4 april 2007

[In het voorbijgaan]

Het schone wordt door de ander verworpen, weggeworpen, belandt in de modder zodat het onherkenbaar wordt. Nietsvermoedende schoenzolen zullen zich erin drukken. Honden zullen eraan snuffelen en ertegenaan plassen. Spelende kinderen zullen er nieuwsgierig met stokken in prikken. Kraaien zullen er met hun snavels in pikken. De regen zal het in de goot spoelen. Uiteindelijk zal een gemeentelijke bezemwagen al wat ervan is overgebleven uit die goot schrapen en het zo voorgoed uit het straatbeeld doen verdwijnen. Zo vergankelijk is schoonheid.


Een onooglijk, bloot omhulsel blijft over. Het is de naakte waarheid. Het jaagt de ander schrik aan, daar is geen twijfel over mogelijk, of het nu om de waarheid gaat, de naaktheid ervan of de combinatie van die twee. Het is hoe dan ook onverdraaglijk. De ander bedekt zijn ogen, zich er langzaam van bewust wordend wat hij heeft aangericht. Dan keert hij om, de lafbek, en in de hoop dat niemand het opmerkt sluipt hij weg.

Geen opmerkingen: