28 maart 2007

[Het grote niets]

Er wordt gebeld. Tijdens mijn gang naar het telefoontoestel rinkelt het ding drie keer en als ik opneem wordt aan de andere kant opgehangen. Typisch. Dat het grote niets met zoveel heisa moet laten weten dat het er is. Typisch en arrogant bovendien, alsof ik van dit feit nog niet op de hoogte was. Weer wordt er gebeld, opgepakt, neergelegd. Bij de derde keer leg ik de hoorn naast het toestel. Zelfs het grote niets kan te ver gaan.

Ik pak het anders aan. Warm aangekleed stap ik op de fiets, met niet geringe tegenzin, omdat mijn bestemming in precies de tegenovergestelde richting ligt als de richting waarin de wind waait, maar vooral omdat ik bepaald geen zin heb de ander te ontmoeten. De onuitstaanbare ander die het niet nodig vindt naar me te luisteren omdat hij het altijd beter weet, altijd gelijk heeft - hij is immers een geleerde en dat kan men van mij niet zeggen. Tegen mijn verwachting tref ik de ander niet aan. Mijn verzoek aan hem om een briefje achter te laten heeft hij in de wind geslagen. Opgelucht en tegelijkertijd ontgoocheld door al deze afwezigheid kijk ik om me heen. Hallo groot niets, wat nu?

Een der andere anderen komt vanonder een tafel tevoorschijn en schuift me een papieren zak toe om vervolgens weer onder de tafel te duiken. In de zak bevinden zich een kartonnen doosje en een papiertje met daarop een verzoek. De ander wenst me te zien en snel wat. Nu zal het fraai worden. De ander verstopt zich en hangt de chronisch onbereikbare uit als het hem uitkomt en nu zal ik zeker gehoorzaam op komen draven? Ik prakkiseer er niet over. Het doosje steek ik in mijn jaszak daar het me uitermate goed van pas zal kunnen komen, het papiertje verfomfaai ik en werp het over de tafel.

Er wordt gebeld, opgepakt en neergelegd. Nu is het mooi geweest. Ik giet de gehele inhoud van het doosje in een keer in mijn mond en spoel het met een flinke slok water weg. Ik werp mijn lichaam over de tafel en met mijn hand op de hoorn wacht ik een volgend rinkelen af. Seconden tikken weg, minuten gaan voorbij, een uur verstrijkt en dan wordt er wederom gebeld. Met een ruk trek ik de hoorn van het telefoontoestel en als een vulkaan stort ik vanuit mijn zinderende binnenste een vlammende frenesie over de ander uit, dat hij branden mag. Aan de andere kant houdt de ander zich stil. Seconden tikken weg, minuten gaan voorbij, een uur verstrijkt en het blijft stil. Dan klinkt in de verte een sirene.

Geen opmerkingen: