan doe-het-zelf slachten. Met van die vieze dingen. Wie eet dat nou? He? Niemand toch? Kijk maar, helemaal vol nog die bak met glibbergeviste. Gek he? Als je dat op je bord geserveerd krijgt dan vraag je je toch meteen af welke culinaire bijgoochem d'r effe lekker op je bord heb staan fluimen? Zo tussen die slierten zeewier? Getverredemme!
Zo. Dus met de eetlust is het alvast gedaan. Dat treft want als Hollander winkel je niet met een knorrende maag, dan zijn je ogen altijd groter dan je maag en dat merk je bij afrekening toch in de portemonnee, ja toch? Maar je loopt niet zomaar weg he, je wilt toch wat bestellen want je staat hier niet voor niks in de rij zo te verrekken van de kou dat je langzaamaan eigenlijk naar een bord boerenkool met worst smacht. Of snert. Je staat hier met een reden aan de grond vast te vriezen.
Ja. Je wilt nu eenmaal ook je broodnodige bijdrage leveren aan een verdraagzaam, multicultureel levensklimaat. Dat je thuis tegen je kinderen kan zeggen: "jong en lui, vanavond eten wij etnisch en dat is wat de pot schaft: oer-allochtoonse delicatesse". Maar denk je dat die gasten voor jouw gemak effe de Nederlandse vertaling op de allochtoons ondertitelde producten zetten? Nee hoor, niks daarvan. Wat of het zijn mag, vragen ze je met een grote gulle glimlach. En dat ze je dan met zo'n overdreven vriendelijke oor-tot-oor grijns die een beetje marktkoopman eigen is aan blijven kijken terwijl jij je bek breekt over die moeilijke woorden met veel te veel medeklinkers en je bij God of Allah niet weet wat je in hemelsnaam staat te bestellen. Vinden ze prachtig. En daar sta jij je dan in de vrieskou heel politiek correct voor uit je Hollandse naad te tolereren.
Maar kom nou niet aan met "doet u mij maar een onsje olijvenpotpourri" want een pond komt eerst, als ze je al niet meteen een kilo van het een of het ander in de maag willen splitsen. Zo zijn ze dan ook wel weer. En kun je dan nee zeggen? Nee, want dan ben jij de Hollander. De vrek. De krentenkakker. Alles goed en wel met dat "intergereren" maar je hoeft die exotische types niet meteen de minder populaire trekjes van de Nederlander voor te demonstreren. Dan krijg je dus overintergeratie. Da's ook niet goed he?
De vrouw die deze monoloog afsteekt, besluit mij aan te spreken. "Zeg, als ik wat vragen mag, mag dat? Wat wou u eigenlijk gaan bestellen, zoal?" Ik dacht aan een zak dadels en een half pond falafel. "Juist. Falala... falaaa... falafval. Nou en eet u smakelijk hoor. Dat zijn toch zeker net voorgefrituurde hondenbrokken? De offers die een mens moet brengen om een beetje mee te helpen aan een betere wereld. En wat stemmu?" Ik zeg dat ik nog zweef. "Nou ik stem mooi op Geert want die uitgekakte linkse lijstschijters hoeven nou heus niet meteen te denken dat ze mijn stem hebben als ik hier dus een bakkie hummus bestel. Begrijpuwel? Dat daar geen misverstanden over bestaan. Goedemiddag."
11 november 2006
[Lijdenswegen, of: momenten die uren lijken te duren]
"Koffie?"
"Godverdegodverrr."
"Ehm, niet om het een of ander, maar zou je die nu toch al enige tijd aanhoudende gorgelvloek misschien wat kunnen expliciteren?"
Hadden wij het er maar bij gelaten. Nu kon ik gerust nog een pot bijzetten.
Want de SSP heeft het druk he, jongensjongens, je kunt het je niet voorstellen. Hij heeft het zo druk dat hij eigenlijk niet weet waar hij de tijd vandaan moet peuteren om het allemaal klaar te spelen. Wat daar zoal onder valt, zal hij verderop in zijn monoloog uit de doeken doen, daar kunnen wij donder op zeggen. Wij horen het nu voor de om en nabij zevenenvijftigste keer. Hoe het is om een arbeidsloos bestaan te leiden, of hieraan te lijden, want als je hem zo hoort zou je er bijna van overtuigd raken dat er binnenkort een weinig kinderachtige slinger aan de uitkerende motor van het zorgverzekeringsapparaat gegeven zal moeten worden, wat overigens geen groot punt zou zijn want tegenwoordig heb je de gemaakte kosten in een vloek en een zucht ge-e-declareerd. Kun je bij wijze van spreken met een gerust hart de stress aan je kleppen krijgen.
Een arbeidsloos bestaan dus. Want hij is ontslagen he, wegens ontoereikende communicatieve vaardigheden, op een mensonterende manier en dat tijdens zijn zomervakantie. Hij kon op stel en sprong zijn telefoon en autosleutels in komen leveren en bij het dichtstbijzijnde NS-loket een enkele reis naar huis bestellen. Zo is het gegaan. Diezelfde avond ging hij volledig door het lint. Daar weet hij niets meer van hoor, daar hebben die borrels dan ook wel weer voor gezorgd, wij mogen van geluk spreken dat hij er nog is.
Nu gaat het stukken beter. Dit laat zich blijken in de vorm van opperste drukmakerij. In werkeloosheid gaan zeeën van tijd zitten, vergis je niet, dan kun je beter een baan hebben. Je moet, om maar eens iets te noemen, de banenvinder in werking stellen, je lieftallige levenspartner de opdracht geven je cv te updaten en sollicitatiebrieven voor je te schrijven waaronder jij dan weer een krabbel moet zetten, je moet de ene na de andere baanaanbieder telefonisch afsnauwen zodat je zeker weet dat je niet op gesprek hoeft te komen – alsof je daar tijd voor hebt – en al zo voort. En dan de verspilde tijd die gemeten kan worden aan de vele sloten automaatkoffie die je weg moet slikken tijdens de bezoeken aan (de wachtkamers van) instanties als het CWI.
En het foeteren he, dat kost tijd. Dan spreek je al gauw over een dagdeel of drie, vier, mogelijk vijf, afhankelijk van de beschikbaarheid van luisterende oren. Je bent niet zomaar uitgefoeterd, zeker niet wanneer je op zo'n verfoeilijke manier aan de keien gezet bent. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten, nee, dat moet je beslist van je af kankeren. In een uur tijd jaag je er zonder dat een ander daar ook maar een speld tussen kan krijgen een compleet scheldwoordenboek doorheen, neemt een slok koffie, klaagt wat over maagpijn en begint dan weer onvermoeibaar bij de a van aangeklede stukken nageboorte. Hoort allemaal bij het proces.
Over processen gesproken, zo'n ding heeft hij zijn ex-baas ook nog aan zijn broek gehangen. Was hij niet blij mee, die ex-commandeur, en laat dat nou goed en wel beschouwd net de bedoeling geweest zijn. Maar een tijd dat zoiets vreet! Je wil het niet weten. Afkoopsommen afwijzen, bekvechten met de rechtbank en de ex-baas herhaaldelijk te verstaan geven dat hij in de koeienstront kan zakken met zijn rekening voor het laten reinigen van de in beslag genomen wagen.
Enfin. Het kwam er dus alles bij elkaar genomen zo ongeveer op neer dat hij zich feitelijk al weken aan een stuk de klere zat te vervelen en laten wij nou, al was het maar zodat we nou eindelijk eens de naald van die overslaande grammofoonplaat konden tillen, de ultieme kant en klare oplossing voor hem in huis hebben! Speciaal voor onze ouwe, zodat hij zich niet langer een nutteloos stuk heel oud veertigerjaren overblijfsel hoeft te voelen en daar dus ook eindelijk even zijn Achterhoekse klep over kan houden, hebben wij de laatste der te verklussen kamers met acute spoed ontruimd. Zodoende staat de SSP nu bovenop de keukentrap lekker te kwasten en heeft hij, zo te horen, een nieuwe te begodveren lijdensweg gevonden.
"Koffie?"
"Gloeiendegodver!"
9 november 2006
[Ginds heeft zich een koe tot herkauwen neergelegen]
Eerder vandaag vatte ik ineens het dappere plan om een bond tegen het destigmatiseren van taalfouten op te richten. Niet dat ik nu zo'n genie ben en een regelrechte taalpurist wil ik mezelf ook niet noemen. We verhaspelen allemaal wel eens een spreekwoord, daar zie ik het kwaad niet in. Ook ben ik een voorstander van taalverrijking en wel hierom dat taal in zekere zin een beperking is dus laat ons vooral creatief zijn. Een taal moet echter niet verloederen. Het is erg genoeg dat er zoiets bestaat als BrEezAhtaal en dat mijn leidinggevenden niet weten wanneer ze een d, een t of dt moeten gebruiken en als zeggen wanneer zij dan bedoelen. Taal blijkt een instrument te zijn waaraan men zich lelijke builen kan stoten en om verdere degeneratie tegen te gaan, leek mijn plan me zeer nuttig. Later op de dag werd ik tijdens een gesprek met een collega lichtelijk ontmoedigd.
"Oh Wen ik heb me dag niet hoor. Kan jij M nog die hier vroeger werkte?"
"Ken. Nee, die ken ik niet."
"Nee die kan jij ook niet, die is natuurlijk van voor jouw tijd."
"Ken."
"Wat?"
"Het is ken, niet kan. Maar vertel verder."
"Oh. Nouja, die werkte hier vroeger dus, zo'n meid, iedereen liep met der weg. Gisteren overleden. Ze had de Kaa."
"De wat?"
"De Káá. Kanker."
"Oh. Wat vreselijk. Gecondoleerd."
"Ja, ik hoor het net, sta helemaal te beven. Ik ken daar niet tegen hoor, dat soort dingen."
"Kan."
"Nee, het is Kaa, de afkorting voor kanker is Kaa, niet Kan."
"Ja, dat snap ik. Ik bedoelde eigenlijk dat het kan is in plaats van ken."
"En net was het nog ken!"
"Dat was in een andere zin."
"Ja, zie je, ik heb gewoon me dag niet. Nouja. Ken je wel es hebben."
"Kun."
"He?"
"Laat maar. Even iets anders: waar zijn de schone handdoeken?"
"Oh, die heb ik daar neergelegen."
"Wat heb je met die handdoeken gedaan?"
"Daar neergelegen."
"Dat kun je zo toch niet zeggen."
"Wat niet?"
"Neergelegen niet."
"Wat moet het dan wezen?"
"Zijn. Het is zijn. En neergelegd."
"Onzin."
"Niemand gebruikt tegenwoordig nog het woord neergelegen."
"Ik ben ook al oud, moet je rekenen."
"Nonsens. Maak de volgende zin maar eens af: de kip heeft een ei..."
"Gelegen."
"Helaas, u gaat niet door voor de koelvriescombinatie."
"Shit."
"Het moet gelegd zijn. Als jij hier iets neerzet, zeg ik toch ook niet dat je het hier hebt neergezeten? Die kip heeft een ei gelegd."
"Ga weg!"
"Heus."
"Verrek."
"Maar waar heb je die handdoeken nou gelaten? Zojuist lagen ze daar nog."
"Hiero, die lig ik net apart voor je."
30 oktober 2006
[Late night blurbs]
Hoewel... Er is meer opmerkelijks gaande wat mij toch een beetje doet twijfelen aan de rechtschapenheid van ons Jantje fatsoen. Het kopstuk van het CDA, dat altijd vrij veel waarde aan de souvereiniteit van het gezin leek te hechten en de verzorgingsstaat graag een kopje kleiner zou maken omdat de staat zich vooral niet te veel moet bemoeien met dingen die het gepeupel zelf ook wel op kan lossen, pleit nu voor speelplicht. U zei? Speelplicht. Jawel; het terugbrengen van de leerplichtige leeftijd van vijf naar drie jaar, bijvoorbeeld in de vorm van voorschoolse educatie, en dit voor tenminste drie dagen per week. Maar JP, is dat wel (hoe noem je dat op z'n correct Rooms-Katholieks?) quadragesimo annoverantwoord? Mozes kriebel wat een woord.
Het zal hem werkelijk een Hollandse Hemaworst wezen want bij JP draait alles om betamelijke zeden, goed fatsoen. Dat hij met goed fatsoen niet had kunnen zeggen wat hij heeft gezegd over de Irakese ex-dictator laat hij vooralsnog buiten beschouwing. Het valt ook niet mee om de normen en waarden van je eigen land te vertegenwoordigen en tegelijkertijd de berechting van Saddam niet af te keuren. Je hebt immers niet alleen binnen de landsgrenzen een reputatie hoog te houden. Maar het is natuurlijk makkelijk (onfatsoenlijk?) om iemand te bekritiseren wanneer je nog geen halve marathon in diens deftige schoeisel gelopen hebt.
Even terug naar die speelplicht, want dat riekt natuurlijk naar eersteklas peuterprepkamppraktijken (onthoud die term, wedden dat hij in de volgende editie van Van Dale terecht komt wanneer dit voorstel doorgang vindt?). Hier zullen de potentiele probleempeuters onder het strenge bewind van een professioneel mede-opvoeder spelenderwijs worden klaargestoomd voor het vervullen van een zo FATSOENLIJK mogelijke rol in de samenleving. Is dat nou echt nodig?
Van mij mag het er komen hoor, dit soort initiatieven zijn wat mij betreft wenselijk in die zin dat het juist dat stukje van de arbeidsmarkt waarnaar mijn interesse uitgaat zal vergroten en daartegen zal ik zo snel geen protest aantekenen. Het gezin is allang niet meer heilig, we kunnen niet meer vaststellen dat het gezin de hoeksteen van de samenleving vormt. Misschien is dit JP's manier om, zij het schoorvoetend, toe te geven dat dit een onomkeerbaar gegeven is. Maar kom me nu alsjeblieft niet aan met van die gezapige ideeën als een pedagogische soos waar men gezellig met buuf en buum, onder het genot van een kop koffie met een krakeling en onder begeleiding van een opvoedconsulent de huiselijke akkefietjes kan bespreken en op een fatsoenlijke manier oplossen. Ik ruik stierenpoep. Dit is wasknijperpolitiek. Daar zit toch geen hond, de eenzame huismoeder en de Hollander die uit is op het gratis koekje daargelaten, op te wachten? Of laat ik me nu op al te onfatsoenlijke wijze uit?
Maargoed. Het is al laat. Ik kon niet slapen en dacht, kom, laat ik me eens opwinden en gebruik maken van mijn recht op het vrij uiten van mijn mening. Jan Peter, je bent een rare kwibus en je wordt vriendelijk bedankt voor het lamspreken van het woord fatsoen. Maar-niet-heus. Care for a mouth depressor?
24 oktober 2006
[Een avondje met de ouwe lui]
“Mannen…” Ze blaast het woord als een zucht langs haar lippen. Vragend kijkt hij haar aan. “Ja, krijgen we er tegenwoordig geen koekje meer bij?” Het lijkt een vraag maar hij weet wel beter. Ik ook, trouwens. Opnieuw loopt hij naar de keuken. Met een tevreden grijns kijkt ze me aan, alsof ze wil zeggen: kijk, zo doe je dat.
“Is die suffe soap van jullie nog niet begonnen?” “SHHHT!” commanderen we in stereo. Het volume wordt opgevoerd tot het de pijngrens van mijn gehoor tart en de begintune van onze suffe soap komt uit de televisie gebulderd. “Moet dat nou…” moppert hij terwijl hij zijn koffie roert en over het randje van zijn leesbril een afkeurende blik op het televisiescherm werpt. Nee. Van mij hoeft dit niet zo nodig maar ik ken haar langer dan vandaag. Verzet is volslagen zinloos. “SHHHT!” gebiedt zij hem nogmaals.
De camera zoomt in op het beteuterde gezicht van een derderangs acteur die zijn vak niet verstaat. “Ik vind dat toch wel zo’n on-ge-lóóóflijk mispunt! Waarom ze hem ooit voor die rol gecast hebben – Joost mag het weten. Als dat een homo voor moet stellen dan ben ik er ook een! Had ik je trouwens verteld over de buurvrouw? Kreeg weer zo’n ordinaire huppelkut over de vloer, een soort leernicht, maar dan een vrouw. Géén gezicht! Ik wil niet weten wat die samen uitvreten als de buurman weg is maar laat ik je dit zeggen: erg zedelijk klonk het allemaal niet. Hadden we ook niet kunnen verwachten toen we hier kwamen wonen, van die bejaarden had je nooit geen last. En nu? Een buurt vol tokkies hier, het wordt steeds erger.” Ze schudt haar hoofd en probeert tegelijkertijd een slok koffie te nemen waardoor de helft op het schoteltje klotst.
“Dat was vijfentwintig jaar wel anders hè schat?” Het blijft stil. Mijn vader lijkt aan de buis gekluisterd en moeder slaagt er niet in zijn aandacht te trekken. Op het scherm zie ik de derderangs acteur bekvechten met een hevig opgesmukte mevrouw die desondanks het vermoeden wekt de uiterste houdbaarheidsdatum al lang voorbij te zijn.
“SCHAAAT?!” Met een typische wat-nou-weer uitdrukking op zijn gezicht kijkt hij op. “SHHHT!” antwoordt hij. “Ik probeer die suffe soap van jullie te volgen.”
“Mannen…” zucht ze. “Was er nog koffie?”
11 oktober 2006
[De wind waait hoog en kent de mensen niet]
Er was een muur waar ik alle woorden die ik nog niet eens uitgesproken had tegenaan zag vliegen. Woorden die in kleine stukjes uiteen spatten en in deze vorm weer teruggevuurd werden in mijn richting om klevend aan mijn lippen te wachten tot ik ze zou bewegen. Een diepe zucht blies de stukjes weer vooruit en moedeloos lieten ze zich door de zwaartekracht omlaag trekken om na een zachte landing vertrapt te worden door een al even moedeloze voet. Zo gaan die dingen.
7 oktober 2006
[Bijdehandjes]
"Zozo, is dat een echt mobieltje?"
"Nee joh, een net-als-offe."
"Bah! Wat een zout water! Hebben ze hier soms geen zoete zee ofzo?"
"Ik heb in de zomer wel tien keer barbie gekoeid."
"Wat eten we op drie oktober?"
"Haring en wittebrood!"
"En weet je ook waarom dat is?"
"Ja, omdat al het andere brood op is."
R heeft een muntstuk gevonden en besnuffelt het grondig.
"Hee R, wat ben je aan het doen?"
"Even kijken of ik moet niezen."
"En?"
"Nee, komt geen nies. Dan is het dus geen peper-munt."
"Opa krijgt geen kus want die heeft een klittebandkin."
"Ik snap niet waarom dit een verderkijker heet hoor, als ik er doorheen kijk dan zie ik alles juist veel dichterbij!"
30 september 2006
[Improvisatiepedagogiek]
"Juf zijn we er al bijna? Ik ben zo mooeeee. Ik wil niet meer lopen."
"Huppelen dan?" probeer ik vol goede moed en zet vast een huppelpas in.
"Neee ik wil niet meeeer."
"Je moet."
"Maar ik ben zo mooeeee." Het kind trekt een pruillip, zet zijn tas op straat en gaat ernaast zitten.
"Juhuuf ik ben ook zo moe!" Ook dit kind positioneert zich demonstratief in kleermakerszit. Een derde kleuter volgt zijn voorbeeld.
Daar sta je dan met je minderjarige stakers die allang niet meer gevoelig zijn voor peptalk, onderhandelingen of chantage. Meesleuren gaat hem ook niet worden, een stel dramatisch snikkende en tegenstribbelende kinderen aan mijn voorttrekkende handen is immers geen goede reclame voor een kindercentrum.
"Goh, volgens mij zijn we allemaal een beetje moe vandaag. Ik denk dat ik maar even een dutje ga doen." Ik ga op de stoep liggen, midden in het winkelcentrum, en doe mijn ogen dicht. Als ik spiek zie ik drie verbaasde koppies. Verontwaardigd prikken ze in mijn zij en pakken dan mijn schouders om me heen en weer te schudden.
"Hee juf, je kunt hier niet slapen joh!"
"Waarom niet? Ik lig hier prima en ik ben nu eenmaal moe, laat mij nou even slapen."
"Neehee, je kunt niet op de stoep slapen!"
"Ik zie niet in waarom niet."
"Omdat dit een stoep is, niet een bed."
"Maar ik ben nú moe en mijn bed is hier niet."
"Juhuuuf, kom nou, we moeten naar de bso!"
"Ahhh, moet dat echt?"
"Ja, je moet!" roepen er twee in stereo. De kinderen trekken me overeind, nemen me bij de hand en sleuren me mee terwijl de derde me vooruit duwt. Geen gemok, geen tranen. Plotseling hebben ze bakken vol energie. Ik heb altijd al gezegd dat die reclame met de mevrouw die er bij het imiteren van haar rebelse koter in de supermarkt nog een schepje bovenop doet best wijs is.
20 september 2006
[Brompotterij]
“Ai-ai-ai. Godzallutwetenzeg. Ouderdom komt met gebreken.”
Ja ja, we weten het. Je bent oud, wat je vanzelfsprekend het recht verschaft om over elk wissewasje een ellenlange klaagzang op te voeren. Ik ben bereid er met een half oor naar te luisteren. Met een dramatische blik schuift hij zijn bord weg. Hij heeft zijn eten nauwelijks aangeraakt.
“Verrekte maagzweer. Te veel stress, dat krijg je er nou van. Ellende. Werkdruk. Slaaptekort. Lastige klanten…”
Ik wil hem vragen of hij zich al eens heeft laten onderzoeken op de aanwezigheid van helicobacter pilori maar voordat ik mijn zin kan afmaken, zet hij zijn monoloog voort. Mijn instemmend knikken en begrijpend hummen lijken alleen maar bij te dragen aan het genoegen dat hij schept uit zijn eigen gemor. Wanneer ik een dappere poging waag om toch maar eens op zijn verhaal in te haken met een enigszins vergelijkbare persoonlijke ervaring, om begrip voor zijn situatie te tonen, zie ik hem bedenkelijk fronsen.
“Je bent niet goed snik” luidt zijn conclusie.
“Er is helemaal niets mis met mijn snik.”
Het middelste knoopje van zijn veel te krappe overhemd springt los en onthult een stukje van zijn bleke, bolle buik. Zuchtend en steunend hijst hij zich overeind, drukt zijn sigaret uit en reikt naar zijn wodkaglas dat tot zijn ergernis leeg blijkt te zijn. De hond, die nietsvermoedend aan zijn voeten ligt te slapen, moet het ontgelden.
“Sodemieter op!” roept hij als hij er niet in een keer in slaagt zijn blote voeten in zijn sandalen te steken. Ik word al moe bij de aanblik van de man. Wat doet hij zichzelf toch aan? Zodra het glas hergevuld is, zakt hij met evenveel gezucht en gesteun als bij het opstaan weer terug in bankhangpositie. Hij knoopt zijn overhemd dicht en steekt een nieuwe sigaret op.
“En hoe is het leven daar?”
“Wel aardig” zeg ik op een zo neutraal mogelijke toon. Verkeerde woordkeuze. Mijn antwoord wekt onmiddellijk ergernis op.
“Hoezo wel aardig? Heb jij iets te klagen dan? Jonge vrouw, in de bloei van haar leven en nog heeft ze wat te klagen. De jeugd van tegenwoordig: tot op het bot verwend. Zuipen en feesten en werken ho-maar. Een beetje aanpoten, daar word je hard van! Vroeger…”
10 september 2006
[Bijdehandjes]
"Nee dat kan niet, ik sta namelijk op de heen-en-wereld."
8 september 2006
[Een wit voetje en een bijna blonde god]
Of ik tegen de operatie op zag, vroeg mijn collega. Nou nee, het kon me eerlijk gezegd niet snel genoeg gebeuren en erger dan de vorige keer, toen de verdoving niet bleek te werken en men dit pas ontdekte op het moment dat het scalpel in mijn voet gestoken werd en de orthopeed nog net niet richting de kaakdokter hoefde, zou het naar alle waarschijnlijkheid niet worden. Wat me wel enige zorg baarde was het feit dat mijn voordeur alleen te bereiken is via het trappenhuis en waar traplopen normaal gesproken geen punt is, wordt dat met een net geopereerde voet toch wat lastig.
Maar daar heb je toch dat reuze handige set krukken voor? Welzeker heb ik dat. Ik kan ze alleen niet gebruiken wegens een stukke schouder waarin ik bij de geringste vorm van kracht zetten vreselijk veel pijn heb. Was het één trap geweest dan had ik de kiezen wel even op elkaar geklemd maar om bijna zestig keer mijn eigen lichaamsgewicht met één arm omhoog te kunnen duwen moet ik toch echt nog even iets meer spierbal kweken.
Of ik dan niet tijdelijk mijn onderkomen zou kunnen vinden in een traploze residentie. Over die kwestie had ik mij al gebogen en het enige begane grondgebied waar ik naartoe had gekund en gewild, namelijk mijn ouderlijk huis, is reeds geclaimd door een familielid in acute nood waarvoor men zelfs broerlief tijdelijk bij zijn vriendinnetje geparkeerd heeft. Voordat ik ook maar kon protesteren sprong de collega op. Even een telefoontje plegen, zo terug. Ze kwam inderdaad snel terug en duwde me een briefje met daarop een naam en een telefoonnummer in mijn handen. Bel zodra je klaar bent dit nummer dan komt hij meteen jouw kant op om je persoonlijk die zeven trappen op te dragen, service desgewenst tot aan het bed.
Nu heeft mijn collega recentelijk beweerd het wel leuk te vinden dat ik niet helemaal normaal ben, wat ik toen maar als compliment opvatte, maar nu begon ik me toch echt af te vragen of zij zelf wel helemaal fris tussen de oren was. Een blonde god, een fanatiek fitnessend filosoof en voormalig verhuizer die ik nog nooit gezien had, was na één telefoontje bereid een wildvreemde op zijn rug te hijsen en naar de bovenste verdieping van mijn flatgebouw te torsen. Laat één ding bij deze heel duidelijk zijn: er zijn gekkere figuren dan ik.
In het ziekenhuis was het bijzonder saai. Je moet daar op alles wachten (behalve op de koffie), vooral dingen die dringend zijn. Zo is het niet gaaf om bijna drie kwartier te moeten wachten op iemand die jou toestemming geeft je bed te verlaten om te gaan plassen terwijl je al drie keer de noodknop hebt ingedrukt. De ervaring leert dat het beter werkt om gewoon heel hard te schreeuwen, hoewel dat ook weer niet voor elke situatie geldt. Op de platspuitafdeling kwam ik naast een razende bejaarde maniak te liggen die de hele derde verdieping bij elkaar schreeuwde, als ze hem nou godgloeiendegodver nog één spuit gaven zou hij de plietsie bellen.
Dat had ik wel mee willen maken maar er kwam een groen mannetje met een dikke stift een soort van schatkaart op mijn been tekenen. De ok-assistent vertelde me dat ik de laatste patiënt was en stond zichtbaar te popelen om naar huis te kunnen, waarop ik antwoordde dat zij het vooral uit haar hoofd moest laten de klus even snel af te raffelen. Als blikken konden doden had ik de ok niet levend verlaten. Nog steeds geen greintje humor daar.
Ik verzocht de chirurg vriendelijk van tevoren te controleren of de verdoving wel werkte, waarop de sadist keihard in mijn voet kneep op een plek die niet verdoofd was, precies daar waar mijn bot eerder doormidden gecirkelzaagd was en de schroef de boel al die tijd bij elkaar gehouden had. Alsof die spuiten nog niet gemeen genoeg waren geweest. Toen zette hij het mes in mijn voet, greep de schroevendraaier, kneep mijn voet nog wat verder tot moes en voelde ik slag voor slag hoe de schroef uit mijn voet kwam. Kennelijk was de binnenkant van mijn voet minder verdoofbaar dan de huid eromheen. Omdat de platspuitkamer vol was, werd ik in de gang geparkeerd en daar lag ik dan met mijn malle groene mutsje en een schroef in een potje als trofee voor mijn dapperheid.
Wat was ik blij dat ik na wachten, wachten en nog eens wachten eindelijk mijn ontslagformulier overhandigd kreeg. Ik kreeg een doe-het-zelf verbandpakketje mee naar huis, de pijnstillers sloeg ik af want ik houd niet van pillen slikken. In de auto dacht ik ineens weer aan de blonde god. Zou ik hem bellen? Met de pijn viel het op zich wel mee, de krukken had ik ingeruild voor een rolstoel waarmee ik het tot de deur wel zou redden en van de verpleegster mocht ik gewoon op mijn hiel steunen zolang de pijn draaglijk was. Ik had al een fles wijn en een doos chocolaatjes gekocht bij wijze van bedankje maar ik werd geplaagd door een hardnekkig mentaal plaatje van mij angstvallig vastgeklampt aan de brede torso van een knappe blonde spierbundel (ik heb achterop-angst en hoogtevrees) en op de een of andere manier begon de hele situatie toch een tikkeltje gênant aan te voelen.
Ik besloot de klim uiteindelijk toch maar zelfstandig aan te gaan met één goed been, één goede arm en op hoop van zege. Dan maar geen blonde god. Ik heb hem nog wel even opgebeld om hem te zeggen dat ik zijn gebaar bijzonder op prijs stelde maar dat het me wegens het onverwacht dermate voorspoedige verloop van de hele voetentoestand niet nodig leek dat hij zijn rug voor mij op het spel zette. Hij klonk zowaar een beetje teleurgesteld... Misschien dat ik hem zodra ik weer mobiel ben toch die fles wijn en snoepjes nog even breng, gewoon omdat ik vind dat dit soort onbaatzuchtige gestes een beloning waard zijn. Maar nu eerst het pootje omhoog en hersteltijd uitzitten.
2 september 2006
[De zagende zaadsnol]
Heer snorremans van de zaagafdeling is trouwens ook een fraaie. 'Wie van hout houdt, houdt van Gamma' staat er boven de ingang van de zagerij. Welaan dan. Ik breng de man een meubelpaneel van 150x50 en zeg hem dat ik twee stukken van 74,5X47 nodig heb. Dan volgt mijn vraag: "kunt u hem dus netjes op maat doorzagen?" De bloedserieuze wedervraag luidde: "door de lengte of door de breedte?" Goed. Nu ben ik zelf absoluut geen rekenwonder. Op de plaats waar mijn wiskundeknobbel had moeten zitten, bevindt zich ongetwijfeld een deuk. Daar schaam ik me niet voor want je kunt nu eenmaal niet alles kunnen. Maar wat ik wel weet is dat je van een plank die vijftig centimeter breed is onmogelijk 74,5 centimeter over kunt houden wanneer je hem langs zijn lengte doorzaagt. De zaagsnor* bleef me aankijken alsof hij nog een antwoord verwachtte ook. "Volgens mij is er slechts één manier dus wat had u zelf gedacht?" zei ik.
Dat zijn van die mensen die je desondanks wel uitgebreid de les gaan staan lezen over het fenomeen zaagverlies. Alsof ik daarvan nog niet op de hoogte was. Nee mevrouw, een plank van 250 kan ik niet exact in twee stukken van 125 zagen in verband met zaagverlies. Dat interesseert me niet, zolang u die plank maar EXCACT in het midden doorzaagt zodat ik aan beide kanten van de zaagsnede ONGEVEER 124,6 overhoud. Door zijn breedte ja. Dan ben ik toch vrij duidelijk geweest in wat ik wil, of niet soms? De grote vraag is nu waarom ik dan afgescheept word met een plank van 125 en een plank van 124,2. Men kan mij een hoop wijsmaken maar niet dat dit twee even lange stukken zijn. Is het soms omdat ik een vrouw ben? Nou? Pas op want u wakkert mijn zagitatie aan. Dat was een woordgrapje ja, u kunt uw wenkbrauwen weer in de natuurlijke stand terug laten zakken.
Voorts heb ik draagbalkjes nodig. Uit een balk van drie meter kunnen er, ook met inachtneming van het zaagverlies, zes van zevenenveertig centimeter. Zover kom ik nog met mijn rekendeuk. Wat denk je dat die zaagsnor zegt? "Doe dat zelf maar, daar staat de zaagtafel." Juist. Vastklemmen. Meten. Aftekenen. Zagen. De man staat er met zijn handen in zijn zakken naar te kijken en laat ik er nu eens een gruwelijke hekel aan hebben op mijn vingers gekeken te worden, helemaal als dat met zo'n zelfgenoegzame blik van laat maar eens zien wat je kunt gebeurt. Ik blijk het niet te kunnen en dat is ongetwijfeld waar hij op stond te wachten. Zonder me nog een kans te geven trekt hij de zaag uit mijn handen om te laten zien hoe het wel moet. Het lukt me niet een brede grijns te onderdrukken wanneer ook hij dat lullige balkje niet doormidden krijgt. De man ploetert. Zijn hoofd wordt zeker drie tinten roder dan het al was en een straaltje zweet sijpelt langs zijn slaap. De man kreunt. Dan smijt hij de zaag weg. "Het ligt aan die rotte rotzaag," (echt, je moet het een boze Leidenaar horen zeggen) "die deugt niet!" Dat zal het zijn. "Geeft u mij die balk maar, ik zaag hem thuis wel in stukjes." De echte doetutzelvert kan prima zonder de Gamma.
*Zelfs mijn spellingscorrector heeft meer gevoel voor humor dan die handige Harrie's van de bouwmarkt. Het maakt van de term 'zaagsnor' het woord 'zaadsnol'.
[Bijdehandjes]
"Wij hebben thuis twee wasmachines: een natter en een droger."
L heeft een speelgoedauto: een Audi.
"Wil jij later ook een Audi als je groot bent, L?"
"Ja!"
"En jij dan V, ook een Audi?"
"Ja doei, dan wil ik een nieuwe!"
24 augustus 2006
[Kapitaalvernietiging en kinderporno]
Enerzijds kan ik me wel vinden in de argumenten die pleiten voor het opgeven van de baan om in plaats daarvan voor de kinderen te zorgen. Bijvoorbeeld: het geld dat de vrouw binnenbrengt zal goeddeels opgaan aan kinderopvang dus het biedt nauwelijks financieel voordeel en beide ouders hebben maar weinig tijd over voor kwali-tijd met de kinderen. Een verlies-verliessituatie zogezegd. Dan is er tegenwoordig een mannelijke variant van de postnatale depressie. Het handhaven van een goede balans tussen zorg en arbeid (waar de man aan zal moeten geloven wanneer zijn vrouw ook fulltime werkt en hij wil dat zijn vrouw ook daadwerkelijk zijn vrouw blijft) is moeilijk en de kans dat die twee uiteindelijk alleen maar afbreuk aan elkaar zullen doen is groot. En laten we vooral niet vergeten dat je kinderen (de maatschappij van morgen) een waardevol kapitaal zijn om in te investeren, ook hiermee kan men een zinvolle bijdrage aan de maatschappij leveren.
Mits je een goede opvoeder bent natuurlijk en wat dat precies inhoudt, daarover zijn de meningen verdeeld. Produceer je namelijk een 'probleemkind' dan heeft de overheid ook daar een probleem mee. Hoe lang zal het nog duren voordat daar een boete op komt te staan? Ik zeg dit gekscherend, maar er wordt weldegelijk gespeculeerd over verplichte opvoedcursussen voor (aanstaande) ouders. Geen gek idee in die zin dat de overheid er een flink slaatje uit zou kunnen slaan wanneer die ouders in de praktijk blijken te falen. Gij zult enkel en alleen modelburgers voortbrengen. Tsja, in de ideale wereld...
Wat ik echter absoluut niet vind kunnen, is dat sommigen in dit kader met zoveel weerzin over de rol van de kinderopvang spreken. 'Betaalde liefde, een vorm van prostitutie eigenlijk' lees ik in het Boink magazine. Daar moet ik wel bijzeggen dat deze uitspraak van een overtuigd SGP-er komt, maar toch. Ik zou het als een regelrechte belediging opvatten, ware het niet dat het een tamelijk ondoordachte stelling is. Prostitutie draait immers per definitie om betaalde liefde in de vorm van seks en, laat mij het opnemen voor mijn huidige vakgebied, kinderopvang staat voor zover ik weet nog altijd niet gelijk aan kinderporno.
Veel hoogopgeleide vrouwen kiezen pas op latere leeftijd voor het moederschap omdat ze eerst carrière willen maken, zij hebben niet voor niets zo lang in de collegebanken gezeten. Het grootste deel van deze vrouwen stopt ook na het krijgen van een kind niet (volledig) met werken dus met de huisvrouwenrevival zal het heus wel meevallen. Het is dus niet gezegd dat deze vrouwen de door de maatschappij bekostigde kennis en vaardigheden na vergaring direct onbenut wegsmijten, moet daar dan alsnog een boete op staan? Als de overheid meer geschikte voorwaarden zou scheppen, zou het voor deze moeders makkelijker zijn om zorg en arbeid op elkaar af te stemmen (een goed voorbeeld is het initiatief van de vacaturebank 9tot3), wat naar mijn idee een veel betere motivatie is dan dreigen met een boete (de makkelijke, goedkope en bovendien ontmoedigende weg).
Maar parttimers zijn duur, parttime topfuncties bestaan niet en de overheid ziet parttimers liever gaan dan komen. Men importeert liever prestatiegerichte buitenlanders die graag meer dan fulltime willen werken. Het gaat al zo ver dat men goed geïntegreerde allochtonen op dit punt problematisch noemt daar zij zich in rap tempo de Hollandse liever lui dan moe mentaliteit eigen maken. Er zit een zekere logica achter, toch zou ik het zonde vinden wanneer het reeds aanwezige, getalenteerde potentieel geen kans gegund wordt. Op die manier worden moeders haast wel gedwongen thuis te blijven, terwijl van de andere kant het zwaard van het moederplan boven hun hoofd gehouden wordt. Hoe eerlijk is dat?
Daarbij is het vreselijk uit de tijd om te denken dat je ontaarde moeder bent wanneer je besluit te blijven werken en gebruik maakt van kinderopvang. Uit recent onderzoek van het SCP blijkt dat kinderen van tweeverdieners niet slechter af zijn dan kinderen van een thuisblijfmama dan wel –papa. De huidige kinderopvang voldoet aan strenge kwaliteitseisen, blijft zich uitbreiden en is niet meer weg te denken uit onze samenleving. Oppascentrales, peuterspeelzalen en gastouderbureaus lopen als treinen en het concept van de brede school wint gestaag terrein. Het kost een lieve duit maar dan heb je ook wat. Ook grootouders zijn vaak niet te beroerd om af en toe op het grut van hun hardwerkende kinderen te passen. Spongebob blijkt volgens de Elsevier zelfs beter te kunnen troosten dan de zoete woorden van mama, zo onmisbaar is ze nu ook weer niet. En dan heb ik het nog niet eens over het gevaar dat bij invoering van deze maatregel meisjes met een kinderwens misschien wel zullen besluiten om maar niet aan een hogere opleiding te beginnen. Wellicht wat voorbarig, maar hadden ze daar al aan gedacht? Genoeg redenen om het angstvallige boetevoorstel overdreven, zo niet belachelijk te noemen.
8 augustus 2006
[Je blaas de baas]
Het eerstvolgende half uur kan er niet geplast worden dus op elke "ikwilnietikwilniet" volgt een ferm "jemoetjemoet!" en daar eindigt de discussie. Kleuters kennende, zijn er altijd wel exemplaren die thuis bij hoog en bij laag beweren nog geen druppel in de blaas te hebben maar zodra je de deur achter je dicht trekt staan ze met een moeilijk gezicht heen en weer te wiebelen. Ik houd het onderweg graag droog.
Onze oudste en als je het mij vraagt vroeg puberende blagen vervelen zich in de trein en broeden op een plan om van hun stoel te mogen. Ze moeten naar de wc, allevier tegelijk. Aardige smoes, jammer dat hij zo doorzichtig is. Verveling zit niet in de blaas maar tussen de oren. Bij de vliegtuigen houden we weer een plasstop. De heren mogen zelfstandig naar de wc maar als het te lang duurt, ga ik toch even om een hoekje kijken en val bijna om van het lachen. Vier mannekens Pis staan op een rijtje voor een zilverkleurig pissoir dat net iets te hoog is en doen met bloedserieuze koppen hun uiterste best de straal netjes over het randje te mikken, wat nog lukt ook. Als ik het gevaar niet zou lopen achteraf beschuldigd te worden van viespeukerij, was dit een heus Kodak-moment geweest.
Als de blazen leeg zijn mogen de kinderen in het ballenbad. Wij houden het spul in de gaten vanaf het terras bij de ingang. Bij het toegangspoortje staat een knulletje van een jaar of vier paniekerig om zich heen te kijken. Nerveus wiebelt hij van het ene op het andere been. Dan zie ik de vloer onder hem nat worden en begint hij keihard te huilen terwijl hij midden in zijn 'ongelukje' blijft staan.
Het wemelt van de volwassenen rondom het ballenbad maar niemand bekommert zich om dit jongetje. Ik voel meelijden en boosheid tegelijk. Welke idioot dumpt zijn kind in een ballenbad op een retedruk vliegveld zonder er verder ook maar enige aandacht aan te besteden? De vader naast me kan om het tafereel smakelijk lachen, wat me nog bozer maakt. Ik kijk hem kwaad aan. "Uw kind loopt hier toch ook rond? Fraaie vader bent u!". "Nou en? Het is toch zeker niet mijn kind?" antwoordt hij schouderophalend en slurpt het schuim van zijn cappuccino.
Omdat het jongetje nog steeds in zijn eigen nattigheid staat te brullen, besluit ik hem te troosten en help hem zijn mama zoeken. Na vijf minuten meldt zich dan eindelijk de vrouw. Ze wil hem meenemen maar ik houd haar staande. "Sorry maar zou u dat niet even opruimen?" vraag ik. De vrouw kijkt me geërgerd aan, antwoordt dat ze het niet gezien had en loopt weg. Doof en nog blind ook. De fraaie vader zit nog steeds te grinniken en ondertussen word ik steeds kwader. Ik zie het al voor me dat iemand hier straks gigantisch op zijn muil gaat dus ik grijp een stapel servetten om de plas mee af te dekken tot die rare moeder het komt opruimen.
Ik sta nog niet rechtop of er komen twee kinderen uit het ballenbad gerend. De een glijdt op zijn sokken door de urine, de ander verliest zijn evenwicht en belandt er midden in. Wederom een brullend kind en geen enkele volwassene die zich er druk om maakt. Christus te paard! Baar dan geen kind! Met recht pissig stap ik naar het kind toe, troost hem en vraag hem zijn ouders aan te wijzen. Dat lukt hem niet omdat ze in geen velden of wegen te bekennen zijn. Ondertussen wenk ik een medewerker om te vragen of hij de boel wil opruimen. Dat is hij geenszins van plan want: "u laat uw kind hier toch zeker zelf de boel bevuilen." Adem in-twee-drie, adem uit-vijf-zes.
Nou zal hij mooi worden! Hang ik hier de bloody do-gooder uit en wat krijg ik? Stank voor dank. Wat mankeert al deze mensen?! Ik wens hen stuk voor stuk hardnekkige incontinentie toe. "Bekijkt u het even" zeg ik tegen de medewerker terwijl ik me snel omdraai voordat ik hem aanvlieg. "Wat gaat u doen?!" wil de onuitstaanbare zeikstraal weten. "Plassen," zeg ik "nou goed?"
De fraaie vader verslikt zich bijna in zijn cappuccino, zo grappig vindt hij het. De doofblinde moeder komt eindelijk aangesjokt met een een lullig velletje wc-papier om de reeds door servetten geabsorbeerde plas voor de vorm nog eens met de Franse slag op te vegen. Het in de plas uitgegleden kind trekt een sprintje naar zijn plots opduikende moeder, springt haar in de armen en klemt zijn drijfnatte benen om haar middel. Mijn beurt om eens even breed te grijnzen.
20 juli 2006
[Dus]
13 juli 2006
[Bijdehandjes]
"Nee, het is vandaag te fris om zonder shirt rond te hobbelen."
"Jamaar... mijn blootje zit er toch nog onder?!"
"Eet nu eerst je appeltje maar eens op, die koekjes lopen heus niet weg."
"Ja duh! Ze hebben toch ook geen benen joh!"
"Hee juf, wil je dit effe niet doen?"
"Maar ik doe toch helemaal niets?"
"Neehee, niet doen!"
"Vertel me dan eerst maar eens wat het precies is dat ik niet moet doen."
"Die sliertjes, die moeten vast aan mijn hoed."
"Oh, moet ik ze vást nieten!"
"Jongens, deze week is het thema Engeland. Is er iemand die iets kan vertellen over dit land?"
"Ehh, nou, dat is een heel éng land!"
10 juni 2006
2 juni 2006
[Ahoj!]
Mijn mama wil absoluut niet dat ik ga vliegen en wel hierom dat ze denkt dat er tegenwoordig in ieder mens een terrorist schuilt en dat je juist in een vliegtuig het risico loopt dat de terrorist in de mens naar boven komt en dat ze dan je vliegtuig kapen en te pletter vliegen of gewoon meteen opblazen. Ik mag haar er vooral niet op wijzen dat zij hier de enige gevaarlijke gek is die ooit een keer neergestort is bovenop een zwerm toeristen, want dat was immers een ongelukje en bovendien was daar geen vliegtuig maar een parachute bij betrokken.
Ik stuurde mijn moeder een berichtje.
Hoi mam, morgen vlieg ik naar Tsjechië. Ik heb de reisorganisatie je nummer gegeven. Bij eventuele kaping, gijzeling of te pletter storting stellen ze je onmiddellijk op de hoogte. In het bijgevoegde document vind je mijn laatste wil. Hopelijk tot gauw. Liefs, je dochter.
Dat vond ze niet heel grappig, maar de communistische propagandaposter waarop bij wijze van onbegrepen grapje mijn bericht geschreven stond vond ze geniaal, wat ik op mijn beurt weer een opmerkelijk stukje repliek vond.
Waarom de regen opzoeken als je evengoed naar de zon kunt? Ten eerste vond ik het de hoogste tijd om mijn lang gekoesterde wens Praag eens met eigen ogen te zien in vervulling te laten gaan. Ik heb zo van die buien. Eerst heb ik jaren geduld, vervolgens moet en zal het op stel en sprong gebeuren. Ik ben me ervan bewust dat ik zo ongeveer het enige land in Europa heb uitgekozen waar het de hele week koud k*tweer wordt maar ik sjouw liever met een plu dan dat ik in overdreven hitte wegsmelt op een overbevolkt strand waar ik zand tussen mijn tenen krijg. Mij niet gezien. Bovendien kan op die manier het weer ook niet tegenvallen als ik terug kom in dit stomme kikkerland waar de herfst zijn intrede alweer gemaakt lijkt te hebben. Die paar schuchtere zonnestralen maken het hier heus nog geen zomer.
Inpaktijd. Na shledanou později!
11 mei 2006
[Het gevoel dat je leeft]
8 mei 2006
2 mei 2006
[In mei leggen alle vogels een ei]
Waar ik ook al geruime tijd klaar voor ben is een zeer welverdiende vakantie. Nog slechts vijf nachtjes slapen en dan smeer ik hem zuidwaarts. Niet ver zuidwaarts want wat de boer niet verstaat dat spreekt hij niet maar wel zuidwaarts genoeg voor een vakantiegevoel. We pikken meteen een festivalletje
Omdat ik me op koninginnedag had laten overhalen mijn oom, die in een stoere ouwe mannen bluesrockband zingt en drumt, aan te moedigen begaf ik mij naar Sassem en vroor mijn kont er bijna af. Gelukkig was ik met mijn immer inventieve papa op stap en in zo’n geval is het volslagen zinloos om welke vorm van schaamte dan ook te kennen. Ik ontkwam niet aan een uitbundig potje swingen, springen en luidkeels meezingen want: wij kennen onze klassiekers, mijn pa en ik, en van vrieskou zijn wij niet gediend. Toch kun je het zo'n zon niet al te kwalijk nemen dattie het af laat weten. Koninginnedag is ook niet mijn favoriete dag van het jaar.
Ik was min of meer incognito, met voorbedachten rade wegens er-komen-daar-vast-veel-meer-bekenden-da
Maar die keert niet weer. Mijn dorp is mijn dorp niet meer. Mijn peuterspeelzaal is weg. Mijn basisschool bestaat niet meer. Mijn middelbare school is tegen de vlakte gegaan. Het gebouw van mijn jeugdvereniging is met de grond gelijk gemaakt. Mijn sportveld staat vol luxe woningen. De melkboer is dood, evenals mijn kapper en het bakkertje op de hoek. Mijn buurtjes zijn overleden. Alle acacia's die eens mijn straat sierden zijn uit de grond getrokken. En al zo voort. Het dorp mag mij dan niet vergeten zijn, ik ken mijn dorp niet meer. Lang leve 'de grote stad' die er niet over piekert zich aan je vast te klampen en waar je zo lekker anoniem in op kunt gaan.
15 april 2006
[Dankbaarheid]
16 maart 2006
[Bijdehandjes]
"Nou en. Ik heb lekker al mijn Z-diploma. Dan moet je in de gigantische oceaan met haaien zwemmen en een schat opduiken, met zónder flippers!"
12 maart 2006
[Geen verenpikkerij wegens geen kip]
Ik gebruik overigens bewust het werkwoord kunnen want het moet natuurlijk niet. Verveling is een keuze: er is immers altijd wel iets te doen maar soms kiest een mens er gewoon voor zich over te geven aan een soort van leegte welke ontstaat wanneer een zekere honger naar bepaalde gewenste maar desondanks uitblijvende prikkels een kwellende vorm aanneemt. Zoals men er bijvoorbeeld zelf voor kiest zich te omringen met allerlei slimme apparaten en van die dingen, waardoor de mens zichzelf langzaam maar zeker volslagen overbodig maakt. Een simpele druk op een willekeurige knop en je hebt je portie opwinding weer gehad. Maar dat is dan je eigen schuld, dan vraag je er om. Verveling is soms ook een luxeprobleem. Probeer in zo'n geval de afwas eens ouderwets met de hand te doen.
Je kunt verveling tevens zien als een existentieel probleem, de constante dreiging van de verwerkelijking van de angst voor zinloosheid. In dat geval zeg ik: laat je bekeren. Behoed je dan echter wel voor het volgende probleem dat de kop mogelijkerwijs opsteekt. Volgens sommigen is verveling namelijk een verzinsel, een slap excuus om je moetens de rug toe te keren zonder je hier onmiddellijk uitzinnig schuldig om te voelen, een manier om luiheid te verbloemen, wat van verveling, veronderstel dat je het vanuit een christelijk oogpunt benadert, indirect een der zeven hoofdzonden maakt. Maak in zo'n geval vlug beentjes naar het dichtstbijzijnde biechthok en beter zo rap als mogelijk je leven.
Er zijn mensen die menen dat het heerlijk is om je zo nu en dan eens fijn te pletter te kunnen vervelen. Dat zijn veelal mensen die er zelf geen tijd voor hebben en dus helemaal niet weten waarover zij het hebben. Voor hen is verveling pure utopie. Zij benijden het onbenijdenswaardige en verwarren het met ontspanning maar weten zij veel. Wanneer je ongegeneerd en vol overgave afkerig gaat zitten zijn van welke vorm van inspanning of activiteit dan ook en hier met volle teugen van geniet, kun je dit geen verveling noemen. Laat dat even duidelijk zijn.
Het meest vervelende aan verveling is het feit dat verveelde mensen zich al snel geroepen voelen hun omgeving met hun eigen verveling te vervelen. Een beetje zoals ik hier nu feitelijk min of meer een soort van demonstreer. Dus.
