In het aardse huis, waarvan meermaals ongeoorloofd gebruik is gemaakt, worden de talrijke onvolkomenheden niet onder stoelen of banken geschoven. In het huis wordt de liefde niet bedreven, zij wordt eruit verdreven. Het huis, dat allang geen thuis meer genoemd kan worden, is een onuitputtelijke bron van weerzin geworden. Voor de ander, maar met name voor mij.
Het huis is een paradox, in die zin dat zijn uiterlijke verschijning niet aan zijn binnenwereld beantwoordt en vice versa. Zo had de ander vlak voorafgaand aan de eerste inbraak niet kunnen vermoeden wat hij in het huis aan zou treffen en wat hij aantrof maakte hem razend, dreef hem tot rücksichtslos recidivisme.
De verhouding tussen mij en het aardse huis is door de ander gemaakt tot een onherstelbaar verminkte symbiose. Ik ben alle hoop op verzoening met het huis verloren maar kan er geen afstand van doen, hoe graag ik dit ook zou willen. Mijn weerbarstige inclinatie te streven naar onverbondenheid, een absolute scheiding van huis en haard, kan hieraan niets veranderen. Ik kan niet anders dan falen. Mijn angst heeft me veroordeeld tot eeuwigdurende slavernij binnen de muren van het huis.
18 maart 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten