We zitten daar maar wat. Ik aan de ene kant van de tafel, de ander aan de overkant. De reden van onze samenkomst is ons beiden ontgaan. We drinken geen drankje daar het smeren van de kelen volslagen zinloos zou zijn. Droge woorden, stekelige woorden, ruwe woorden blijven onuitgesproken. We staren ieder naar niets in het bijzonder. Blikken glijden zo onopvallend mogelijk langs elkaar en gaan op in de achtergrond. Wij voelen ons graag gepreserveerd door de rook die om onze hoofden kringelt en ons schijnveiligheid verschaft.
Terwijl de ander zijn best doet één te worden met het harde houten vlak waarop zijn achterwerk rust, raak ik bevangen door trekdrang. Het gevoel overleeft elk van mijn pogingen het uit te hongeren in de hoop dat het verzwakt en uiteindelijk zal sterven. Ik wil weg, ver weg en wel zo snel mogelijk. Zelfs wanneer zich tussen ons een grote afstand bevindt, versta ik de gedachten van de ander die zich nu rijk waant met de gelogen lach die mijn aftocht aankondigt. Ik weet waarnaar zijn wonden stinken en ken het venijn dat zijn wezen verzwelgt. Helaas, er is geen dokter in de zaal waar ik de ander zojuist heb achtergelaten.
Ik ben een museum vol onzichtbare kostbaarheden die ik evenzeer veracht als koester. Ik ben een kast vol souvenirs die samen het kloppende hart van mijn herinnering vormen. Soms zou ik de kast omver willen duwen of met een moker te lijf gaan, de souvenirs willen begraven diep in de zwarte aarde. Soms zou ik me niets willen hoeven herinneren, liever dan te moeten vergeten.
10 april 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten