9 november 2006

[Ginds heeft zich een koe tot herkauwen neergelegen]

Eerder vandaag vatte ik ineens het dappere plan om een bond tegen het destigmatiseren van taalfouten op te richten. Niet dat ik nu zo'n genie ben en een regelrechte taalpurist wil ik mezelf ook niet noemen. We verhaspelen allemaal wel eens een spreekwoord, daar zie ik het kwaad niet in. Ook ben ik een voorstander van taalverrijking en wel hierom dat taal in zekere zin een beperking is dus laat ons vooral creatief zijn. Een taal moet echter niet verloederen. Het is erg genoeg dat er zoiets bestaat als BrEezAhtaal en dat mijn leidinggevenden niet weten wanneer ze een d, een t of dt moeten gebruiken en als zeggen wanneer zij dan bedoelen. Taal blijkt een instrument te zijn waaraan men zich lelijke builen kan stoten en om verdere degeneratie tegen te gaan, leek mijn plan me zeer nuttig. Later op de dag werd ik tijdens een gesprek met een collega lichtelijk ontmoedigd.

"Oh Wen ik heb me dag niet hoor. Kan jij M nog die hier vroeger werkte?"

"
Ken. Nee, die ken ik niet."
"
Nee die kan jij ook niet, die is natuurlijk van voor jouw tijd."
"
Ken."
"
Wat?"
"
Het is ken, niet kan. Maar vertel verder."
"
Oh. Nouja, die werkte hier vroeger dus, zo'n meid, iedereen liep met der weg. Gisteren overleden. Ze had de Kaa."
"
De wat?"
"
De Káá. Kanker."
"
Oh. Wat vreselijk. Gecondoleerd."
"
Ja, ik hoor het net, sta helemaal te beven. Ik ken daar niet tegen hoor, dat soort dingen."
"
Kan."
"
Nee, het is Kaa, de afkorting voor kanker is Kaa, niet Kan."
"
Ja, dat snap ik. Ik bedoelde eigenlijk dat het kan is in plaats van ken."
"
En net was het nog ken!"
"
Dat was in een andere zin."
"
Ja, zie je, ik heb gewoon me dag niet. Nouja. Ken je wel es hebben."
"
Kun."
"
He?"
"
Laat maar. Even iets anders: waar zijn de schone handdoeken?"
"
Oh, die heb ik daar neergelegen."
"
Wat heb je met die handdoeken gedaan?"
"
Daar neergelegen."
"
Dat kun je zo toch niet zeggen."
"
Wat niet?"
"
Neergelegen niet."
"
Wat moet het dan wezen?"
"
Zijn. Het is zijn. En neergelegd."
"
Onzin."
"
Niemand gebruikt tegenwoordig nog het woord neergelegen."
"
Ik ben ook al oud, moet je rekenen."
"
Nonsens. Maak de volgende zin maar eens af: de kip heeft een ei..."
"
Gelegen."
"
Helaas, u gaat niet door voor de koelvriescombinatie."
"
Shit."
"
Het moet gelegd zijn. Als jij hier iets neerzet, zeg ik toch ook niet dat je het hier hebt neergezeten? Die kip heeft een ei gelegd."
"
Ga weg!"
"
Heus."
"
Verrek."
"
Maar waar heb je die handdoeken nou gelaten? Zojuist lagen ze daar nog."
"
Hiero, die lig ik net apart voor je."

Geen opmerkingen: