Een onheilspellende wind rukt op vanuit het Noorden, jaagt op me, verscheurt mijn akkers en bevriest mijn wateren met zijn barre ademszuchten. De noordenwind, koud en schraal, doodt alles wat zondig is, diep verdorven en onrein en geeft geen gehoor aan de smeekbeden om me toch alsjeblieft genadig te zijn. Niet langer is het veilig in deze poel te waden, op deze grond te rusten. Niet langer kan het water me beschermen noch kunnen de oevers zich over me ontfermen. Ik kan niet bevatten waarom deze toorn mij ten deel moest vallen.
's Nachts kan ik de slaap niet vatten. Zoals buiten de wind onvermoeibaar raast, woedt er een storm in mijn kop, een tormenterende hersenstorm met een vernielende aard die niet tot bedaren komt. Met zijn geloei jaagt hij me de keiharde, onbeweeglijke oneindigheid tegemoet die voor niemand, ook niet voor mij, opzij gaat. Ik ga volledig op in de kolkende massa die mijn dwingende gedachten zijn en word meegevoerd door de klotsende stroom, net niet sterk genoeg om mijn lijf tegen de rotsenkust te pletter te slaan. Pas tegen het gloren van de morgen trekken de golven zich terug en dut ik uitgeput heel even in.
Terug in het land der wakkeren, op de kale, dorre vlakte wacht ik, door zandstraling gehavend en in de greep van de koude, het ontwaken van de zuidenwind af. De barmhartige zuidenwind die met zijn vocht en warmte verlossing brengen zal. Tot die tijd lijken de nachten een eeuwigheid te duren en is voor mij elke dag de langste dag.
22 maart 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten