Zuinige protestant.
Zo noemde mijn OVA mij toen we elkaar nog niet zo lang kenden. Plagerij natuurlijk, omdat ik een Hollander ben. Toch zat er een kern van waarheid in. Niet dat protestantse, want ik ben een rechtgeaard atheïst, maar ik leidde noodgedwongen wel een zuinig leven. En dat doe ik nog steeds.
Zaterdagmiddag in de stad.
Een onoplettend ogenblik.
Ik liep recht in de val.
“Mevrouw, heeft u een momentje?”
Neee! Ga weg! Ik heb hier geen zin in! Het is koud, ik moet plassen en ik heb nog een half uur voordat een parkeerwachter me een prent kan geven. Ga huiswerk maken jij puisterige puber! Shoo!
“Eh. Ja hoor.”
Het ging over de crisis. Aanvankelijk, dat is, want na een inleidende monoloog die ik maar half meekreeg omdat ik tegelijkertijd testte of ik mijn boodschappenlijstje nog uit mijn hoofd wist, viel het woord besparing. Of ik interesse had in tips. Jawel. Voor het eerst in mijn leven ben ik staande gehouden door iemand die mij iets wil aansmeren dat gratis en vrijblijvend is. De zuinige protestant in mij werd nieuwsgierig.
“Eh. Ja hoor.”
“Mooi!” brandde de aansmeerjongen los.
“Om te beginnen kunt u spaarlampen gaan gebruiken. Spaarlampen, het woord zegt het al, haha!”
Goh. Daar was ik nog niet opgekomen. Toevallig heb ik laatst van de gemeente 3 gratis spaarlampen gekregen. En tochtstrips. En isolatiemateriaal. En een waterbesparende douchekop. 1 – 0 voor mij.
“U kunt wat minder gebruik maken van uw elektrische apparaten.”
Vandaar dat ik de afwas altijd met de hand doe (ik heb niet eens een vaatwasser!) en een reusachtig droogrek in mijn huiskamer heb staan. 2 – 0 voor mij.
“En ten slotte...”
Ten slotte? Was dat het al? Wat een aanfluiting! Besteed ik daar mijn kostbare tijd aan? Ik zal hem leren, de snotneus! Wedden dat zijn moeder zijn sokken nog wast (en droogt, en strijkt)? Wedden dat hij nog nooit een lamp verwisseld heeft? Wedden dat hij geen flauw benul heeft van wat een brood kost?
6 februari 2010
3 februari 2010
[In het kader van de 'Limburgering']
Op de BSO in Leiden noemden de kids leverpastei ‘smeerworst’ maar in Limburg zeggen ze ‘paté’. Moest ik even aan wennen. Het valt niet mee om je vocabulaire aan te passen wanneer de woorden uit je moedertaal ineens een andere betekenis krijgen dan je gewend bent.
Vla noem je hier pudding, als je om vla vraagt dan krijg je ’n stuk vlaai.
Limonade heet hier sap en tegen sinas zeg je limonade.
Als ze schudden zeggen, bedoelen ze schenken.
Af en toe ga ik nog de fout in en dan kijken de ukken me onbegrijpend aan. Gelukkig zijn er ook kinderen die een beetje met mij mee denken. Een soort omgekeerde integratie.
Als ik M vraag wat ze op haar broodje wil, denkt ze even na en antwoordt dan vastbesloten: “smerige worst”.
Vla noem je hier pudding, als je om vla vraagt dan krijg je ’n stuk vlaai.
Limonade heet hier sap en tegen sinas zeg je limonade.
Als ze schudden zeggen, bedoelen ze schenken.
Af en toe ga ik nog de fout in en dan kijken de ukken me onbegrijpend aan. Gelukkig zijn er ook kinderen die een beetje met mij mee denken. Een soort omgekeerde integratie.
Als ik M vraag wat ze op haar broodje wil, denkt ze even na en antwoordt dan vastbesloten: “smerige worst”.
25 januari 2010
[De kleren van de Keijzerin] (slot)
Toen ik mijn eigen kleren weer aan had vermande ik me. Kim trok een vreselijk oliebollenjurkje aan en maakte me aan het lachen. Ik keek naar de andere bruidjes-in-spé die al zeker een half uur doodstil moesten staan omdat hun jurken aan alle kanten afgespeld moesten worden. Ze zagen er niet echt vrolijk uit. Dat leed bleef mij in ieder geval bespaard vandaag.
Daar ging mijn telefoon weer.
“Hoi mam, met je dochter de faalhaas.”
“Huh?”
“Nevermind. Ik heb ‘m terug gehangen hoor.”
“Huh? Hoezo?!”
Kijk, op dat soort momenten is mijn moeder dus echt compleet onnavolgbaar.
“Hoezo ‘hoezo’?” vroeg ik.
“Het is toch de perfecte jurk? Je droomjurk?”
“Jaha” antwoordde ik, “maar ik kan ‘m echt niet betalen, dus geen paniek, volgende keer ben je er hoogstpersoonlijk bij als ik jurken ga passen.”
Mijn moeder moest lachen. Daarna kwam er een aap uit een mouw. Ze is ooit eens bij een bruiloft geweest waar de bruid een zwart outfit had. Het moet vreselijk geweest zijn. Veel te kort rokje, veel te wijd bij de borsten, lelijk materiaal, afschuwelijke, ordinaire zwarte Schoenenreuslaarzen eronder. Die bruid was de dochter van een cliënt van m’n moeder en elke keer als ze daar komt, moet ze tegen de trouwfoto van de zwarte bruid aan kijken. Dus toen ik zwart zei, was dat de eerste associatie die bij haar op kwam.
“Maar ik weet heus wel dat jij wél goede smaak hebt hoor Wen!”
“Ik weet zeker dat jij het ook prachtig had gevonden” zei ik.
Ik was blij met haar verklaring, nu voelde ik me tenminste niet meer zo schuldig.
“Ja, dat denk ik ook” zei mijn moeder “en ik kan niet wachten tot ik hem in het echt zie!”
Had ik al eens onnavolgbaar gezegd?
“Mam, ik zeg je net dat ik ‘m al terug gehangen heb.”
“Dan ga je hem maar weer halen want als dit echt de jurk is waarin jij wilt trouwen, dan moet je hem meenemen. Ik zat een beetje te balen omdat ik het je volgende week persoonlijk wilde vertellen, maar pa en ik hebben het er even over gehad en wij vinden dat de ouders van de bruid de bruidsjurk moeten financieren. Maar omdat hij ietsie duurder is dan we gedacht hadden en we ook nog wat andere dingen voor je willen doen, ga ik nu de helft van het totaalbedrag naar je overmaken, ok?”
Als ik klompen aan gehad had, waren ze alle twee gebroken.
“Sorry dat ik zo lomp reageerde” verontschuldigde ze zich. “Ik heb dit nog nooit gedaan, en jij zei dat de moeder van de bruid ook verantwoordelijkheden heeft...”
“Mam!” riep ik, “Dat was een grapje! Ik ga jou toch niet vertellen wat je moet doen!”
“Ja nou, ik ben gewoon zo trots en ik wil geen slechte moeder zijn...”
Mensen zeggen wel eens dat ik zo op mijn moeder lijk.
I wonder why...
Daar ging mijn telefoon weer.
“Hoi mam, met je dochter de faalhaas.”
“Huh?”
“Nevermind. Ik heb ‘m terug gehangen hoor.”
“Huh? Hoezo?!”
Kijk, op dat soort momenten is mijn moeder dus echt compleet onnavolgbaar.
“Hoezo ‘hoezo’?” vroeg ik.
“Het is toch de perfecte jurk? Je droomjurk?”
“Jaha” antwoordde ik, “maar ik kan ‘m echt niet betalen, dus geen paniek, volgende keer ben je er hoogstpersoonlijk bij als ik jurken ga passen.”
Mijn moeder moest lachen. Daarna kwam er een aap uit een mouw. Ze is ooit eens bij een bruiloft geweest waar de bruid een zwart outfit had. Het moet vreselijk geweest zijn. Veel te kort rokje, veel te wijd bij de borsten, lelijk materiaal, afschuwelijke, ordinaire zwarte Schoenenreuslaarzen eronder. Die bruid was de dochter van een cliënt van m’n moeder en elke keer als ze daar komt, moet ze tegen de trouwfoto van de zwarte bruid aan kijken. Dus toen ik zwart zei, was dat de eerste associatie die bij haar op kwam.
“Maar ik weet heus wel dat jij wél goede smaak hebt hoor Wen!”
“Ik weet zeker dat jij het ook prachtig had gevonden” zei ik.
Ik was blij met haar verklaring, nu voelde ik me tenminste niet meer zo schuldig.
“Ja, dat denk ik ook” zei mijn moeder “en ik kan niet wachten tot ik hem in het echt zie!”
Had ik al eens onnavolgbaar gezegd?
“Mam, ik zeg je net dat ik ‘m al terug gehangen heb.”
“Dan ga je hem maar weer halen want als dit echt de jurk is waarin jij wilt trouwen, dan moet je hem meenemen. Ik zat een beetje te balen omdat ik het je volgende week persoonlijk wilde vertellen, maar pa en ik hebben het er even over gehad en wij vinden dat de ouders van de bruid de bruidsjurk moeten financieren. Maar omdat hij ietsie duurder is dan we gedacht hadden en we ook nog wat andere dingen voor je willen doen, ga ik nu de helft van het totaalbedrag naar je overmaken, ok?”
Als ik klompen aan gehad had, waren ze alle twee gebroken.
“Sorry dat ik zo lomp reageerde” verontschuldigde ze zich. “Ik heb dit nog nooit gedaan, en jij zei dat de moeder van de bruid ook verantwoordelijkheden heeft...”
“Mam!” riep ik, “Dat was een grapje! Ik ga jou toch niet vertellen wat je moet doen!”
“Ja nou, ik ben gewoon zo trots en ik wil geen slechte moeder zijn...”
Mensen zeggen wel eens dat ik zo op mijn moeder lijk.
I wonder why...
24 januari 2010
[De kleren van de Keijzerin] (deel 3)
“Met mij! Ik denk dat ik mijn bruidsjurk gevonden heb!” tetterde ik opgetogen door m’n telefoon.
Een onderkoeld “ja” was het antwoord.
“Mahaam! Een bruidsjurk! Ik heb een jurk gevonden!” tetterde ik nog een keer.
Mams was nog steeds niet onder de indruk.
“Ja Wen ik ben aan het stofzuigen, je overvalt me.”
“Oh. Nou.” mompelde ik beteuterd “Anders bel je straks maar even terug ofzo…”
Kim keek bezorgd naar mijn betrokken gezicht. Ik haalde mijn schouders op en zuchtte. Misschien had ik niet moeten bellen. Misschien had ik haar zojuist een enorme teleurstelling bezorgd. Ze had er natuurlijk bij willen zijn! Oh shit. Daarom reageerde ze natuurlijk zo. Ik had gefaald als dochter. Shit, shit, shit.
Ik had net mijn laatste hap appeltaart in mijn mond toen de telefoon ging.
“Ja sorry hoor Wen, zo’n reactie had je natuurlijk ook niet verwacht. Maar ik dacht dat je alleen maar ging passen!”
Ik slikte de taart door.
“Ik ook. Maar nou heb ik een jurk aan die ik niet meer uit wil omdat hij perfect is.”
Ik sprak de woorden uit met een schuldgevoel. Ik wilde geen slechte dochter zijn maar ik wilde ook die jurk niet laten hangen.
“Nou, vertel, wat voor kleur issie? Wit?”
“Nee” zei ik.
Ik kreeg het een beetje benauwd.
“Rood?”
“Ook niet” antwoordde ik.
Ik voelde een buitje hangen.
“Het is toch geen zwarte jurk he?” vroeg mijn moeder op licht afkeurende toon.
Ik zweeg.
“Wen? Hallo? Ben je er nog?”
Ik haalde diep adem, verzamelde moed en piepte er toen een zacht “jawel” uit. “Ja ik ben er nog en ja zwart.”
Het was stil aan de andere kant.
“Oh.”
Ik was officieel een slechte dochter. Mijn moeder was er niet bij op het moment dat ik mijn droomjurk voor het eerst aan had en mijn moeder vindt mijn droomjurk helemaal niks. Shit.
“Issie erg duur?” vroeg mijn moeder.
Ik las het prijskaartje voor.
“He?!!” riep mijn moeder, zo hard dat ik van schrik bijna de telefoon uit mijn hand liet vallen.
Ik beet op mijn lip. Wat een drama. Het was een peperdure jurk. Maarja, ik had toch al afgedaan als dochter dus dit kon er ook nog wel bij.
“Wen, je vader is thuis, ik bel je zo terug ok?”
Ik streek mijn jurk glad en ging weer voor de spiegel staan. Nog één keer kijken, op de foto met mijn droomjurk, nog één rondje lopen. Toen trok ik me terug in het pashok om afscheid te nemen. Alsof ik me zo’n dure jurk kon veroorloven.
Een onderkoeld “ja” was het antwoord.
“Mahaam! Een bruidsjurk! Ik heb een jurk gevonden!” tetterde ik nog een keer.
Mams was nog steeds niet onder de indruk.
“Ja Wen ik ben aan het stofzuigen, je overvalt me.”
“Oh. Nou.” mompelde ik beteuterd “Anders bel je straks maar even terug ofzo…”
Kim keek bezorgd naar mijn betrokken gezicht. Ik haalde mijn schouders op en zuchtte. Misschien had ik niet moeten bellen. Misschien had ik haar zojuist een enorme teleurstelling bezorgd. Ze had er natuurlijk bij willen zijn! Oh shit. Daarom reageerde ze natuurlijk zo. Ik had gefaald als dochter. Shit, shit, shit.
Ik had net mijn laatste hap appeltaart in mijn mond toen de telefoon ging.
“Ja sorry hoor Wen, zo’n reactie had je natuurlijk ook niet verwacht. Maar ik dacht dat je alleen maar ging passen!”
Ik slikte de taart door.
“Ik ook. Maar nou heb ik een jurk aan die ik niet meer uit wil omdat hij perfect is.”
Ik sprak de woorden uit met een schuldgevoel. Ik wilde geen slechte dochter zijn maar ik wilde ook die jurk niet laten hangen.
“Nou, vertel, wat voor kleur issie? Wit?”
“Nee” zei ik.
Ik kreeg het een beetje benauwd.
“Rood?”
“Ook niet” antwoordde ik.
Ik voelde een buitje hangen.
“Het is toch geen zwarte jurk he?” vroeg mijn moeder op licht afkeurende toon.
Ik zweeg.
“Wen? Hallo? Ben je er nog?”
Ik haalde diep adem, verzamelde moed en piepte er toen een zacht “jawel” uit. “Ja ik ben er nog en ja zwart.”
Het was stil aan de andere kant.
“Oh.”
Ik was officieel een slechte dochter. Mijn moeder was er niet bij op het moment dat ik mijn droomjurk voor het eerst aan had en mijn moeder vindt mijn droomjurk helemaal niks. Shit.
“Issie erg duur?” vroeg mijn moeder.
Ik las het prijskaartje voor.
“He?!!” riep mijn moeder, zo hard dat ik van schrik bijna de telefoon uit mijn hand liet vallen.
Ik beet op mijn lip. Wat een drama. Het was een peperdure jurk. Maarja, ik had toch al afgedaan als dochter dus dit kon er ook nog wel bij.
“Wen, je vader is thuis, ik bel je zo terug ok?”
Ik streek mijn jurk glad en ging weer voor de spiegel staan. Nog één keer kijken, op de foto met mijn droomjurk, nog één rondje lopen. Toen trok ik me terug in het pashok om afscheid te nemen. Alsof ik me zo’n dure jurk kon veroorloven.
23 januari 2010
[De kleren van de Keijzerin] (deel 2)
De derde zwarte jurk was een perfect fit. Het was niet de kleur die ik in gedachten had en ook niet het model maar ik vond hem onmiddellijk helemaal geweldig. Stijlvol en een tikkeltje excentriek. Een echte eye catcher.
Dat bleek wel toen ik uit het pashok kwam. De moeders in de winkel verplaatsten hun blik van hun dochters naar mij. De Arnhemse meisjes riepen opgetogen uit dat deze jurk voor mij gemaakt was. Kim sprong overeind en riep heel hard “ja!”.
Ik bekeek mezelf in de spiegel, naar Kim, weer in de spiegel en raakte ineens helemaal geëmotioneerd.
“Ik denk dat ik ga huilen” zei ik.
“Nou, niet doen, nou moet ik ook!” zei Kim.
“Denk je dat mijn OVA dit mooi zal vinden?” vroeg ik voorzichtig.
Kim lachte.
“Die gaat ook huilen!”
Het Arnhemse Meisje gaf me een tissue.
Sjonge. Ik zou alleen maar gaan kijken. Maar ik wilde de jurk niet meer uit. Wat moest ik nou?
Het Arnhemse meisje bracht me een paar bijpassende schoenen en knoopte een accessoire om mijn hals. Het was echt perfect.
Ineens bedacht ik me dat ik nog helemaal niet op het prijskaartje gekeken had.
Dus ik keek erop en berouwde het onmiddellijk.
Slik.
Deze jurk kostte ruim twee keer zoveel als het door mij begrote bedrag.
“Ga even lekker zitten” zei het Arnhemse Meisje.
“Wil je een stuk appeltaart? Kopje thee erbij nog?”
Ik moest even bij zinnen komen. Wat stond er ook alweer op dat bordje?
Hebzucht? *check*
Prinsessengedrag? *check*
Pfff. Hier had ik niet op gerekend. Ik moest mijn moeder bellen.
Dat bleek wel toen ik uit het pashok kwam. De moeders in de winkel verplaatsten hun blik van hun dochters naar mij. De Arnhemse meisjes riepen opgetogen uit dat deze jurk voor mij gemaakt was. Kim sprong overeind en riep heel hard “ja!”.
Ik bekeek mezelf in de spiegel, naar Kim, weer in de spiegel en raakte ineens helemaal geëmotioneerd.
“Ik denk dat ik ga huilen” zei ik.
“Nou, niet doen, nou moet ik ook!” zei Kim.
“Denk je dat mijn OVA dit mooi zal vinden?” vroeg ik voorzichtig.
Kim lachte.
“Die gaat ook huilen!”
Het Arnhemse Meisje gaf me een tissue.
Sjonge. Ik zou alleen maar gaan kijken. Maar ik wilde de jurk niet meer uit. Wat moest ik nou?
Het Arnhemse meisje bracht me een paar bijpassende schoenen en knoopte een accessoire om mijn hals. Het was echt perfect.
Ineens bedacht ik me dat ik nog helemaal niet op het prijskaartje gekeken had.
Dus ik keek erop en berouwde het onmiddellijk.
Slik.
Deze jurk kostte ruim twee keer zoveel als het door mij begrote bedrag.
“Ga even lekker zitten” zei het Arnhemse Meisje.
“Wil je een stuk appeltaart? Kopje thee erbij nog?”
Ik moest even bij zinnen komen. Wat stond er ook alweer op dat bordje?
Hebzucht? *check*
Prinsessengedrag? *check*
Pfff. Hier had ik niet op gerekend. Ik moest mijn moeder bellen.
22 januari 2010
[De kleren van de Keijzerin] (deel 1)
Kim en ik gingen voor het eerst op trouwjurkenjacht. Op het internet vond ik dé winkel voor onze eerste keer: Assepoester. Geen truttige taartjurken maar hippe moderne jurken in alle kleuren, binnen zonder afspraak en vrijblijvend passen tot je erbij neervalt. Perfect! We moesten er wel helemaal voor naar Arnhem maar dat was een goed excuus om er een dagje uit van te maken. Een inspiratietripje. Want ik ging beslist nog niets kopen.
Op de deur hing een bordje:
“Deze winkel veroorzaakt hebzucht en leidt onherroepelijk tot prinsessengedrag!”
Dat zouden we nog wel eens zien.
Na een enthousiast onthaal van een Arnhems Meisje (“Hoi! Willen jullie koffie? Thee? Koekje erbij? Ga lekker zitten dan maak ik een pashok klaar!”) ploften we overdonderd (ja nu al) neer in een grote fauteuil. Ik keek in het rond. Vierduizend jurken. Ik voelde een luxeprobleempje opkomen. Waar moest ik beginnen?!
Terwijl Kim met een arm vol jurken het pashok in dook, zat ik nog steeds als een soort verdoofde dwaas om me heen te kijken. De Arnhemse meisjes bestudeerden me kort, smoesden wat en kwamen naar me toe.
“Het oordeel is unaniem: jij moet beslist een rode jurk passen.”
Rood?!
Nouja, waarom ook niet. Ik zou toch niks kopen en kijken kon geen kwaad. Ik zocht een lange, knalrode jurk uit. Als ik dan toch voor rood ging, ging ik voor heftig. Strapless, strak van boven, wijd uitlopend met een sleepje en een enorme hoeveelheid tule eronder. Toen ik het pashok uitkwam kreeg ik nog net geen applaus. De jurk had absoluut een WAUW-factor! Eerlijk gezegd stond het me fantastisch, maar was het ook Wendy? Nah, twijfelachtig.
Ik besloot traditioneel wit, gebroken wit en champagne te proberen maar na die knalrode aanslag op mijn netvliezen en in combinatie met mijn bleke huidskleur zag ik er in die kleuren ontzettend flets uit. Dat is natuurlijk niet het adjectief dat je in de kritieken wilt terug horen.
Inmiddels waren we drie uur, twee koppen koffie, een halve schaal koekjes en talloze jurken verder. Terwijl Kim de parkeermeter bijvulde, kletste ik wat met de andere bruiden-in-spé en hun moeders. Ik had de mijne niet bij me. Dit was immers pas de oriëntatieronde.
Er was nog één rek dat ik niet van dichtbij bestudeerd had: die met de zwarte jurken. Ik stelde me het commentaar voor.
“Is dat nou een trouwjurk? Het lijkt meer een rouwjurk!”
Maargoed.
Er hingen schitterende exemplaren tussen. Toch even passen.
Op de deur hing een bordje:
“Deze winkel veroorzaakt hebzucht en leidt onherroepelijk tot prinsessengedrag!”
Dat zouden we nog wel eens zien.
Na een enthousiast onthaal van een Arnhems Meisje (“Hoi! Willen jullie koffie? Thee? Koekje erbij? Ga lekker zitten dan maak ik een pashok klaar!”) ploften we overdonderd (ja nu al) neer in een grote fauteuil. Ik keek in het rond. Vierduizend jurken. Ik voelde een luxeprobleempje opkomen. Waar moest ik beginnen?!
Terwijl Kim met een arm vol jurken het pashok in dook, zat ik nog steeds als een soort verdoofde dwaas om me heen te kijken. De Arnhemse meisjes bestudeerden me kort, smoesden wat en kwamen naar me toe.
“Het oordeel is unaniem: jij moet beslist een rode jurk passen.”
Rood?!
Nouja, waarom ook niet. Ik zou toch niks kopen en kijken kon geen kwaad. Ik zocht een lange, knalrode jurk uit. Als ik dan toch voor rood ging, ging ik voor heftig. Strapless, strak van boven, wijd uitlopend met een sleepje en een enorme hoeveelheid tule eronder. Toen ik het pashok uitkwam kreeg ik nog net geen applaus. De jurk had absoluut een WAUW-factor! Eerlijk gezegd stond het me fantastisch, maar was het ook Wendy? Nah, twijfelachtig.
Ik besloot traditioneel wit, gebroken wit en champagne te proberen maar na die knalrode aanslag op mijn netvliezen en in combinatie met mijn bleke huidskleur zag ik er in die kleuren ontzettend flets uit. Dat is natuurlijk niet het adjectief dat je in de kritieken wilt terug horen.
Inmiddels waren we drie uur, twee koppen koffie, een halve schaal koekjes en talloze jurken verder. Terwijl Kim de parkeermeter bijvulde, kletste ik wat met de andere bruiden-in-spé en hun moeders. Ik had de mijne niet bij me. Dit was immers pas de oriëntatieronde.
Er was nog één rek dat ik niet van dichtbij bestudeerd had: die met de zwarte jurken. Ik stelde me het commentaar voor.
“Is dat nou een trouwjurk? Het lijkt meer een rouwjurk!”
Maargoed.
Er hingen schitterende exemplaren tussen. Toch even passen.
19 januari 2010
[Dat is ook]
G. heeft buiten gespeeld. Zijn handen zitten onder de modder.
“Jakkes, wat is dat voor viezigheid?” vraag ik hem.
G. kijkt om zich heen.
“Juf, er is hier helemaal geen vieze geit hoor.”
“Jakkes, wat is dat voor viezigheid?” vraag ik hem.
G. kijkt om zich heen.
“Juf, er is hier helemaal geen vieze geit hoor.”
17 januari 2010
[Happy pills]
1. Het is extreem pijnlijk
2. Er bestaat geen medicijn tegen
3. Het gaat nooit meer over
Dat was de korte samenvatting die de dokter gaf nadat hij mijn pijnklachten een naam had gegeven: het prikkelbare darmsyndroom. Ik was negenentwintig jaar, ontelbare artsen, specialisten, therapeuten, psychologen en zelfs een Chinese kruidendokter, tientallen onderzoeken, gesprekken, therapieën, pillen, poeders en drankjes verder. Om uiteindelijk dit te horen te krijgen.
“Maar…” zei de dokter “je kunt er honderd mee worden hoor!”
Toen ik thuis kwam en zijn woorden tot me doordrongen, barstte ik in tranen uit. Pijn, dag in dag uit. Altijd pijn. Zo heftig dat ik gillend tegen de muur op ren. Ik héb geen pijn, ik bén de pijn. Het beheerst mijn leven. Ik slaap niet, ik kan alleen maar liggen en huilen. Omdat het zeer doet, omdat ik niet meer normaal kan functioneren, omdat het me frustreert, omdat ik kwaad ben op mijn lijf. Ziedend!
Ik wilde hier geen honderd mee worden. Sterker nog, als dit de rest van mijn leven zo door zou gaan dan hoopte ik dat het snel voorbij zou zijn. En dat was voor mijn OVA de druppel. Hij sleurde me mee naar de huisarts en dwong me met hem te praten. Mijn OVA wil namelijk heel graag honderd met mij worden.
“Waar kan ik je mee helpen?” vroeg de dokter vriendelijk.
Ik zei niks omdat druk bezig was mijn tranen weg te slikken.
“Wat zijn de klachten?” vroeg de dokter door.
“Het... eh... gaat niet zo goed...” piepte ik.
“Dat zie ik” zei de dokter rustig “maar je moet me wel precies vertellen wat er niet zo goed gaat.”
Na drie keer slikken en een diepe ademteug kwam het verhaal met horten en stoten naar buiten. Mijn OVA hield mijn hand vast. De dokter humde en knikte. Toen deed hij iets wat geen enkele andere arts ooit gedaan had: hij erkende mijn gevoel. En dat niet alleen, hij gaf me een optie. Niet 'leer er maar mee leven' of 'je kunt er honderd mee worden' maar 'we gaan er iets aan doen'. Wel heb je ooit...
“Het straalt aan alle kanten van je af” zei de dokter rustig. “Je ziet er zo intens ongelukkig uit” vervolgde hij “en al die pijn en dat verdriet is dodelijk vermoeiend hè?”
Ik knikte.
“Ik kan me voorstellen dat het zo niet langer gaat.”
Ik knikte nog een keer.
“Hoe sta je tegenover antidepressiva?”
Zo hee. Wat moest ik daar nou op zeggen? Ik heb depressieve cliënten gehad, depressieve vrienden, een depressief broertje. Kennelijk was het nu mijn beurt. En het enige dat ik wilde was beter worden. Mijn buik de baas zijn. Slapen. Energie. Zin in mijn leven. Dus ik knikte maar weer.
“Ok” zei ik “ik probeer het.”
Ik slik de pillen nu twee maanden. De pijn is er nog maar er is een wereld voor me open gegaan. Geen huilbuien en stemmingswisselingen meer. Rust in mijn hoofd. Geen paniekaanvallen meer. En ik slaap! Ik heb het gevoel dat ik tien jaar slaaptekort aan het inhalen ben. Heerlijk!
Eigenlijk moet ik blij zijn met deze depressie.
Ik heb me in tijden niet zo goed gevoeld.
2. Er bestaat geen medicijn tegen
3. Het gaat nooit meer over
Dat was de korte samenvatting die de dokter gaf nadat hij mijn pijnklachten een naam had gegeven: het prikkelbare darmsyndroom. Ik was negenentwintig jaar, ontelbare artsen, specialisten, therapeuten, psychologen en zelfs een Chinese kruidendokter, tientallen onderzoeken, gesprekken, therapieën, pillen, poeders en drankjes verder. Om uiteindelijk dit te horen te krijgen.
“Maar…” zei de dokter “je kunt er honderd mee worden hoor!”
Toen ik thuis kwam en zijn woorden tot me doordrongen, barstte ik in tranen uit. Pijn, dag in dag uit. Altijd pijn. Zo heftig dat ik gillend tegen de muur op ren. Ik héb geen pijn, ik bén de pijn. Het beheerst mijn leven. Ik slaap niet, ik kan alleen maar liggen en huilen. Omdat het zeer doet, omdat ik niet meer normaal kan functioneren, omdat het me frustreert, omdat ik kwaad ben op mijn lijf. Ziedend!
Ik wilde hier geen honderd mee worden. Sterker nog, als dit de rest van mijn leven zo door zou gaan dan hoopte ik dat het snel voorbij zou zijn. En dat was voor mijn OVA de druppel. Hij sleurde me mee naar de huisarts en dwong me met hem te praten. Mijn OVA wil namelijk heel graag honderd met mij worden.
“Waar kan ik je mee helpen?” vroeg de dokter vriendelijk.
Ik zei niks omdat druk bezig was mijn tranen weg te slikken.
“Wat zijn de klachten?” vroeg de dokter door.
“Het... eh... gaat niet zo goed...” piepte ik.
“Dat zie ik” zei de dokter rustig “maar je moet me wel precies vertellen wat er niet zo goed gaat.”
Na drie keer slikken en een diepe ademteug kwam het verhaal met horten en stoten naar buiten. Mijn OVA hield mijn hand vast. De dokter humde en knikte. Toen deed hij iets wat geen enkele andere arts ooit gedaan had: hij erkende mijn gevoel. En dat niet alleen, hij gaf me een optie. Niet 'leer er maar mee leven' of 'je kunt er honderd mee worden' maar 'we gaan er iets aan doen'. Wel heb je ooit...
“Het straalt aan alle kanten van je af” zei de dokter rustig. “Je ziet er zo intens ongelukkig uit” vervolgde hij “en al die pijn en dat verdriet is dodelijk vermoeiend hè?”
Ik knikte.
“Ik kan me voorstellen dat het zo niet langer gaat.”
Ik knikte nog een keer.
“Hoe sta je tegenover antidepressiva?”
Zo hee. Wat moest ik daar nou op zeggen? Ik heb depressieve cliënten gehad, depressieve vrienden, een depressief broertje. Kennelijk was het nu mijn beurt. En het enige dat ik wilde was beter worden. Mijn buik de baas zijn. Slapen. Energie. Zin in mijn leven. Dus ik knikte maar weer.
“Ok” zei ik “ik probeer het.”
Ik slik de pillen nu twee maanden. De pijn is er nog maar er is een wereld voor me open gegaan. Geen huilbuien en stemmingswisselingen meer. Rust in mijn hoofd. Geen paniekaanvallen meer. En ik slaap! Ik heb het gevoel dat ik tien jaar slaaptekort aan het inhalen ben. Heerlijk!
Eigenlijk moet ik blij zijn met deze depressie.
Ik heb me in tijden niet zo goed gevoeld.
12 januari 2010
[Shoppen na de dood]
E: "Wij geloven thuis in God, jij ook?"
W: "Nee, ik niet."
E: "Maar dan ga je niet naar de Hema!"
W: "Wat heeft dat er nou mee te maken?"
E: "Als je in God gelooft en je gaat dood, dan kom je in de Hema."
W: "Oh?"
E: "Ja, ik vind dat ook stom hoor. Ik zou liever naar de Intertoys gaan ofzo. Maarja. Dat zal God wel niet goed vinden…"
W: "Nee, ik niet."
E: "Maar dan ga je niet naar de Hema!"
W: "Wat heeft dat er nou mee te maken?"
E: "Als je in God gelooft en je gaat dood, dan kom je in de Hema."
W: "Oh?"
E: "Ja, ik vind dat ook stom hoor. Ik zou liever naar de Intertoys gaan ofzo. Maarja. Dat zal God wel niet goed vinden…"
4 januari 2010
[Omdat ik geen platlander ben]
Doe ik zo mijn best om een beetje in te burgeren hier...
Wen: "Kent se dat neet?"
D (4 jr): "Het is 'kan jij dat niet'."
Wen: "Ja dat weet ik, maar ik dacht, ik pas me een beetje aan..."
D: "Ja maar dat is plat en jij praat Hollands, omdat je geen platlander bent, dus dan kun je ook niet plat praten."
Wen: "Oh, juist, mijn welgemeende excuses."
D: "Wablééf?"
Wen: "Kent se dat neet?"
D (4 jr): "Het is 'kan jij dat niet'."
Wen: "Ja dat weet ik, maar ik dacht, ik pas me een beetje aan..."
D: "Ja maar dat is plat en jij praat Hollands, omdat je geen platlander bent, dus dan kun je ook niet plat praten."
Wen: "Oh, juist, mijn welgemeende excuses."
D: "Wablééf?"
4 december 2009
[Wat is nou weer een knecht?]
Het mag duidelijk zijn wat onze kleuters dit jaar op hun verlanglijstje hebben gezet:
"Siiiinterklaasje kom maar binnen met je KNEX!"
"Siiiinterklaasje kom maar binnen met je KNEX!"
25 september 2009
[Tussen 'geboren' en 'gebaard']
M (5 jr): "Waarom heb jij krullen?"
Stagiare: "Die heb ik altijd al gehad, ik ben ermee geboren."
M: "Oh."
Stagiaire: "Jij hebt juist heel stijl haar he?"
M: "Ja, mijn mama heeft mij geboord zonder krullen."
Stagiare: "Die heb ik altijd al gehad, ik ben ermee geboren."
M: "Oh."
Stagiaire: "Jij hebt juist heel stijl haar he?"
M: "Ja, mijn mama heeft mij geboord zonder krullen."
27 juni 2009
[Lachen met mij?]
W: "Niemand vindt mij grappig :("
A: "Daar is jouw humor ook veel te avant garde voor lieverd."
*knipper*
A: "Daar is jouw humor ook veel te avant garde voor lieverd."
*knipper*
26 juni 2009
[Lachen met Axel]
Wij volgen House MD. Omdat het grappig is.
En als ik niet om House lach, dan lach ik wel om de droge opmerkingen die Axel erbij plaatst...
"Pickwicksyndroom? Is dat dat je een slappe zak krijgt als je 'm in warm water hangt?"
En als ik niet om House lach, dan lach ik wel om de droge opmerkingen die Axel erbij plaatst...
"Pickwicksyndroom? Is dat dat je een slappe zak krijgt als je 'm in warm water hangt?"
[Nog effe gauw de stad in - deel 2]
Een willekeurige drogisterij op zaterdagmiddag. Lange rij wegens 4-halen-2-betalen. Uiteraard is er maar één kassa open. Wie staat er voor me? Een zeldzame, want bijna uitgestorven losgeldlapper.
“Dat is dan €3,85”
“Hier heeft u €50,-”
“Heeft u dat niet wat kleiner?”
“Ben bang van niet.”
“Eén euro vijftien erbij dan?”
“Helaas.”
Het kassameisje bijt op haar lip en bekent spijtvol dat ze geen wisselgeld heeft. Ze roept haar collega erbij om in de andere kassa naar wisselgeld te zoeken. Elly, zo heet de collega want dat staat op haar naamkaartje, zoekt haar sleutel, identificeert zich, opent de andere kassa en laat het kleingeld rinkelen. Er zit geen één euro vijftien in de kassa. Over en weer worden moeilijke gezichten getrokken.
“En u kunt echt niet pinnen?”
De klant kan echt niet pinnen. De klant trekt een specifiek soort gezicht naar de caissière. Met een blik die wilde zeggen: luister miep, ik heb je genoeg geld gegeven en ik ga niet weg voordat jij mij elke cent die ik teveel betaald heb, teruggegeven hebt. Het zweet breekt het radeloze kassameisje uit, wat te doen? Dan steekt de klant achter me haar beurs omhoog.
“Ik kan wel wisselen hoor!”
Ik denk: pure mats. Ik zag de opgedirkte losgeldlapper het kassameisje al over de balie trekken en op brute wijze toetakelen, met haar vingers tussen de kassala enzo. Gruwelijk. Dat had ik haar nou ook weer niet gegund, zelfs met mijn mensen-achter-een-balie-aversie. Ik leg mijn producten op de toonbank en besluit om toch maar niet voor de grap met een briefje van vijftig te wapperen. Je moet het ongeluk niet zelf over je afroepen natuurlijk. Met nog trillende handjes scant het kassameisje mijn shampoo en energy drankje.
“Oh, gelukkig! U heeft een pinpas!”
Nog ‘even gauw’ een drukbezochte modewinkel in voor een nieuwe broek. Twee van de drie kassa’s zijn gesloten en voor de enige geopende staat een gigantische stoet mensen. Ik staar naar het bordje met de bekende, commercieel aantrekkelijke kreet en probeer mezelf te kalmeren. De caissières kunnen er ook niet altijd iets aan doen. Voor me staan twee meisjes met een enorme lading koopwaar. Ze blijken Duits te zijn. Op de toonbank, dus praktisch recht voor hun Duitse neuzen, staat een bordje. Op het bordje staat, in het Duits, dat Duitse pinpassen in deze winkel niet werken. Aangezien losgeldlappers schaars zijn, vrees ik het ergste. Daarnaast vrees ik dat het kassameisje, dat driftig bezig is alle artikelen te scannen, mijn vrees niet deelt.