8 maart 2006
[Opgehokte kippen vervelen zich te pletter]
Ik had mezelf die dag al drie keer verkleed wegens lekke poriën en het logische gevolg hierop, te weten uitwringbare kleding. Daar viel dus met de beste wil van de wereld niet tegenop te drinken. Een geheel nieuwe ervaring voor de opperkoukleum. Ik zou het bijna koukleumschennis noemen zoals ik daar ineens de stoomketel lag uit te hangen, hoewel je het dan wel weer heel snel steenkoud krijgt wanneer je met je klamme goed aan tussen je klamme lakens vandaan kruipt. En waar snak je dan naar? Exact: een hete douche. De ziekte uit je lamme lijf stomen en de bacillen van je gloeiende huid schrobben. Het laatste waar je dan op zit te wachten? Juist: een stukke thermostaatkraan en vele liters ijskoud water. Ja lieve mensen, het is weer afzien in de Mozartstraat. En dan word je ook nog geacht een leuk verhaaltje te schrijven.
Ik voelde me niet optimaal toen ik naar mijn werk ging, maar was ervan overtuigd dat dat kwam doordat men mij gedwongen had op een absurd vroeg tijdstip van de partij te zijn bij een 'pittige training' plus het feit dat men mij op dit onbetamelijke tijdstip de al even onbetamelijke vraag 'wil je straks bij de lunch een kroket of liever een kaassoufflé?' durfde te stellen. Om acht uur 's ochtends staat mijn hoofd dus niet naar kroketten en pittige trainingen. Even doorbijten leek me de beste oplossing. En veel koffie natuurlijk, om het wakker worden te bevorderen.
Maar na twee uur stond mijn hoofd nog steeds niet naar kroketten. Na de eerste helft van de pittige training, waarbij het met de stem nabootsen van Caribische muziekinstrumenten en het doen van tamelijk aparte dansjes een verplicht onderdeel was, kreeg ik verhoging. Ik dacht dat het de opwinding was. Ik kon niet ziek worden want ik was net ziek geweest. Ik was de dag ervoor bij de bedrijfsarts op bezoek geweest die me op een briefje mee naar huis gaf dat er 'voor de komende periode geen risico op verhoogd verzuim' bestaat. Dan is het vanzelfsprekend niet zo netjes om de volgende dag op je werk doodleuk het tegendeel te gaan liggen bewijzen, vond ik. Dus ik maalde met mijn verstand op nul die kleffe kroket weg, haalde diep adem en hoestte er onwaarschijnlijk luid op los. Dat had ik al als slecht voorteken kunnen interpreteren, ware het niet dat door mijn geblaf de optimist in mij ontwaakte. En dat terwijl ik de pittige trainster net duidelijk had geprobeerd te maken dat ik beter ben in radicaal realisme dan in romantiek. Timing.
Bij 38 graden dacht ik, oké, ik ben dus best wel verkouden. Bij 39 graden dacht ik, ik ben misschien toch een soort van… ziek. Toen mijn lichaamstemperatuur nóg hoger werd dacht ik dat ik dood ging. Vooruit, laat mij ook eens dramatisch doen. De laatste restjes buikgriep hadden mijn lichaam nog niet goed en wel verlaten of de volgende kwaal diende zich aan en ik kon wederom de huisarts raadplegen. Ik ben een ziekelijk tiepje. Altijd al geweest. Dat er voor mij in deze tijd van allerhande epidemieën nog geen ophokplicht bestaat is ronduit opmerkelijk. Vroeger was ik al zo'n kind dat bijvoorbeeld niet gewoon één, maar twee keer de waterpokken kreeg. Het is in de wereld oneerlijk verdeeld. Dat ik op de basisschool niet het kneusje van de klas was, heb ik enkel en alleen te danken aan mijn hyperastmatische klasgenootje Muis, die na het beklimmen van de drie reusachtige trappen in ons monumentale schoolgebouw steevast over haar lessenaar gedrapeerd lag te piepen als een set ongesmeerde gietijzeren kloosterkerkhekscharnieren. Van dat geluid kreeg zelfs een kerngezond mens het Spaans benauwd.
De huisarts keek me verontrust aan. Kom maar op, zei ik, ik heb het de afgelopen dagen al vaak genoeg gehoord, de man vindt het, de baas vindt het, zelfs mijn bloedeigen moeder draaide er niet omheen, ik kan er wel tegen. De dokter zei dat ik er inderdaad niet heel gezond uitzag. Bravo voor dit fraaie understatement. Of ik me even van mijn bovenkleding wilde ontdoen om gebukt over het bureau een paar keer zwoel te zuchten. Dat maakte genoeg indruk om de diagnose bacteriële luchtweginfectie, in de volksmond ook wel blafsars genoemd, en een grote doos pillen mee naar huis te krijgen.
De afgelopen dagen heb ik braaf de koorts uit mijn kladden gezweet, heb ik er zonder overdrijven vijf kilo perssinaasappels doorheen gejaagd en ben ik twee ribben lichter omdat ik een nieuwe douchekraan moest laten monteren. Het goede nieuws is dat ik inmiddels weer heet kan douchen en me een stuk beter voel. Nu alleen dat leuke verhaaltje nog... Maar eerst is het tijd voor kicks voor niks. Derhalve ga ik nu het lege melkpak plat stampen.
6 februari 2006
[Het is weer maandag]
29 januari 2006
[Volg nooit een man zijn hol in anders brand je je aan de draak]
“Vier punt één hoeft niet aan.”
Hij negeert haar opmerking en richt al zijn aandacht op de crèmekleurige afstandbediening in zijn hand. Ik vraag me af bij welke hippe gadget die nu weer hoort. Het is zo’n beetje de gewoonte geworden dat me bij elk bezoek een gloednieuwe moderniteit (dit gaat van volautomatische roestvrijstalen melkopschuimers tot achtpersoons bubbelbaden) wordt gepresenteerd, dus ik wacht vol spanning op dat wat komen gaat. Zelf kom ik uit een tamelijk conservatief arbeidersgezin waarbij een magnetron al een grote mate van argwaan plus daarmee samenhangende weerstand opwekt maar dit is een heel andere wereld.
“Vier punt één hoeft niet aan” herhaalt ze, elk afzonderlijk woord nu overdreven articulerend en de pauzes tussen elk woord net iets langer aanhoudend dan normaal wat de zin een onnatuurlijk karakter geeft. Het is vergeefse moeite: hij is vastberaden zijn nieuwste aanwinst te demonstreren.
“Ah! Hebbes!”
Hij drukt een knopje in; vier punt één. Er klinkt een knal, er schiet een vonk omhoog en daarna wordt de kamer gevuld met rook. Verrassend spectaculair, vond ik.
“Kut met peren!”
Dat was vier punt één. Een fraai vormgegeven schemerlamp in exact dezelfde kleur als de afstandbediening.
“Ik zei toch, vier punt één hoeft ni…”
“Ach mens krijg wat!”
“Laat nou zitten dat lampje, straks brand je je vingers nog!”
Eigenwijs als hij is, pakt hij het lampje vast waarna hij een verwrongen gezicht trekt.
“Ik zei toch…”
De rest van de zin slikt ze wijselijk in. Tussen duim en wijsvinger houdt hij een lampje dat zijn fitting mist. Geamuseerd kijk ik toe hoe de goede oude man zijn vingers nog meer geweld aandoet door de fitting bij zijn scherpe rand vast te pakken om hem uit de houder te peuteren. Ik zwijg, met in mijn achterhoofd een wijze raad van Dr. Gray: Wanneer u een man ongevraagd van advies dient, gaat u er in zijn ogen vanuit dat hij niet weet wat hij doet of dat hij het zelf niet kan. Een man is tevreden wanneer hij een probleem tot in de kleinste details kan oplossen. De grootste angst van een man is dat hij niet goed genoeg of onbekwaam is. Een man gaat langzaam dood als niemand hem nodig heeft.