Dus wat doet het Duitse meisje als het eindbedrag verschijnt? Ze haalt haar Duitse pinpas door de Hollandse gleuf. Ik zucht. Het kassameisje wijst naar het bordje. Geen paniek, haar eveneens Duitse vriendin moet toch nog een bikini afrekenen en wil het andere bedrag ook wel even betalen. Denk je dat ze doet? Ze haalt een Duitse pinpas tevoorschijn, pint, faalt. Ook zij heeft geen cash. Mijn OVA, die weet wat ik denk, gniffelt en fluistert “sind Sie blond?”. Sta je dus weer twintig minuten voor niks te wachten. Het kassameisje scant mijn broek en zucht: wat was dat dom zeg! Ik mompel iets terug over een ezel. Dat ze de eerste keer niet op Duitse blondheid bedacht was: tot daar aan toe, maar de tweede had ze moeten zien aankomen. Met kramp in mijn kromme tenen loop ik de winkel uit. Mijn probleem met mensen-achter-een-balie heeft zich uitgebreid tot probleem met mensen-voor-dan-wel-achter-een-balie. Of alles wat zich mogelijkerwijs rond een balie kan afspelen.
Als er dan bij de supermarkt een of andere kampbewoner voor mijn voeten springt, dus voordringt, en ziedend half over de toonbank gaat hangen, is de maat vol. Haar komkommer deugt niet. Bonnetje? Heeft ze niet. Waar is dan die komkommer? Thuis. En dat is maar goed ook want ik had hem ongetwijfeld ergens geduwd waar de zon niet schijnt.
“Dat is dan €3,85”
“Hier heeft u €50,-”
“Heeft u dat niet wat kleiner?”
“Ben bang van niet.”
“Eén euro vijftien erbij dan?”
“Helaas.”
Het kassameisje bijt op haar lip en bekent spijtvol dat ze geen wisselgeld heeft. Ze roept haar collega erbij om in de andere kassa naar wisselgeld te zoeken. Elly, zo heet de collega want dat staat op haar naamkaartje, zoekt haar sleutel, identificeert zich, opent de andere kassa en laat het kleingeld rinkelen. Er zit geen één euro vijftien in de kassa. Over en weer worden moeilijke gezichten getrokken.
“En u kunt echt niet pinnen?”
De klant kan echt niet pinnen. De klant trekt een specifiek soort gezicht naar de caissière. Met een blik die wilde zeggen: luister miep, ik heb je genoeg geld gegeven en ik ga niet weg voordat jij mij elke cent die ik teveel betaald heb, teruggegeven hebt. Het zweet breekt het radeloze kassameisje uit, wat te doen? Dan steekt de klant achter me haar beurs omhoog.
“Ik kan wel wisselen hoor!”
Ik denk: pure mats. Ik zag de opgedirkte losgeldlapper het kassameisje al over de balie trekken en op brute wijze toetakelen, met haar vingers tussen de kassala enzo. Gruwelijk. Dat had ik haar nou ook weer niet gegund, zelfs met mijn mensen-achter-een-balie-aversie. Ik leg mijn producten op de toonbank en besluit om toch maar niet voor de grap met een briefje van vijftig te wapperen. Je moet het ongeluk niet zelf over je afroepen natuurlijk. Met nog trillende handjes scant het kassameisje mijn shampoo en energy drankje.
“Oh, gelukkig! U heeft een pinpas!”
Nog ‘even gauw’ een drukbezochte modewinkel in voor een nieuwe broek. Twee van de drie kassa’s zijn gesloten en voor de enige geopende staat een gigantische stoet mensen. Ik staar naar het bordje met de bekende, commercieel aantrekkelijke kreet en probeer mezelf te kalmeren. De caissières kunnen er ook niet altijd iets aan doen. Voor me staan twee meisjes met een enorme lading koopwaar. Ze blijken Duits te zijn. Op de toonbank, dus praktisch recht voor hun Duitse neuzen, staat een bordje. Op het bordje staat, in het Duits, dat Duitse pinpassen in deze winkel niet werken. Aangezien losgeldlappers schaars zijn, vrees ik het ergste. Daarnaast vrees ik dat het kassameisje, dat driftig bezig is alle artikelen te scannen, mijn vrees niet deelt.
Dus wat doet het Duitse meisje als het eindbedrag verschijnt? Ze haalt haar Duitse pinpas door de Hollandse gleuf. Ik zucht. Het kassameisje wijst naar het bordje. Geen paniek, haar eveneens Duitse vriendin moet toch nog een bikini afrekenen en wil het andere bedrag ook wel even betalen. Denk je dat ze doet? Ze haalt een Duitse pinpas tevoorschijn, pint, faalt. Ook zij heeft geen cash. Mijn OVA, die weet wat ik denk, gniffelt en fluistert “sind Sie blond?”. Sta je dus weer twintig minuten voor niks te wachten. Het kassameisje scant mijn broek en zucht: wat was dat dom zeg! Ik mompel iets terug over een ezel. Dat ze de eerste keer niet op Duitse blondheid bedacht was: tot daar aan toe, maar de tweede had ze moeten zien aankomen. Met kramp in mijn kromme tenen loop ik de winkel uit. Mijn probleem met mensen-achter-een-balie heeft zich uitgebreid tot probleem met mensen-voor-dan-wel-achter-een-balie. Of alles wat zich mogelijkerwijs rond een balie kan afspelen.
Als er dan bij de supermarkt een of andere kampbewoner voor mijn voeten springt, dus voordringt, en ziedend half over de toonbank gaat hangen, is de maat vol. Haar komkommer deugt niet. Bonnetje? Heeft ze niet. Waar is dan die komkommer? Thuis. En dat is maar goed ook want ik had hem ongetwijfeld ergens geduwd waar de zon niet schijnt.
[Nog effe gauw de stad in - deel 1]
Ken je die kreet?
“3 in de rij? Wij openen er graag een kassa bij!”
Maar ze doen het niet. Of ‘wij’ zijn er toevallig nooit op het moment dat ik als vierde, vijfde, zesde, of nog verder achteraan aansluit. Dat schreeuwerige bord lijkt altijd zijn belofte te breken. Ik krijg op zo’n moment spontaan zin om de kreet een beetje aan te passen.
“3 in de rij? Er is tenminste een kassa open, weest u blij!”
“3 in de rij? Bestel online, dat geeft minder zeikerij!”
“3 in de rij? Leve onze consumptiemaatschappij!”
“3 in de rij? Loopt u even terug voor een knolselderij!”
Bekt minstens zo lekker en het is wel zo eerlijk, maar dat zie je nergens. Het is commercieel aantrekkelijker om de klant een leugen voor te houden, namelijk. Dus ondanks die kreet boven de kassa sta ik er regelmatig wortel te schieten. En dat is niet zelden slechts het begin van mijn ergernis.
Volgens mijn OVA heb ik namelijk een chronisch probleem met alles wat zich achter een balie bevindt. Hij ziet het gebeuren. Mijn blik wordt ernstig, mijn handen ballen tot vuisten, lucht wordt met grote kracht uit mijn neusgaten geperst en mijn tenen lijken zich vast te nagelen in de grond. Dat kan zo zijn, maar het is niet mijn schuld dat ik steevast het type kassameisje of baliekluiver tref dat mijn frustratietolerantiegrens tart.
Een willekeurige kledingboetiek. Uitverkoop met stickersysteem. Geel is 20% korting, oranje 25%, rood 30%, et cetera. Als ik ergens de zenuwen van krijg is het een winkelbediende die achter me gaat staan als ik in de spiegel kijk en me dan overlaadt met commercieel aantrekkelijke complimentjes. Dan denk ik: terug achter je balie met dat kassakadaver, vanaf dat punt kun je me nog genoeg ambeteren! Maar dat zeg ik niet. Ik lach vriendelijk en bedank, maar mijn OVA weet beter. Die weet dat mijn tenen zich al in mijn schoenzool boren voordat ik het bewuste item op de balie gelegd heb.
Er zit een oranje sticker op het item. Ik reken: 25% van €50,- is €12,50. Ik moet €37,50 betalen. Kassakadaver slaat aan en dat is dan €25,-. Pinnen? Ik denk: pure mats! Kassakadaver denkt: oeps! Dan begint een lang correctieproces. Eerst vijf minuten met de rekenmachine in de weer om uit te rekenen hoeveel ik te weinig betaald heb. Dan vijf minuten op de kassa rammen om het juiste bedrag op de display te krijgen. Ik kan het betaalde bedrag cash terug krijgen en opnieuw pinnen, maar ik wil gewoon het resterende bedrag pinnen. Dat kan niet. Inmiddels bemoeien twee andere kassakadavers zich met de kwestie. Eén van hen neemt de kassa over en na wat gekibbel deelt ze me mede dat ik €12,50 terug krijg. Ik denk: pure mats. Kassakadaver denkt: oeps! Uiteindelijk ziet een van hen het licht en slaat €12,50 aan. U kunt pinnen. Het mocht godverdomme tijd worden. Tasje erbij? Ja. Mag ik het haakje hebben? Nee. Dacht ik al. Goedemiddag. Ja, tot ik jou zag.
Nou Wen, als dat alles is.
Nee. Het drama zette zich voort.
Let maar eens op.
“3 in de rij? Wij openen er graag een kassa bij!”
Maar ze doen het niet. Of ‘wij’ zijn er toevallig nooit op het moment dat ik als vierde, vijfde, zesde, of nog verder achteraan aansluit. Dat schreeuwerige bord lijkt altijd zijn belofte te breken. Ik krijg op zo’n moment spontaan zin om de kreet een beetje aan te passen.
“3 in de rij? Er is tenminste een kassa open, weest u blij!”
“3 in de rij? Bestel online, dat geeft minder zeikerij!”
“3 in de rij? Leve onze consumptiemaatschappij!”
“3 in de rij? Loopt u even terug voor een knolselderij!”
Bekt minstens zo lekker en het is wel zo eerlijk, maar dat zie je nergens. Het is commercieel aantrekkelijker om de klant een leugen voor te houden, namelijk. Dus ondanks die kreet boven de kassa sta ik er regelmatig wortel te schieten. En dat is niet zelden slechts het begin van mijn ergernis.
Volgens mijn OVA heb ik namelijk een chronisch probleem met alles wat zich achter een balie bevindt. Hij ziet het gebeuren. Mijn blik wordt ernstig, mijn handen ballen tot vuisten, lucht wordt met grote kracht uit mijn neusgaten geperst en mijn tenen lijken zich vast te nagelen in de grond. Dat kan zo zijn, maar het is niet mijn schuld dat ik steevast het type kassameisje of baliekluiver tref dat mijn frustratietolerantiegrens tart.
Een willekeurige kledingboetiek. Uitverkoop met stickersysteem. Geel is 20% korting, oranje 25%, rood 30%, et cetera. Als ik ergens de zenuwen van krijg is het een winkelbediende die achter me gaat staan als ik in de spiegel kijk en me dan overlaadt met commercieel aantrekkelijke complimentjes. Dan denk ik: terug achter je balie met dat kassakadaver, vanaf dat punt kun je me nog genoeg ambeteren! Maar dat zeg ik niet. Ik lach vriendelijk en bedank, maar mijn OVA weet beter. Die weet dat mijn tenen zich al in mijn schoenzool boren voordat ik het bewuste item op de balie gelegd heb.
Er zit een oranje sticker op het item. Ik reken: 25% van €50,- is €12,50. Ik moet €37,50 betalen. Kassakadaver slaat aan en dat is dan €25,-. Pinnen? Ik denk: pure mats! Kassakadaver denkt: oeps! Dan begint een lang correctieproces. Eerst vijf minuten met de rekenmachine in de weer om uit te rekenen hoeveel ik te weinig betaald heb. Dan vijf minuten op de kassa rammen om het juiste bedrag op de display te krijgen. Ik kan het betaalde bedrag cash terug krijgen en opnieuw pinnen, maar ik wil gewoon het resterende bedrag pinnen. Dat kan niet. Inmiddels bemoeien twee andere kassakadavers zich met de kwestie. Eén van hen neemt de kassa over en na wat gekibbel deelt ze me mede dat ik €12,50 terug krijg. Ik denk: pure mats. Kassakadaver denkt: oeps! Uiteindelijk ziet een van hen het licht en slaat €12,50 aan. U kunt pinnen. Het mocht godverdomme tijd worden. Tasje erbij? Ja. Mag ik het haakje hebben? Nee. Dacht ik al. Goedemiddag. Ja, tot ik jou zag.
Nou Wen, als dat alles is.
Nee. Het drama zette zich voort.
Let maar eens op.
Labels:
is nooit grappig,
maatschappij
23 juni 2009
[Bruine tragi-comedy]
M: "En toen vertelde hij dus dat een maat van hem eens met een geleende slipper een drol door het doucheputje gedrukt heeft!"
W: "Gatverdamme - wat is dat toch met jou?"
M: "Hoezo?! Dat heb ik toch niet gedaan?"
W: "Nee, maar alle poep-en-pies-verhalen die ik ken, ken ik omdat jij ze me verteld hebt."
M: "Hm, ja, dat is niet zo mooi nee..."
W: "Ben je stiekem bezig met een nieuw literair genre? 'Excrementie annalen', zo iets?"
M: "Hahaha!"
W: "Een soort bruine tragi-comedy, met bestsellers als: 'De bruine trui', 'De verdwijning van de Jan-Dammer en de geleende slipper', 'De bejaarde bruinwerker'..."
M: "Hm, verdomd, ik zie er wel potentie in!"
W: "Gatverdamme - wat is dat toch met jou?"
M: "Hoezo?! Dat heb ik toch niet gedaan?"
W: "Nee, maar alle poep-en-pies-verhalen die ik ken, ken ik omdat jij ze me verteld hebt."
M: "Hm, ja, dat is niet zo mooi nee..."
W: "Ben je stiekem bezig met een nieuw literair genre? 'Excrementie annalen', zo iets?"
M: "Hahaha!"
W: "Een soort bruine tragi-comedy, met bestsellers als: 'De bruine trui', 'De verdwijning van de Jan-Dammer en de geleende slipper', 'De bejaarde bruinwerker'..."
M: "Hm, verdomd, ik zie er wel potentie in!"
16 juni 2009
[Taal is zeg maar echt mijn ding]
Kassameisje 1: "D-i-s..."
Kassameisje 2: "Nee, nee, d-y-s-l-e..."
Kassameisje 1: "x-y. Nee, ie."
Kassameisje 2: "Je zal het maar hebben, dan kun je het niet eens spellen!"
Kassameisje 1: "Nou, daar hoef je het niet eens voor te hebben hoor."
Kassameisje 2: "Toch is het knap lullig, wie verzint nou zo iets?"
Wen: "Inderdaad een tamelijk ironische kwelling."
Kassameisje 2: "Dus d-y-s-l-e-x-i-e."
Wen: "Jep."
Kassameisje 1: "Toch sneu voor al die dyslexische mensen."
Wen: "Dyslectische. Het is dyslexie en dyslectisch. Dat is om het makkelijk te houden."
Kassameisje 2: "Zo, jij weet er een hoop vanaf!"
Ik leg het boek van Paulien Cornelisse op de toonbank om het af te rekenen.
Wen: "Mja, taal is zeg maar echt mijn ding."
Kassameisje 1: "Haha, 'taal is zeg maar...', zo heet dat boek! Haha!"
Kassameisje 2: "Dat is dan twaalf euro vijfenzeventig, dank je wel, en zeven euro vijfenzeventig terug."
Wen: "Kijk, en dat heet dyscalculie, d-y-s-c-a-l-c-u-l-i-e."
Kassameisje 2: "Nee, nee, d-y-s-l-e..."
Kassameisje 1: "x-y. Nee, ie."
Kassameisje 2: "Je zal het maar hebben, dan kun je het niet eens spellen!"
Kassameisje 1: "Nou, daar hoef je het niet eens voor te hebben hoor."
Kassameisje 2: "Toch is het knap lullig, wie verzint nou zo iets?"
Wen: "Inderdaad een tamelijk ironische kwelling."
Kassameisje 2: "Dus d-y-s-l-e-x-i-e."
Wen: "Jep."
Kassameisje 1: "Toch sneu voor al die dyslexische mensen."
Wen: "Dyslectische. Het is dyslexie en dyslectisch. Dat is om het makkelijk te houden."
Kassameisje 2: "Zo, jij weet er een hoop vanaf!"
Ik leg het boek van Paulien Cornelisse op de toonbank om het af te rekenen.
Wen: "Mja, taal is zeg maar echt mijn ding."
Kassameisje 1: "Haha, 'taal is zeg maar...', zo heet dat boek! Haha!"
Kassameisje 2: "Dat is dan twaalf euro vijfenzeventig, dank je wel, en zeven euro vijfenzeventig terug."
Wen: "Kijk, en dat heet dyscalculie, d-y-s-c-a-l-c-u-l-i-e."
[Humorbemiddeling]
Waar Hoogeveenen bekend staan om hun aan Sahelklimaatgrenzend droge humor, staan de Schrama's vooral bekend om hun onderbroekenlolletjes. Aangezien ik uit beide families wel wat genen bezit, valt er voor mij op familiebijeenkomsten altijd wel iets te lachen. Het grappigst wordt het wanneer een Hoogeveen een typische Hoogeveengrap aan een Schrama probeert over te brengen, of vice versa.
Hoogeveen: Een koning die tot in de late uurtjes werkt.
Schrama: Ehhh, eh, eeuuuuhhh....
Hoogeveen: Nou? Het is een cryptogram, weet je het al?
Schrama: Ja eh, dat is me te moeilijk hoor.
Hoogeveen: Een nachtvorst, haha!
Schrama: Oh...
U vangt mijn tocht. We probeerden het nog eens.
Hoogeveen: Een Topper op de plee.
Schrama: Ehh, René Froger?
Hoogeveen: Ja waar slaat dat nou weer op?
Schrama: Die zal toch ook wel eens op de poepdoos moeten?
Hoogeveen: Ja. Toch is het fout.
Schrama: Okay, Jeroen dinges, hoe heet-ie...
Hoogeveen: Nee.
Schrama: Nee? Als ik hem was zou ik de schijt krijgen van die andere twee.
Hoogeveen: Zo moeilijk is het niet, kom, denk na!
Schrama: Ik geef het op.
Hoogeveen: Gordon sanitaire! Hahaha!
Schrama: *stil* Is dat het? Nou, daar vind ik nou geen ene reet aan.
Hoewel je mij op dit punt al bijna kon opdweilen (niet zo zeer om de grappen als wel om de reacties), was dit mopje verder weinig sfeerbevorderend. Nu treft ons het geluk dat we er tegenwoordig een bemiddelende factor bij hebben die de naam Keijzer draagt. Hoedie-utdoetdoetie-ut, maar hij heeft de lachers van beide partijen binnen no time op zijn hand. Iedereen blij.
Keijzer: Een topper die een blauwtje loopt.
Hoogeveen: Ehhh...
Schrama: Euh...
In stereo: Gordon bleu! Hahahahaha!
Nadeel is dat ik voortaan niet naar een familiefeest kan zonder een grote bus zout mee te brengen.
Hoogeveen: Een koning die tot in de late uurtjes werkt.
Schrama: Ehhh, eh, eeuuuuhhh....
Hoogeveen: Nou? Het is een cryptogram, weet je het al?
Schrama: Ja eh, dat is me te moeilijk hoor.
Hoogeveen: Een nachtvorst, haha!
Schrama: Oh...
U vangt mijn tocht. We probeerden het nog eens.
Hoogeveen: Een Topper op de plee.
Schrama: Ehh, René Froger?
Hoogeveen: Ja waar slaat dat nou weer op?
Schrama: Die zal toch ook wel eens op de poepdoos moeten?
Hoogeveen: Ja. Toch is het fout.
Schrama: Okay, Jeroen dinges, hoe heet-ie...
Hoogeveen: Nee.
Schrama: Nee? Als ik hem was zou ik de schijt krijgen van die andere twee.
Hoogeveen: Zo moeilijk is het niet, kom, denk na!
Schrama: Ik geef het op.
Hoogeveen: Gordon sanitaire! Hahaha!
Schrama: *stil* Is dat het? Nou, daar vind ik nou geen ene reet aan.
Hoewel je mij op dit punt al bijna kon opdweilen (niet zo zeer om de grappen als wel om de reacties), was dit mopje verder weinig sfeerbevorderend. Nu treft ons het geluk dat we er tegenwoordig een bemiddelende factor bij hebben die de naam Keijzer draagt. Hoedie-utdoetdoetie-ut, maar hij heeft de lachers van beide partijen binnen no time op zijn hand. Iedereen blij.
Keijzer: Een topper die een blauwtje loopt.
Hoogeveen: Ehhh...
Schrama: Euh...
In stereo: Gordon bleu! Hahahahaha!
Nadeel is dat ik voortaan niet naar een familiefeest kan zonder een grote bus zout mee te brengen.
2 juni 2009
[Groeten uit Boedapest]
- Een bloederig brein. Boedapest had goede cocktails die dienst deden als pleister op de wond die het slechte weer veroorzaakt had.- Het warme, zonnige zomerweer in Boedapest was beduidend kouder en natter dan ingecalculeerd – zodoende ijsmuts en moessonponcho’s gekocht en lekker anoniem voor lul gelopen.
- De Donau is niet blauw maar grauw, liedje moet worden aangepast naar ‘An die schöne graue Donau’.
- Hongarije is mijn eerste vakantieland waarvan ik aan de taal echt geen touw kan vastknopen (ok, gulash, daar dan), zelfs Pools was makkelijker.
- Hoewel met 10 graden aan de frisse kant toch buiten gaan zwemmen – had verdomme niet voor niks nieuwe bikini gekocht en nat waren we toch al.
- Boedapest is een relaxte stad, niets moet – alles mag, maar wel op eigen risico (voedselvergiftiging, instortingsgevaar, vergassing etc).
- Gemiddeld 25 km per dag gelopen – toeristen-OV-pasjes zijn voor mieten.
- Kont eraf gevroren in nucleaire bunker en andere geheime ondergrondse onderkomens.
- Huzaren gezien, heuse echte! En mosterdgulash is een aanrader.
- Als je kip gevuld met pruimen en blauwe kaas bestelt, krijg je er ‘complimentary mosquitos’ bij, dood welteverstaan – spreekwoord moet worden aangepast naar ‘iemand blij maken met een dode mug’.
- Aan de oostblokgrens door de varkenspestscanner gehaald – vooralsnog clean.
- In het vliegtuig stappen, 3 verschillende kranten aangeboden krijgen, alledrie groot voorpaginanieuws vliegramp... Nein danke.
Meer foto's: klik!
Abonneren op:
Posts (Atom)

